Ik ben weer serveerster.
Als je tegen mijn achttienjarige zelf had gezegd dat ik op 34-jarige leeftijd nog zou serveren, hoe had zij dan gereageerd?
Ik geloof dat ik toen psychiater en filosoof wilde worden. Daarna deed ik weinig om psychiater en filosoof te worden. Ik wilde iets moeilijks en ambitieus waarvan serieuze mannen zoals mijn vader goedkeurend zouden gaan knikken.
Mijn vader blijkt veel liever dan ik dacht, want ’t kan hem werkelijk niets schelen dat ik nog steeds rondjes loop met dienbladen vol bier – voor mijn geld.
Hij wil dat ik gelukkig ben.
En ongelukkig ben ik niet, met een doekje in mijn ene hand en een asbak in de andere.
Afgelopen winter had ik een bureaubaan bij een skistation. Ik werkte van acht tot vijf en werd gerespecteerd, fatsoenlijk betaald en had recht op bonussen en gesprekken met de dame van personeelszaken. Het was zo comfortabel dat ik er helemaal week van werd. Tegen een uur of tien nam ik de vorm aan van mijn bureaustoel en na een volle werkdag gleed ik als een hoopje gelatine uit de open deuren van de bus, bovenop mijn deurmat.
Hoe comfortabel het precies was, kreeg ik door tijdens mijn eerste werkdag in een restaurant in Briançon. In de horeca is je eigen welzijn secundair zolang er nog iemand ergens zit die ’t zout zoekt of wacht op de parasol voor de baby op het terras. Het is twee zweetplekken om te verhullen en twaalf bestellingen op drie verschillende tafels om te onthouden (zonder ketchup maar met die andere kaas die in de lasagne zit. En als het kan wat extra friet in plaats van de salade want dat eet ze toch niet op).
Ik ben doodmoe na een drukke lunch.
En toch.
Want dan heb ik met die oudjes gepraat aan tafel 101 en grapjes gemaakt met de chef-kok en een moccacino frappé verpest en dus zelf maar opgedronken en zit ik met een grijns op mijn fiets terug naar huis. Een horecatijger was ik al op achttienjarige leeftijd en ben ik, tegen mijn verwachtingen in, op vierendertigjarige leeftijd nog steeds.
