Latest Posts

Vakkenverhalen

Vakkenleeghaler

Na de nachtelijke, serene rit door Briançon tref ik het bijennest aan in TL-licht, volgeladen karretjes die alle directies op rollen, iedereen in het rood. Klaarwakker spreken ze elkaar aan, neuriën sommigen alsof de zon al zo’n uur geleden opkwam, daar binnenin die gigantische loods, achter de schappen richting het Oosten.

Denk maar niet dat er iemand klaagt. Het is de norm; elke ziel aanwezig drukte vanmorgen voor vieren de wekker uit.

Om half acht mengt een ander team zich door ons heen, blauw, vaak op gemotoriseerde voertuigen die een lang, nat spoor door de winkel leggen. De schoonmakers. Ze maken een welkom lawaai, want we zitten dan massaal bijna op de helft van onze shift en hebben er in principe wel genoeg van.

En dan, om acht uur, staat een vreemdeling voor me. Altijd, heel even, verward dat me. Wat doet die daar nou?

Een klant die doordringt tot ons bijennest, in civiele kleding, vaak een jaar of zeventig want die gaan blijkbaar vroeg naar de winkel.

Soms vragen ze me: Waar vind ik geitenkaas voor in de oven, of kruidenbrood voor bij de paté?

Geen idee, mevrouw, meneer.

Kruidenbrood. Hebben wij dat?

Om kwart over elf loop ik uiteindelijk, eindelijk, zelf door de winkel in civiele kleding, en behoor dan plotseling tot die ander, een vakkenleeghaler, op zoek naar een pak melk of kattenbrokken.

Tot 03:40 de volgende dag.

Knoppen

Ik sta voor een poort. Hij is drie bij drie meter, leidt naar het donkere hart van de Carrefour, zit potdicht en schuift in theorie open via een knop aan de zijkant. Aan die zijkant zitten echter meer knoppen. Eén daarvan, weet ik inmiddels, is simpelweg een lichtknop. Wel voor het licht van de hele winkel. De andere?

Ik ga uit van het ergste: Er zit sowieso een brandalarm bij die alle sproeiers aanzet en de ruimte vult met oorverdovend geloei.

De manager had natuurlijk gezegd welke de juiste knop was, maar naar zo’n uitleg probeer je pas achteraf te luisteren.

Het is overigens niet de enige grote poort in de winkel (koeling, buitenpoort) en telkens sta ik twijfelend voor de reeksen knoppen. Tot nu toe is het goed gegaan – jammer voor dit verhaal.

Who’s done it

Wist je dat vakkenvullers bewapend zijn? Ze hebben allemaal een stanleymes op zak om dichtgeplakte kartonnen open te snijden. Alle producten worden geleverd in karton. Alle producten. We openen ongeveer twee kartonnen per minuut per persoon en werken op de vroege ochtend met een man of veertig.

In de loods staat daarom een kartonpers. Dat is een machine met een gat van twee bij twee, die met veel geratel het karton samenperst tot een soort bal. De levensgrote ballen parkeren we buiten in rijen en worden in de loop van de week opgehaald.

Nu ga ik iets vreemds schrijven. Misschien komt dat door Baantjer of andere crimi’s die ik keek in mijn jeugd, maar telkens als ik voor die kartonpers sta denk ik aan moord. Niet dat ik de neiging voel om iemand in de kartonpers te gooien, maar het apparaat leent zich nu eenmaal heel goed voor een luguber scenario. Een voet die uit zo’n kartonbal steekt, wie heeft het gedaan?

Was het Kaas, Fris, Brood? Ik vond dat Pasta zich vreemd gedroeg vanmorgen. Heb je Speelgoed al gezien vandaag? Is het Speelgoed in de kartonbal? Die was gisteren tegen het karretje van Vis gereden, hele inhoud van het karretje over de vloer. Is hem misschien duur komen te staan.

Credits: Tex Lohbrunner

Vakkenvuller


Het is half vijf’s ochtends wanneer ik het balkon opstap, zo donker dat ik tegen een paar ski’s oploop. De maan verlicht niets, de straatlantarens staan uit. Voorzichtig stap ik over de harde sneeuw van onze dorpspaden, langs de kerk, de verlaten bakker, de gesloten bar. Ergens daarachter staat mijn auto. Bij het opentrekken van het portier weet ik pas zeker dat het de mijne is, omdat een tiental enorme gedroogde zonnebloemstelen nog steeds op de achterbank wacht om weggegooid te worden en oplicht in het vage schijnsel van mijn telefoon.

De dodekattenkippenweg leg ik in mijn eentje af, de enige wakkere ziel onder een sterrenhemel. Briançon staat pas over een uur of drie op.  Ik moet denken aan die keer dat ik met Thomas de markt in Gap deed en we om zes uur ’s ochtends langs Guillestre reden. Vlak voor het opkomen van de zon liepen toen twee paarden over de rotonde naast het dorp. Zij namen rechtsaf, wij rechtdoor.

Vroege ochtenden hebben iets dat andere dagdelen niet hebben; alsof er dingen gebeuren die wij mensen niet horen te zien.

De magie valt in duigen op de parkeerplaats van het winkelcentrum, waar twee auto’s en twee vrachtwagens me ronkend voor zijn. Een meisje niet veel ouder dan zestien houdt de deur voor me open. Ik volg haar door een enorme, schemerige loods met vier meter hoge stellages, een kleine deur door richting de personeelskamers. Ze geven me een paar stevige schoenen en een rode fleece met de woorden ‘stel mij gerust een vraag’ op de rug. Hier is je kluisje, hier nemen we pauze. Vanaf nu ben ik vakkenvuller bij Carrefour.

Toen ze me zeiden dat ik op ‘vers’ zou staan, had ik groenten in gedachten gehad, kleurrijke paprika’s, torens van prei, glimmende aubergines, bakken met ui en knoflook. Tot mijn teleurstelling volg ik team Vers naar de schappen met yoghurt, kant- en klare maaltijden, vlees, kaas. We krijgen allemaal een sectie producten toegewezen waarvan we systematisch de data controleren. Twee yoghurtjes redden het niet, ik leg ze in het winkelwagentje dat bestemd is voor de voedselbank (zoiets hoor ik de Vers-leider zeggen).

Dan komen de pallets aangereden. De ene na de andere. Met minstens vijftien man sorteren we de producten op hun toekomstige afdeling, als nieuwkomer heb ik geen idee wat waar hoort. Zo om de minuut vraag ik aan iemand op welke stapel ik de prefab paella, de humus, de worst moet leggen. Er wordt verder niet veel gepraat, misschien omdat het half zes ‘s ochtends is.

Mijn directe leidinggevende heeft een lange paardenstaart en vult al twintig jaar vakken bij Carrefour. Zijn leidinggevende lijkt me zo’n negentien jaar oud, een gezicht dat nog geen enkele volwassen trek heeft opgedaan. Hij studeert commerce. Samen met een ronde vrouw van één meter vijftig, te klein voor alle bovenste schappen, word ik de afdeling over gestuurd. Ze moppert veel omdat ze haar een week geleden weghaalden bij Brood, en daarna bij Pasta, om nog onduidelijke redenen.

Tegen het eind van de ochtend roepen ze ons naar Diepvries. Ik open tientallen, honderdtallen kartonnen dozen en leg de bevroren groenten, zakken friet en heel, heel veel steaks achter het juiste etiquet. Mijn vingertoppen beginnen hun doorbloeding te verliezen; hoe kouder ze worden, hoe pissiger ìk word op de steaks.

Meermaals stel ik vast mijn nieuwe baan niet te kunnen verantwoorden. Het Koninkrijk der Verpakkingen met hier en daar een schap vol dierenleed, ikzelf als piepkleine schakel tussen product en consument. Een lacher van een vegetariër, dat ben ik, zo één die naar de Biowinkel gaat om daar met een hoop zelfverheerlijking producten in bulk aan te schaffen. Die ochtend nog, jongens en meisjes, legde zij steak na steak precies zo neer dat men verleid werd er meteen maar drie voor de prijs van twee aan te schaffen. Voor de kerstvakantie. Gezellig.

Tijdens de pauze kleurt de personeelsruimte rood van alle fleecevesten. Iedereen kijkt op zijn telefoon, niemand praat. Ik probeer de koffie en heb spijt van de veertig cent die ik ervoor geruild heb met het koffiezetapparaat, leun daarna tegen de muur en wacht ongeduldig op het moment waarop ik weer vakken mag vullen.

Misschien moeten ze allemaal nog wat loskomen. Misschien moet ìk nog wat loskomen.  

Een beetje suffig rijd ik om tien over elf ‘s ochtends door Briançon. Het licht is fel, het krioelt van auto’s en mensen, gepraat en getoeter klinkt dwars door het blik van mijn auto heen. Halverwege de Dodekattenkippenweg denk ik weer aan die twee paarden die Thomas en ik zagen bij Guillestre. Waar kwamen ze vandaan, waar gingen ze heen?

De vroege ochtend verkies ik even boven het leven in daglicht. Het zal wel zijn omdat ik moe ben.

Negenentwintig

Gisteren heb ik een aantal hele mooie cadeaus gekregen, waaronder een vierkant schaap en een laag sneeuw van 40 centimeter diep. Maar het allermooiste cadeau is, zoals bij elke verjaardag, de verjaardagliefde die ik heb mogen ontvangen (dankje, Kim, voor het woord). De belletjes, berichtjes, kaarten en vooral die gekke Fieke die me wekt voor een enorme Red Velvet taart en me vervolgens verkleed de sneeuw in stuurt.

Ik wist het niet van tevoren, maar skiën in bloemenrok was de enige juiste manier om 29 te worden.

Nog steeds in de roes van vers gevallen sneeuw, een ongezonde hoeveelheid suiker en abnormale dosis aandacht, voel ik me vooral dankbaar; voor het feit dat ik ouder mag worden en boven alles, dat ik ouder mag worden mét Fieke aan mijn zijde.

Breien

In het centrum van Briançon kun je sinds een paar dagen weer bollen wol kopen. Omdat Macron pas elf december beslist over de opening van de skistations en de hellingen daarbij nog altijd groen zien als gras– ik heb sneeuw voor mijn verjaardag gevraagd – loop ik tussen de hoge schappen door op zoek naar mooie kleuren voor mijn nieuwe tijdsbesteding : Breien.

Je zou je kunnen afvragen waar die nieuwe tijdbesteding vandaan komt. Het antwoord is simpel: Nederland. Mijn moeder had een tasje met breinaalden en bolletjes wol meegenomen. Sindsdien ligt het huis vol vierkante oefenlapjes met patronen die soms nog niet helemaal te onderscheiden zijn van breifoutjes (opeenvolgingen van breifoutjes, zou je ook wel kunnen zeggen).

Nu, die wolwinkel is best wel interessant: het licht is er gedimd, de eigenaresse komt altijd direct uit een onverwachte hoek tevoorschijn, haar man verschijnt stilletjes iets later. Rechts van de ingang staat een donkerhouten bar die zich door de hele ruimte uitstrekt, daarop een ouderwetse kassa, een 19 jaar oude kat en een reeks aan siropen (aardbeisiroop, perziksiroop…). Het lijkt nog het meest alsof ze een wolwinkel hebben geopend in een oude bar en de bar maar gewoon hebben laten staan. De rest van de winkel bestaat uit wanden met wol, stellages vol kleurrijke bolletjes met elk een vergeelde sticker. ‘Niet aanzitten’ staat erop geschreven. Het zou me niet verbazen als de bolletjes op een dag bij het openen van de deur massaal naar buiten komen rollen omdat iemand toch aan het uiteinde van een bolletje heeft getrokken.

Tussen de stellages staan de breisels van het echtpaar zelf tentoon, voornamelijk truien, die er indrukwekkend uitzien nu ik weet wat breien is. Ze zijn peperduur en niet heel mooi. Gek genoeg verkopen ze ook bikini’s, kinderspeelgoed en dus eveneens limonade en zelfs koffie. Als je niet oppast loop je een naakte paspop omver.

Omdat je bij binnenkomst direct in de houtgreep wordt gelegd door de kleine Franse breidster en pas weg lijkt te mogen wanneer je minstens drie bolletjes hebt afgerekend, het liefst merino, ligt er nu wol op tafel voor een bedrag van 26 euro. Ik weet niet of ik het aandurf om er mijn breinaald in te steken.

– Met dank aan mijn moeder voor de warme toegang tot de wereld van het breien!

(Nu ik averechts kan breien zit ik soms tot ’s avonds laat op de bank, nieuwsgierig naar de uitkomst van een zelfverzonnen patroon. Het leukste is dat het dan voelt alsof mijn moeder gewoon nog naast me op de bank zit, en me onterecht complimenten geeft over mijn breiwerk (haar lapjes onderscheid je op barlengte afstand nog van de mijne)).



Toeval wil dat veel klimsters in Briançon ook aan het breien zijn geslagen en we al een eerste bescheiden (immers: covid) breifeestje achter de rug hebben. Sneeuw is misschien nog niet gevallen, maar koud is het wel, dus breien we allemaal een sjaal. Een muts. Sokken. Een trui zelfs.

Flitsend jasje

Er gebeurden afgelopen maand twee merkwaardige dingen op mijn site: Mijn moeder schreef toevallig de 500ste blog, en de link naar mijn site werd onder een artikel in de Hoogtelijn geplaatst, waardoor mijn statistieken zich plotseling erg goed voelden.  

Wat me echter opviel, was dat het gros van al die nieuwe, hoogstwaarschijnlijk eenmalige bezoekers vooral naar de ‘over mij’ pagina gingen, waarin ik veel over een zekere draak schrijf die hier in La Vachette op zolder zou zitten. Ze klikten eveneens massaal op mijn inmiddels flink verjaarde fotopagina waarin mijn ex nog steeds de hoofdrol speelt.

Mijn blogs gaven ze echter nauwelijks aandacht. Weinig van die 500 verhalen waar ik afgelopen zeven jaar toch wel veel liefde in heb gestopt leek hun het klikken waard. En daar werd ik natuurlijk een beetje verdrietig van, om vervolgens vast te stellen dat mijn site misschien een nieuw jasje nodig heeft, waarin mijn blogs wat meer (verleidelijk) in het oog springen (een sexy jasje dus).

En dat is niet de enige reden waarom ik komende week met mijn blog op zoek naar een jasje ga. Met een transformatie van het buitenkantje voel ik ook de vrijheid om het binnenkantje wat nieuwe richtingen op te sturen. Welke richting op? Ik zou graag een categorie fictie in het leven roepen, nog wat meer draken introduceren (dit is (eventueel) een grapje) en het meer over meditatie hebben. De reden waarom ik psychologie ben gaan studeren was immers (onder andere) om het (eigen) brein te kunnen begrijpen in relatie tot het grote meditatie experiment. Meditatie… Ja.

Nog steeds vind ik dat een spannend woord om zo even in een blog te zetten. Enerzijds omdat ik me als schrijver ervan altijd heel klein voel, anderzijds omdat ik bang ben dat lezers direct steigeren vanwege de associatie met een pijnlijke kleermakerszit en wierrookstokjes, of juist met afgetrainde billen in donkerblauwe yogalegging op Instagram, hashtag be-present. Maar meditatie houdt me momenteel nu eenmaal (weer eens) eindeloos bezig. Het is interessant, confronterend, wonderbaarlijk en ontzettend uitdagend.

Sinds ruim een week volg ik een onlinecursus van Robert Wright, Buddhism and Modern Psychology, waarin ik leer van psychologen, filosofen en boeddhisten over de claims die het boeddhisme maakt. Ondertussen helpen Christophe André, Matthieu Ricard, Thich Nhat Hanh, D. T. Suzuki, Eckhart Tolle en Jon Kabat Zinn me met het mediteren zelf en probeer ik het hele zootje ook nog eens mee te nemen naar de rots en bergen, waar Dan Millman en Arnold Ilgner dan al op me wachten.

Alhoewel ik nog steeds verdwaal in het boeddhisme en dagelijks mediteren buitengewoon uitdagend vind, merk ik dat het goed voor me is. En hoe dieper ik erin duik, hoe meer ik de behoefte voel om het met anderen te delen (omdat het ook goed voor hen zou kunnen zijn?).  

Nu valt het natuurlijk te betwijfelen of mensen op mijn blogs klikken wanneer er ook nog eens een wierookluchtje omheen hangt; reden temeer om op zoek te gaan naar een jasje waarin verschillende blogs wat prominenter naar voren komen. Wat betreft dat flitsende jasje: Ik ben geen ster in WordPress, maak er in rap tempo al mijn boeddhistisch geduld aan op en zie nu al tegen het hele proces op.  Misschien gooi ik mijn laptop morgen daarom wel uit het raam en verschijnt er nooit meer een blog. In dat geval weten jullie waarom.

Winnen (Fictie)


Vanuit mijn raam zie ik ze draaien. De liften van Monetier, alle zitjes gaan in rondjes, boven, beneden, boven, beneden.

Ik geef een kus aan mijn vriendje en hijs mijn ski’s op mijn schouder, loop de straat over naar het café waar mijn trainers op me wachten. Drie, twee, één, klinkt het voordat ik vaart maak richting het eerste poortje. Ik duik in elkaar en druk de randen van mijn ski’s in de sneeuw. Vijf minuten later takelt de lift me terug naar boven terwijl ik gespannen mijn bochten doorneem. Drie, twee, één, klinkt het weer.

De eerste competitie van het seizoen loopt niet zoals gehoopt. Het lijkt wel alsof mijn timing heeft gezopen die nacht. ‘Denk niet te veel na’, zegt mijn trainer na afloop. Ik krijg een berichtje van mijn moeder: ‘Heb je gewonnen?’

‘Nee’, antwoord ik. De training erna probeer ik niet na te denken, maar vlak voor elke afdaling zwelt de tornado aan gedachten ongehinderd aan. Drie, twee, één, klinkt het. ‘Je bent toch niet in vorm’, klinkt het in mijn hoofd.

De jonge ster van Monetier schijnt deze winter niet. Tranen lopen in mijn masker nog voor de afdaling van de derde competitie, wanneer de skilift me harteloos naar boven trekt. Ik denk aan mijn thuiskomst, hoe ik aan mijn vriendje uitleg dat er te veel druk op me staat. Trillend wacht ik op het startsein. ‘Heb je gewonnen?’ vraagt mijn moeder. ‘Nee.’

De belangrijkste competitie is op eigen terrein. Ik eet niets die morgen, kijk zwijgend door het raam naar het draaien van de liften. ‘Succes’, fluistert mijn vriendje. De lift takelt mijn zenuwen en mij naar ongetwijfeld nog een deceptie. Ik voel weer tranen opwellen. ‘Waarom, waarom in vredesnaam doe ik dit?’ verzucht ik terwijl ik mijn ogen sluit.

Wanneer ik ze weer open zie ik dat de lift niet stopt waar ze me gebruikelijk afzet. Ze takelt me verder naar boven, door het station naar Col de la Montagnolle, duikt dan richting Lac de l’Eyschauda, een ondergesneeuwde vlakte met als ik goed kijk, sporen van dieren in alle richtingen. Via Dome de Monetier bereik ik Les Agneaux, waar mijn ski’s bijna de top raken en een kraai geschrokken wegvliegt. De wind grijpt mijn kleren vast, ik duik in elkaar en kijk vanuit mijn bolletje skikleren verbaasd om me heen. Weer duiken we naar beneden, vlak langs Refuge de Glacier Blanc en dan voor lange tijd over de enorme gletsjer zelf, grote bergen schieten overal uit de grond, alleen het kraken van de lift klinkt en zo niet, een weidse, witte stilte. Geen gedachte. Ik zie de Barre des Écrins voor me oprijzen en de lift steil door het Barre Noire couloir omhooglopen. Zou het zijn…?

Op de schouder van de berg schijnt de zon op mij alleen, de hele wereld onder me. Nog twee pilaren en ik word zachtjes op de top afgezet. Ik klik mijn schoenen dicht, zet mijn masker op en… ski.

‘Heb je gewonnen?’ luidt het smsje van mijn moeder die middag.

‘Ja’, type ik met een glimlach.


Credit Foto: Samuel de Goede

Gastblog Moeder woont in La Vachette I.

Ja de moeder is weer aan boord in La Vachette en niet bepaald voor even. Ze heeft voor twee maanden beslag weten te leggen op het appartement onder dat van Ruby. Echt een wonder.
 
Dat het later een minder groot wonder bleek, dan ik met Nederlandse naïviteit dacht, deed aan het buitenkansgehalte niets af. Het is deze laagseizoen-maanden gewoon nog lekker weer in Spanje, dat lokt inwoners uit het dorp weg. En trekt dus een ander soort inwoners aan. Pensionado’s bijvoorbeeld. Hoewel meervoud zwaar overdreven is. Het gaat in dit geval om Nederlandse pensionado’s met een kind in la Vachette en voor zover ik kan nagaan is dat er maar één.

Met bovenstaande is het dus al geïntroduceerd, het pensioen.  Zo’n onschuldig klinkend woordje, maar ondertussen gooit het levens overhoop, in ieder geval het mijne.
Ik ga het er verder ook niet over hebben, want dat varkentje heb ik straks thuis nog te wassen.

Alleen nog even dit, het ging zo.
Ik zat dus thuis op de bank enorm met pensioen te zijn en had dringend behoefte aan obstakels. Van die zaken die je ’s morgens bij het wakker worden toegrijnzen, die je in de loop van de dag overwint, waarna je dan ’s avonds, blij met jezelf, op diezelfde bank naar iets onbenulligs mag kijken. Zolang ik voor de klas stond, hieraan geen gebrek. Maar nu thuis voorzagen Kat en Man totaal niet in die uitdaging. En ze bleken ook duidelijk niet van plan zich als zodanig te gaan manifesteren. Het heil moest elders gezocht.

Toen viel het me plotseling in. Er was voor mij wel degelijk een enorm obstakel te overwinnen.
Ik spreek geen Frans!!
Wel toeristen Frans waarmee ik me kan redden in winkels en restaurants. Maar geen Frans Frans. Ik functioneer niet, totaal niet, op een voldoende niveau om in een Frans dagelijks leven overeind te blijven.

Ik hoor bijvoorbeeld niet hoe grappig het vriendje van Ruby  uit de hoek komt (‘nee mam hij lachte je niet uit’), niet of de buurman vriendelijk ‘goedemorgen’ zegt of wil dat ik mijn auto voor zijn deur weghaal.
Zeg ik nu bij de kassa ‘ja’ tegen spaarzegels voor koelkastbakjes of moet ik als de sodemieter de witlof nog gaan afwegen (o help, wat is witlof ook alweer in het Frans). Geen flauw idee.
Op de markt begrijp ik totaal niet hoeveel ik moet betalen.  Ik heb quatre-vingt-quatre pas paraat, terug gevlucht naar de rust van thuis, bij een kopje thee. En hoewel die Franse marktkoopmannen ongetwijfeld alleen maar enorm aardige dingen tegen me zeggen, sluit hun lichaamstaal daar toch niet altijd helemaal op aan.

Nou dat obstakel dus, zou ik eens even gaan overwinnen bij Ruby in La Vachette. Geen sneu gedoe meer van een paar bladzijden woordjes leren en wat uurtjes per week hakkelen op een cursus. Nee, me onderdompelen in het Echte Franse Leven. Frans praten, Frans dromen, Frans ademen. Ik verwachtte er alles bij elkaar een  maand of twee voor nodig te hebben. Niemand zette hier vraagtekens bij, achteraf gezien een veeg teken. Mijn man vond het een geweldig plan, de kat nog beter. Ik kreeg de auto mee en de zegen van de hele familie, die allang had gezien dat er op die bank iets moest gebeuren.

Er zullen weinig mensen met zoveel goede moed ergens aankomen. Het huisje was geweldig, de houtkachel een romantische uitdaging en Ruby woonde boven mijn hoofd. Opgewekt trad ik de buitenwereld tegemoet. ‘Ik’, schrijf ik nog. Ik realiseerde me toen nog niet, dat wanneer je de taal niet spreekt, dat ‘ik’ eenvoudigweg ophoudt te bestaan.

In Nederland ben ik een geweldige kwek, gewend te praten tegen alles wat beweegt. Ik hoop  belangstellend en vriendelijk te zijn. Maar al na een paar dagen hier, kreeg ik het akelige gevoel dat mijn Franse omgeving me waarschijnlijk helemaal niet zo zag; niet  belangstellend en verre van vriendelijk. Nee, ze vonden me, zo bedacht ik met schrik, misschien wel een stugge, zwijgzame vrouw.

En waarom zouden ze ook niet. Na mijn ‘bonjour’ viel ik meestal uit. Ik peinsde er niet over daar ook nog  ‘ça va’ aan toe te voegen. Stel je voor dat ik antwoord kreeg, daar zou ik geen touw aan vast kunnen knopen.  Als die vraag mij wél ten deel viel, riep ik meestal paniekerig ‘bien’, maar ik schopte het nooit tot een verdere toelichting. En tot overmaat van ramp zat de hulpeloze glimlach waarmee ik nog wat sympathie en begrip had kunnen genereren, verstopt achter mijn mondkapje.
Ik voelde me volkomen kansloos. Pik je in het Duits vaak nog woorden op die je een idee geven van de strekking van één en ander, in een Franse zin drijft nergens een reddingsboei.

En hoe goed je een eventuele openingszin ook voorbereidt, net als bij een spelletje schaak, je weet nooit welke zet de tegenstander doet.
Je vraagt in prachtig Frans aan die leuke buurvrouw of haar baby al doorslaapt. Uit haar stortvloed van woorden zul jij niet kunnen opmaken of ze een wanhopige huilbaby heeft of een zoeterd die pas tegen de ochtend wakker wordt. Tja en wat wordt dan jouw antwoord…
Op de vraag aan die aardige overbuurman of hij fijn heeft gewandeld, brengt hij enthousiast een schaaltje paddenstoelen. Je hebt geen idee of je ze vooral wel, of absoluut niet moet eten.
Twee keer stak hij nog de weg over om het opnieuw uit te leggen. Maar bij de tweede keer kon ik echt niet meer zeggen dat ik er geen klap van begreep, omdat ik de eerste keer al veel te begrijpend had geknikt. Enige lichtpuntje in dát gesprek was het woordje l’ail.  Je mag er toch gevoeglijk van uitgaan dat Fransen hun giftige paddenstoelen niet met knoflook op smaak brengen…

En wees maar eens grappig in een vreemde taal….

En zo ben ik de weken door gestunteld. Genietend van de prachtige omgeving, van de gesprekken met Ruby (in het Nederlands, sufferd, zo leer je het natuurlijk nooit) en vechtend met de taal. Mijn omgeving zegt dat ik goed vooruit ga, maar ik weet wel beter. Hoe heb ik ooit kunnen denken dat ik in twee maanden wel even Frans zou leren spreken. Volgende week ga ik terug naar Nederland en reken maar dat ik er mijn Frans blijf oefenen met bladzijden woordjes, stuntelige lessen en harkerige gesprekken. Ik begrijp nu dat het de enige manier is en dat het een lang traject gaat worden. Maar ik weet zeker dat er een dag komt dat ze in Frankrijk méér dan een glimp van de echte moeder van Ruby zullen kunnen opvangen.

Vrij verticaal territorium

Tijdens de vorige confinement, toen de politie zo’n beetje achter elk bosje school en we als schimmen door de vallei slopen, nam Thibault een boor mee naar een verborgen stuk rots in de bergen en opende daar vier sportklimroutes. Hij noemde het geheime klimgebiedje ‘Wuhan’.

We spraken er niet al te veel over omdat het virus voor geen meter te vertrouwen viel, noch het beleid van de Franse regering, en profiteren nu dagelijks van ons vrije verticale territorium, waar we rustig kunnen blijven trainen zonder constant om ons heen te kijken of onze oren te spitsen uit angst voor de spontane opkomst van de politie (en de 135 euro boete maal twee).

Professionele sporters, en dus ook berggidsen en sportklimgidsen (in opleiding), hebben allemaal het recht behouden om te trainen, maar wij (examenkandidaten) zitten als vanouds gebonden aan de kilometerzone. Daarom hang ik zonder al te veel gewetensbezwaren aan onze verborgen rots. We hebben onze training misschien nog wel harder nodig dan zij die reeds professioneel zijn.

Jammer is echter dat Wuhan in de schaduw ligt en we steeds dieper in de herfst duiken, waardoor zowel mijn tenen als vingers dikwijls gevoelloos aan mijn lichaam bungelen. Daarbij gaf de rots geen grepen voor opwarmroutes en brokkelt er hier en daar nog weleens een greepje af. ‘Training’ in dagen van confinement geeft tevens steevast een mentale expeditie van een uur of drie, waarna ik me met een kop thee in een deken rol en mijn uiterste ledenmaten ritueel om vergeving vraag.

Interessant is het echter wél, dat kleine klimgebiedje daarboven. Niet alleen omdat de route soms spontaan veranderd (hier zat aanvankelijk toch een voettreetje?) maar ook omdat ik voor het eerst werkelijk ervaar dat al die sportklimroutes menselijke creaties zijn. Die van Thibault, dit keer. Het contact met de rots voelt daarom puur. Geen historie komt ertussen, geen waardering, geen lijn in de topo noch geblaat van andere klimmers. Er is slechts rots, en dan die enkele gek die erover naar boven probeert te kruipen.

Maar als straks de eerste sneeuw valt is het frisse feest van Wuhan over. Wat er vervolgens met ons gebeurd is aan het virus en Macron om te bepalen. Misschien moeten we in egaal witte pakken op zoek naar een geheime berg om ons voor te bereiden op een eventueel ski-examen, ons klimniveau dat integraal af zal hangen van een oefenbalkje in de slaapkamer.

We weten het echter niet. Zoals niemand niet.

In een vallei in herfst

Eerst was er een harde wind, die onze smalle stegen en zware huizen in bezitnam en knabbelde aan alles wat iets minder vast stond, zoals de dode zonnebloemen in de tuin en de verlaten schildersezel op het balkon. Een wind die floot en zong in zijn eentje, ongetwijfeld van plezier, want hij voelde zich verschrikkelijk dominant en aanwezig. Daarna regende het. Twee dagen met een grijze lucht. Achter de bleke waas van het gemiezer kleurden de bomen misschien nog wel iets mooier dan daarvoor.

De kamers in huis zijn daarom donker en de verwarming staat aan. De kat ziet ons sinds een paar weken als drie kacheltjes op lange benen die soms voor zijn welzijn of nachtrust horizontaal gaan liggen, dan kruipt hij bovenop ons en krabben we hem ook nog eens achter zijn oren. Wanneer ik hem zo zie liggen vraag ik me vaak af welke goede daden ik moet doen om ook als huiskat te reïncarneren of wie hij wel niet was in zijn vorige leven.

In huis is het gezellig en verheug ik me op de voortzetting van het winterse bestaan. Maar zoals de wind zich met genoegen tussen de huizen door wurmt, woekert het virus in Briançon, onze kleine bergstad. De avondklok gaat in. La Vachette blijft echter toch dat dorp in een dal op zeven kilometer afstand, vol met bomen en heel wat minder mensen, waar Covid vooral bestaat via steeds duister wordende berichtgeving op onze schermen en de radio, eventueel mijn eigen angst dat íe het tot mijn moeder of vader redt en vooruit, de mondkapjes wanneer we richting Briançon gaan.

Dat het winterseizoen op het spel staat wil ik liever nog even niet geloven.

Wat überhaupt maar een relatieve ongerustheid vormt, in deze tijd, waarin alles en iedereen op zijn kop staat maar hier gewoon op beide voeten in een vallei in herfst.



Professioneel Zeedier

Toen het leven opeens even moeilijk werd, op 27 februari 2019, doordat Céline en Elise ervandoor gingen en ik grip moest krijgen op de dood, stond er plotseling een pakketje bij de post. Het verborg een grote, lichtroze knuffeloctopus. De acht tentakels van het beest representeerden de armen van mijn moeder, vader, broer en zus, want die zaten in Nederland en gaven me zodoende een knuffel die nog altijd voortduurt, want het zeedier wijkt ’s nachts niet van mijn zijde.

Een week daarna kwam mijn Zwitserse vriendinnetje Kim bij me op bezoek met onder andere een doos aquarelpotloden. Alles wat ik in de maanden die volgden niet via woorden kon uitdrukken of oplossen, kwam terecht in tekeningen die ik nooit verwacht had te maken. Tekenen deed ik al een tijd niet meer en had ik überhaupt nooit als methode gebruikt om helderheid in mijn hoofd te krijgen. Maar het bleek nogal krachtig. Als ik terugkijk naar die periode en de tekeningen weer voor de geest haal, weet ik hoezeer die hebben bijgedragen aan het grote terug-op-mijn-pootjes terechtkomen. Dat had Kim goed ingezien.

Sinds ik weer beter ga en zelfs weer met liefde en plezier door de bergen trek (over een nogal kronkelig pad, maar daar zal ik het nog wel eens over hebben), zoek ik naar een manier om mezelf professioneel te ontwikkelen die me op een dag in staat zal stellen andere gestruikelde mensen weer op de pootjes te krijgen. Want zo gaat het, zodra je beseft hoeveel waarde anderen voor je hebben wanneer het leven opeens anders loopt of nogal willekeurig in je bezit is gebleven. Dan wil je iets structureels terugdoen.

Iets. Zoals het openen van een distributiecentrum van octopussen en aquarelpotloden (en tanden voor de tandelozen;)), maar dan wat realistischer.

Omdat het tekenen voor mij zo wonderbaarlijk goed werkte, keek ik aanvankelijk in de richting van Art-Therapie, maar ik was bang dat het te alternatief was om niet-zo-alternatieve mensen mee te kunnen bereiken. Uiteindelijk heb ik bedacht dat ik misschien maar gewoon moest beginnen bij de basis. Bij het begrijpen van mijn psyche, de psyche, die van gestruikelde mensen en alle anderen. Psychologie. Dan zou ik meteen leren over rouw, trauma, voorklimangst, onzekerheid en (de wetenschappelijke kant van) meditatie, allemaal onderwerpen die me al zo lang bezighouden.

Sinds twee weken sta ik daarom ingeschreven bij de Open Universiteit en volg ik een premaster Levenslooppsychologie. Ik ben dus weer student en mag zoveel koffiedrinken als ik nodig acht.

Soms ben ik bang dat het project misschien veel hooi is voor een niet zo hele grote (skiënde, snel afgeleide) vork, maar met de directe steun van Thibault en Fieke (en nu ook eventjes mijn moeder!) lijk ik er toch zonder al te veel wantrouwen in te kunnen duiken. En het idee om eindelijk misschien wat te betekenen voor anderen in dat enorme cadeau van een leven is ook wel een goede motor. Dan word ik zelf gewoon een lichtroze octopus met acht tentakels, maar dan professioneel.