Latest Posts

Het arme beest

Parijs en Lyon zit in La Vachette. Zij met tweede huis zijn massaal naar de bergen getrokken. Parkeerplaatsen staan vol en luiken staan open, het leeft hier schijnbaar nog meer dan met kerst.

Ik kan het ze niet kwalijk nemen. Quarantaine in La Vachette is onvergelijkbaar met quarantaine in een appartement in de stad. Ons dorp tjilpt en zoemt van lente, blote voeten kunnen ongehinderd door het eigen gras lopen. Schijnbaar zitten de wachtkamers van het ziekenhuis in Grenoble vol met stadse slachtoffers van tuingereedschap, een oproep aan onervaren tuiniers is al gedaan. Of ze wat voorzichtiger kunnen zijn met de heggenschaar, want het verplegende personeel heeft al genoeg te doen.

Na een succesvolle start staat de kroeg van het dorp verlaten tegenover de kerk, het terras geveegd en naar binnen gehaald, kale tegels in de zon. Briançon’s slijterij staat echter op de lijst van services essentiels en blijft dus gewoon open. Je vraagt je af of zij daarboven hebben besloten dat alcoholconsumptie bijdraagt aan de vrede binnen het opgesloten gezin.

Gisteravond maakte ik een grapje tegen mijn moeder dat de weg tussen La Vachette en Briançon, ook wel de Dodekippenkattenweg, nu in elk geval geen gevaar meer vormt voor Tigrou. De wegen zijn immers zo verlaten dat bendes vogeltjes de buurt in handen (klauwtjes) hebben.

Maar om twee uur vanmiddag stortte Tigrou neer voor mijn voeten, niet meer in staat om een enkele stap te zetten, onder de modder en grommend van de pijn.

Met een overreden kat op de achterbank reden we daarom via de Dodekippenkattenweg richting de dierenarts, dwars door het uitgestorven coronaland, met een schuin oog op de ademhaling van het grommende slachtoffer. Hij gedroeg zich erg slecht bij de dierenarts. Hij stribbelde tegen, blies en haalde zo vaak uit dat ik me gedwongen zag om me voor hem te excuseren. Maar goed, hij had pijn. Ze spoot er noodgedwongen een dubbele dosis medicatie in, waarna de koning van La Vachette als een lapje op de behandeltafel lag.

Het bleek dat Tigrou niets had, behalve heel veel pijn, dus heb ik nu een gedrogeerde kat.

De dierenarts heeft gezegd dat hij de komende zeven dagen moet rusten en dus binnen moet blijven. Hij zit dus een week lang in quarantaine.

Het arme beest.

Quarantaine

Dag 1.

17 maart. Als iemand me afgelopen herfst had gezegd dat mijn examens niet door zouden gaan wegens de bescherming van het territorium van een zojuist ontdekte sneeuwhellingkikker, of de inslag van een meteoriet op het ENSA-gebouw, of de verspreiding van een vleermuisvirus dat heel Europa plat zou leggen, dan had ik gezegd: ‘Grapjas.’

De grap is nogal indrukwekkend. Europa ligt plat en mijn leven ook.

Ik zou bezig moeten zijn met een wereld in crisis, iedereen die ik liefheb overhoop of in gevaar, potentieel leed in mijn eigen stad tot zo ongeveer alle steden waarvan ik de naam ken, maar het lukt me nog even niet om over mijn eigen mesthopen heen te kijken.

Dag 2.

Het domein van onze quarantaine is buitengewoon mooi. Ik mag de deur niet uit zonder goede reden, maar nooit is het buiten zo stil geweest. De bergen zijn teruggegeven aan de natuur en ik beschouw mezelf eventjes, illegaal, als dier.

Ik heb het nodig.

Tussen de sporen van herten in de lentesneeuw, de verlaten paden en die stilte, die onwennige, absolute stilte, kan ik de krankzinnige wending van mijn leven relativeren. Alleen daar kan ik omgaan met de spanning van de restricties die van hoog boven zijn gekomen, die ik snap, begrijp me goed, maar me toch angst inboezemen. Alleen daar kan ik de wonderlijke wereld aanschouwen die onbedoeld is ontsprongen uit dezelfde restricties, een wereld waarover ik zo vaak gedroomd heb.

Dag 3.

Het virus lijkt vooralsnog vooral op een nieuwsitem of het gesprek van de dag of een obsessie met het internet van mensen om me heen. Briançon wacht op een schrijnende situatie, maar we zijn er nog net niet. Het monster zwijgt in onze lichamen en wij zijn het die praten. Misschien zal het voor ons jonge mensen in quarantaine wel zo blijven; de rampspoed zal zich immers afspelen op een plek waar we niet mogen komen, al is het bij de buren.

Alleen Fieke (verpleegkundige) staat direct in contact met de crisis.

Het Italiëscenario weergalmd tussen onze bergen en de schermen van onze computers. Ik maak me zorgen om de escalatie. Fiek is het enige tastbare deel ervan en ik wil dat het meevalt voor haar. Ik wil ook dat het meevalt voor iedereen. Ik droom over mijn ouders en heb niet het gevoel dat het toevallig is.

Quarantaine komt met een overweldigend gevoel van nutteloosheid.

Dag 4.

Als ik drie thema’s aan de afgelopen dagen zou moeten geven, dan zou ik zeggen: Cijfers, stilte en tijd.

Cijfers. Ik weet niet hoeveel zin het heeft om ze op te blijven zoeken. Aantallen. Leeftijden. Besmettingen, doden, hypotheses. Het zijn cijfers die kuchen, aan de beademingsmachine liggen en worden begraven, cijfers die in andermans realiteit namen hebben. Wij hebben ook namen. Wij zijn ook cijfers. Cijfers in quarantaine, vooralsnog.

Stilte. De weg naar Italië is breed en maakte een hoop lawaai in de wereld van hiervoor. Ik haatte haar. Nu is ze stil tot in Italië, als een spookweg naar een spookland die ik ongezien moet oversteken om naar mijn bergen te kunnen. Als de politie patrouilleert, dan hoor ik ze aankomen. Maar ik hoor het gefluit van vogels en het suizen van de wind.

Tijd. Elke dag begint met tijd en eindigt met tijd. De teloorgang van mijn grootste project haalt de druk van mijn dagen. Ik kan de interactie tussen Tigrou en zijn nieuwe vriendin gadeslaan, waar heel veel humor en schoonheid in schuilt. Ik kan een boek schrijven in ochtenduren die een dag lang duren. Ik kan mezelf wederopbouwen op een rustige, fundamentele manier.

_DSC9967

Vleermuizig

Sinds gisteren heb ik zin om het virus een gestalte te geven. Ik denk aan een vleermuizige bezoeker van de vismarkt in Wuhan, een mysterieus mannetje met lange jas, hoed en grote bruine reiskoffer, dat daarna overal in de wereld opduikt (wat een vreemd figuur, denken mensen). Of ik denk aan een reislustig blubbermonster van bruine kleuren en veel te veel armen, aangetrokken door de ouderen en zwakken, dat zwabberend uit de kraan of het putje van de zorginstelling stroomt en zich naast hen in bed flaneert.

In welke gestalte dan ook, ik vraag het vriendelijk om de (iets- ) ouderen waarvan ik veel houd met rust te laten en ook alle andere (iets-) ouderen en de (iets-) zwakkeren en om eigenlijk gewoon terug naar die vismarkt te gaan en dus naar die vleermuis en daar te blijven want al dat gereis is wel gewoon genoeg geweest.

Dinosaurustand

Ik heb een duur probleem. Het is een klein probleem, nog geen vierkante centimeter groot, maar het is duur. Het is een probleem van 1600 euro.

Het probleem is niet alleen duur, maar ook ijdel. Het valt in de categorie van neuscorrecties, iPhone 11 en de aanschaf van een tweedelig Norrona-skipak voor een week op de pistes.

Het heet als volgt: Het Tandimplantaat.

Mijn benen zijn robuust en mijn schouders solide, maar mijn tanden hebben niets van die weerbaarheid meegekregen. Ze zijn zwak. Ik heb tevens een kleine (maar niet absurde) voorliefde voor zoet (chocola) en een diepe angst voor de tandarts, voor de pijnlijke maar vooral de financiële kant ervan. Toen een tweetal woedende tanden me na drie jaar uitstel toch naar de tandarts dwong, zei de beste man: ‘Uw mond verkeerd in slechte staat’.  Zo’n vijfentwintig afspraken volgden.

Ik heb enorm geluk gehad met het Franse zorgsysteem, dat niet-rijke mensen van een zorgverzekering voorziet die veel tandproblematiek vergoed. Als dat niet het geval was geweest, dan had ik mijn berggidsidee zeker een jaar lang aan de kant moeten schuiven om een hoop biertjes voor stamgasten te tappen.

Helaas was het voor mijn rechterboventand, tandartscode nummer 14, te laat; die hebben ze met wortel en al eruit moeten scheppen. Sinds een maand of zes leef ik dus met een gat in mijn gebit, een niet-te-vergoeden gat dat 1600 euro kost om te dichten, dat mensen niet direct opvalt maar zich niet laat verstoppen voor mijn eigen bewustzijn, een gat waarmee (uiteraard) te leven valt maar dat me toch dwarszit.

Waarom?

Gat nummer veertien is in conflict met het schoonheidsideaal. Soms doe ik mijn best op de presentatie van mijn hoofd, mascara op mijn wimpers en oorbellen en al, en dan prijkt dat gat in mijn mond als ik glimlach naar de spiegel. Hé piraat, zeg ik dan, waar is je schip. Dat gaat nog wel. Die kan ik aan.

Het probleem is vooral dat ik er goed van op de hoogte ben dat verwaarloosde of ontbrekende tanden armoedig overkomen. Zo beoordeel ik anderen zonder dat ik het wil en zo word ik zelf ongetwijfeld, zonder dat mensen het willen, beoordeeld.

Voor het ontstaan van mijn eigen tandproblematiek realiseerde ik me niet afdoende hoezeer zo’n rechte reeks tanden een luxeproduct is, een teken van welvaart. Alle kindertjes uit mijn klas hadden beugels van een godsvermogen, we woonden in Heemstede, het was normaal. Slechte tanden ontbraken integraal gedurende het eerste deel van mijn leven, want die waren rechtgezet, gebleekt of vervangen.

Sinds ik op eigen benen sta en die benen een financieel onstabiel pad hebben gekozen (probeer vooral geen berggids te worden) ben ik arm, van een vreemd soort armoede dat een skipas, ski’s en skiën kan veroorloven, maar geen auto of spontane avonden in de lokale bistro. Mijn prioriteiten liggen al jaren op een heel specifieke plek.

Het wringende is nu dat ik zou willen dat het gat in mijn mond me dan ook geen moer kon schelen, maar de waarheid is dat ik het implantaat er het liefst meteen eigenhandig in zou schroeven.

Kan ik het naar mezelf toe verantwoorden, een besteding van 1600 euro, om zo’n piepkleine etalage van mijn geringe welvaart te verbergen voor willekeurige voorbijgangers?

Nee. Mijn geld heeft zo’n honderd bestemmingen die voorgaan. Klim- en skimateriaal, opleiding, auto, studieschuld. Als ik op de afbetaling van die laatste moet wachten, dan heb ik over een jaar of twintig misschien mijn tand terug, tenzij ik kinderen voortbreng die beugels moeten. De neptand zal in welk scenario dan ook nooit de status van prioriteit verwerven.

Maar er zijn oplossingen.

Nummer één: Ik geef het implantaat niet de status van prioriteit, maar van cadeau, van superdeluxe top-cadeau, een cadeau dat ik mezelf mag geven nadat ik iemands leven heb gered of klimaatverandering significant heb doen afnemen. Dat geeft me niet persé de financiële middelen voor het implantaat, maar doet me mijn eigen twijfelachtige investering vergeven.

Nummer twee: Ik organiseer een benefietconcert voor mijn tand, ‘chant pour un dent’ of iets van die strekking. Het probleem daarvan is dat ik (nog) niet zo goed voor grote groepen durf te zingen en voor 1600 euro heb ik nogal een publiek nodig, met name in Briançon, waar ik slechts een van de velen met tandproblemen ben.

Nummer drie: Ik accepteer de realiteit. Ruby zonder tand 14 is niet minder waard dan Ruby met tand 14. Imuun word ik voor het deels ingebeelde oordeel van de buitenwereld. Als ze me als armoedig classificeren, dan zitten ze er niet ver naast, en hoor ik met trots bij hen die in gammele bakken rondrijden en liever niet naar hun bankrekening kijken. Het is een categorie vol met superleuke mensen. En het is, laat ik dat nooit vergeten, relatief, mijn armoede. Het feit dat ik überhaupt nadenk over die tand is extravagant en komt zonder twijfel voort uit de bevoorrechte start die ik heb gehad, daar in Heemstede. Mijn armoede was in zekere zin een keuze, en als ik de ballen heb gehad om die keuze te maken, dan moet ik ook de ballen hebben om te leven met de gevolgen ervan; plaatsten die me in een bepaalde categorie mens, dan moet ik mezelf daar niet stiekem van willen distanciëren.

Maar ik vraag me af of ik hier werkelijk toe in staat ben. Teleurstellend genoeg.

_DSC0119

 

 

Ongelukje

IMG-20200301-WA0008

Loca is een rashond. Madame Loca, zouden we haar op zijn minst moeten noemen. Ze volgt uit een zuivere lijn van Border Collies en heeft haar baasje nogal wat centen gekost, maar ze doet dan ook goed haar werk.

Want Madame Loca is een echte herdershond. En haar baasje een echte herderin.

Madame Loca en de herderin zijn op bezoek in La Vachette, tot mijn grote vreugde, want het is een gezellig duo met interessante verhalen over schapen en schapen en nog meer schapen (350 stuks), weidelandschappen in de Pyreneeën en het leven daarboven, waar… niet zo heel veel is. Behalve schapen.

Laure heet ze, de herderin. Wanneer ze hier in skibroek door het huis loopt, kan ik me haar moeilijk voorstellen in een herdershut met alleen een rivier om zich in te wassen, 350 schapen om te melken en een stuk heidelandschap om mee te converseren. Herders los van de kudde ken ik eigenlijk niet, laat staan herders op ski’s of in zachtroze vestjes aan de keukentafel. Laure is zo mogelijk het coolste meisje dat ik ken.

We bereiden ons beiden voor op het ski-examen van de ENSA. Als ze het examen niet haalt, herenigen Madame Loca en zij zich deze zomer weer met de 350 wollige zieltjes. Als ze het wel haalt, dan mag Madame Loca mee met de vervolgopleiding voor de zomerexamens.

Tot zover het leven zoals gepland.

Ongepland is de Australische Herder-bastaard- buurhond die zijn kans schoon zag toen Madame Loca vanmorgen hoogst onverwacht door La Vachette paradeerde. Hij sprong erbovenop. Dertig minuten schijnt dat te kunnen duren, Laure stond erbij en keek ernaar, want scheiden kun je de (gepassioneerde) beesten kennelijk niet.

Nu is Madame Loca zwanger.

Dat de buurhond een bastaard is kunnen we hen nog wel vergeven, al zou een adellijke afkomst financieel gunstig zijn geweest: dan waren de puppy’s duur als Madame Loca de toonbank over gegaan. Het probleem is echter dat een zwangere Madame Loca zich niet kan bekommeren om 350 schapen, laat staan haar achttal schaapige, schattige baby’s. Het herdersbestaan deze zomer is geen optie meer.

We gaan er dus maar vanuit dat Laure de examens haalt.

Dat geeft mij nog een reden extra om mijn best te doen 17 maart. Dan mag ik namelijk de vervolgopleiding in met Laure, Madame Loca en de acht baby’s, en dat lijkt me erg gezellig.

IMG-20200301-WA0011

Ski Ellende

Mijn vriendje kan erg goed skiën. Zijn favoriete bezigheid is ski galère (‘ski ellende’), wat ongeveer zo gaat: Hij ziet een bos, duikt erin, en ongeacht wat hij tegenkomt, zij het gevallen bomen, rivieren, ijzige wanden, heuphoge hobbels of een absoluut gebrek aan sneeuw, hij vindt altijd zijn weg. Zonder een seconde te aarzelen.

Zodoende brengt hij me langs de meest verschrikkelijke afdalingen, afdalingen waarvan de gemiddelde skiliefhebber ‘s nachts gillend wakker wordt, waarvan je zegt ‘ja maar dit kan toch niet?’, en dan kan het dus wel, met eventueel een schram op de neus vanwege een onverwachte confrontatie met een laaghangende tak.

Tijdens die afdalingen moet ik al mijn twijfel overboord gooien en in beweging blijven. Ademhalen en doorgaan, ademhalen en doorgaan. Dat is niet mijn sterkste punt: aanvankelijk stopte ik, viel ik, huilde ik of schold ik tot mijn geliefde zin had om me in het bos achter te laten (bonuspunten voor hem: Hij heeft altijd gewacht.).

Maar steeds vaker blijf ik overeind en zet ik zonder aarzelen de volgende bocht in. Soms moet ik zelfs aan hem toegeven dat ik zijn ellendige afdaling haast leuk heb gevonden, maar niet met al te veel overtuiging, want dan zoekt hij de volgende keer naar nog wat gevallen bomen extra.

In elk geval weet ik dit zeker: Na een winter lang ski gàlere kan het examen in Maart alleen maar meevallen.

IMG-20200127-WA0000

Overdekking

Het is warm, buiten. Het is warm voor Februari en voor ons. Wat we ’s winters doen, waarvoor we zijn gekomen en gebleven, bestaat alleen wanneer het vriest. Maar het nulpunt ligt deze maand te laag voor ons soort winter. Het regent. Het lijkt wel op Nederland, zei Fieke vandaag nog, in opengeritste jas op 1353 meter hoogte.

Op wat voor toekomst bereiden we ons eigenlijk voor, dat vraag ik me zo vaak af. Misschien wordt zomeralpinisme ons winteralpinisme en klimmen we ‘s zomers alleen nog op rots. Plooien waarvan we zeker zijn dat ze niet bij elkaar gehouden worden door permafrost, daar vinden we elkaar terug. Steeds iets hoger opzoek naar sneeuw en ijs, tot op een dag geen berg meer hoog genoeg is.

En skiën, misschien kunnen we dat nog een jaar of twintig. Of tot in de eeuwigheid, op overdekte pistes. De vraag is dan hoelang die eeuwigheid het zelf uit zal houden. Misschien kunnen we haar ook overdekken.

20200213_165737 (2)

Alfa Muis

20200126_0938416049717779415331414.jpg

Farid reed zondagochtend om half zes de markt van Briançon op. Zijn gedroogde vruchten, noten en thee lagen achterin de bestelbus en hijzelf was warm aangekleed. Maar zijn handelswaar verkopen zou hij die dag niet, want op zijn marktplek stond een Alfa Romeo.

Bruno, olijvenverkoper en melancholisch man met een erg dikke buik en vier ex-vrouwen, staat al jaren met Farid op de markt. Vroege ochtenden in de kou scheppen een band, en nu was zijn marktmaatje geërgerd naar huis gekeerd. De eveneens afwezige eigenaar van de Alfa Romeo had daarom niet alleen een hoge boete in het verschiet, maar ook een probleem met Bruno.

Zodra het stopte met sneeuwen veranderde Bruno de Alfa Romeo in een muis.

En dat was nog niet genoeg: Hij vroeg om de linkerschoen van mijn collega, die hij over het dak liet lopen, en daarna om de rechterschoen.

Farid ontbrak misschien, maar Bruno had het erg naar zijn zin.

20200126_0942172765645370346040704.jpg

Het essay van Thibault

Mijn vriendje had geschreven : « Il était une fois, dans un monde, dans un monde simple, sans méchant ou rien n’était droit, la symétrie n’avait jamais été inventé, dieu l’avait laissé pour un autre monde. Si bien que toutes les choses qui existaient, n’existait que par elle-même, les formes n’avaient pas de cohérence et les objets pas de place. L’harmonie était naturelle, primaire mais naturel si bien que personne n’avait rien à ranger, le mot n’existait d’ailleurs pas dans ce monde. »

« Er was eens een wereld, een simpele wereld, een wereld zonder kwade bedoelingen, waar niets recht was en symmetrie nooit was uitgevonden, want God had die voor een andere wereld in gedachten gehad. Alle dingen die bestonden, bestonden alleen voor zichzelf, de vormen hadden geen coherentie en de objecten geen plaats. Harmonie was natuurlijk, primair maar zo natuurlijk dat niemand iets op te ruimen had, in deze wereld bestond het woord niet eens. »

Zie hier de diepgaande gedachten die ik tegen kwam in een open document op mijn rondslingerende laptop, vlak nadat ik Thibault had gevraagd om zijn rommel in mijn kamer op te ruimen.

Hij zei me schrijver te willen worden. De kamer is in dezelfde staat gebleven.

 

Het Nest

Mijn fijnste herinneringen van Nederland zijn die waarin mijn ouders een boek lezen. Met een kop koffie of thee naast hen op de bijzettafel, mijn vader iets onderuitgezakt met zijn bril wat lager op de neus en mijn moeder kaarsrecht met de benen over elkaar geslagen, klassieke muziek van de radio, een kat in de vensterbank en achter de ramen onze kalme buurt, vaak in regen, want het is Nederland.

Soms heb ik het gevoel dat ik allerlei omwegen maak om uiteindelijk weer hetzelfde terug te krijgen. Alsof die scene in mijn hart is gegrift als beste uitkomst van mijn leven. De variabelen mogen echter verschillen; uitzicht op een bergachtig Frankrijk in plaats van regenachtig Nederland, een kat in de vensterbank maar die knabbelt aan de kamerplanten (default van Tigrou), mijn ouders als boeklezers maar ook mijn vriendje, languit op een bank met één hand onder het hoofd, en eventuele andere bewoners met andere brillen op andere neuzen.

En wie weet, een volgende generatie aan kroost die opgroeit in een nest net zo warm als het mijne van Nederland.