Lewis liet zijn racefiets vallen tussen een stel bomen en kwam tevoorschijn met een grote marmot op zijn hoofd. Een muts. Hij was Brits en zijn Brits liet weinig ruimte over voor het Frans, en toch zei hij: Bonjour, je suis Lele. Nice to meet you. We zaten midden in Covid en waren dus verstopt, mijn vriend Thibault, Lele en ik, op weg naar een verborgen klimgebiedje.
Thibault had Lele ontmoet via het internet en al een paar keer met hem geklommen. Kun je niet eens normale mensen ontmoeten, dacht ik toen ik achter de marmottenmuts aanliep. Onze vriendengroep was al een bont, gecompliceerd gezelschap.
Maar Lele had Britse humor vol zelfspot, en na vele jaren in Frankrijk gewoond te hebben was het een verademing om iemand over een wand te zien klimmen die zichzelf niet zo serieus nam. En klimmen, dat kon hij. Bovendien zouden al te normale mensen niet met ons stiekem zijn gaan klimmen, diep in een vochtige vallei gesurveilleerd door helikopters en sneeuwscooters.
Hij zou de jaren daarna op komen dagen, immer op de fiets, in leggings met daarover korte broeken, donsjassen vol tape, verwassen mouwloze T-shirts en nog veel meer rare mutsen, of juist zijn dikke blonde haar in alle richtingen, als een rockster die had gekozen voor de rots.
De eerste keer dat ik alleen met hem ging klimmen, in de lente na Covid, vertelde hij me – in het Engels – over de wegen die hem naar Frankrijk hadden geleid. Eveneens over zijn vroegste verleden, en ik vervloek mezelf dat ik zo’n slecht geheugen heb, hoewel ik ons nog steeds zie lopen over het pad naar huis en mijn nieuwsgierigheid en fascinatie weer voel. Ik zie ons zitten op het terras voor het huis en hoor hem het tweede biertje weigeren, want hij moet ’t rustig aan doen met alcohol. Wat goed, dacht ik toen. Dit is iemand die voor zichzelf zorgt.
Lele had psyche. I’m psyched! riep hij. Hij was altijd gemotiveerd om te klimmen waar dan ook, met wie dan ook. Dat zijn de beste klimvrienden die je kunt hebben. Ik hield van zijn fucking hell en ander gescheld – ’t deed me denken aan This Is England – en dan plotseling zijn Britse beleefdheid wanneer hij met mijn moeder sprak. Omdat hij al wel honderd honden had gehad, hielp hij ons met het opvoeden van Squeeze, die als puppypuber nogal hard in mijn kuiten beet. Met zijn kersverse vriendinnetje kwam hij soms gewoon opdagen.
Het gekke is dat ik niet meer weet wanneer het veranderde. Voor ons, voor mij, want Lele zelf had levenslang. Het is alsof er twee Lele’s in mijn geheugen bestaan: die van het begin, en die van het diepste in-the-shit-zitten waarvan ik ooit getuige ben geweest. Ik kan niet meer terughalen hoeveel fases er waren. Goede Lele – in die zin dat het relatief goed met hem ging – kwam af en toe in vol ornaat weer langs. Slechte Lele was er in vele vormen.
Gezellig maar dronken. Open maar high. Wanhopig want in rehab. Trillend want in rehab. Vijftien kilo zwaarder want in rehab. Rusteloos want geen drank. Dan weer graatmager.
Ik kan me wél herinneren wanneer ik doorkreeg hoe serieus het was, omdat hij een week van de radar verdween en in ’t ziekenhuis bleek te zijn opgenomen. Als ik aan het bier ga, dan ga ik aan de drugs, dus ik mag nooit, nooit meer drinken, legde hij me later aan mijn keukentafel uit. Hij was er bijna via een overdosis tussenuit geknepen. We hadden veel gesprekken waarin ik probeerde er voor hem te zijn, aandoenlijke pogingen tegenover een problematiek die in werkelijkheid om een geheel andere realiteit vroeg, een ander verleden voor Lele, een brein dat opnieuw opgestart kon worden.
Dat brein was een lastig te grijpen fenomeen. Lele had eens een klimongeluk gehad waarbij hij zo hard zijn hoofd had gestoten dat hij in het ziekenhuis terecht was gekomen. Daarna leed hij aan ernstig geheugenverlies. Ik hoorde dit verhaal toen ik alleen nog Goede Lele kende, maar geloofde het niet meer toen ik al jaren omging met Slechte Lele. Ik geloofde niets meer. Lele leefde – overleefde – tussen realiteit en leugen. Hij kwam dikwijls niet opdagen.
Waren we er allemaal van overtuigd dat het goed met hem ging – hij kwam wél opdagen en zag er goed uit – dan spotten we hem voor de bakker in de auto van zijn dealers.
Of, wederom aan de keukentafel, hield hij een speech over wie hem behandelde, wat het plan was, hoe goed het ging, terwijl ik hem zag trillen en frummelen op de keukenstoel, schichtig om zich heen kijkend. Mag ik één slokje, vroeg hij na afloop. Er stond een fles wodka op de keukenkast. Na zijn vertrek heb ik alle flessen, inclusief bier en wijn, in de kelder gezet. Niemand ziet ooit meer alcohol in mijn huis.
Het geheugenverlies weet ik aan jarenlang middelengebruik. Op zich maakt het niet uit waarom hij niets onthield, feit was dat hij officieel gedeeltelijk arbeidsongeschikt was bevonden en zelfs met dat statuut nauwelijks een baantje kon behouden. Zijn redding was La Mireille, een kringloopwinkel waarin het personeel twee jaar lang werd voorbereid op re-integratie op de arbeidsmarkt. Zijn ondergang was die ‘twee jaar’.
Mijn vriend en ik hadden een totaal andere relatie met hem. Thibault hielp hem niet, ging geen enkel gesprek met hem aan, trok nooit aan de bel, sprak niet met zijn vriendin, maar ging gewoon met hem op pad. Ze waren klimmaten en gingen klimmen, door alle fases heen. Als ik mijn frustratie uitte over het feit dat Lele zoveel loog, dan zei hij: tegen mij liegt hij niet. Het lukte me niet altijd om de verslaving los van Lele te koppelen, waardoor ik écht teleurgesteld en boos op hem kon zijn. Thibault was daardoor misschien een betere vriend. Hij oordeelde nooit.
Ik trok het op een gegeven moment nauwelijks meer.
Onze relatie veranderde definitief vanwege een relatief stompzinnig incident, toen we gingen klimmen met een grote groep vrienden, waaronder mijn zus. Toevallig liep het zo dat het Lele’s beurt was om te zekeren, en mijn zus zou gaan klimmen.
En ik durfde het niet. Ik durfde de gang van zaken niet aan en greep in, zei uiteindelijk via een lange omweg dat ik niet wilde dat hij mijn zus zou zekeren. Want hij trilde en was er niet helemaal bij. Niet híj.
Mijn motie van wantrouwen maakte vanaf die dag deel uit van de grond onderaan de rots.
Toen hij weer beter ging – misschien omdat hij weer gebruikte, dat was nooit duidelijk – excuseerde hij zich voor zijn gedrag, en dat hij nu wel kon zekeren. Hij zou het elke keer weer zeggen, en ik schaamde me rot. Omdat ik antwoordde: Of course! – maar het nooit overtuigend kon laten klinken.
Toch kwam er nog een moment dat ik er wel even voor hem kon zijn, en daar ben ik ook mijn familie dankbaar voor. Toevallig kwam ik hem tegen – Slechte Lele – op kerstdag 2024, en het werd me al snel duidelijk dat hij die avond alleen zou zijn. Dus nodigde ik hem bij ons uit (natuurlijk, dat had iedereen gedaan). Hij kwam veel te vroeg aangefietst en trof mijn vader alleen in de woonkamer. Omdat hij er zo vaak was geweest, nestelde hij zich op de bank als een huisgenoot en bood mijn vader wat te drinken aan; mijn vader wist niet wie hij was of wat hem overkwam.
Die avond zaten we rondom cadeaus en gedichten en hoewel een tikje absurd, iets tussen Frans, Engels en Nederlands in, was het gemoedelijk.
’s Winters verdween hij überhaupt vaak van de radar (wij ook, in alle eerlijkheid), maar in de lente dook hij dan toch altijd weer op, meestal via een stortvloed aan gemiste belletjes die hij op elk van onze telefoons achterliet. Ik weet niet hoeveel mensen het al hadden opgegeven, maar ik was er één van. Hoe ik precies in die categorie verzandde, weet ik niet, het was nooit een bewuste keuze geweest.
Afgelopen herfst kwam ik hem een aantal keer tegen in de klimhal en konden we de weg naar elkaar nauwelijks meer vinden. Ik herinner me nog wel een laatste gesprek. Geloof ik. Of iets dat ik toen begreep, in de hal: dat het klimmen hem op de been had gehouden, maar hem nu onderuithaalde. Want door alle alcohol, drugs en medicatie werkte zijn lichaam niet meer mee. Hij was hetgeen aan het verliezen dat hij nodig had om beter te gaan. Was hij kunstenaar geweest, dan had hij kunnen blijven schilderen. Klimmen vraagt te veel.
Via anderen leerden we dat hij naar Marseille was verhuisd. Dat leek me voor een drugsverslaafde toen geen goed idee, maar enigszins onbewust fixeerde ik hem daar in de Calanques, als een hippie onderaan nieuwe rotsen met nieuwe vrienden. Een poging van mijn brein om mijn geweten te dempen, denk ik nu. Tot ik afgelopen februari een telefoontje kreeg van zijn – inmiddels ex – vriendin.
Lele had zichzelf opgehangen in zijn appartement in Marseille.
Tijdens de ceremonie liep een twintigtal vrienden naar Rocher Barron, een klimgebiedje waar Lele graag had geklommen, in retroleggings, met gezichten vol glitters en rare mutsen op. Ik vond een excuus om niet mee te gaan, maar trof ze even later in het gemeenschapszaaltje van het onderliggende dorp. Honden speelden buiten op het trottoir, ik had zelf Squeeze meegenomen. Maar weinig mensen kende ik. What the fuck are you doing here!? – had ik Lele kunnen vragen, platgeslagen tegen de witte muur van het gemeenschapshuis, in al zijn verschijningsvormen. Qu’est-ce qu’il a fait, ce con, zou Thibault nog vaak herhalen.
Na afloop, in het winterzonnetje, sprak ik met zijn ex. Zij vierde zijn excentriciteit vol liefde en zonder terughoudendheid, waar ik haar nog steeds om bewonder, maar was ook veel eerlijker over Lele’s laatste jaren dan ik had verwacht. Of laat ik het zo zeggen, ze maakte expliciet en beeldend wat ik tegen het einde was gaan mijden. Wat ik niet volledig onder ogen was gekomen. Holy fucking shit, had Lele zelf gezegd.
Ergens in mijn hoofd was Slechte Lele een demon geweest die Goede Lele steeds vaker overnam. De Verslaving. Een Ziekte. Maar Lele zelf was het gros van die tijd gewoon aanwezig geweest. Ik had zijn lijden niet grover kunnen onderschatten. Bovendien begreep ik later dat Lele wel degelijk zijn hoofd had gestoten bij een val op de rots. Er was sprake geweest van zowel grote mentale problematiek als verslavingsproblematiek, waardoor geen zorginstantie hem werkelijk adequate zorg had kunnen bieden. Ze droegen hem telkens aan elkaar over.
Het is dus een lente waarin Lele niet op komt dagen. Ik ging laatst klimmen bij Rocher Barron, maar vond hem er niet. Nog steeds moet ik hem gedag zeggen. Nog steeds moet ik een rare muts breien onder een rotswand die hij mooi had gevonden. Misschien moet ik terug naar het klimgebiedje waar we elkaar voor het eerst troffen, maar ik geloof dat hij eerder bij de zee is.
In Marseille, de Calanques, dat lijkt me wel een goede plek voor hem.

Wat een verhaal! Schrijnend mooi al klinkt dat tegenstrijdig. Er is een reden dat er mensen op je pad komen. Ze laten je een stuk van jezelf ontdekken en daar kan je mee voort.
Je schrijft het ook heel goed. Integer neergezet.
En er zijn veel Leles. Maar voor deze mocht jij een vriend zijn, ook al vind je het zelf misschien te weinig. Vrienden zijn niet perfect. En dat hoeft ook niet.