All posts filed under: Blogs

Alpenjongen

Dit is het voorlaatste verhaal over iemand die er niet meer is. Ik vraag me af of ik misschien over Lele, Marie, Kevin en de overleden man in het station moest schrijven voor ik door kon met andere, luchtige verhalen. Alles gaat goed, hier in La Vachette, maar het afgelopen jaar liep de dood meermaals in en uit. We hebben allemaal denk ik zulk soort jaren, met van die zware thema’s die zich ongevraagd opdringen en waar je het dan maar mee moet doen. Hoe dankbaar ben ik dan dat ik kan schrijven. Al is het maanden later. Kevin ontmoette ik tijdens mijn tweede jaar CRET, de opleiding hier in Briançon ter voorbereiding op de toelatingsexamens voor de ENSA. Hij had donkere ogen, dik, kortgewiekt zwart haar en een paar flinke tatoeages op zijn arm, maar niet van Lele’s soort. Uitgedachte, moderne tatoeages op een gezonde, bruine huid. Hij was gespierd op de manier waarop Alpenjongens dat zijn: mager en atletisch. In die tijd werd er veel gesproken over lichamen omdat we verklaringen zochten voor …

Kun je even vertalen

‘Het is Marie. Kan je aannemen?’ Mijn verantwoordelijke kijkt me aan met een telefoon in haar hand.‘Natuurlijk.’ Marie coördineert de reddingen in het skistation vanuit ons gebouw. Ze communiceert met hulpzoekenden op de pistes om te weten waar ze zich bevinden, en met de reddingsposten om de pisteurs – de poppetjes die eerste hulp verlenen – de juiste kant op te sturen. Maar ze spreekt niet zo goed Engels en heeft me al een paar keer gevraagd om te vertalen. Ik krijg de brandweer aan de telefoon (die had de beller ook niet kunnen verstaan) en word doorgeschakeld. Het blijkt een Belg te zijn die hulp zoekt. Hij is samen met een vriend langs een man geskied die uitgestrekt aan de zijkant van de piste ligt. ‘Hij is bewusteloos,’ zegt de Belg. ‘Waar zijn jullie precies?’ ‘Na die grote lift vanuit het centrum… Uh… Links. Er staat een bordje met nummer 93 daarzo.’ De Belg klinkt rustig, onbekommerd bijna. Ik vraag om zijn telefoonnummer en geef de informatie door aan Marie: ze zijn langs een …

Goede Lele

Lewis liet zijn racefiets vallen tussen een stel bomen en kwam tevoorschijn met een grote marmot op zijn hoofd. Een muts. Hij was Brits en zijn Brits liet weinig ruimte over voor het Frans, en toch zei hij: Bonjour, je suis Lele. Nice to meet you. We zaten midden in Covid en waren dus verstopt, mijn vriend Thibault, Lele en ik, op weg naar een verborgen klimgebiedje. Thibault had Lele ontmoet via het internet en al een paar keer met hem geklommen. Kun je niet eens normale mensen ontmoeten, dacht ik toen ik achter de marmottenmuts aanliep. Onze vriendengroep was al een bont, gecompliceerd gezelschap. Maar Lele had Britse humor vol zelfspot, en na vele jaren in Frankrijk gewoond te hebben was het een verademing om iemand over een wand te zien klimmen die zichzelf niet zo serieus nam. En klimmen, dat kon hij. Bovendien zouden al te normale mensen niet met ons stiekem zijn gaan klimmen, diep in een vochtige vallei gesurveilleerd door helikopters en sneeuwscooters. Hij zou de jaren daarna op komen dagen, …

Horecatijger

Ik ben weer serveerster. Als je tegen mijn achttienjarige zelf had gezegd dat ik op 34-jarige leeftijd nog zou serveren, hoe had zij dan gereageerd? Ik geloof dat ik toen psychiater en filosoof wilde worden. Daarna deed ik weinig om psychiater en filosoof te worden. Ik wilde iets moeilijks en ambitieus waarvan serieuze mannen zoals mijn vader goedkeurend zouden gaan knikken. Mijn vader blijkt veel liever dan ik dacht, want ’t kan hem werkelijk niets schelen dat ik nog steeds rondjes loop met dienbladen vol bier – voor mijn geld. Hij wil dat ik gelukkig ben. En ongelukkig ben ik niet, met een doekje in mijn ene hand en een asbak in de andere. Afgelopen winter had ik een bureaubaan bij een skistation. Ik werkte van acht tot vijf en werd gerespecteerd, fatsoenlijk betaald en had recht op bonussen en gesprekken met de dame van personeelszaken. Het was zo comfortabel dat ik er helemaal week van werd. Tegen een uur of tien nam ik de vorm aan van mijn bureaustoel en na een volle werkdag …

Lunchtekeningen

Ik heb een uur en een kwartier pauze, en het liefst ga ik bij de bakker een kopje koffie drinken. Want die zit aan de ‘grote’ weg in mijn skidorp, en ik hou van wat er langsloopt. Soms denk ik aan de toekomst van het skiën. Of hoe – en dat heb ik al eens geschreven – alle secundaire huizen zich bij hun eigenaars voegen. 61% van de huizen in Briançon en omgeving is van iemand ver weg; 61% dichte luiken in het laagseizon; 61% huizen die massaal emigreren? Of ik denk aan, uhm, een muis? Die laatste is misschien nog wel mijn lievelings.

In Aperol Spritz gedrenkte muizen

Ik wil alleen nog maar zijn pootjes op het parket en zijn gewicht op mijn bast. Dat je kunt rouwen om een kat wist ik niet maar om Tigrou kan ik dat. Want geen enkele kat zal me aankijken zoals hij. Onvervangbaarheid is geen mooi woord en toch was hij onvervangbaar zo mooi als ‘t zich voor kan doen, onvervangbaar in zijn oranje vacht, zijn gemauw, zijn kopjes. Hij kwam ons ophalen wanneer hij het geluid van onze auto herkende. Niemand kan ons ophalen zoals Tigrou. Na zijn dood dacht ik: jeetje, ik ben niet voor dit leven gemaakt, want de dood van mijn kat valt me veel te zwaar. Maar na gesproken te hebben met huisdierbazen uit alle hoeken, weet ik dat het overlijden van een huisdier, voor bijna iedereen, even, een catastrophe is. Want Tigrou bestond in elke ruimte van het huis. Hij was veel groter dan ik dacht. Hij woog meer dan ik dacht. Je kon hem niet lang in je armen houden, maar nu droeg ik hem naar het bos, door …

Bushokje

Elke avond, als ik ga slapen, zet ik mijn geest in het bushokje.Dan komt de bus.En ben ik weg. Soms gaat mijn geest zelf in het bushokje zitten, tijdens een saaie presentatie.Dan hoop ik dat de bus niet langskomt.Hé, eruit, fluister ik dan.Twee minuten later zit ze er weer. Soms is het juist andersom. Dan lig ik in bed en zet ik mijn geest keurig en op tijd in het bushokje.Een enkele oogwenk later vind ik haar terug.Op reis of aan het puzzelen of hordelopen.Of in de boekwinkel, grijnzend.Dan pak ik haar bij haar nekvel en zet haar terug in het bushokje.‘Dat dacht je’, hoor ik haar denken.En daar gaat ze weer, de hort op. En ’s ochtends? Dan wordt ze netjes gewoon, op tijd, weer afgezet. Of nou ja. Soms twijfel ik.Dan is het tien uur ’s ochtends en heb ik toch het gevoel dat er iets mist.Terwijl ik bovenlangs mijn koffiekop staar.Heb ik mijn geest wel opgehaald vanmorgen?

Brillenclub

‘Zet ze maar op,’ zei de mevrouw.Ik schoof de bril op mijn neus. Ze keek me nieuwsgierig aan. ‘Het is een beetje gek in het begin, toch?’ Ja, want ik deed hem meteen weer af. En toen weer op. En toen toch weer af. Nieuwe ogen. Voor mijn 34ste verjaardag mag ik de wereld scherper zien. Ik dacht dat iedereen moe werd van autorijden en computeren, maar op een dag begon ik toch aan mijn zicht te twijfelen. Je went eraan, aan grote letters in Word en de laptop tegen je neus. Dat ik eigenlijk bij de brillenclub hoorde, kwam nooit in me op. Omdat je andermans zicht niet ziet en die dus niet kunt vergelijken met je eigen. En andermans geluid hoor je ook niet, en andermans gevoelens voel je ook niet. Daarom is het toch gek om opeens een bril te dragen. Heel even moet ik wennen aan de kleine correctie van mijn brillenglazen, en net zo even besef ik me dat de wereld is zoals ik haar zelf, en alleen ik, ervaar. …

De buurman. En de buurvrouw.

De buurman houdt niet van katten en heeft al jaren ruzie met de buurvrouw. Toch heeft hij zes katten die hij allemaal liefdevol Sale Chat noemt (vieze kat). Meerdere keren per week gaat hij bij de buurvrouw langs, in het ziekenhuis. Die heeft haar venijnige karakter nog niet verloren, zegt hij vaak. En dat is ook wel zo. Ze stuurt ons allemaal sms’jes met bevelen. Kom langs, ik ben alleen. Ik wil een croissant. De eerste keer at ik die croissant zelf op, in de auto, toen ik terug naar ons dorp reed. Want de buurvrouw mag geen vaste dingen meer eten omdat ze daarvan stikt, en ik weet niet of ze die realiteit negeert of zoveel honger heeft dat ze het stikken bij het eten van een croissant op de koop toe neemt. Haar familie heeft haar computer al uit huis gehaald. Daar speelde ze patience op. Mocht ze onverhoopt toch thuis mogen sterven, dan kan ze dus geen patience meer spelen voordat ze doodgaat, en er is al zo weinig te doen in …

Een kantoorbaan

Elke ochtend gaat mijn wekker om zes uur. Te donker om mijn hond uit te laten, om de ogen te openen, in alle eerlijkheid. Toch schuilt er in die koude ochtenden een ontmoeting met de dag die ik opzoek in gedachten, nog voor ik mijn bed uit moet. Iets waar ik zin in heb. Alleen op de wereld op mijn bank met mijn koffie, voordat het geheel doordraait richting het tijdstip waarop ik naar werk moet. Zes maanden lang test ik het leven van normale mensen, of hoe ik me voorstel dat veel normale mensen hun leven leiden. Een kantoorbaan van kwart over acht ’s ochtends tot vijf uur ’s avonds, met elke zaterdag en zondag het weekend. Zo’n zeven uur per dag zit ik routineus met de neus achter een computerscherm. De beste uren van de dag; die van daglicht. Tussen de middag eet ik warm uit mijn plastic bakje, uit de magnetron, tegenover collega’s in het refectoire. Dat is een Frans woord dat ik niet kende en door google wordt vertaald als ‘refter’; …