Latest Posts

Gastblog Moeder woont in La Vachette II.

Voor Gastblog Moeder woont in La Vachette I, klik hier!

Ja inderdaad, van die moeder die in Frankrijk was. Logisch wel, want Ruby heeft er maar één. Ze is weer in Nederland na twee maanden La Vachette.

De horizon was verbreed.
Nog iets breder zou fijn zijn geweest, maar zoveel ruimte biedt een Frans confinement  (lock down in goed Nederlands) nou ook weer niet.
Daarnaast was er diep en lang nagedacht en belangrijke conclusies getrokken. Kortom de zaadjes voor het nieuwe leven als pensionado in Frankrijk waren geplant. Nu alleen nog even naar Nederland om Ruby’s vader van de noodzaak van een en ander te overtuigen en ons eigen ‘ik vertrek’ kon uit de startblokken.

Met heel veel pijn in mijn hart verliet ik La Vachette. Tigrou en Ruby, Fiekje, Thib, de prachtige bergen, de onverstaanbare overbuurman, zelfs de schimmelige hond van de skileraar; ik had het allemaal in mijn hart gesloten. Gelukkig zou ik snel terugkomen.

Maar Nederland is ver en twee dagen in de auto zijn lang.
Er moest een flink aantal hindernissen worden genomen. Zoals bijvoorbeeld de warboel aan snelwegen tussen Grenoble en Lyon. Mijn haren gaan daar altijd recht overeind staan. Ik had me dus extreem goed voorbereid, de te volgen wegnummers uit mijn hoofd geleerd en wist zodoende op het moment suprême zeker, dat de routeplanner me verkeerd stuurde. Het resultaat was een hoop gezwabber van de ene rijbaan naar de andere.
Dan bij de tolpoortjes, het scenario waar ik altijd al bang voor was. Het poortje waarbij ik moest afrekenen lustte geen plastic, niet van de bank en niet van de Visa.
En tot slot de uitsmijter van rijdag één: het Ibis budget hotel, waarvoor ik toch echt een reservering op zak had, was donker en potdicht.
De tweede dag van de thuisreis, kwam ik, in het kader van de wet van het behoud van ellende, met nog maar heel weinig benzine, tot mijn ontzetting terecht op die ene Belgische snelweg waar je nergens kunt tanken.

Alles kwam natuurlijk goed. De mevrouw in de routeplanner nam gewoon een andere weg, want net als naar Rome leiden een heleboel wegen naar Lyon. Het tolpoortje at weliswaar geen plastic, maar echte bankbiljetten vond het heerlijk. Bij het gesloten Ibis budget dook uit de struiken een medewerker op, die waarschijnlijk uitlegde (Frans hè) dat het een beetje onrendabel was om voor mij alleen de hele zaak open te houden (zelfs budget) en daarom mocht ik naar de ‘gewone Ibis’ een paar straten verderop. En natuurlijk viel ik in België niet zonder benzine, dat mocht ik willen. Het verbruik van mijn kleine rode koekblik, dat alleen een dealer een auto noemt, staat in geen verhouding tot de slurperd die we ervoor hadden. Ik kom uit een autofamilie, met bijbehorende autograppen. Het was zo’n auto waarvan mijn broers zouden zeggen, dat wanneer je aan de pomp de motor laat draaien, de tank nooit vol raakt. Toen ik nog maar net in mijn huidige olienoot reed, heb ik dan ook vaak gedacht dat de benzinemeter stuk was. Ik had België op de resterende drie druppels benzine met gemak nog een paar keer kunnen doorkruisen.

Allemaal ‘non-avonturen’ dus, maar toch slaakte ik een zucht van verlichting toen ik de parkeerplaats voor onze flat opdraaide. Het ‘blij weer thuis te zijn?’, van mijn man beaamde ik hartgrondig, de emigratieplannen konden best even wachten tot de volgende dag.

En toen gebeurde waar ik eigenlijk in Frankrijk al bang voor was. Het dagelijks leven hernam zijn loop. En als er iets taai is en niet voor verandering openstaat, dan is dat je dagelijks leven.

Mijn man vond het een geweldig idee om naar Frankrijk te emigreren, maar dacht ongeveer een jaar nodig te hebben om alles in Nederland af te ronden. Best logisch natuurlijk, je kunt niet verwachten dat iemand gelijk gaat pakken. 
Intussen hield ik de Franse vibe erin….zo lang mogelijk. Draaide ik ’s morgens de verwarming open, dan vergat ik nooit even te vermelden, hoe geweldig het is om een echt vuur te stoken in een houtkachel met zelf gehakte houtblokken (nou ja, door iemand anders ‘zelfgehakt’). Zeker leuk die bomen achter ons huis, maar het waren natuurlijk geen bergen. Ik presteerde het zelfs enthousiast te vertellen over de vissen die me vanaf hun ijsbedje aanstaarden bij het binnenlopen van de Carrefour. Dit vond vooral mijn man een heel bijzondere aanprijzing, want voor zover hij weet, griezel ik van vis en dan vooral van vis die nog op vis lijkt. Mijn kinderen hebben jarenlang gedacht dat de zeeën bevolkt werden door gepaneerde rechthoekjes.

In het volste vertrouwen dat het thuisfront zich zo langzamerhand wel realiseerde dat in Frankrijk alles beter was, leek het me eigenlijk niet nodig het voortdurend te blijven benoemen. Het kwam er ook niet altijd meer van. Daarbij is het soms toch best gemakkelijk dat je ’s morgens niet eerst in je pyjamaatje in min vijf naar buiten hoeft voor hout, om dat dan binnen in pak hem beet, plus vijf aan de praat proberen te krijgen.  Met bomen in je achtertuin is verder ook niet echt iets mis en de Appie is best prima gesorteerd (alleen de visafdeling is wat beperkt… gelukkig). 


Er dreigt dus groot gevaar voor mijn verhuisplannen, van de kant van het dagelijks leven. Zoals gezegd heeft het een broertje dood aan veranderingen en dat is niet het enige. Het is ook best schijnheilig. Het gaat helemaal mee in de gedachte dat ‘alles anders moet’, maar  laat vervolgens nooit na om even langs zijn neus weg te zeggen, dat dit natuurlijk heus niet gelijk vandaag hoeft.  Dat je bijvoorbeeld best eerst nog even naar ‘heel Holland bakt’ kunt kijken, The Bridgertons af flixen en een potje tennissen.  Morgen is voor ‘het dagelijks leven’ altijd vroeg genoeg.

En zo vliegt de tijd voorbij en rol je van de ene dag in de andere. En misschien word je op een dag wel wakker en kijk je in de spiegel en nee, dan is het niet je moeder die je aankijkt, maar je eigen ouwe koppie. En dan zou de tijd van het ‘ik vertrek’ wel eens zomaar zonder enig vertrek voorbij gegaan kunnen zijn.

Het is dus zaak je niet in de luren te laten leggen. Dat ik van de ene lock down in de andere val maakt het lastig, maar mijn fantasie heeft gelukkig nog vrij reizen.

Daarom krijgt het bij deze de beschikking over de komende tien jaren, met de opdracht ze geheel naar eigen inzicht en smaak in te richten. Het mag er heel Frankrijk voor door (wel in overleg met Ruby en Fieke graag!) en wat mij betreft doet het ook nog een rondje Nederland. Ik wacht de resultaten in spanning af. Ben heel benieuwd waar het mee aan gaat komen.
En dan rest míj alleen nog even de vertaalslag maken naar de realiteit…eitje toch….

Drie oude dametjes Deel II (Fictie)

Klik hier voor deel I!

Terwijl mijn vader de waardin hielp met de schoonmaak, hield ik de wacht op het terras. Ik zag toeristen met glitterschoenen en grote camera’s richting de hut lopen, Noordelijke families met verbrandde vaders, alpinisten met tassen en touwen en gidsen die me ter plekke over mijn bol aaiden en vroegen wat mijn laatste beklimming was geweest. ‘Agneaux’, zei ik dan met een klein beetje teleurstelling.

Toen één zo’n stomme gids me optilde, op de kop naar binnen droeg en tegen mijn vader zei dat ‘ie onderweg iets grappigs had gevonden, waardoor ik natuurlijk heel hard moest tegenstribbelen en lachen en helemaal niet meer oplette, schuifelden de dametjes ongezien de hut binnen en namen plaats achter dezelfde tafel als vorige keer. Na een uur lang stiekem kijken – er gebeurde niet zoveel – en al mijn moed bij elkaar te hebben geschrapt, liep ik voorzichtig op ze af. Van dichtbij waren ze nog véél ouder.

‘Uh…’ begon ik voorzichtig. Ik durfde ze niet aan te kijken.
‘Uh… Hoe… Hoe lopen jullie dat hele eind naar boven. Ik bedoel…’ Nog steeds keek ik naar de neuzen van mijn bergsloffen, zag een blauw bolletje wol op de grond liggen vlak naast een dikke beige voet in een sandaal. ‘Ik bedoel, het is best wel… u bent best wel…’ Vlug keek ik op, de linker glimlachte.
‘Lief kind, we lopen niet naar boven. We lopen naar beneden.’
Ik rende weg, de keuken in naar mijn vader die wortels aan het snijden was voor zijn waardin.
‘Pap! Ze komen van boven! Ik heb het ze gevraagd!’

Nu ik wist dat ze van boven kwamen was eigenlijk nog niets opgelost. Ik zou ze moeten volgen naar hun woonplek, hun bejaardentehuis op hoogte, hun graf desnoods, maar ik had die vrouw van de hut beloofd dat ik haar zou helpen koken. Of eigenlijk had ik dat aan mij vader beloofd, maar goed.

Van boven de grote soeppan kondigde ik aan dat ik nu toch wel echt graag de Dibona wilde beklimmen, of de Sialouze, want het bleef de hele week goed weer en we hadden nog heel veel vrije dagen. Mijn vader suggereerde Arête de Cinéaste of Point Louise, beiden niet ver van de hut, maar ik zei ‘nee’. Ik zou de volgende middag achter de dames aanlopen en ontdekken waar ze vandaan kwamen, daarna zouden we afdalen en doorgaan naar een andere hut. Dat was de planning van nu af aan.

Tijdens het avondeten vertelde een oude vriend van mijn vader, die zijn klanten alleen had gelaten boven hun soep (mijn soep dus), dat hij op de terugweg van zijn tocht, Point Louise, langs een opening in de bergen was gelopen, bijna een soort grot, en dat hij even binnen had gekeken.
‘Weet je wat ik daar zag, in die grot?’
‘Nee.’ Wat hij ook zag, het was toch niet waar.
‘Drie fauteuils.’
‘Nee.’
‘Jawel.’
‘Waar dan?’
‘Vlak naast de gletsjer, een beetje onder een overhang.’
Ik keek naar mijn vader, die keek heel serieus.
‘Jullie houden me allebei voor de gek. Ik weet waar dat is. Daar zit geen grot.’
‘Niemand weet ervan,’ fluisterde de vriend terwijl hij zich naar mij toe boog. Ik keek intuïtief even om me heen. ‘Je ziet hem alleen als je weet dat íe bestaat.’

Ik twijfelde.
‘Vreemd’, zei mijn vader. ‘Ik zou hem niet geloven.’
‘Nou’, zei de gids, ‘ik weet wat ik gezien heb.’

Ik fronste mijn wenkbrauwen en moest even nadenken.

Toen had ik een ingeving: Ik liep naar de klanten boven mijn soep en vroeg: ‘Zijn jullie vandaag bij een grot gestopt?’
Het viertal keek me verbaasd aan.
‘Ja of nee?’
De oudste knikte langzaam ja.
‘En hebben jullie daar stoelen gezien?’
Weer knikte hij langzaam.
‘Hoeveel?’
‘Uh…’
‘Hoeveel?’ herhaalde ik.
‘Drie’, zei hij opeens met veel zekerheid.
‘Weet u het zeker?’
‘Nou ja, het was wel heel donker, maar het waren er toch echt wel drie, ja.’

Die avond won ik met schaken van zowel mijn vader als de gids en mocht ik van de waardin zelf mijn dessert kiezen, wat een kom vol chocoladepastilles werd die ik niet eens op kreeg voor ik op de bank naast mijn vader in slaap viel.

’s Nachts had ik echter een nieuw probleem: er stonden drie fauteuils in een grot richting Point Louise en ik geloofde daar natuurlijk niets van, maar er waren ook nog drie vrij rondlopende dametjes en ik moest nog maar zien hoe dat allemaal verklaard kon worden.

Klik hier voor deel III!

Immigrant

De gepensioneerden van het dorp zijn dolgelukkig met de vannacht gevallen sneeuw, al zouden ze het niet toegeven. Al vroeg in de morgen klinkt het geschraap van hun sneeuwschuivers. Het gevallen laagje in het dorp is nauwelijks een gymp hoog * en hindert dus geenszins de gang van het dagelijks leven, maar geeft hen een excuus om samen te komen en nieuwtjes uit te wisselen, leunend tegen hun schep. Want daar zijn ze allemaal dol op.

Tegen tienen leen ik de enorme schep van de buren en maak toch maar het paadje schoon dat tussen onze boerenhuizen slingert, een onuitgesproken dorpsplicht die ik zelf nogal eens nalaat, want ik ben zo’n immigrant die sneeuw alleen maar ziet als iets leuks.

Die middag sneeuwt mijn bescheiden bijdrage doodleuk onder.

Met plezier trek ik daarom mijn ski’s uit de kast en zet ze op het pad richting Montgenèvre. Het dorp ligt vlak na de col achter La Vachette, tegen Italië aan. Ik ken de weg niet, het bos niet, alleen de richting. Hoe hoger ik kom, hoe meer moeite ik moet doen om het spoor uit te stampen. Er is geen ziel in het bos, alleen een fikse wind die sneeuwvlokken in mijn ogen blaast. Alles wordt zeiknat, de huid van mijn gezicht gloeit van kou, sneeuw grijpt zich vast aan mijn paardenstaart die volledig bevriest. Soms kom ik voetstappen tegen die verdwijnen, soms raak ik het pad kwijt onder de sneeuw. Ik ben zo gelukkig dat ik zin heb om voor altijd in een sneeuwvlok te veranderen.

Vlak voor Montgenèvre maak ik uiteindelijk ommekeer, omdat ik geen zicht meer heb op de helling die zich boven me bevindt en al die gelukkige sneeuw niet graag in één keer op mijn kop krijg. Ik klik mijn ski’s vast en dein vervolgens naar beneden, heen en weer door de poedersneeuw, plons plons tussen de bomen door, voel me net als een dier in het doodstille wild.

Maar dan hoor ik stemmen. Verbaasd kijk ik om me heen, zie niemand. Voetstappen verschijnen echter in de sneeuw naast het pad, die vervolgens omhoog het bos in lopen. Twee meter later zie ik een drietal volwassen mannen achter een stel bomen. In het blauw. Het is de politie. Ik zeg ‘bonjour’, zij zeggen me ‘bonjour’ en ik glij door.

Geen moment heb ik erbij stilgestaan dat immigranten precies dit pad nemen om Frankrijk binnen te komen. Ik kan me er nauwelijks iets bij voorstellen. Niet bij de oversteek van de immigranten door de sneeuwstorm, niet bij de interventie van de politie die dan plotseling achter die bomen vandaan springt.

De rest van de afdaling tuur ik om me heen, enerzijds opzoek naar politie achter bomen, anderzijds opzoek naar immigranten achter bomen.

Met een wringend gevoel loop ik uiteindelijk tussen de boerenhuizen door naar het onze, klop mijn schoenen uit en zet mijn ski’s tegen de rand van het balkon. Een immigrant in skipak, met rode wangen en zeiknatte haren, is wat ik in de spiegel zie. Zo eentje uit het platte, lage Noorden die nogal eens vergeet om de vers gevallen sneeuw van de dorpspaden te schuiven.

*Het soort sneeuwval dat leuk zou zijn voor skiërs die zelf niet groter zijn dan twintig centimeter; ik zou een verhaal moeten schrijven over een bergdorp waarin de lengte van de bevolking zich ’s winters aanpast aan de hoeveelheid gevallen sneeuw (klimaatverandering voor hen zou rampzalig zijn).  


Drie oude dametjes



Mijn vader is berggids. Mijn moeder was er ook een, een hele stoere als ik de foto’s mag geloven, maar ik word zelf liever helikopterpiloot zodat ik al die sukkels in de bergen op kan komen halen wanneer ze in de problemen zitten.

We wonen in Vallouise, aan het begin van een vallei die uiteindelijk opklimt naar hoge bergen zoals de Pelvoux, Ailefroide en Barre des Ecrins. Deze zomer neemt mijn vader zijn klanten echter alleen mee naar Les Agneaux.

Hij wilde eerst niet zeggen waarom, maar toen ik een keertje met ze meeliep wist ik snel wat er zo interessant was aan die berg, namelijk de hut eronder, en vooral de waardin die deze zomer in functie was getreden. Ik had hem gewaarschuwd dat hij niet de enige gids was die plotseling nogal schaapachtig lachte wanneer het diner uitgeserveerd werd, maar toen wist ik nog niet dat hij al weken in het lager van het personeel sliep.

Ze was vast heel aardig, ik bedoel, ze had vriendelijke ogen, maar ik was de belangrijkste vrouw in het leven van mijn vader en daarbij, tijdens zijn enige vrije week deze zomer, mìjn week, wilde hij plotseling Les Agneaux beklimmen. Ik had die stomme berg al drie keer beklommen. Ik beklom liever de Sialouze of de Dibona want die hadden beide een véél mooiere naam.

Dus dat had ik tegen hem gezegd.

‘Maar lieverd’, antwoordde hij, ‘Les Agneaux, de lammetjes, die naam vond je vroeger meer dan briljant! Wat is er nu anders?’
‘Jij en die vrouw.’
‘Vind je het niet leuk dat ze in een hut werkt? Dat we er altijd kunnen komen eten? Ze maakt hele lekkere soep.’
‘Wie vindt soep nou lekker.’
‘En lasagne.’
‘Bah.’
‘Ze hebben er heel veel leuke spelletjes.’
‘Met wie moet ik spelletjes spelen als jij soep eet met die vrouw?’
‘En daarbij, ze vertelt ons alle geheimen van de hut.’
‘Welke geheimen? Er zijn geen geheimen. Die ga je nu verzinnen.’
‘Nee hoor, maar ik ga ze je niet vertellen.’
‘Ze zijn er toch niet.’
‘Jawel, maar jij zal ze nooit weten.’
‘Vertel er dan één.’
‘Nee.’
‘Jawel.’
‘Nee.’
‘Nou dan kom ik niet.’
‘Er is het geheim van de drie oude dametjes.’
‘Welke dametjes?’
‘Ze komen blijkbaar elke middag theedrinken en ze zijn héél oud.’
‘Heb je ze gezien?’
‘Één keer.’
‘Hoe oud waren ze dan?’
‘Negentig. Op zijn minst. Kunstgebit, stok, breiwerk, alles erop en eraan.’
‘Ik geloof er niets van. Ze zijn vast zeventig. Iedereen loopt daar ’s zomers naar boven, het is net een snelweg.’
‘Als je me niet gelooft moet je zelf maar komen kijken.’
‘Ik geloof je niet.’

Zondagmiddag liepen we naar Refuge de Glacier Blanc, samen met een hele horde toeristen, en stelde ik vast dat dametjes van negentig jaar nooit dit pad zouden kunnen volgen en mijn vader me erin geluisd had. Maar goed, ik had hem toch niet geloofd.

Eerst aten we soep, daarna lasagne en voor spelletjes hadden we geen tijd meer omdat we de volgende morgen vroeg op moesten voor Les Agneaux. We sliepen beiden die nacht in het gidsenlager waardoor ik me stiekem erg stoer voelde. Net zo stoer leidde ik daarom tegen vier uur ‘s ochtends de weg naar de berg, in het donker, met wel vier touwgroepen die me volgden. En bovenop Les Agneaux was ik absoluut voor altijd de allerbelangrijkste vrouw in het leven van mijn vader.

‘Kijk, daar zijn ze’, fluisterde hij die middag langs zijn bierglas, terwijl hij wees naar de ingang van de hut. Ik volgde zijn blik en zag eerst een stok in het deurgat verschijnen, daarna een dikke voet in een steunkous in een sandaal, en daarna een paarse bloemenrok, gevolgd door de rest van een krom vrouwtje met dikke brillenglazen en een dot grijze haren bovenop het hoofd. De tweede droeg een lange witte vlecht langs haar zijde en had enorme hangende borsten die misschien wel tot haar navel kwamen en de derde liep relatief recht op, al was ze nog steeds niet langer dan een meter of anderhalf.
‘Maar ze zijn er écht!’ fluisterde ik ongelovig.
Ze schuifelden richting een tafel aan de overkant van de eetruimte. De waardin snelde aan met een drietal kussens, nam een drietal wandelstokken aan en wachtte tot ze alle drie zaten. In een rijtje.
‘Maar pap, ze zijn écht heel oud!’
‘Ik zei het je toch.’
‘Hoe kan dat nou?’

We zwegen en analyseerden de situatie. De dames haalden hun breiwerkjes tevoorschijn en zeiden af en toe iets tegen elkaar, namen kleine slokjes thee en bewogen verder niet veel.
‘Misschien worden ze afgezet met de helikopter,’ suggereerde mijn vader.
‘Nee joh, dat zouden we horen.’
‘Met de ezel?’
‘Je kan dat echt niet meer op een ezel zetten, denk ik.’
‘Misschien… wonen ze wel in de bergen.’
‘Hoe dan?’
‘Misschien…’ Hij gniffelde. ‘Misschien zijn het wel oude spoken. Dames die vroeger klommen en in één van deze bergen om zijn gekomen.’
‘Grapjas.’
‘Heb jij een betere verklaring?’
‘Ik denk…’ Ik had geen idee. ‘Ik denk dat ze, dat ze…’
De waardin was naar ons toe komen lopen en onderbrak me. ‘Je vader had niet gelogen, toch?’

Die nacht sliep ik slecht. Ik was heel moe maar tegelijkertijd begreep ik er geen bal van. De volgende dag zou ik op onderzoek uitgaan.

Klik hier voor deel II!


Van Dynafit Vulcan naar Scarpa F1


Leeswaarschuwing: Dit verhaal bevat een hoge dosis informatie die uiterst oninteressant zou kunnen zijn voor mensen die niet skiën.

Sinds ik een nieuw paar skitoerschoenen heb gekocht, sta ik voor een iets wat lastige keuze. Alhoewel ik normaal gesproken niet bijzonder gepassioneerd over materiaal zou schrijven, kan ik me nu toch niet inhouden. Het is namelijk wel leuk, dat staaltje techniek tussen ski en voet.

Voor zij die de skitoerschoen niet goed kennen, hier eerst kort een omschrijving.

Tijdens een skitocht moet de skitoerschoen zelf omhoog lopen. Iedereen die welleens onverhoopt een flinke afstand heeft overbrugt op pisteschoenen, weet dat ze er niet voor gemaakt zijn. De skitoerschoen wél. Die loopt omhoog en skiet naar beneden.

Voor het omhooggaan is de schoen flexibel, bijna als een ‘echte’ schoen, en gelukkig een stuk minder zwaar dan de pisteschoen. Voor het afdalen is de schoen echter stijf, met de mogelijkheid tot een solide druk van het scheenbeen op de ‘tong’ van de schoen (languette in het frans, de voorflap), ongeveer zoals in een pisteschoen. In de skitoerschoen zit daarom een mechanisme dat de modus van de schoen verandert van ‘klimmen’ naar ‘dalen’.

Alhoewel de technologie achter de skitoerschoen elk jaar verbeterd, waarover bergmateriaalfanatici gesprekken kunnen voeren die in principe geen einde hebben (ongelofelijk), komt de keuze voor een toerskischoen aan op een compromis: lichte, flexibele schoenen zijn minder rigide voor de afdaling, maar rigide schoenen voor de afdaling zijn zwaarder en minder flexibel voor de beklimming. Bij aanschaf van een skitoerschoen moet je dus bepalen waar je zo ongeveer de balans wilt hebben (meer comfort voor omhoog of meer rigiditeit voor naar beneden, of uiteraard iets in het midden). Het gewicht kan varieëren van nauwelijks een kilo tot een kilo of vijf, de schoen in daalstand kan stijf zijn een als echte pisteschoen of slap als… soep.

Deel van deze keuze is zeker ook de prijs, die flink kan oplopen.

Tweedehands toerschoenen van vijftig euro zijn zeker te vinden, maar het risico voor die prijs is dat ze zwaar of slap zijn (meestal zijn het modellen die nog niet hebben genoten van de technische vooruitgang in skitoerschoenland). Skiën op een soepschoen, met name als beginner, is écht een stuk moeilijker dan skiën in een pisteschoen. Off-piste skiën is daarbij überhaupt al vrij uitdagend – denk aan sneeuw met een laag ijs erbovenop – waardoor het plezier tijdens een afdaling met twijfelachtig materiaal soms ver te zoeken is.

Beginner, pas op voor de soepschoen (ik spreek uit ervaring).

Het andere uiterste is te vinden bij de schoenen van Pierre Gignoux: Handgemaakt, carbon, vederlicht en tegelijkertijd ongetwijfeld stijf als recent gestort beton rondom een nog warme voet, een prijs die kan oplopen tot bijna 2000 euro. Ik ken niemand die zich aan dit paar waagt, maar kan me voorstellen dat ze in de wereld van skitoercompetitie veel voorbijkomen.

Examenkandidaten voor de ENSA besteden bij de aanschaf van een nieuw paar zo tussen de vier- en zeshonderd euro (gelukkig zit er vaak korting op). De nadruk ligt bij ons behoorlijk op de afdaling, waardoor we vrij stijve schoenen kiezen die misschien iets zwaarder zijn voor de beklimming. Voor de geïnteresseerden: Populair zijn Tecnica Zero G, Scarpa Maestrale RS, Scarpa F1, Salomon MTN.

(Sommige voeten passen overigens beter bij de vorm van sommige merken).

Nu heb ik een opleider, Yann Mimet de Magiër, die prachtig zou kunnen afdalen op een paar Crocs vastgetaped aan twee grote pollepels. Hoe beter je skiet, hoe sneller je weg kunt komen met een paar schoenen dat niet persé heel vriendelijk is voor de afdaling. Met dat in gedachten koos ik vier jaar geleden voor de Dynafit Vulcans: 3,2 kilo, vrij zwaar en wat minder flexibel voor de beklimming maar heel rigide voor de afdaling. Kortom, goed voor iemand die in principe nog moet leren skiën.

Mijn Vulcans begonnen echter zorgwekkende ouderdomstrekjes te vertonen en daarom dacht ik begin dit seizoen, optimist die ik ben, de balans te kunnen verschuiven naar een lichtere schoen: De Scarpa F1, 2,2 kilo en een stuk meer bewegingsruimte voor de beklimming. Daarbij kost het omzetten naar daalstand me zo’n dertig seconden (in vergelijking met de Vulcans: minuut of vier? Relevant voor een examen!).

Trots op mijn nieuwe schoenen presenteerde ik mezelf deze CRET aan het skistation, om vervolgens applaus te ontvangen van mijn opleider wegens de magistrale valsessies die ik voort wist te brengen. Kortom: Ik moest er nogal aan wennen. Vaak vond ik mezelf terug met mijn gewicht naar achteren, gedoemd om elke hobbel of bobbel als fataal te ondergaan, constant in gevecht om mijn balans te behouden. Waar ik in de Vulcans mezelf eenvoudig kon vastplakken aan hun enorme, rigide languettes en me zodoende door het terrein kon navigeren, voelde ik me in de F1 als een rubberbootje op een oceaan in noodweer.

Het heeft de hele stage gekost om aan de schoenen te wennen en mijn stabiliteit terug te vinden. Toch sta ik in de Vulcans vooralsnog iets sterker. De vraag is nu natuurlijk: Op welke schoenen zal ik me de rest van deze vreemde (!!) skitijden voorbereiden?

Het verschil tussen de twee schoenen tijdens de beklimming is best relevant, want 1500 hoogtemeter op de F1 bespaart me energie die ik goed kan gebruiken tijdens de afdaling. Zal ik echter dusdanig aan ze kunnen wennen, dat ik ze zelfs mee durf te nemen naar een eng couloir vol obstakels met twee kritische examinatoren aan de bodem?

(Kleine kanttekening: Ik vind mijn nieuwe schoenen heel mooi.)

(Nog een kleine kanttekening: Ik heb geen idee in welke mate de productie van al deze schoenen en hun materialen schade toebrengt aan het milieu, een milieu waarvan de conservatie nogal belangrijk is voor toerskiërs. Dat is dus nog om uit te zoeken.)

Zeven Kilo Kat

Telkens wanneer ik de deur open voor Tigrou moet ik denken aan de kogelvis; die ene die opzwelt wanneer bedreigt door een ander zeedier. Temperaturen buiten liggen al dagen ver onder nul en Tigrou is zo breed als lang wanneer hij door het couloir naar zijn voederbak loopt, doorgaans zijn eerste bestemming binnenshuis. Als hij dan plaatsneemt op zijn poef, het liefst dicht bij de kachel, slinkt de omvang van zijn winterjas direct aanzienlijk, al blijft er immer behoorlijk veel kat over.

Het is dus koud. Zo koud dat kinderen schaatsen op het meertje van Parc de la Schappe. Volwassenen echter niet, want daarvoor is het besmettingsgevaar te groot en krijgen ze geen toegang. Wat zij doen, met verbazingwekkende aantallen, is sleetje rijden. Aan de voet van de gesloten skiresorts krioelt het in het weekend van warm aangeklede sleetje rijders, jongeren met biertjes en muziek, gezinnen met camera’s en thermosflessen. Er zijn ook nog best een aantal snowboarders die de helling omhooglopen voor een afdaling van honderd meter en een bulk tourskiërs die er niet persé uitzien als de graatmagere, aerodynamische tourskiërs uit de wereld van hiervoor.

Hier en daar openen de stations echter een lift. Soms in Les Deux Alpes, Puy Saint Vincent of Serre Chevalier, soms helemaal in Les Orres. Alle skiërs en boarders in opleiding pakken ’s ochtends de auto en vertrekken richting het station dat volgens onnavolgbare logica incidenteel wanhopige examenkandidaten of competiteurs toelaat. De CRET is zodoende in staat om hun stages door te zetten en ikzelf heb me halsoverkop ingeschreven, om middenin een cursusweek in te stromen en mezelf gerust te stellen met op zijn minst een klein beetje fatsoenlijke training.

Opwarmen in een café boven een chocolademelk of Karmeliet (die tweede heeft een verwarmend vermogen van 8,3 procent) is er daarna echter, natuurlijk, niet bij. Rond als een bol wol van lagen en lagen kleding wurm ik mezelf ’s avonds door het deurgat en stort neer op de bank, met spierbundels die al dat afdalen lang niet meer gewend zijn. Tigrou springt dan van zijn poef en legt zich pontificaal bovenop mijn borstkas, want de warmte van een mens in een moeilijk op te warmen huis is nog altijd te verkiezen boven een poef naast de kachel.

Zeven kilo kat, is wat er exact overblijft. En zestig kilo mens plus twee grote tenen die er wat langer over doen om op te warmen.  

Parc de la Schappe vlak voor sneeuwval, december 2020

Op naar het volgende hoofd

Opschrijven dat mediteren voor mij extreem moeilijk blijft, is ver van het beeld dat ik ervan zou willen schetsen. Ik vind het persoonlijk zo moeilijk dat ik zelfs tijdens het mediteren vaak de gedachte langs zie vliegen dat het nooit ergens toe zal leiden (dikgedrukt in discolicht). Het vinden van de juiste houding heeft me het gros van mijn sessies gekost – waar ik in de volgende meditatieblog iets meer over zal schrijven – en de rest van de meditaties geeft me steevast een oefening concentratie van jewelste.

Ik kan dus niet zeggen dat mijn praktijk van mediteren ‘vooruitgaat’. Aan de hand van teksten en gestaag accumulerende uren op het kussen heb ik een steeds helderder idee van hoe het er ongeveer aan toe zou moeten gaan, maar mijn hoofd blijft druk als een zomerse middag in de Kalverstraat (vóór Corona).

Waar ik echter wel verandering zie, is mijn houding tot mijn gedachtewereld in het dagelijks leven. Ik ben uiteraard nog steeds erg menselijk (vol (zelf-)geobsedeerde, ijdele, oordelende, onzekere, gefrustreerde en ongeduldige gedachten) maar ik herken mijn gedachten steeds sneller als wat ze zijn: Gedachten. Dingen die door mijn hoofd vliegen die ik niet serieus hoef te nemen, die ook gewoon door mogen vliegen (op naar het volgende hoofd). Dat verhindert overigens niet dat ik dikwijls nog steeds door ze op sleeptouw word genomen, meestal simpelweg door hun kwantiteit (als ik er eentje laat gaan, volgen er doodleuk nog vijftig van hetzelfde karakter) en zo niet, door hun intensiteit.

Mijn overtuiging van het potentieel van mediteren wordt er hoe dan ook alleen maar groter op. Nu ik beter in staat ben om te zien wat er zoal door mijn hoofd vliegt, en hoe het doorgaans onzinnige gebabbel me constant heel concreet beïnvloed, kan ik alleen maar dromen van een hoofd waarin het rustig is. Van het potentieel van een hoofd waarin het rustig is. Een hoofd dat niet hysterisch om het eigen ego draait, dat geen vervelende gevoelens aanwakkert die niet hadden hoeven bestaan, dat ruimte heeft voor daadwerkelijk belangrijke dingen, voor de buitenwereld en vooral, voor anderen.

En dat kan alleen door te mediteren.

In veel van de begeleidende meditaties zeggen ze dat onze gedachten ons weer, en weer, en weer, tien keer, honderd keer, duizend keer zullen vastgrijpen en meenemen, en dat meditatie juist het moment is waarop we ons daar bewust van worden en we ons wederom concentreren (op het object van onze concentratie, bijvoorbeeld de ademhaling). Vanzelf zal het dan in principe wat rustiger worden. Daar zetten ze natuurlijk geen tijdsschaal bij, het zal per persoon verschillen en de hoop op een kalm hoofd is in zichzelf een bron van afleiding.  

Dat het bij mij nauwelijks rustiger wordt betekend misschien dat ik de praktijk gewoon geduldig moet doorzetten. In de woorden van Bhante Gunaratana, Mindfulness in Plain English, vind ik iets van geruststelling:

When you first begin this procedure, expect to face some difficulties. Your mind will wander off constantly, darting around like a bumblebee and zooming off on wild tangents. Try not to worry. The monkey-mind phenomenon is well known. It is something that every seasoned meditator has had to deal with. They have pushed through it one way or the other, and so can you.”

Dus sleep ik mijn Monkey Mind terug naar mijn kussen en probeer het gewoon weer opnieuw.

En opnieuw.

En opnieuw.

Naar aanleiding van mjin rampzalig gefrommel in paint voor de poppetjes op mijn blog, heeft Thibault me een Pad voor kerst gegeven. Daarmee kan ik dus tekenen op mijn computer. Het (gratis!) programma dat ik hiervoor gebruik is Krita.

Wolvenbloed

Verfpotten, een kapotte koffiemachine, gereedschap, oud service, latten van een bed en zakken granules staan door elkaar heen tegen de muur. Vier paar ski’s in een hoek, kerstversiering in een doos op een plank. Het is donker en vochtig in de kelder van ons huis.

Ik sta gebogen boven een enorme, dampende ketel en strooi teennagels van een oude herder bij het water van de Clarée, gevangen om stipt één uur ’s nachts, tevens drie druppels wolvenbloed, gemalen alpenkruid en een grote schep beschimmelde Beaufort. Tigrou strijkt langs mijn harige benen. Met een pollepel van een meter, onder het zacht herhalen van een spreuk, roer ik het mengsel tot de dikte van een goede, winterse soep en neem voorzichtig een slokje. Ja, zucht ik. Hier zal Corona niet tegenop kunnen.

In werkelijkheid zit ik op een hometrainer. Dagen waarop het regent of we geen tijd hebben om de ski’s over de berg te slepen, fietsen Thibault en ik rondjes in onze kelder. Het klinkt verschrikkelijk, maar met behulp van een klein beetje fantasie rijden we over de allermooiste collen van de vallei. Het helpt daarbij nogal bij onze training.  

Inmiddels overbruggen we 1200 hoogtemeter zonder extra gewicht in één uur veertig en worden daar niet heel moe van. Het vereiste voor ons examen is 1500 meter in twee uur met zeven kilo op de rug. We zijn er misschien nog niet, maar de potdichte skistations helpen ons dag in dag uit met het opbouwen van onze conditie. Wie wilt skiën moet immers zelf omhooglopen. Met de hometrainer in de kelder als supplement staan we straks fit als hoentjes aan het begin van onze examenafdaling.

Hoe we echter naar beneden zullen skiën, daar hebben vooralsnog alleen Corona en Macron een idee van.

Twee seizoenspassen voor Serre Chevalier liggen onaangeroerd in de lade. Wat nu? Reeds opgedane techniek is zelfs voor Thibault niet voldoende om zich met een gerust hart aan de ENSA te presenteren. Onze bovenbenen zijn nog lang niet sterk genoeg en ikzelf kan simpelweg alle stationtraining nog gebruiken. Moeten we de skipassen ruilen en toch maar naar het buitenland? Of wachten en hopen? Een dealtje sluiten met een liftjongen van een afgelegen piste en daar stiekem ’s nachts trainen? Een toverdrankje brouwen waarvan het virus gillend terug de vleermuis inkruipt?

Enige tactiek is op zijn plaats tijdens de voorbereiding van deze ronde examens.

(Onszelf noodgedwongen naar boven slepen is overigens verre van een straf; de besneeuwde buitenwereld trekt zich niets aan van virus noch maatregelen en is magisch als altijd).

Gelukkig Nieuwjaar

2021

Rond middennacht werd ik gewekt door een groep gillende vrouwen en vuurwerk, maar vanwege de nachtelijke temperatuur van min vijftien in een bergdorp op 1400 meter, werd het snel stil op straat. Het illegale technofeest dat georganiseerd zou worden door vijf rebelse buren die we overdag nog met een enorme speaker over de sneeuw zagen glibberen, redde het niet tot binnen onze muren. Voor zeven uur oudejaarsavond stond de politie al op elke straathoek van Briançon, avondklok acht uur. Misschien waren ze toch bang geworden.

Tot mijn vreugde hield men op 1 januari de supermarkt gesloten. Nog voor de zon opkwam had ik het vrolijke gevoel nooit meer te hoeven slapen en vloog het eerste voornemen langs: Elke maandag een blog publiceren.

Daarna passeerde een tweede: Het systematisch flossen van mijn tanden voor het poetsen. Vervolgens werden ze iets wilder: Ik zou een roman publiceren, optreden als zangeres, elke dag beginnen of eindigen met meditatie, minder consumeren en afval produceren, meer concreet terugdoen voor de mensen en de aarde en over het algemeen een beter mens worden.

Die nacht liep ik voor een laatste keer om vier uur ’s nachts richting mijn auto, over een laagje sneeuw vol kattenpootafdrukken. Katten waren toch aanzienlijk beter bestand tegen de kou, zo leek de nachtelijke bezetting van La Vachette te suggereren.

Na terugkomst van de supermarkt lapte ik elk relevant voornemen aan mijn laars. Geen geflos of meditatie, een opengebroken plastic rol met koekjes naast me op de passagiersstoel en de grote opluchting niet (nooit?) meer bij nacht en ontij in een supermarkt te hoeven werken, waar ik tientallen collega’s achteloos achterliet.

Daarom gaan goede voornemens in werkelijkheid pas drie januari van start.

Het aanmoedigen van het werk van anderen beschouw ik als een (piep)klein deel van het ‘een beter mens worden’. Omdat het via mijn blog een relatief gemakkelijk te realiseren voornemen is, geef ik jullie hier meteen maar de mogelijkheid om een bezoek te brengen aan een klein, Pyrenees dorpje waar een avontuurlijke Vlaamse schrijfster de meest hartverwarmende verhalen opschrijft.

De illustratie van deze blog is daarbij gemaakt door mijn zus en vind ik fabelachtig.

Morgen publiceer ik een blog en vanavond flos ik mijn tanden.

Gelukkig nieuwjaar!

Glimlach



Aan tafel met de ouders en grootouders van Thibault, Fieke aan mijn zijde en stapels lege oester- en slakkenhuizen op mijn bord, glimlachte ik van oor tot oor. Zonder het kerstcadeau dat krap een dag ervoor mijn mond in was geschroefd, had ik dat niet gedaan.

Gedurende het acht uur lange kerstmaal hield ik mijn brede lach nog steeds, af en toe, onbedoeld in. Gewoonte. Zelfs onder invloed van champagne, wijn en cognac betrapte ik mezelf erop en gaf mijn mondhoeken toch nog vrij spel. Dan besefte ik hoé groot het cadeau precies was geweest.

Nog groter zelfs dan alleen het verdwijnen van het gat in mijn mond.

Toen ik 23 december na de laatste behandeling bij de tandarts in de spiegel keek, zag ik tranen in mijn ogen. Dat was deels vanwege de liefde die om de hele operatie hing, het gevoel er niet alleen voor te staan, en deels omdat het een best wel uitdagende en soms ook wel moeilijke periode een beetje kon afsluiten.

Inmiddels laten de Fransen alle oesters en slakken weer een paar dagen met rust, ben ik aan mijn tand gewend en glimlach ik er als vanouds op los. Maar in die glimlach zal voortaan altijd mijn dankbaarheid zitten voor zo een spontaan, lief, groot en eindeloos waardevol gebaar van twee hele dierbare mensen.

Dank jullie wel.