Author: Ruby Elizabeth

Die middag in het zonnetje

Ruim vijf jaar geleden zat ik op een terras in het zomerse centrum van Chamonix met een Nederlandse jongeman die me gedurende drie jaar had opgeleid bij de Amsterdamse Studenten Alpen Club: Jeroen Boomsma. Hij was op visite in het bergdorp, ik woonde er net. Mijn leven ging van bar naar berg en weer terug naar de bar en ik had een hele stiekeme, absurde, onrealistische droom die ik absoluut met niemand deelde omdat ‘ie te belachelijk was om hardop uit te spreken. Maar toen, die middag, in het zonnetje, zei ik toch tegen Jeroen dat ik eigenlijk wel berggids wilde worden. En hij zei toen: ‘je kan het’. Het probleem was, zoals jullie inmiddels wel weten, dat ik nog nooit had geskied en dat je onder andere een groot ski-examen moet halen om in de opleiding te kunnen komen. Uiteraard heb ik alles onderschat, anders begin je er niet aan. Mijn leven was op zijn zachtst gezegd nogal uitdagend, de afgelopen vijf jaar. Ik voelde me geregeld hopeloos verloren tussen de vele jongens die …

Nestelen

Mijn eerste keer mediteren deed ik samen met mijn ex-vriendje, die ene die vier uur lang stil kon zitten en zich niet liet afleiden door een vlieg op zijn neus. Ik voelde me clownesk, weet ik nog goed, zo met gekruiste benen en gesloten ogen. Alsof ik een parodie op mediterende mensen deed. Het heeft lang geduurd voordat ik me op mijn gemak voelde in de meditatiepositie. Nog veel langer deed ik erover om een houding te vinden die me relatief goed afging. Ik kreeg namelijk steevast na vijf minuten pijn in mijn rug en kon me moeilijk nog op iets anders concentreren dan die pijn zelf. In de hoek van mijn kamer ligt tegenwoordig een soort dik matje (het best te vergelijken met een kussen voor de hond) met daarop een ‘zafu’, een meditatiekussen dat wat harder en hoger is dan andere kussens, waardoor ik geen zes kussens meer hoef op te stapelen om daar heel kunstig in juiste positie bovenop te belanden. ‘De juiste positie’ laat ik omschrijven door Gunaratana (ja ja, daar …

Olieverf

Een enorme kist met olieverf komt aan in La Vachette. Ik open de kist, ruik de donkerhouten binnenkant en zie vierentwintig tubes met verschillende kleuren, potjes met doorzichtige formules, kwasten, een mes, een doek, een pallet. Allemaal emoties om te mengen, wereldmakers, fantasie-instrumenten. Omdat ik nog nooit met olieverf heb gewerkt, kijk ik alvorens in willekeurige tubes te knijpen naar reeksen YouTube filmpjes waar ik onverwacht maar direct doodsbang van word. Zo bang dat ik de kist geschrokken sluit en twee weken lang in een donkere hoek leg. Want olieverfschilderijen riskeren te verpulveren of nooit meer op te drogen, de media zijn giftig en dan is er ook nog iets met lagen, waarden, compositie, lichtval, kleurgebruik, perspectief en stijl – een eigen welteverstaan. Wanneer ik eindelijk een beetje blauw uit een tube durf te knijpen, en een beetje rood en oranje en toch ook groen, en dat zo een beetje meng met wit of elkaar, ben ik echter niet zo bang meer. De kleuren zijn veel te aantrekkelijk. Ik wil ze allemaal zien en aanraken …

Taart

Een van de jongens van de CRET wordt midden in de week vader van een tweede dochtertje. Ik mag zijn plek overnemen en ski voor twee laatste dagen mee met de groep. Het is zo’n buitenkans dat ik alleen maar kan genieten. Zelfs mijn ski’s voelen zich bevrijd. Twee dagen lang klopt elk detail binnen mijn leven. De bewegingen, het wit. De examens verdwijnen ver naar de achtergrond en het enige wat ik eventueel nog wil, is laten zien aan mijn opleiders dat ik goed kan skiën. Zij hebben me immers onder hun vleugels gehad sinds ik kwam aanglijden in pizzapunt, geen woord Frans dat uit mijn mond kwam. Nu voel ik me een skiër, een van hen. Niet zo snel, niet zo technisch, maar op mijn plek. Voor het eerst wil ik niet dat het over is. Ik zou alles weer opnieuw doen. Bij het afscheid weet ik niet zo goed wat ik tegen mijn opleiders moet zeggen om mijn dankbaarheid te uiten. Wat ze me gegeven hebben is veel groter dan een eventueel …

‘Mittenwald’ door Jaap de Witte

Mittenwald, 1 augustus 2020. Het is één van die paradoxale, bevreemdende dagen. De temperatuur tikt net de 32 graden aan, de lucht is strakblauw met één bijdehand, voorbijdrijvend schapenwolkje en in de verte hoor je het zachte getik en gekletter van wandelstokken in de hoofdstraat. Het Karwendelgebergte torent, vastgeketend in de tijd, boven het Beierse bergdorp uit. Geraniums hangen in bonte kleuren over balkons en Maria’s waken trouw over straathoeken. Er is niets aan de hand. De toeristen zijn toeristen, de bewoners zijn de bewoners en Bertha nr. 36 staat in de dorpsweide, waar ze al vijf jaar staat – zo blij als een ei. Alles is zoals het was en zoals het is. Maar het is niet zoals het is. In Mittenwald hangt de sfeer van een groot geheim. Een verstikkend, duister geheim, waar niemand het over heeft. Een omertà dat ieders leven beheerst. Soms prikt dat geheim door alle sereniteit. Dan beukt het geheim met alle macht door het zomergevoel en slaat het de zomerdroom aan gort. Je grijpt in je broekzak om …

Vandaag

Soms ben ik nieuwsgierig. Naar die plek waar jullie twee jaar geleden heen vertrokken zijn. Of jullie nog samen zijn. Of er daarboven toch iets veranderd is, de lucht, de sneeuw, het gesteente. Thibault gaat er vandaag heen. Hij komt even hoi zeggen en dichtbij zijn, zal met twee vrienden iets aan de bovenkant van het couloir leggen. Dat kan beter op de 27ste van februari dan op de andere dagen van het jaar. Ik snap dat wel. Ik ben ook dichtbij, want vandaag mag alles. Jullie dood mag het allerergst zijn. Ik sta mezelf toe erover na te denken hoe jullie levens er inmiddels uit hadden gezien. De liefdes, huizen, baby’s misschien. Ik geef mezelf toegang tot de dag zelf, de voorbereiding, de tocht, die snelle lunch onderaan het couloir. Alles wat jullie deden, zeiden, zagen. Ik laat mezelf het verdriet van jullie families voelen. Jullie afwezigheid. Keer op keer op keer. En toch mag ik ook juist vandaag weer even jullie aanwezigheid voelen. Vandaag mag namelijk alles, ik mag zelfs aan jullie schrijven. …

Drie oude dametjes Finale (Fictie)

Voor Deel I, klik hier! Deel IV. De vloer kraakte. Het was nog geen tien uur ’s avonds, buiten schemerde het maar net, maar alles wat klonk in het lager was de trage ademhaling van rijen slapende mensen. Op mijn tenen sloop ik door de smalle houten gang en nam de trap naar beneden. Ik keek door een kier naar de salon; in de hoek een tafel vol bierglazen, vijf lachende, rood aangelopen bergbeklimmers rondom, uit de keuken het geluid van botsend bestek en borden. Vlug stak ik over naar de hal, stapte in een paar gele hutklompen (maat 42, ik had maat 38), grabbelde in mijn vaders plastic huttenbak naar zijn koplamp en trok meteen maar zijn donsjas aan. Het liep niet echt lekker, die enorme hutklompen, maar goed, het pad was niet moeilijk en kende ik bovendien. Hier was het stil. Ik hield mijn pas even in, zuchtte diep en kon me gemakkelijk voorstellen dat alle bergen die zucht hadden gehoord. Daarna ging ik op onderzoek uit. Ik zocht onder het bankje, achter …

Zondagochtend

De krant, koffie en een kat in de buurt: op schoot, in de tijdschriftenbak of voor het raam. Misschien zelfs wat klassieke muziek op de radio en dan weer koffie. Sinds een aantal maanden kan ik de zondagochtend vieren zoals mijn ouders me het geleerd hebben, want er is een krant in huis. Toen mijn moeder hier in La Vachette tot mijn grote plezier het Franse leven testte, liet ze doorschemeren dat mijn Nederlands er in Frankrijk niet Nederlandser op werd. Eventueel wat Franser en ongetwijfeld Rubyaanser, waar het vooral circuleert in het bewegelijke labyrint van mijn eigen hoofd. Het was dus belangrijk dat ik weer Nederlands zou lezen. De oplossing daarvoor werd de NRC.  Sindsdien kan ik verstandige dingen zeggen over de toeslagenaffaire, enge types bij de Leidse rechtenfaculteit en schaatsers die massaal over het ijs glijden of er massaal doorheen zakken. Ik weet niet of het (al) effect heeft op mijn schrijven, maar het geritsel van het papier en de inkijkjes in het dagelijkse Nederlandse leven brengen me elke zondagochtend weer even terug …

Metronoom

Afgelopen twee weken zaten vol emoties. Ik heb namelijk geskied in het station, eerst in Zwitserland en daarna (wederom) met de CRET. Je zou niet zeggen dat skiën een emotionele aangelegenheid is, tenzij de knappe skileraar na winters lang circuleren in hetzelfde station nog steeds geen hint van interesse toont of je kleine broertje plotseling harder skiet dan jij. In elk ander geval is skiën toch wel gewoon dat zonnetje op de sneeuw, spanning en euforie van het gesjees over de pistes of door het bos, glijdend richting het biertje in het dal. De afgelopen vijf jaar heb ik echter zo hard gewerkt om de sport onder de knie te krijgen dat elke afdaling, misschien zelfs wel elke bocht, iets groots in me losmaakt. Ofwel gevoelens van beheersing, van vrijheid en dankbaarheid wanneer ik gewoon hop-hop-hop ski, ofwel teleurstelling, frustratie, het totaalpakket aan waarom-de-**** is dit zo moeilijk en ben ik zo dramatisch incapabel. Feit is dat ik eigenlijk nog nooit zo hard voor iets heb moeten werken. Toen ik eventjes besloot om het ski-examen …