Latest Posts

Week 6: Chamonix II (Samen)

Thibault deed een parcours in het ijs en stond plotseling voor een gigantisch gat in een sneeuwbrug. Hij besloot naar de overkant te springen en landde op een steen die enigszins verstopt onder de sneeuw lag. Zijn enkel klapte dubbel en zwol op, een helikopter vloog hem naar het dal. In het ziekenhuis zagen ze aanvankelijk niets, maar twee dagen later toonde de scanner een breuk in het sprongbeen. Een operatie, twee maanden met de poot omhoog en nog eens drie maanden revalidatie.

Nu ligt hij op bed met een lichaam dat tot in de puntjes afgetraind is.

Ook mijn lichaam is tot in de puntjes afgetraind. Klaargestoomd voor de blokken en het ijs, de wanden en het oerwoud van de oriëntatietest, hier presenteert de Hollandse zich aan de ENSA met een blonde staart, een stadsvoet en een Frans vriendje dat schittert in absentie.

Week zes deed me aanvankelijk goed. Het gekip-zonder-kop in het bergterrein beheerste ik eindelijk genoeg om er een dosis plezier uit te halen die me deed vergeten dat ik eigenlijk geen idee had of ik nog wel berggids wilde worden. Sterker nog, juist omdat ik alles zo leuk vond keek ik bijna weer met liefde naar de bergen.

Maar nu die arme Thibault volledig ontwapend door de woonkamer hinkelt kan ik er minder van genieten. Het was iets dat we samendeden, uiteindelijk, de voortzetting van een hysterisch avontuur na een verschrikkelijk ongeluk, aftasten hoever we nog konden en wilden gaan, in elkaars aanwezigheid en met elkaars steun, die zo belangrijk was omdat alleen wij werkelijk konden invoelen wat de ander voelde. Onze aangetaste dromen leken op elkaar. Onze vragen waren hetzelfde. En nu heeft het gemene lot zijn enkel gebroken op nog geen anderhalve week voor het examen, en stap ik dadelijk alleen in de auto naar de ENSA.

Natuurlijk geef ik niet op. Maar zijn triestheid heeft impact op me en zijn absentie eveneens.

Week 5: Chamonix I (Essay de Thibault)

Omdat ik zelf een klein beetje moe ben dit weekend, heb ik mijn (Franse) vriendje gevraagd om het verslag van de eerste week in Chamonix te schrijven. Die is geschreven in het… Frans. Voor mijn Franstalige lezers zal het dit keer makkelijker zijn om mijn blog te ontcijferen (onze Donald Duck taal valt niet mee), mijn Nederlandse lezers verwijs ik voorlopig naar Google Translate – tot ik zelf de energie vind om de tekst van Thibault te vertalen.

Nog een extra kijkje in de gekte van de CRET kunnen jullie vinden op de blog van Theo, mijn cursusgenootje. Klik vooral even op de video, die geeft de uitdaging van afgelopen week goed weer: Ijs.


Semaine 5: Chamonix I

Treize jours, douze heures et 127 minutes. Il pourrait s’agir d’un nouveau titre de ces livres français rouges, ceux de la littérature alpine. Rangé à côtés de celui de Desmaison, de la trace de l’ange, et du bouquin alpino-romantique d’Isabelle Bonnet. Les héros sont ici une GoreTex trouée, une paire de chaussette et de moi-même, c’est l’histoire de leur rencontre avec le climat Chamoniard. De leur retour à une humidité relative normal, de leur temps pour être précis puisque jamais ici, pendant toute la période du stage elles n’ont quitté le statut social de la moiteur froide, malgré l’hospitalité de nos amis, le thermostat étant bloqué sur une pluie constante et fine, le sec n’ayant qu’un caractère relativement temporaire.

Voilà, j’ai planté le décor. Humide. Il s’agit d’en finir au plus vite avec ce cadrage pessimiste et s’habituer. Puisque ce climat ne va pas nous quitter. L’homme se fait à tout, l’alpiniste ne fait pas exception à sa condition humaine et puisqu’il recherche l’AMBIANCE comme il le dit souvent, c’est bien avant tout bien fait pour lui. Au milieu des nuages, quelque part sur la mer de glace des petits groupes apprennent à jouer avec l’élément.

Il me parait important de faire un détour par l’Histoire avec un grand H -s’il vous plait-. Comme son nom l’indique, l’élément, est glissant. Les hommes ayant depuis longtemps perdu leurs attributs naturels pour ce genre de milieu, ils se doivent de porter des griffes artificielles en acier au bout de leurs membres inférieurs. Concernant les membres supérieurs, les griffes aux mains qui équipaient initialement nos ancêtres se sont rapidement révélées inadaptées aux comportements humains. Bien que le grattage de nez et autres parties ont bien sûr fait la fortune des Ophtalmologistes et Proctologues des vallées alpines, ils ont malheureusement aussi conduit à une baisse de la natalité. C’est donc contraint par l’instinct d’espèce que les alpinistes ont finis par choisir de n’en équiper qu’un seul sur les deux. La difficulté de changer la griffe de main pour adapter le côté de l’appui au terrain (main droite ou main gauche) en faisait cependant un outil laborieux. Un changement sociologique et un hasard historique a permis l’émergence du piolet moderne tel qu’on le connait aujourd’hui. C’est un mouvement (qui espérons le cyclique) de refus de la consommation au profit des potagers, qui a conduit tout une génération à redécouvrir la pioche des grands parents. Celle-ci a rapidement eu l’idée de s’en servir sur les terres gelées et c’est la facilité de ce fameux changement d’appuis qui a permis le réel développement de l’activité, perdant ainsi son cotes fastidieuse.

Saluant l’évolution du génie humain en terme du matériel, en échange d’argent (qualité souvent oubliée de l’alpiniste, qui est souvent bon consommateur de produits en tout genre) nous pouvons nous équiper des derniers outils à la mode. Fin prêt pour aller au milieu de cette mer de glace, qui ne ressemble plus qu’à un gros éboulis, s’adonner au plaisir de tordre sa cheville sur les pentes glacées afin d’arriver à se mouvoir avec élégance, en respectant les sacro-saint commandements de l’activité : Garder le bassin dans la pente, les pieds ouverts à 10h10 et ne pas tomber (ruisseaux, cailloux et crevaces etant prêt a nous accueillir). La tâche est rude il s’agit de transformer quelques grimpeurs de glaçons suspendus en danseur sur un support un peu moins vertical.

Les détails techniques, ou pratiques de l’activités, se résument plus facilement à l’aide de vidéo que d’un long texte. Je vous invite à taper Probatoire Glace guide sur YouTube pour avoir une vision des différentes absurdités réalisées (appelées dans le jargon répertoire gestuel), si cela vous intéresse.

Nous précisons à nos amis Hollandais, grand spécialiste, que tout don de matériel étanche est le bienvenu.


(Voor de Hollanders: De technieken die we moeten beheersen)


Week 4: Verdon

Een paar schapen zou ik wel in mijn tuin willen hebben. Een atelier in huis, een houten tafel en rozen op het terras. Meer hoeft eigenlijk niet. Tigrou die zich uitstrekt op een witstenen muur misschien, een gitaar en een piano zonder publiek.

Waarom ik me terug zou moeten vinden middenin het onweer op 300 meter hoogte bungelend aan een touw, weet ik niet. Ze zeggen dat je soms dingen moet doen die je niet leuk vindt om een groter doel te bereiken, maar daarboven aan de muur geplakt met die afschuwelijke diepte onder me en het flitsen en donderen boven me vervloek ik mezelf en elke beslissing die ik eens heb genomen.

De week in Verdon zou niet gemakkelijk zijn. Als ik er had mogen rondlopen en filosoferen, dan was ik er misschien nooit meer weggegaan, want de witte, 400 meter hoge wanden die aan beide kanten boven een felblauwe rivier uittorenen zijn niet helemaal van deze orde; de Verdon heeft ongetwijfeld hulp gehad van een klein gezelschap goden om zulke kliffen uit te houwen. Rondlopen en filosoferen was echter voor de anderen, de toeristen, diegene die klimmers voor gek verklaren.

Ik, helaas, lijk zo’n klimmer te zijn.

Afgelopen jaar heb ik de diepte nauwelijks opgezocht. In Oktober waagden Thibault en ik een poging op de Sialouze maar het was te vroeg. Ik durfde niet, was alleen maar bang om dood te gaan. Wennen aan de diepte werd daarom nog maar uitgesteld tot na de winter. Maar toen heerste er een virus en mochten we het huis niet uit en toen begon de CRET.

Natuurlijk heb ik getwijfeld of het wel zo’n goed idee is om met de voorbereiding voor de examens van de ENSA door te gaan terwijl ik rondloop met een trauma dat nog steeds een significant deel van de avontuurlijke kant van mijn brein inneemt, maar ik dacht dat ik ertoe in staat zou zijn om ter plekke mijn grenzen te trekken en zodoende langzaamaan te wennen aan de blootstelling en het avontuur. De realiteit is anders. De dynamiek van de groep is anders, het idee van de opleiders is anders, allemaal zo anders dat ik niet eens heb durven uiten dat er iets in mij nog niet helemaal goed zit.

Dinsdagavond. Het weerbericht voorspelde onweer in de vroege namiddag van de dag erna. De opleiders kwamen naar ons tentenkamp om routes te bespreken en mijn klimpartner en ik hadden een plan, een goed plan naar mijn idee, met een korte aanloop en ontsnappingsmogelijkheden voor het geval dat. De opleiders hadden echter een ander idee en mijn klimpartner werd er al snel door verleid. Ik niet, ik zei nee, aanvankelijk.

Ik weet niet hoe ze het doen. Ze verplichten ons nergens toe maar de druk die ze op ons uitoefenen is subtiel maar gigantisch. En dus zei ik ja, uiteindelijk, waarom ook niet, op een lange route met een complexe aanloop zonder ontsnappingsmogelijkheden, geopend lang geleden met de haken ver uit elkaar.

Woensdagavond bij terugkomst in het tentenkamp had ik daarom een huilbui zo groot als alle donderswolken boven de Verdon bij elkaar. Donderdagochtend wederom. Ik voelde me een ingestorte trein op weg naar de verkeerde eindbestemming. De dood van Céline en Elise explodeerde weer eens mijn hart. Het was te moeilijk, te groot, te diep. Zelfs Thibault was niet bij machte me te troosten. Om me heen liepen klimmers waarvan ik plotseling was vervreemd, niets lieerde me nog aan hen, zo één was ik eigenlijk al niet meer was sinds februari 2019. Het enige wat ik wilde was heel hard wegrennen om de hele episode van de afgelopen vijf jaar te vergeten.

Ze zeiden me dat het soort rampspoed je sterker maakt. Ik wacht nu al ruim een jaar op het moment waarop ik me sterker voel. Ik blijk niet eens in staat om nee zeggen.

Het ongeluk heeft mijn droom om een berggids te worden misschien wel voorgoed bedorven. Ik ben sceptisch wat betreft mijn vermogen om over mijn angst voor de diepte heen te komen, de gevolgen van een eventuele verkeerde wending zijn in mijn lichaam gegrift.

Maar ik ben moe en wil nog even geen beslissingen maken.

Toch denk ik sterk aan een setje schapen en een atelier in huis.

Week 3: Spleet

Tijdens zijn loopbaan als gids heeft hij alles gebroken behalve zijn hoofd, zegt mijn opleider. Vier jaar geleden nog bracht hij zijn hele onderstel aan puin, als klap op de vuurpijl, niemand had gedacht dat hij het zou overleven. Aan het andere uiteinde van het touw bindt hij zich in. Een knappe zestigjarige met een paar felblauwe ogen in een bruin, gerimpeld gezicht, een klein gespierd lichaam in een wijde klimbroek. We zijn in Annot, tussen rotsen van draken of reuzen of pinguïns, en staan aan de voet van een veertig meter lange spleet.
‘Hebben al die ongelukken mentaal niet het een en ander aangericht?’ vraag ik hem voordat hij zijn vuisten en voeten in de spleet wurmt.
‘Nee. Eigenlijk niet.’
Met de souplesse van een twaalfjarige, of een zestigjarige die zich regelmatig thuis voelt in 8b’s, klimt hij de spleet omhoog en land vijf minuten later onaangedaan terug op de grond.

‘En jij?’ vraagt hij. ‘Hoe gaat het met jou en het ongeluk van vorig jaar?’

Ik kijk verbaasd op, want hij is de eerste opleider die erover begint. En hij is geen zacht ei. Twee dagen eerder viel een cursusgenoot uit een spleet, gezekerd uiteraard, maar door een samenloop van omstandigheden duikelde hij een vijftal meters over de rots naar beneden. Lijkbleek zat hij daarna voor ons, met grote schaafwonden en barstende pijn aan zijn ribbenkast, we speculeerden allemaal over gekneusde of gebroken ribben. ‘Ach nee’, zei de opleider in kwestie, ‘wees niet zo hypochondrisch. En al is het een gebroken rib, ik heb er zelf elf gebroken. Drie weken. Niet meer.’ Mijn cursusgenoot liep uiteindelijk onbegeleid de berg af naar zijn bus. Zelf zo taai als een oude alpinist, reed hij naar zijn woonplaats Briançon om daar drie uur later bij de eerste hulp aan te kloppen, waar ze vaststelden dat hij geen interne bloedingen had, maar eventueel wel een gebroken rib.

Ik zeg tegen mijn opleider dat het ongeluk grote impact op me heeft gehad en ik zeker nog niet de methode heb gevonden om er op duurbare wijze mee om te gaan, noch de zekerheid om mijn carrière in de bergen voort te zetten. Hij lijkt te luisteren. Ik wijd niet verder uit omdat ik niet te veel van zijn onverwachte zachte kant wil vragen en weet ondertussen zeker dat hij een van de jongens nooit had gevraagd naar het soort emotionele moeilijkheden. ‘Ga met iemand praten. Dat kan veel goed doen’, zegt hij uiteindelijk.

Annot geeft een fabelachtige omgeving vol bomen met gekke stammen en Gnijs dat boven het dorp uittorent, het dorpsplein waar jongens jeu des boules spelen en meisjes toekijken vanaf de bankjes. De spleten in het gesteente bovenin de bergen blijken een perfecte leerschool voor het klimmen op protectie. Ik ben onder de indruk van mijn cursusgenootjes, die zich links en rechts naar boven wurmen en grote aanspraak maken op hun mentale kracht. Ik zie ze elke dag een stukje groter groeien.

Omdat ik nog steeds kamp met een schouderblessure kan ik zelf niet veel meer dan het aaien van de rots en het absorberen van de omgeving. Ik zoek de draken of reuzen of pinguïns, nieuwe wegen tussen de bomen door en fantaseer over de dag waarop ik terugkom met twee schouders in correcte staat om mijn eigen mentaal te vormen. Alhoewel ik geen toekomst vol gebroken botten voor me zie, nooit hard zal worden als een oude alpinist, heb ik het gevoel dat Annot een schat voor me verborgen houdt. Ook ik kan er groot groeien.

Week 2: Bergvoet (Plattelandsvoet. Stadsvoet.)

Op een paar Hollandse voeten ren ik over enorme granieten rotsblokken. Ik volg een parcours tussen twee rode linten en wordt getimed door mijn opleider. Mijn bergschoenen zijn er speciaal voor gemaakt, soepel en licht maar stevig, ik vind ze nog mooi ook. Soms moet ik springen, soms afklimmen. Maar dan. Plotseling loopt het parcours steil naar beneden, zo steil dat ik keihard op de rem trap en voor de passage tot stilstand kom. Ik durf niet. Onderaan de passage gaapt een gat waarin ik van alles zou kunnen breken: Mijn enkels, mijn benen, mijn nek. Het ziet er ongeveer zo uit:

TerrainVarrie

Het is niet de bedoeling dat je omdraait en afklimt. Je doet dit op frictie, met je neus naar het dal.

‘Ga er maar buitenom’, zegt mijn opleider, die meekijkt vanaf het midden van het parcours. Ik vind mijn snelheid en ritme terug en voel me heel even een Chamois, tot de volgende passage:

TerrainVarrie1

(Later werd me uitgelegd dat ik met een aanloop op frictie naar de top had moeten rennen. Ik heb dat toen geprobeerd; het probleem is echter dat je ofwel met volle overtuiging naar boven rent, of halverwege tot stilstand komt en naar beneden glijdt. Ik heb deze manoeuvre nog niet onder controle.)

Aan het eind van het parcours hebben ze nog een kleine verassing voor ons. ‘Zijn ze helemaal gek geworden?’ Dat is mijn gedachte wanneer ik ervoor tot stilstand kom (voor de duidelijkheid: Stilstaan is falen). Ik ben inmiddels uitgeput, mijn hartslag staat op 180 en voor me ligt dit:

TerrainVarrie2

De oplossing is dit:

TerrainVarrie3

Ik doe ruim vier minuten over een parcours dat ongeveer anderhalve minuut zou mogen duren. Het ontbreekt me aan een ‘pied montagnard’, een bergvoet. Ik heb een plattelandsvoet, een stadsvoet, een voet die eventueel zou kunnen dansen in een lakrode hak.

Het is inmiddels donderdag en ik ben moe. Heel de week hebben we door de blokken gerend en telkens is het parcours iets moeilijker, iets gewaagder. Toevallig hebben we een groep vol bergvoeten en ben ik de enige die schrikt van de passages. En het parcours is maar één van de drie onderdelen: We klimmen granieten 6b plaatroutes voor op bergschoenen, we klimmen granieten 5c plaatroutes af met ons gezicht naar het dal. De absurditeit ervan daagt me pas later. Ik overkom mijn angsten keer op keer, leer over de frictie tussen schoenzool en graniet, doe alsof ik hard ben als alle anderen, maar aan het eind van de dag ben ik fysiek en mentaal op. Leeg. Niets meer.

Met een lichaam vol blauwe plekken, handen vol kleine wondjes en een geblesseerde schouder lig ik om negen uur ’s avonds in mijn bed. Voor het eerst twijfel ik. Aan alles. En vooral aan mijn voeten. De volgende dag kan ik mijn arm niet bewegen en neem ik een noodgedwongen een dag vrij. Ik keer terug naar mijn zonnebloemen en win gedurende de dag iets van mijn zelfvertrouwen en kracht terug, maar niets is gegeven.

Het word nog eens wat, die CRET. Die examens. Die willekeurige droom van mij.

Mijn zonnebloemen staan gelukkig steviger dan ik:

Week 1: Balise (juf Marie in kippenpak)

Als een doldwaze vocht ik me een weg door een muur van takken met doornen, ik voelde me een beest met een missie, over een modderhelling waar ik een meter naar beneden gleed voordat ik grip onder mijn voeten vond, naar een graat, het regende, het donderde, het was donker voor de dag en waar was mijn balise? Niet op de graat, ik vloekte en gleed weer naar beneden. Daar zag ik haar bungelen aan een tak.

Toen ik terugkwam bij het startpunt op de parkeerplaats onderin het dal moesten mijn opleiders lachen. Ze wezen naar mijn neus. Ik keek in een autospiegel en zag dat ik het topje ervan had opengehaald, waardoor erop een perfect rood bolletje plakte. Dat was een doorn op weg naar mijn graat geweest.

Met een kompas, hoogtemeter en kaart stuurden ze ons afgelopen week de heuvels in, waar we vijf balises moesten vinden die op onze kaart stonden omcirkelt, in beperkte tijd en uiteraard niet allemaal naast elkaar, met een flink aantal hoogtemeter ertussen. Het regende zo hard dat zelfs een Hollander als ik ’s ochtends even slikte bij een blik uit het raam. Maar eenmaal in een paar trailschoenen, met zo’n kaart om de nek en een parcours in het hoofd, voelde ik geen regen meer. De donder hoorde ik wel, maar ver weg. Mijn taak was die balise en die van mijn CRET-genootjes ook. We kruisten elkaar verfromfraaid maar lachend op het pad, in het bos, tussen de stenen, rivieren, hellingen, de ene met een uitgescheurde broek, de ander met modder tot op de kin, mopperend over verstopte balises of verkeerd gekozen richtingen.

De course d’oriëntation leek nog het meest op een vossenjacht. Het tempo lag hoog en het parcours vol valstrikken, soms ontbrak de zuurstof om na te denken, soms waren de balises gemeen; het vermaak was echter hetzelfde als voor tienjarigen in het bos op zoek naar juf Marie in kippenpak.

De dag van het examen, waar het vinden van de balise plotseling belangrijk is, moet ik mezelf die vraag maar stellen. Waar is Marie in het kippenpak?

Plantjes en gletsjerspleetklimmen

De gecoördineerde jacht op dwalers buiten hun gepermitteerde kilometerzone in Vallée de la Claréé is bijna voorbij. Maandag mogen we zonder papiertje naar buiten. Voorlopig.

De ENSA heeft inmiddels een nieuwe datum voor het ski-examen opgegeven: Eind Juni, op een gletsjer, vlak voor de zomerexamens, wanneer geen van ons nog enig idee heeft van de globale vorm van een skistok. Sommigen worden er zenuwachtig van, anderen laconiek.

Om ons op al die examens voor te bereiden begint de CRET komende dinsdag, met een week achterstand, een klein beetje halsoverkop. Thibault en de buurman zijn er niet persé blij mee, omdat ze daardoor maar één dag hebben om vrij door de natuur te dwalen (de opleiding is nogal tijdrovend en intensief), en dat is maandag: Een dag vol storm en regen.

Maar ik, ik ben wel blij. Elk alternatief op papiertjes en patrouillerende politiewagens klinkt me als muziek in de oren. Ik zie eveneens tevreden aan hoe de tijd plotseling weer gespannen trekjes vertoont. Dagen lopen niet meer ongemerkt in elkaar over sinds ik plotseling mijn materiaal op orde moet krijgen, mijn lichaam in vorm en mijn mentaal veerkrachtig en stil.

Het is nogal een omslag, maar de hoop op een zorgvuldig uitgedokterd leven heb ik lang geleden opgegeven. Zo zit het blijkbaar allemaal niet in elkaar.

Mijn enige zorg ligt bij de tuin. Ik heb van alles gezaaid en in de grond gestopt en links en rechts schiet het inmiddels ongetemd de lucht in. Trots als Moeder Plant staar ik dagelijks zo’n uur naar de grond, want ik heb nog nooit iets geplant in mijn leven en toch groeit het allemaal zo graag.

Nu hoop ik dat ze me vergeven wanneer ik ze wat minder aandacht geef. Want ik kan Fieke (groentetuinspecialist) niet vragen om dagelijks een uur naar mijn bloementjes te staren voordat ze haar eigen courgettes en aardappels water geeft.

De zes examens die ik van de zomer moet afleggen zijn de volgende: Ski, cartografie, blokkenterrein (rennen tussen de blokken door en klimmen op bergschoenen), sportklimmen en ijsklimmen (in een gletsjerspleet). Tijdens de CRET zullen we ons voorbereiden op elk van deze onderdelen, en omdat het allemaal best wel gek en specifiek is zal ik proberen om per onderdeel een klein verslagje te schrijven. Uiteraard zal ik eveneens de progressie van mijn plantjes weergeven. Die zien er nu zo uit:

(Die bak is afgedekt omdat Tigrou de Poepkat het een prachtige poepplek vond)

20200506_1736568984531490677454376.jpg

Fiek in de groentetuin

Bakker. 13:35.

De dag waarop we vergaten een briefje mee te nemen waarop stond dat we naar de bakker gingen toen we naar de bakker gingen en daarom een boete van totaal 270 euro ontvingen: 28-04-2020. Tijdstip: 13:35

De bakker ligt op vijf minuten rijden van huis.

Ik zei huilend tegen de ene politieman: Meneer, dit is beangstigend. De meneer zag eruit als een gezellige beer. De andere meneer niet, die was lang en dun en het kon hem allemaal geen ruk schelen want hij deed zijn werk en ik was vast niet het eerste meisje dat zo in ene een paniekaanval kreeg.

Toen we terugkwamen in huis, zonder brood maar toch 270 euro lichter, zei Thibault: Dat was wel dom, om dat briefje te vergeten. Op de keukentafel lagen er zo vijf, verkreukeld omdat ze altijd ergens in een broekzak of onderin een tas meereizen. We nemen altijd briefjes mee.

Sindsdien koester ik de wens dat die lange, dunne politieman alle komende nachten niet in slaap valt, gewoon de hele nacht wakker ligt, zonder reden, dat hij opnieuw en opnieuw denkt ‘waarom val ik nou niet in slaap’ tot het eerste licht in de morgen.

En dan ga ik de hele nacht heel lekker slapen.

Met die gedachte red ik het eventueel tot 11 mei.

De rondjes die ik ren

Het waarderend grommen van Tigrou als ik hem achter zijn oren krab is niet genoeg om met een lekker gevoel wakker te worden. De rondjes die ik ren in de cirkel van een kilometer evenmin. Thibault is inmiddels te veel aan me gewend om nog dagelijks te zeggen hoe verschrikkelijk mooi en leuk ik ben en Fieke maakt daar ook geen dagbesteding van, die heeft wel wat beters te doen.

Dankzij de huidige crisis ben ik er nog maar eens een keertje achter gekomen dat mijn eigenwaarde geworteld ligt in de sociale interacties die ik heb en de dingen die ik doe.

Natuurlijk had ik mijn eigenwaarde aanvankelijk nooit bij externe factoren moeten leggen, maar ik ben ook maar een mens, dwars gezeten door allerlei onproductieve, onzekere gedachten die ongetwijfeld het product zijn van een maatschappij waarin ik goed en leuk moet zijn.

Goed en leuk zijn in quarantaine is misschien wel net zo’n grote uitdaging als werkelijk voelen dat ik intrinsiek van waarde ben. Zie hier het nut van het Coronamonster, terug naar mijn mat word ik gefloten, niet om daar in een hippe split waardering voor mijn uitgebalanceerde leven te zoeken, maar om weer dat beetje afstand tussen mijn gedachten en mij te creëren.

Ik heb er in elk geval de tijd voor.

Thema Dier

Toen Tigrou als een lapje op de behandelbank van de dierenarts lag, kreeg de dierenarts een telefoontje van een dame. Ze was hoorbaar overstuur. Haar kat werd een half uur later binnengedragen en ik denk dat er niet veel van over was; de dame was ontroostbaar. Wij namen Tigrou stilletjes mee en zetten hem op de achterbank, hij keek versuft door de gaten van zijn plastic kooi.

Tigrou doet er momenteel ongeveer dertig seconden over om op de bank te springen, want zijn achterpoten lijken zo’n vijftig procent van hun functionaliteit te hebben verloren en hij twijfelt zichtbaar over de mogelijkheid van zijn eigen lancering. Het keukenblad was voorheen zijn favoriete attractie, waar hij zich groot voelde als een mens en heen en weer paradeerde als een bewaker van zijn eigen verboden terrein, maar voorlopig moet hij zich voegen in de rol van bank-, bed- en vloerkat. Niets hogers.

Hij mag dus nog steeds niet naar buiten. En dat is jammer voor hem, want het dierenrijk viert feest aan de zijlijn van het dal, waar plotseling geen mens meer komt. Tigrou moet alles missen.

Een week geleden zagen we een wolf. Het beest leek op een gigantische hond en ik zei tegen Thibault ‘kijk, die gigantische hond aan de rand van het bos, bovenaan het sneeuwveld’, maar Thibault, stekeblind zonder bril, zag niets. We naderden de voet van het sneeuwveld, ‘zie je hem nu?’, vroeg ik hem. Het beest sloeg ons roerloos gade, zittend op zijn achterpoten. ‘Maar dat is geen hond, Ruby. Dat is een wolf.’ Precies op dat moment liep de wolf het bos in, met de tred van een wild dier. ‘Wooooow!’ schreeuwde ik. ‘Woooow! Dat was een wolf!’ We fotografeerden zijn voetjes in de sneeuw en werden later door het internet bevestigd.

‘Je hebt een wolf gemist’, zei ik die avond tegen Tigrou.

Gisteren schoot een drietal jonge reeën geruisloos voor ons uit toen we langs de rivier liepen om eieren te halen in Alberts, stuk voor stuk met een setje witte billen dat vrolijk boven het gras heen en weer sprong. Ik kon me niet herinneren dat ik ooit zoiets gezien had. Wat een geluk.

Naast de rivier en de gemotoriseerde patrouilles van de gendarmerie zijn vogeltjes de grote lawaaimakers. De radius van één kilometer vanaf het huis ligt vol keutels en voor het eerst vraag ik me af met welke poepende dieren ik precies mijn bergen deel. Ik zou graag een keer wilde zwijnen zien en zoek naar de Lynx. Misschien komen die ook wel naar de rand van het bos om te kijken hoe de mensen opgesloten achter het raam zitten. Ik denk dat Tigrou zo’n Lynx misschien wel leuk zou vinden, zij het niet angstaanjagend, zeker nu hij moeite heeft met opstapjes.

Hoe dan ook, hij mag het huis niet uit, en daar ben ik eigenlijk wel blij mee. Want hij is er nog en zo blijft hij tenminste nog even onder een autoband vandaan. En ik vind het tevens niet erg om tijdelijk in zijn plaats van het dierenrijk te profiteren.