All posts filed under: Refuge

Helper

Paulo is een lange, stevige, diepdonkere man. Hij slaapt in de wachtruimte op een stoel, direct na de hoofdingang van het centrum, met zijn nek in de knik van een slapende man op een stoel. Als migranten ’s nachts aankloppen, schrikt hij wakker (denk ik, ik ben er ’s nachts niet bij, misschien wordt hij zachtjes wakker van hun voetstappen buiten). Dan brengt hij ze naar een vrije hoek in het gebouw, geeft ze te eten en wat dekens en gaat weer terug naar zijn stoel. Soms maakt hij schoon. Dan komt onze keukenheldin ’s ochtends aan en is de hele keuken spic en span. Of het hele trapgat. Omdat de spanningen tussen de Afghanen en Margebanen vaak s’ nachts tot uiting komen, is hij dikwijls getuige van gevechten en weet ons dan ’s ochtends aan te wijzen wie als eerste het mes trok. Laatst werd hij zelf met de dood bedreigt. Waarom? Omdat hij onze helper is, omdat hij tussen beide probeerde te komen, omdat hij misschien niet alles even tactisch oplost. Ze zeggen …

Kiezels

Les Terrasses is de naam van het voormalige bejaardentehuis waar Refuge Solidaire de eerste drie verdiepingen huurt. Zowel de tweede als derde verdieping geeft toegang tot een drietal terrassen waar migranten ’s winters hun sigaret roken en ’s zomers in de zon zitten. Het terras op de derde verdieping is zo groot als een basketbalveld en ligt vol met kiezels. Misschien was dat prettig of mooi voor de bejaarden, maar migranten hebben er niet zoveel aan (je kan er nu eenmaal niet zo goed op basketballen). Toch hebben de kiezels tot een vorm van amusement geleid. Drie Afghaanse broertjes tussen de vier en zeven jaar oud verveelden zich op een willekeurige herfstdag in het vluchtelingencentrum en stuitten toen op een terras vol kiezels. Ze vulden elk een handje, liepen naar de rand van het terras, zetten hun voetjes op de onderkant van de stalen balustrade en probeerden een voor een verschillende objecten te raken. De weg lag daar zo’n vijf meter onder. Blijkbaar mikten ze vooral op geparkeerde auto’s van de buurtbewoners, en (godzijdank) niet …

Partytent

De eigenaren van Les Terrasses Solidaires besloten een week voor het einde van mijn contract om het gebouw te sluiten voor al haar huurders, een dag na de inauguratie van de nieuwe locatie, omdat ze erachter waren gekomen dat de situatie vrijwel onhoudbaar was (de migranten lagen weer eens in bosjes in het couloir). Het was eindelijk tijd voor de overheid om haar verantwoordelijkheid nemen. We zouden pas heropenen als zij ons beloofde zich te ontfermen over de migranten die wij volgens de norm van het gebouw geen plek meer konden bieden (nummer 81, 82, 83 etc.) De migranten worden nu al een week lang ondergebracht in een zaal naast de kerk, en de overheid wil niet onderhandelen (die vindt het misschien wel prettig dat we moesten sluiten). De kerk ligt onderaan Briançon en Les Terrasses bovenaan; we slepen al het eten, de dekens en de vrijwilligers dus heen en weer tussen beide locaties. Inmiddels is er geen plek meer over in de kerkzaal en hebben we een extra tent moeten opzetten. Van veraf lijkt …

Moeilijke mannen

Op de ochtend van mijn eerste werkdag in het vluchtelingencentrum, vroeg een collega me of ik haar wilde helpen bij de ronde langs de kamers, want haar Engels was zo slecht. Achter de eerste deur die we openden, om half tien ’s ochtends, lagen zo’n tien mannen op veldbedjes te slapen. We spraken luid om ze wakker te maken, vroegen naar hun naam en legden ze uit dat er die middag een auto naar Lyon zou rijden met vier vrije plekken. Of ze naar Lyon wilden. Het gros besloot ons te negeren, zij die zich naar ons omdraaiden keken boos, een enkeling sloeg demonstratief de deken over het hoofd. Mijn collega liet zich niet negeren en bleef zichzelf herhalen in haar Franse Engels (Franglais zeggen ze hier), ik probeerde met een man te communiceren die zich inmiddels half had opgericht en met opgetrokken wenkbrauw naar me keek. Hij sprak redelijk Frans. Ja, ja, ja, zei hij, het is goed, het is goed. Ja, ik kom mezelf melden, ja, ik ga weg. Ik zag aan hem …

Vogeltjes

De migranten hadden een nestje gemaakt in mijn hoofd en vlogen in en uit. Tijdens mijn werk, na mijn werk, in mijn dromen en mijn weekenden. Soms waren het de twee peuters in de wasmand, soms de kwajongens met hun opgeschoren koppen, soms de zielen die op de grond sliepen, soms alle migranten bij elkaar, de onze, de anderen, zelfs zij die nog moesten migreren om het eventueel beter te krijgen. In hun aanwezigheid leken veel andere dingen futiel. Zoals de dingen die ik deed voordat ik het tijdelijke contract ondertekende: klimmen, eten, muziek maken, luisteren naar verhalen van vrienden die niet in relatie stonden met verdwaalde migrantenfamilies in de bossen van Montgenèvre. Ik kon er niets tegen doen en wilde er ook niets tegen doen, want dit was mìjn grote confrontatie met ongelijkheid. Gisteren had ik voor het eerst die dag waarvan ik wist dat ‘ie zou komen: geen vogel vloog in of uit. Met een groep vrienden was ik gaan klimmen in Plampinet, op de gele rotsen boven ons favoriete dorpje, in de …

Roze stift

Kebba (onze hulpmigrant) legt de families die ’s nachts aankomen vaak in de ruimte voor mijn bureau, waarschijnlijk omdat hij daar zelf vaak slaapt of waakt en zodoende een oogje in het zeil kan houden. Daarom beginnen mijn dagen bijna altijd met gesluip tussen slapende kinderen door. Die kinderen worden natuurlijk op een gegeven moment wakker en doen dan (gelukkig) precies waar ze goed in zijn: kind zijn. Op pad met het knuffelbeest, aandacht vragen van de ouders, met rollerskates door het couloir denderen, ruziemaken, huilen en dan toch weer in slaap vallen. Omdat het afgelopen week iets rustiger was in het centrum (100 migranten in plaats van 160 vanwege een probleem met het openbaar vervoer in Italië) nodigde ik twee Afghaanse zusjes uit in mijn bureau om aan de andere kant van mijn werktafel te komen waterverven. Dat was erg gezellig. Na tien minuten begonnen ze zichzelf onder te verven en na twintig minuten voelden ze zich voldoende op hun gemak om van hun stoel af te komen en het bureau ‘te ontdekken’. Ik …

Schurft

Afgelopen zondag vroeg een collega me of ik wilde helpen met het leeghalen van een kamer. Er waren twee families met in totaal zes jonge kinderen die een kamer zochten, maar veel van onze kamers waren bezet met jonge mannen. Het kostte ons ruim twee uur om de mokkende mannen van hun bed te lichten en de puinhoop op te ruimen die ze achterlieten. Stapels afwas, afval en een hoeveelheid beddengoed die me boos maakte; er heerste immers al twee dagen een groot tekort aan dekens, waardoor veel vluchtelingen op de grond sliepen zonder ergens onder te kunnen kruipen. Deze jongens hadden op een viertal dekens geslapen om het veldbed comfortabeler te maken. Nog voor ik de helft van de kamer gedweild had, bracht een wat paniekerige vrijwilliger me een jonge, verlegen man met schurft. Hij kwam net van de medische post en had medicatie gekregen. De vrijwilliger duwde een plastic zak in mijn hand en legde me uit dat de man direct geïsoleerd moest worden. De volgende morgen zou hij zijn huidige besmette kleding …

Achterdeur

Drie kinderen liggen voor de deur van mijn bureau op de grond. Hun voetjes steken onder de dekens uit. Om mijn bureau binnen te komen, moet ik ze wakker maken, maar ze zijn nog te jong om te begrijpen dat ze ergens anders moeten gaan liggen zodat ik de deur kan openen. Hun vader wordt wakker van mijn gefluister en tilt ze naar een andere plek op de vloer. De deur gaat echter niet open. Ik duw hard en voel dat iets de doorgang blokkeert. Op mijn tenen sluip ik weer naar buiten en klop zachtjes op het raam om mijn collega wakker te maken. Ze kijkt verdwaasd op en lijkt zich even niet meer te herinneren dat ze die nacht het centrum had moeten bewaken (nachtelijk brandalarm-dienst) en dus in mijn bureau sliep. Blijkbaar deed de sleutel het niet en had ze het bureau dus niet op slot kunnen draaien. Als meisje alleen in een opvang met wederom 143 vluchtelingen – zo tellen we later – waarvan het overgrote deel jonge mannen, had ze …

Gezellig meereismeisje

Op feestjes ben ik zelden een leuke gesprekspartner. Ik kan me moeilijk op het gesprek concentreren vanwege het lawaai en de drukte, weet geen gezellige balans te vinden tussen oppervlakkig gepraat (smalltalk) en de diepte (waar ik nu eenmaal onaangepast door word aangetrokken), denk altijd dat de ander stiekem op zoek is naar een leukere gesprekspartner dan hij of zij nu voor zich heeft en vrees al na een enkele zin het moment waarop het gesprek doodvalt, waardoor ik het geforceerd op gang probeer te houden, wat sowieso opgemerkt wordt, met als hoogtepunt het moment waarop ik voel dat de gesprekspartner hetzelfde doet en we allebei hopen op een onderbreking van buitenaf – iemand die spontaan ons gesprek “verstoord” of natuurlijk het brandalarm. In autogesprekken ben ik een stuk beter. En dan doel ik specifiek op Bla Bla Car. Afgelopen jaren heb ik veel gebruik gemaakt van hun website voor korte reisjes door de alpen. Gebruikers komen uit alle lagen van de samenleving en lijken steevast vriendelijk, gemotiveerd en bij voorbaat op zoek naar het …

Mijn eerste weekend

Mijn werkgever vroeg me, nog voor ik een dag gewerkt had, of ik het vervelend vond als ik het weekend zou doorwerken en dinsdag en woensdag vrij zou nemen. De weekenden waren tot dan toe onderbezet geweest. ’Natuurlijk, prima, waarom niet’, antwoordde ik. Zaterdagavond begreep ik pas dat mijn werkgever me bijzonder tactisch had ingezet oftewel met veel goede wil een loer had gedraaid. Want in het weekend was ik de enige in heel het gebouw met verantwoordelijkheid. En ik wist niets. Mensen kwamen binnenlopen in groepjes, wilden zeep, dekens, een coronatest en tickets naar Lyon of Parijs, ze moesten geregistreerd worden, gevoed, vooral niet met elkaar gaan matten en ook nog eens ergens slapen. Dat eerste weekend waren alle kamers, bedden én hoeken van het gebouw bezet. Vanwege al die uitgestrekte mensen kon je niet van de ene naar de andere kant van de eetzaal lopen, tenzij je voetje van de vloer zou spelen, wat erg onethisch zou zijn geweest. Natuurlijk waren er vrijwilligers, maar het gros van hen was net als ik zojuist …