Author: Ruby Elizabeth

Doe maar kort

Ik heb wel eens horen zeggen dat, als iemand eindelijk over de break-up met een ex heen is, men dit kan zien aan het feit dat de gedumpte in kwestie naar de kapper is geweest. Vlak na mijn scheiding met mijn berggidsfantasie, vroeg ik me af of je met een radicaal nieuw kapsel ook het voltooien van het verwerkingsproces kon afdwingen. Dat je zeg maar direct naar de kapper sprint nadat je vriendje lief gepassioneerd zag zoenen met de buurvrouw in het halletje, en daarna kort gewiekt en koeltjes doorgaat met je leven. Om dit te testen zat ik nog geen week na de examens bij de kapper en zei ik tegen haar: doe maar kort. Ze pakte de tondeuse, hield mijn paardenstaart op spanning en bewoog er zo doorheen. ‘Wil je hem hebben?’ vroeg ze terwijl ze het troosteloze ding boven mijn gezicht liet bungelen.‘Nee, houd hem maar’, antwoordde ik. Even later voelde ik onwennig aan mijn haarpunten, die vlak onder mijn oren wapperend mijn nieuwe ‘ik’ aankondigden, en zocht naar mijn reflectie in …

‘Nee’, zei ik

Toen ik de afgelopen week met mijn touwgroep voor een berg stond, en mijn examinator vroeg of ik met hen meeging in de route, zei ik ‘nee’. Die ‘nee’ was natuurlijk al drie jaar in de maak, wat op dit moment behoorlijk moeilijk is om in te zien. Het voelt alsof ik naar het raam ben gelopen, mijn hand heb geopend, mijn allergrootste droom eruit heb laten glijden en daarna simpelweg heb toegekeken hoe het ding in slow motion naar beneden viel. Ik kan hem eigenlijk nog steeds zien vallen. Weer eens wens ik de afgelopen dagen gewoon niet beleefd te hebben, zoals ik dat ook wenste na het ongeluk. Of ik niet gewoon wakker kan worden, drie dagen terug? Het was waarschijnlijk precies hetzelfde gelopen. Ik ben nu eenmaal al drie jaar lang bang. De aap, ben ik die angst afgelopen weken gaan noemen, en die zat zowel in mijn hoofd als in mijn maag. Uiteindelijk heb ik denk ik nooit begrepen waarom Céline en Elise werden meegezeuld en ik niet, het ging om …

Hulpjes in de ijssalon

Ze zeggen dat de rivier nu al zo laag staat dat professionele kajakkers zenuwachtig beginnen te worden. Hun klanten zullen komend zomerseizoen de boot zelf over het droge rivierbed moeten slepen. Misschien dat er dan ergens nog een plasje ligt zodat ze er toch even in kunnen zitten, in die kajak, voor de foto. Een winter die het vrij volledig aflaat om een dikke witte laag over de bergen heen te leggen, heeft een droge zomer tot gevolg. Wie voedt immers de rivieren? Niet de hitte die momenteel aan de bergen en dalen plakt, aan onze armen en benen. Bergtoeristen moeten zeer binnenkort hun favoriete hoge bergen beklimmen, want in het hoogseizoen is het beetje sneeuw daarboven reeds gesmolten. Dan lopen de normaalwegen langs blauw ijs of stapels wankele stenen. Misschien kunnen professionele kajakkers en berggidsen deze zomer terecht als hulpjes in de ijssalon van Briançon. Ik vermoed dat er heel wat ijsjes zullen worden verkocht.

Bluesy Billie

Het is eind lente en ik vind mezelf terug in mijn dorp, waar struiken onder het gewicht van rode rozen over de paden buigen en jonge vogels elkaar het nest uit duwen. Of misschien dacht Billie dat ‘ie al kon vliegen en haperden zijn jonge vleugeltjes hoog in de lucht, waardoor hij luttele seconden later voor mijn voeten neerstortte. Ik dacht dat Billie poten en vleugels gebroken had, hij zag eruit alsof Tigrou hem reeds elk van zijn sadistische kanten getoond had. Dus liep ik er voorbij. En toen liep ik weer terug, want ik kon de natuur zijn gang niet laten gaan, dat was dan weer tegen mijn natuur in. In de palm van mijn hand klopte het hart van Billie zachtjes. Zijn dons piepte hier en daar nog onder zijn verendek vandaan. Gekke geluiden maakte hij, een soort enthousiast gerasp, bluesy Billie. Toen hij zijn bekje open de lucht in stak, vroeg ik me voor het eerst sinds tijden af wat vogeltjes eigenlijk aten. Insecten, zaden? Het bekje was feloranje aan de binnenkant …

Aarden

De paden tussen de huizen van mijn bergdorp staan vol met paardenbloemen. Pissenlit heten die dingen, zo heeft mijn zojuist geïmmigreerde moeder inmiddels geleerd. De fanatieke buurman met de maaimachine zit tijdelijk in Bretagne, waardoor het gras inmiddels halverwege de kuiten komt. Ik zou het zelf ongegeneerd tot een jungle laten uitgroeien, al is het maar omdat onze pup er zo blij van wordt. Maar wanneer je even de moeite neemt om langs de vergroeide schuren en golvende dakplaten te kijken, de loshangende goten en de rommel van hoe-heet-hij-ook-alweer, en een blik werpt op de kleine maar met zorg onderhouden groentetuinen en bloemenperkjes, merk je dat er toch geciviliseerde kanten aan het dorp zitten. Ze maken er werk van, mijn dorpsgenoten, al weet ik nooit precies wie van welk tuintje, want de verdeling van grond is nogal onduidelijk. Het gras van Squeeze gaat er hoe dan ook van af. Zowel mijn moeder als de pup zijn echter met enthousiasme door het dorp ontvangen. Squeeze kwam aan als schattige bol dons op vier onhandige poten en …

Het kleine huis is enorm    

  Hoe is het mogelijk? Samen met Fieke en mijn moeder zit ik in de auto op weg naar de Drôme, Fieke terug naar huis, wij op bezoek. Soms lijk ik het leven niet helemaal bij te kunnen benen. Alsof Fieke en ik gisteren nog toevallig zij aan zij op een tafel in de klimhal van Amsterdam zaten en in gesprek raakten, een van de meest fortuinlijke momenten uit mijn leven. En die moeder dan? Gepensioneerde juf test (wederom) het leven in Frankrijk, huurt het appartement onder het mijne en stapt nu, onverschrokken en enthousiast, bij ons in de auto. Die auto is klein en rood en heeft een gele kentekenplaat, daarmee rijden we kakelend door de bergen, en dan langs velden, bomen en struiken in bloei. Tussen Briançon en de Drôme hebben ze ’t laten glooien, met het felste groen dat in de lente beschikbaar was. ‘Kijk, hier veranderen de huizen’, zegt Fieke. We rijden langs La Beaume en Luc-en-Diois en Die, om zo tegen de avond in Crest de auto te parkeren. Want …

Misschien was het wel een draak

Squeeze komt uit een advertentie op het internet. We hebben hem opgehaald in het Zuiden, vlakbij de kust, bij een vriendelijke dame die op diezelfde dag nog naar balletles zou gaan. Ze had een tuin met lampionnen en vlaggetjes, spirituele zinnen geschreven op het tuinhuis. De pup, een wollige bol die passievol door het gras struikelde, ‘deed al zijn poepjes en plasjes’ en was naar haar mening ‘helemaal in orde’. Vader was naar verluid een blakende Border Collie (min of meer) en moeder liep voor onze voeten: een rasechte Berger Australiën, die overigens niets meer van haar laatst overgebleven pup moest hebben en hem agressief van haar tepels weerde. Ondanks de geruststellende woorden van de verkoopster brachten we Squeeze naar de lokale dierenarts, om toch maar even te verifiëren of onze pup wel echt vier poten, twee ogen en geen dure medische verassingen met zich meebracht. ‘Maar uw hond bestaat niet’, zei de receptioniste me. Ik keek achterom, waar de bibberende bol wol ontegenzeggelijk op de schoot van mijn moeder zat. ‘Wanneer is hij geboren?’ …

Traumaverwerking

Drie jaar geleden beklom ik een sneeuwcouloir met vier tochtenmaatjes. Twee daarvan zou ik verliezen, die vielen voor mijn ogen de diepte in. Ik had zelf natuurlijk net zo gemakkelijk meegenomen kunnen worden door de steenlawine die het hele couloir die middag in beslag had genomen, wat de hele tijd maar niet leek te gebeuren en uiteindelijk ook niet zou gebeuren. Daardoor ging ik dus niet dood.    Niet doodgaan is iets waarmee ik nooit eerder heb moeten leren omgaan. Een confrontatie met andermans vroegtijdige dood evenmin. Twee jonge vrouwen met een toekomst zo kleurrijk en vanzelfsprekend als het mijne en dan plotseling twee lichamen, twee families om het aan uit te leggen, twee begrafenissen, twee keer de vraag waarom zij wel en ik niet.   En dan was er ook nog de verwarring die volgde toen mijn grote droom van een bestaan in en met de bergen tot zo’n groot gedeeld drama had geleid. Afgelopen drie jaar waren bij vlagen heel ingewikkeld. Waar het leven enerzijds gewoon doorgaat, heb ik nog steeds het gevoel …

Te veel gedronken

Thibaults peetoom kwam op bezoek en wilde ons graag mee uit eten nemen. Omdat pizza’s in Italië vaak goedkoper en lekkerder zijn (want Italiaans), opperde Thibault om een restaurant over de grens te zoeken. Die ligt op een kwartiertje van ons dorp. Samen met de vrouw van de peetoom stapten we in een nette rode familieauto, Thibault en ik als kinderen op de achterbank. Zo reden we de berg op en de grens over. Daar zag ik iemand vlak naast de berm met een verrekijker, ik tikte Thibault aan. De man richtte zijn apparaat op de bergflanken van de vallei van Montgenèvre, de bossen en kunstmatig ondergesneeuwde pistes in het schemerdonker. Als hij bergschoenen aan had gehad, een beige broek en een hoed, dan hadden we kunnen geloven dat hij zocht naar marmotten, een wolvenroedel of een verloren schaap. Als het mijn vader was geweest, dan had hij misschien ondanks het donker nog de lagen in het gesteente willen onderscheiden. Maar de man droeg een donkerblauwe broek en een donkerblauwe jas en zocht naar vluchtelingen. …