Latest Posts

Een nieuwe Nederlandse buurvrouw

Thibault vindt Duo Penotti zo lekker dat ik me genoodzaakt voel om de pot te verstoppen. Meegenomen door mijn nieuwe Nederlandse buurvrouw staat het hier in La Vachette bij grote uitzondering in de voorraadkast. Appelstroop en Calvé pindakaas kan hem gelukkig gestolen worden en hagelslag vindt hij onhandig (ça me soule). Alleen de pot van Duo Penotti riskeer ik vroegtijdig in de glasbak te moeten gooien. Die leg ik nu dus eventjes achter de piano.

De Calvé pindakaaspot staat trouwens weerloos tegenover een andere huisgenoot van me, die met een thee(soep?)lepeltje aanslagen lijkt te plegen op de inhoud ervan en dus verstoppen we die ook, al zal ik niet zeggen waar, want het Blonde monster in kwestie leest mijn blog.

Ik moet overigens zeggen dat in frans brood grote gaten zitten en schuddenbuikjes er voornamelijk doorheen vallen, wat niet erg is want die kunnen net zozeer van het bord gegeten worden.

Waar ik echter vooral over wilde schrijven was die Nederlandse buurvrouw, want dat is mijn moeder.

Die kwam afgelopen donderdag aangereden met een kakelvers pensioen, een opzet voor een boek, een verlegen Franse vocabulaire en tas vol Hollands broodbeleg. Ik kon haar geen hele dikke knuffel geven bij binnenkomst want zij kwam uit Rood en wij zijn Geel, dus verliep ons weerzien op die vreemde afstand van tegenwoordig, waar ik weer even een grote hekel aan had want het is mijn moeder en dus ook de leukste en liefste en vooral, dapperste van de hele wereld.

Omdat mijn onderburen voor twee maanden in Spanje zitten wordt hun appartement de context waarin mijn moeder haar boek zal schrijven, aan tafel met een kitsch Frans tafelkleedje, een Frans wijntje en Franse stinkkaas en dan misschien nog een Frans wijntje, in de warmte van een houtvuur dat ze zelf op gang moet houden en omringt door hoge bergen die langzaam oranje kleuren en zelfs al, hoog boven, bedekt worden door sneeuw. Ook zal ze af en toe een verhaal voor mijn blog schrijven want daar heb ik al een tijdje over gezeurd en ik denk dat ze inmiddels wel voelt dat ze er niet meer onderuit komt.

Hoe het Franse leven haar vergaat laat ik haar dus zelf verwoorden, terwijl ik me bezighoud met het verbergen van het broodbeleg, alhoewel het misschien al te laat is voor de schuddenbuikjes, want die zijn erg lekker en heel makkelijk om zo, handje voor handje, in het voorbijgaan weg te snoepen.

(De chocolade pepernoten hebben overigens geen twee uur lang stand gehouden. Geschokt vond ik slechts nog een leeg zakje en Thibault met een brede grijns en grote piek in zijn bloedsuiker).

Een tevreden tweepoot in herfst

De vallei, daar wilde ik over schrijven voor het einde van de maand.

Hoe de bospaden voorzichtig oranje kleuren maar de bomen zelf nog niet, en de weilanden en dorpen ’s ochtends vroeg nog in de wolken liggen wanneer ik naar de camping fiets, zodat ze af en toe verschijnen of verdwijnen. En hoe de zon op de rotswanden hoog in de bergen zo tegen de avond wanneer ik weer terugfiets, me naar een eigenaardige wereld ver van hier brengt. Een droomwereld van opvallende maar vriendelijke figuren die gekleurd door het herfstlicht op weg naar hun boomhuisjes of bladerboten lopen. En van cello’s en fluiten rondom een houten tafel vol glazen zoete rode wijn en kastanjes, en de wind die hun muziek oppikt en achterlaat in mijn hoofd en hart.  

De vallei is in herfst en ik sta er middenin, op de camping, met een dikke sjaal om mijn nek.

Onder de brede vlonders van de camping groeien paddenstoelen. Een vos heeft zich even thuisgemaakt in een luxe tent omdat we ons bezighielden met andere tenten, zijn modderpootjes op het rieten tapijt en holletje op het dekbed, precies van vos-in-bolletje-grootte, verraadden hem. De andere stiekeme slapers laten geen sporen achter. Er schijnen inmiddels verschillende wolvenroedels door de bergen te dwalen, jagers klagen erover omdat hun wild niet meer tevoorschijn durft te komen, misschien schuilen de herten en geiten wel onder ons katoen.

Als het regent schuil ik zelf onder mijn golfkarretje. Snel ren ik dan onder de lange bomen door om iets uit een tent te halen en ergens anders weer te bergen. Natuurlijk regent het een klein beetje in, het droge zitvlak wordt kleiner en kleiner naarmate we dieper in de herfst zakken en mijn tenen warmen soms niet meer op. Met plezier trek ik er ’s avonds dikke sokken overheen.  

En de vallei, die is gevuld met de zachte geluiden van de natuur. Want er zijn geen slingers meer van brommende auto’s of schreeuwende Italiaanse fietsers richting Névache die de wind, vogels of rivier overstemmen. Teruggegeven aan de inwoners op vier of twee poten (of acht voor al die spinnen of duizend voor de duizendpoten, maar die zie ik hier niet vaak), ik mag van geluk spreken dat ik er deel van uitmaak.

Het varken in Drenthe

Soms koekeloer ik even naar wat er in Nederland zo ongeveer gebeurt via het NOS. Gisteren zag ik dat een vrachtwagen vol varkens tussen Gieten en Rolde was omgeslagen. ‘Een deel van de varkens overleefde het ongeluk niet’ stond in het artikel geschreven. In een bijgevoegde video zag ik de overleden varkens op hun rug of zijde rondom de vrachtwagen liggen, maar ook het setje gelukkigere varkens rondstruinen in het hoge gras naast de weg.

Ga ervoor stelletje sukkels, dacht ik meteen. Richting Gieten of Rolde of al het gras dat ertussen ligt; dit is jullie kans.

‘De dieren werden bijeen gedreven in de berm. Inmiddels zijn ze opgehaald door een andere vervoerder’. En geslacht, denk ik zo.

Ik overdrijf niet als ik zeg dat ik sindsdien regelmatig aan die varkens denk. Of laat ik zeggen dat ik aan ééntje specifiek denk. Dat is die ene die ze over het hoofd hebben gezien. Die heeft zich laag en stil gehouden in het hoge gras en leidt nu een vrij Hollands leven, dwaalt tevreden door de Drentse bossen en zegt af en toe ‘knor’ tegen een setje wilde koeien of een loslopende kip.

De afgelopen tijd was ik zo vegetarisch als een gedroogde Franse worst. Mijn Drentse varken brengt daar misschien weer even verandering in.

De camping

Tijdens de confinement gingen Thibault en ik af en toe stiekem de hort op. Niet ver, misschien een kilometer of drie verder dan we mochten gaan, in het gezelschap van de occasionele wolf, langs krakende boomstammen en smeltende sneeuwvelden van een winterseizoen dat met een flop ten einde liep. Vooral toen bevriende artsen en verpleegsters zeiden dat er in het ziekenhuis maar weinig te doen was omdat de epidemie zich (gelukkig) niet bijzonder interesseerde in onze kleine bergstad, werd het moeilijk om de verlaten paden van onze stille omgeving te weerstaan.

Het meest dominante geluid kwam, zoals ik al een keer had geschreven, van politiewagens. Aanvankelijk plukten ze slechts immigranten uit de bosjes, nu zochten ze eveneens illegale wandelaars met frauduleuze papiertjes om boetes van 135 euro uit te schrijven. Het aantal politiewagens dat zich dagelijks door onze smalle dorpen wurmde was indrukwekkend, het leek wel alsof we op elk moment dreigden uit te breken. Onze geheime wandeling liep daarom voornamelijk uit het zicht, we leerden alle geitenpaatjes van de omgeving kennen. Een zo’n pad liep over een gesloten houten brug naar een enorme verlaten camping in het bos achter ons huis, die vanwege haar private status aanvoelde als relatief veilig terrein.

Op die camping werk ik nu. Afgelopen week hadden we meer dan 500 gasten.

Omdat ik midden in het hoogseizoen werd aangenomen als receptioniste en nooit eerder achter een balie had gewerkt, was mijn nieuwe tijdelijke baantje op zijn zachts gezegd nogal een uitdaging. Alleen al het noteren van de Franse cijfers wanneer iemand zijn telefoonnummer opdreunde bleek topsport (quatre-vingt-dix-neuf, wie verzint het). De camping stond daarbij vol. Letterlijk. Wanneer iemand zijn plekje niet leuk vond, kon die niet verhuizen naar een ander plekje zonder iemand anders van de camping af te knikkeren. Want Frankrijk ging dit jaar op vakantie in Frankrijk en Holland liet zich niet tegenhouden door een virus meer of minder.

Het allerleukste van mijn werk vond ik al snel het elektrische golfkarretje dat we gebruiken tijdens de schoonmaak. Die trok zich niets aan van boomwortels of rotspunten en stuiterde in hoog tempo van toilethok naar toilethok, over de paden die zo verlaten in het bos hadden gelegen toen we ons verstopten voor de patrouilles. Het minst leuke bleek echter de schoonmaakdienst zelf. Wanneer ik een ochtend lang met mijn kop boven een vijftigtal toiletten hing, dacht ik met spijt aan alle carrièrekeuzes die ik ooit had gemaakt, vervloekte ik zachtjes alle vakantiegangers die zo nodig naar de plee moesten en dacht ik met nostalgie aan de dagen waarin we de vallei deelden met slechts een handjevol illegale wandelaars, een uitgebreide collectie politiewagens en het kleine wonder van een natuur die plotseling met rust werd gelaten.

Uiteraard hoop ik dat het virus muteert en komende herfst slechts nog interesse toont in kakkerlakken en vleermuizenpoep. Mochten we toch weer op slot gaan, dan hoop ik dat ze ons dit keer laten wandelen. Gewoon, door het bos naast het huis, zielsalleen. Ik hoop ook dat de vallei snel weer wat stiller wordt, egoïstisch voor mijzelf, omdat ik houd van groepjes grazende herten en het suizen van de wind. En ik hoop, als laatste, dat mijn campingbaan een van mijn laatste kleine baantjes is, want hierna word ik schrijfster. Of gids. Of zonnebloemhouder of geheime wandelaar in vreemde tijden.

Zwemmen

Mijn badpak dateert uit de vijfde klas, gekocht omdat ik met een vriendinnetje op zomerkamp ging aan de oever van het Comomeer. Sindsdien heb ik niet meer echt een reden gehad om een nieuwe aan te schaffen, zelfs toen ik eruit kromp. Wanneer ik met mijn ex in de blauwe rivieren van de Catalaanse Pyreneeën dook was dat naakt of in ondergoed en bergmeren vind ik gewoon best wel koud.   

Maar sinds Thibault op één of andere manier zijn energie moet kanaliseren en natuurlijk niet kan wachten op het herstelproces van zijn gebroken enkel, hebben we een abonnement op het zwembad genomen. Toen ik het toegangspasje in mijn handen hield, gehuld in mijn te grote badpak, met mondkapje, Crocs en spierwitte billen (een absoluut meesterwerk), bedacht ik me dat ik eigenlijk helemaal niet kon zwemmen. Ik kon misschien mijn kop bovenwater houden, maar de manier waarop ik van de ene naar de andere oever van het bad zou bewegen was ongetwijfeld verschrikkelijk.

Het eerste wat ik leerde was hoeveel verschillende borsten, billen en buiken eigenlijk bestaan en hoe die allemaal anders voortbewegen. Ik had al tien jaar geen lichamen meer op grote, bijna naakte schaal om me heen gehad. Het tweede wat ik leerde was dat ik inderdaad niet kon zwemmen en ook niets wist van de baantjes etiquette (zeg je hallo tegen je baangenote?) en het derde was dat leren zwemmen best wel moeilijk is. Want tijdens de borstcrawl kwam er water in mijn neus en luchtwegen en kon ik maar zo’n zes keer met mijn armen in het water slaan voordat ik bang was om te verdrinken.

Daarom was ik er die eerste keer na een half uur wel klaar mee en keek ik hangend aan de zwembadrand naar de gespierde schouders en grappige brilletjes van baantjeszwemmers, het plonzende kattenkwaad van een bende jongens en de flanerende tienermeisjes met hun telefoons aan de oever van het zwembad.  

De tweede keer leerde ik dat je ook onderwater kunt verbranden. Thibault had drie kilometer gezwommen en zag er plotseling uit als een roodwatermonster, ikzelf had rode billen.

De derde keer ontdekte ik waarom al die baantjeszwemmers brilletjes ophadden, want nadat ik eindelijk wat langer met mijn kop in het water kon blijven zag ik de hele dag zo wazig dat ik de auto niet meer durfde te pakken.

Voorafgaand aan de vierde keer ging ik daarom langs de winkel om zowel brilletjes als een bikini aan te schaffen. Daardoor zwom ik niet persé beter, maar ik hoefde in elk geval niet meer te waken voor het spontane vertrek van mijn badpak en kon eindeloos onder water kijken naar het voortbewegen van de echte zwemmers. Dat is best wel cool, hoe ze dat doen. Ze lijken ervoor gemaakt.

Zoals veel sporten leuker worden naar mate je ze beter beheerst, heeft het zwemmen me uiteindelijk toch te pakken kunnen krijgen. De sensatie van het glijden door het water begin ik te missen nadat we een tijdje niet zijn geweest. Ik heb zelfs aan Thibault geopperd dat we (ik vooral) misschien eens een lesje moet(-en) nemen. Hij kan inmiddels zachtjes op zijn enkel steunen maar zit voorlopig nog aan het zwembad gebonden om zijn cardio omhoog te krijgen (hij zou tevens kunnen fietsen op een hometrainer maar dat is een stuk minder grappig).

En ik moet zeggen dat er zelfs iets prettigs is aan dat leven in bikini. Ik voel me weer het meisje op vakantie in het zwembad van de camping dat alle verzuipende vliegen uit het water schepte, tegelijkertijd de onzekere ongetwijfeld verliefde tiener op het strand en ook gewoon een volwassen vrouw, een lichaam tussen de lichamen onder de zon, die op de een of andere manier aan de rand van een zwembad in Frankrijk terecht is gekomen en met plezier (en onjuiste techniek) het water in duikt.

Xanax

Voor me zat een dokter die jonger was dan ik zelf. Die leeftijd heb ik inmiddels bereikt; de leeftijd waarop ik de deur niet meer uitga zonder zonnebrandcrème op mijn gezicht en mijn vrienden in staat blijken om huizen met tuinen te kopen (voor eventuele baby’s en een setje kippen). Ik zei tegen de dokter dat ik graag een verwijzing naar een psycholoog wilde en toen vroeg hij me om mijn symptomen te omschrijven.

Dat hele omschrijven was misschien wel deel van het probleem, vooral als je opeens aan een onbekende jonge knaap moet uitleggen wat er precies aan de hand is. Ik vertelde hem dat ik graag berggids wilde worden en eindelijk redelijk dicht bij toelating tot de opleiding stond, maar dat ik in de praktijk soms dwars werd gezeten door een ongeluk van ruim een jaar terug. En dat ik over het algemeen nog steeds niet zo goed wist wat ik met dat ongeluk aan moest, het risico en de dood en zo, en dan nog die droom van het berggidsenbestaan.

Ik moet zeggen dat hij me de verwijzing naar de psycholoog direct heeft gegeven. Wat hij me echter ook gaf, was een voorschrift voor Xanax.

Het probleem is dat ik soms, in de bergen, wanneer de omstandigheden erg lijken op die van het ongeluk (een steen die valt, een steile sneeuwhelling zonder einde) moet vechten tegen de paniek. Mijn gedachten zijn dan plotseling oncontroleerbaar en geconcentreerd louter op wat mis kan gaan, en mijn lichaam lijkt niet helemaal meer vooruit te willen, noch achteruit. Dat is misschien niet heel raar, maar ook weer niet heel praktisch, vooral omdat ik niet weet of het zichzelf oplost voordat ik straks eventueel met mijn eerste klanten op pad ga.  

Vandaar die Xanax.

Ik wilde echter geen symptoombestrijding. Want ik zie mezelf geen pillen uit mijn zijvakje halen wanneer ik met één hand aan een steile wand hang en de paniek voel opkomen, met name omdat ik daarna nog van de berg af moet en het idee heb dat je er nogal slaperig van wordt (en als je er geen auto mee mag rijden dan lijkt het me ook geen ideaal middel voor de bergen).

De dokter was misschien jong maar wel erg geduldig en vriendelijk, wat prettig is als je plotseling binnenstebuiten voor iemand zit. De afspraak met de psycholoog heb ik echter pas in September kunnen maken.

Voorlopig staan er daarom geen beklimmingen op het programma die me eventueel zouden kunnen triggeren. Zin om de bergen in te trekken heb ik echter wél. Veel zelfs. Mijn liefde voor hen heb ik nooit in twijfel getrokken, noch mijn capaciteit om er de kracht en vrijheid op te doen die me in eerste plaats naar ze toe heeft gebracht. Ik ga dus wandelen en een hoop makkelijke tochten maken, en voorlopig maar eventjes zelf op ontdekking in mijn psyche.

En die Xanax bewaar ik eventueel voor de toekomst.

Zonnebloem

 

De zonnebloemen in de tuin zijn gek gemotiveerd om te groeien. Onze grootste torent inmiddels tien centimeter boven mijn hoofd uit. Het is haast een ervaring om zo naast een grote zonnebloem te staan. Ik hoop dat de stengel ook Bertrand ontgroeit, mijn buurman van twee meter die zich samen met ons over de groenten ontfermd en rondrijdt in een piepklein autootje waaruit zijn benen en hoofd steken (bijna).

Thuis is het beste stekje.

Want Fieke is mooi en ’s zomers, met haar bruine snoet in bloemenjurken, een klein Hollands sprookje in Frankrijk. Tigrou heeft tegen zijn wil een hond op bezoek gehad en circuleert sinds twee dagen alleen nog maar op hoogte, van de bank naar de kast naar de tafel naar het aanrecht en trekt daarbij een verongelijkt gezicht. Ik heb hem nog niet gezegd dat de hond vanavond weer op visite komt. Thibault heeft een soort plastic vervangbeen gekocht en wandelt daarmee over de zandpaden als een marsmannetje met uitsteeksels, alle wandelaars kijken hem na. Ikzelf loop af en toe door de kleine binnenstad op een stel onpraktische hakken om me weer even vrouwelijk en aangekleed te voelen, maar uiteindelijk toch liever door de bergen op mijn gympen.

Wat zijn ze mooi, die bergen.

De hittegolf, de grote gevaarlijke hittegolf die afgelopen zomer nogal langdurig door het land trok, ligt voorlopig nog in de haven (welke haven weet ik niet, die van klimaatopwarming en dikke auto’s en een stomme burgermeester die fietspaden niet serieus neemt), met als gevolg dat ik deze zomer niet persé verafschuw en het vrolijke gebloem- en fluit eigenlijk wel aangenaam vindt. Het scheelt een hoop deprimerende gedachten (wat niet wegneemt dat we iets met die burgermeester moeten aanvangen).

Kortom, het landschap van mijn thuiskomst is nagenoeg perfect. Ik heb zelfs nog de ouders op bezoek gehad, mijn favoriete echtpaar dat door de bergen buffelt alsof ze er alleen maar jonger op worden en langzaamaan mijn Franse vriendje begint te verstaan, mits hij articuleert. Hoe overtuig ik deze twee van het feit dat ze hierheen moeten verhuizen? Ik wilde ze aanvankelijk opschepen met een Border Collie die alleen maar gelukkig zou worden wanneer hij achter een setje schapen over de Franse bergflanken zou kunnen rennen, maar ze doorzagen mijn plan. Voor Tigrou heb ik geen oppas nodig want die plundert de voorraadkast geheel autonoom en voor Thibault geld hetzelfde.

Wees echter op jullie hoede, lieve ouders, ik vind wel een plan of noodzaak.

(Moeten er niet twee boeken geschreven worden in de rust van een klein Frans bergdorp?)

 

_DSC0282

Zoek de marmot. Er zijn er drie.

 

_DSC0287

Wandeling Col de Chardonnet – Col de Beraudes (=achtertuin)


20200711_141933

De investering moet meetellen

Als een grote, Italiaanse dinosaurussenfamilie Chamonix tijdens de examens als nest had gebruikt, dan was me dat niet persé opgevallen. De fysieke testen vormden het begin en einde van mijn wereld, de bergen waren eventueel ergens op de achtergrond aanwezig en ik was zelf slechts een lichaam dat moest presteren.

Het lichaam heeft min of meer de prestatie geleverd, maar de euforie komt slechts af en toe bovendrijven, onverwacht wanneer ik bijvoorbeeld voor de toonbank bij de bakker sta en het roomtaartje met frambozen wel denk te verdienen. Misschien omdat er nog een groot examen te wachten staat en ik niet te vroeg wil juichen, misschien omdat het leven geenszins verandert blijkt nadat ik thuis ben gekomen (ik had eventueel andere kleuren en dimensies verwacht, Tigrou als giraffe en een droombaan in een strikje op de deurmat).

Wat mijn blijdschap echter vooral de kop indrukt zijn de herinneringen aan het verschijnen van de beruchte lijst in de aula waarna we ons realiseerden wiens naam erop ontbrak. Natuurlijk was het geen lijst van leven of dood, maar wel een lijst van dromen. Elke avond klonk het gespatter van dromen door de ENSA en ver daarbuiten. Het ongeloof en de tranen van zij die plotseling naar huis werden gestuurd raakte mij ook, even, maar vijf minuten daarna zoog het volgende examen me weer terug in mijn obsessie en de onzekerheden over mijn eigen kans op slagen.

Ik had liever gehad dat gewoon iedereen was geslaagd. We hebben samen getraind en het allemaal verdiend. Het voelt debiel dat het einddoel zo individueel blijkt na zo’n lang, intensief gedeeld traject.

Tegelijkertijd weet ik hoeveel jaren iedereen zelf al geïnvesteerd heeft, mooie jaren ongetwijfeld, maar gefocust op louter die examens, vol van training, blessures, kleine baantjes en duur materiaal, hoop en stress en dan teleurstelling, vier jaar, vijf jaar, er zijn er van negen jaar. En ja, ze hebben ruim het niveau om berggids te worden, maar de examens zijn met regelmaat hopeloos willekeurig en de ENSA heeft daarbij een één of ander silhouet in gedachte, alsof het gaat om modellen voor een tijdschrift, en als je een manier van voortbewegen hebt die helemaal niets zegt over je kwaliteit in het ijs, op de rots, als gids, maar die net niet helemaal correspondeert met hun voorkeur dan kun je je twintig jaar lang aan gort trainen maar nooit aangenomen worden tot de opleiding.

Ik ken er gewoon te veel. Sterke, gepassioneerde, sociaal capabele jongens en meisjes die fantastische gidsen zouden kunnen worden maar die op de een of andere manier niet geselecteerd worden.

Het onnodige gespatter van dromen heeft me pijn gedaan. Dus eet ik dat taartje en ben trots op mezelf dat ik de zomerexamens heb kunnen valideren, maar echt vieren kan ik het pas wanneer we allemaal de opleiding in mogen.

(Wat betreft mijn eigen traject en het ongeluk moet ik overigens zeggen dat ik me honderd procent gesteund voelde door de ENSA. Ze waren begripvol en geduldig, wat me veel heeft geholpen op mijn eigen slingerende bergweggetje richting een eventuele toekomst als berggids.)

(En Victor en Antoine, duizend dikke klapzoenen, jullie worden ijzersterke en zulke leuke berggidsen)

Een klein feestje voor nummer 47

Maandagochtend zaten we met 106 bloednerveuze kandidaten in het amfitheater van de ENSA. Ze gaven ons hesjes met een rugnummer en uitleg over het eerste examen van de week: Oriëntatie.

Die avond zaten we er nog maar met 71. De balises die we moesten vinden hadden in nestjes dicht bij elkaar gelegen en veel kandidaten hadden zich vergist.

De volgende dag reisden alle 71 af naar Ablon, een prachtig klimgebied richting Annecy waar onze harten een voor een explodeerden van zenuwen. Met trillende armen en benen klommen we onze examenroutes, soms klonk er een schreeuw van een vallende ziel. De gevallen zielen stonden die avond niet op de lijst.

Woensdagochtend renden 49 kandidaten door de granieten blokken van Plein Joux. Op bergschoenen klommen we gemene plaatroutes en eventjes dacht ik zelf weg te glijden, maar nee, ’s avonds hing mijn naam nog steeds in de hal van de ENSA.

En toen was ik moe. Met de overgebleven horde liepen we donderdag naar Glacier du Tour om de juryleden onze kunsten in het ijs te tonen. Bang waren we allen dat een pickel los zou schieten, een stijgijzer weg zou glijden. Er waren drie technische parcours en één steile beklimming met ijsbijlen, zo steil, zo lang, en zo moe was ik dat ik halverwege losliet en met een boog naar beneden vloog.

Toch stond nummer 47 die avond op de lijst. Mijn gemiddelde cijfer was hoog genoeg geweest.

Nu resteerde alleen nog dat vreemde ski-examen dat eigenlijk afgelopen winter plaats had moeten vinden.

41 kandidaten skieden vrijdagochtend omhoog over een verrot sneeuwveld bij Grand Montet. Het was zo mistig dat we allemaal bang waren om de weg kwijt te raken of op volle snelheid over de jury heen te skiën. En ik, ik was te moe. Na de CRET, na alle examens en de ongezonde hoeveelheid stress waren mijn ogen rood en mijn benen lam. Dat ik bochten kon maken met datzelfde paar benen, met een zware tas op mijn rug zonder een hand voor ogen te zien en in één stuk beneden kon komen was voor mijzelf een wonder.

Maar het was niet genoeg om die avond op de lijst te staan. Slechts 22 kandidaten overleefden.

En toen was iedereen boos.

Want het sloeg nergens op, dat examen, vonden ze. Skiërs die voorgaande jaren hoge cijfers hadden gehaald waren dit jaar beoordeeld alsof ze in pizzapunt naar beneden waren geduikeld. Onenigheid was overal, zelfs binnen de jury zelf. Ik heb nog nooit zoveel volwassen mannen zien huilen en ikzelf was ook niet blij.

Want skiën was niet het onderdeel waarop ik af had moeten vallen. Skiën was mìjn onderdeel geworden. Ik had er jaren voor getraind en ik voelde me goed. Die ochtend had ik misschien geskied als een idioot, maar ik was geen idiote skiër meer. De omstandigheden waren simpelweg te slecht geweest.

En toen deed de ENSA iets verbazingwekkend. Ze zeiden: Tsjah, het was misschien toch niet zo’n representatief examen geweest.

Om het goed te maken hebben ze ons gezegd dat we het zomerdeel van de examens mogen behouden en alleen komende winter nog het ski-examen hoeven te doen.

Voor mij is dat OK. Ik was niet van plan dit jaar de opleiding in te gaan en als ik ervan overtuigd ben dat ik inmiddels goed kan skiën, dat moet ik dat komende winter maar laten zien.

En dus is het tijd voor een klein feestje voor nummer 47. Want ik heb de zomerexamens gehaald en kan met een ijsje op een plastic krokodil in een zwembad gaan liggen, tot de eerste sneeuwvlokken vallen, want dan moet ik nog eventjes aan de bak.

img-20200629-wa00018942094661780763322.jpeg

Week 7: De wonderlijke wereld van een zomerse wintersport

Het is 26 juni, zeven uur ’s ochtends. Met de ramen open rijden we langs het Lac du Chambon. De bergen zijn groen, de lucht is warm. Nieuwsgierig tuur ik in de verte, op zoek naar onze bestemming van deze ochtend. Ze hadden me gezegd ‘kijk goed om je heen, Ruby, het is nog eens wat’. We rollen langzaam Les Deux Alpes binnen en ik geef ze gelijk.

Het is bijzonder lelijk.

Het dorp, als het zo te noemen valt, bestaat uit een enorme verzameling appartementencomplexen met brede asfaltwegen, parkeerplaatsen en betonnen liftstations. Rechts gapen beige gaten in de flank van de berg, recent opgevuld met nog meer appartementencomplexen, links zie ik slechts opgedroogde skipistes. De hele berg piste, alsof ze er een gestreepte deken overheen hebben gelegd.

We halen onze ski’s uit de kofferbak en stappen in een lift, die ons takelt over eindeloze lappen gras, over puinhellingen waar bulldozers de bergen zonder concessies op skiërs hebben aangepast, over het begin van een gletsjers die inmiddels de naam draagt van het skistation. Daar treden we een wereld binnen waarvan ik nooit had bedacht dat íe bestond.

Een zomerse wintersport. Hierboven, op 3000 meter hoogte, traint het Frans nationaal team, de Franse nationale skischool en de ENSA als een verborgen diersoort in strakke pakken op geslepen latten. Hier overzomeren de snelheidsduivels wanneer de valleien groen zien en er nergens meer te glijden valt. Ik staar verbijsterd om me heen.

Hoogst ongemakkelijk sluit ik me daarna aan in de rij bij de nationale kampioenen voor de sleeplift. Wij allen, de stagiaires van de CRET, vallen volledig uit de toon: We hebben brede skitourski’s, wijde broeken, grote tassen en klimgordels met reddingmateriaal. Zij hebben glimmende onesies onder gestroomlijnde helmen en messen onder hun voeten. Nooit waren we hier beland zonder het coronavirus en het uitstel van het ski-examen. Ik ben bang om naast hen de pistes af te gaan en vooral om per ongeluk op hun ski’s te gaan staan. Ze zien er duur uit. Gelukkig vinden onze opleiders afgelegen hellingen waar we met een gerust hart naar beneden kunnen zigzaggen, buiten het zicht van de rest.

Skiën, ’s zomers, is overigens niet minder leuk dan skiën ’s winters. Het voelt licht gestoord en absoluut niet de bedoeling, maar toch ook prettig om weer in de stijve schoenen, met de helm op de kop en de stokken in de handen bovenaan een witte helling te staan. Naar beneden glijden is een sensatie, zelfs nog ietsje meer wanneer het eind juni zomaar uit de lucht komt vallen. Wanneer we echter terug naar Les Deux Alpes worden getrokken voel ik toch teleurstelling. Ik heb geprofiteerd van een destructieve institutie. Het is zo lelijk, het dorp. De natuur is zo ver weg.

Om twaalf uur ’s middags is het bloedheet in het dal. We trekken een short over onze heupen en zoeken de schaduw op van een terras, waar de huid van onze gebruinde, in mijn geval rode kaken even tot rust kan komen. De ski’s liggen weer in de auto. Nog één keer deze zomer zullen ze van stal worden gehaald.

Wanneer ze de ENSA moeten tonen wat we allemaal wel niet geleerd hebben.