Latest Posts

Ritme

Aanvankelijk dacht ik dat Bruno de enige magiër in de omgeving was, maar na een nacht van zo’n twaalf uur en een levendige droom op het einde, weet ik dat ook Yann, mijn opleider, een dubbelleven leidt.

Hij verscheen in mijn droom gekleed in een lange, vilten, paarse jas, een mager silhouet met een bruine hoed op het hoofd, zijn donkere hertenogen precies het donker van de nacht waarin hij rondliep.

Zo kende ik Yann nog niet. Hij is al jarenlang een van de vier opleiders van de CRET, diegene die ik het minst heb gesproken omdat hij altijd binnen zo’n tien seconden verdwijnt met de sterken onder ons. Hij skiet alsof skiërs bestaan in het besneeuwde woud, snel, licht en soepel als een horde elegante dieren dat het open veld traverseert.

Niemand weet precies wat hij technisch gezien met zijn ski’s doet. Dat er magie rondom heerst verbaast me daarom niet. Misschien had ik hem al eerder voor magiër aan kunnen zien.

Want ook zijn karakter is markant. Hij houdt zich op de achtergrond en lijkt zich vanaf daar stil te amuseren, vriendelijk maar ondoordringbaar en altijd kalm. Altijd. Met een lichte ironie in zijn glimlach, alsof hij dingen weet die wij toch nooit te weten krijgen.

Maar nu weet ik iets. Yann is een magiër.

Na de lange nacht van gisteren volgde een lange morgen, waarin we in het kader van een oefenexamen met alle eenden van de CRET zo’n 1400 meter omhoog moesten en beoordeeld werden gedurende de afdaling. Ik had mijn gelukoorbel in, een klein gouden boompje in een kleine gouden cirkel, en was wonderbaarlijk genoeg niet eens zo moe daarboven op de berg. Het was Yann die het startsein gaf voor mijn afdaling.

Ik maakte een aantal scherpe bochten in de richting van een couloir, waarnaast twee andere opleiders met hun notitieboekjes stonden opgesteld. Ritme, was mijn nieuwe uitdaging, snelheid en ritme. Bocht, bocht, bocht. Diep verzonken in het skiën zag ik niet dat er beneden een rood lint was gespannen, nee, ik maakte bocht na bocht en kwam zo, hop, in het diepe gat terecht dat erachter lag.

En daar had ik een idee.

Het gat was zo diep zijn dat ik bleef vallen en uiteindelijk terecht kwam op de aarden grond van een kleine donkere ruimte, vlak naast een eikenhouten bureau en een stoffen lamp die amper verlichtte. Daar, in dat zwakke schijnsel, zat Yann, nog steeds in zijn lange, vilten, paarse jas met de hoed op het hoofd. ‘Welkom… Ruby’, zei hij, met een twinkel in de ogen. ‘Heb je jezelf geen pijn gedaan?’ Ik stond op en klopte sneeuw uit mijn kraag en capuchon. ‘Nee…nee, ik geloof het niet’.

In werkelijkheid had ik mezelf wel pijn gedaan: Ik was zo’n twee meter naar beneden gekukeld en met mijn hoofd op de rand van het gat terecht gekomen. Mijn ski’s lagen scheef over elkaar heen en mijn benen begraven in de sneeuw. Ik moest verifiëren of ik nog uit één lichaam bestond en of dat lichaam nog kon bewegen, uiteindelijk bleek ik slechts een klap op mijn kop te hebben gehad en die zat er nog aan. Ik groef mezelf uit en gleed, enigszins kierewiet, over de piste naar beneden.

Een remedie tegen een klap op de kop is een kop thee en een boek, en voortkabbelende siësta’s waarin ik me steeds afvraag wat Yann zou hebben gezegd of gedaan, ware ik echt in zijn werkkamer terecht gekomen.

Zou hij me het geheim van skiën hebben verteld? Of mijn ski’s hebben betoverd? Zou hij me mee hebben genomen met zijn horde elegante dieren, een winterse ochtend door een woud waar geen liften of skiërs  bestaan, de stilte van de sneeuw alleen doorbroken door ons gedempte hoefgetrappel?

Hemelse Modder

Het huis waarin ik opgroeide was doormidden gedeeld. Boven woonde oma Sienie, een pittige oude dame en tevens de moeder van mijn vader, en beneden woonde wij, in het prachtige, warme, krakende labyrint van mijn jeugd.

In het deel van oma stonden zware houten meubelen, cactussen, een piano, een enorme witleren hoekbank en een televisie op luid (zo luid dat we het nieuws beneden beter konden volgen dan zijzelf daarboven: ouderdom). En twee olifantenslagtanden zo groot als wijzelf bewaakten de toegang tot haar woonkamer.

Tweede kerstdag was oma de chef en aten we aan haar ronde tafel, waar vaak ook, in de vakanties, een enorme puzzel lag (ik herinner me niet meer of we die afbraken voor de gelegenheid, dat moet haast wel). Ze maakte dikke Surinaamse pinda kippensoep en hemelse modder, een dessert met slagroom, ananas, lange vingers en rum voor de volwassenen.

Ik heb dat laatste recept gemaakt op mijn verjaardag voor mijn Franse vrienden en ze keken er vreemd naar. Een dot met slagroom, ananas en lange vingers die met een flats in een bak terecht komt en als zodanig wordt geserveerd is niet zo Frans. Fransen zoenen wanneer ze kennismaken, drinken alleen goede wijn en eten laat en delicaat.

Uiteindelijk waren ze nieuwsgierig genoeg om te proeven, maar zo snel als oude stinkkaas ging het niet.

Soms vergeet ik dat de wereld van thuis er anders uitziet, tot ik hemelse modder serveer aan mijn Franse vrienden. Tot de familie van Fieke over de vloer komt en dineert met Hollandse humor, directheid en gezelligheid. Tot ik denk aan de hockeysticks die staken uit de rieten mand in de gang of het gesneden, rechthoekige brood van de Albert Heijn of de slagtanden van oma Sienie.

Het cultuurverschil is misschien niet enorm, maar ze hebben hier toch echt geen idee waar ik vandaan kom.

Sinaasappels

De weg naar het ziekenhuis is glad, steil en alleen voor auto’s. Telkens wanneer ik er afgelopen weken langs naar boven liep, dacht ik: Handig dat het ziekenhuis toch al in de bestemming ligt. Ook vroeg ik me af waarom ze het mortuarium precies langs die weg hadden geplaatst, alsof de dood slechts een paar passen van het ziekenhuis verwijdert ligt.

Ik moest erheen voor mijn tanden. Vijf tanden hebben ze er gister uitgetrokken, vijf gapende gaten en wangen zo gezwollen als sinaasappels, die ik niet eens mag eten. Soep, yoghurt en aardappelpuree, dat stond er op het boodschappenlijstje van de jongen die me ophaalde uit het ziekenhuis.

De laatste keer dat ik onder narcose ging, was voor de operatie aan mijn enkel. Een stukje bot was losgeraakt na mijn val in 2013, de eerste scène in de bergen waarin ik eigenlijk dood had moeten gaan. Maar toen was alles nog anders. Toen overleefden we nog alles, het tijdperk van elastiek.

Gisteren werd ik wakker en vlogen de helikopters nog boven het ziekenhuis van Briançon, één met twee lichamen die in het mortuarium terecht zouden komen, één met twee alpinisten en mijzelf, sinds veertig minuten in de moeilijkste periode van ons leven. De slaap die volgde uit de narcose zat vol beelden die niet vager worden met de tijd.

Vandaag leef ik op medicatie, de enige manier om die gapende gaten door te komen. Als ik iets heb onderschat, dan is wel die ene afspraak in het ziekenhuis waarbij ze even mijn verstandskiezen en een overleden tand eruit zouden trekken. Ze hadden nogal moeite met die linksonder zeiden ze me, het voelt alsof ze er de drilboor bij hebben gepakt.

En het ziekenhuis is geen plek meer waar ik graag ben.

De winter en haar sneeuw maken de wegen zo glad. Plakken met ijs liggen op alle stukken weg waar niet vaak genoeg gereden wordt, niet altijd zichtbaar. Maar mensen zijn eraan gewend. Alles begint weer opnieuw. Het skiën, de opleiding, de maand februari. Je zou bijna zeggen dat we opnieuw naar La Grave konden, met zijn vijven. Dan zouden we net een ander parcours nemen en winters blijven herhalen zoals we ze gewend zijn.

Maar een winter is nooit meer slechts een winter. En boven het ziekenhuis van Briançon zal ik altijd helikopters horen vliegen.

Achtentwintig

Een heel mooi verjaardagscadeau lag vijf december, zo rond een uur of elf, op het tapijt in de woonkamer. Ik gilde toen ik het zag. Fieke riep geschrokken, Ruby, wat is er, en ik schreeuwde, er ligt een dooie muis op het tapijt.

Tigrou zat ernaast en keek ons afwisselend met grote ogen aan.

Mijn vriendje heeft het beestje bij zijn staart gepakt en naar buiten gebracht. Zo bij de rivier van La Vachette ligt een grafje met een kruisje dat net boven de sneeuw uitsteekt (zij het in mijn verbeelding).

Ik weet niet of Tigrou de muis al eerder had gevangen en voor mijn verjaardag heeft bewaard of dat hij die ochtend speciaal voor mij is gaan jagen. Het muizenprobleem was in elk geval al weken oud en hij moet ergens toch hebben begrepen dat we, als kat zijnde, niet louter voor ons plezier achter muizen aan gaan, maar ook voor ons baasje.

Een ander mooi verjaardagscadeau klonk zo’n tien uur later door dezelfde woonkamer, een lied op de melodie van Bella Ciao, begeleid door een viool en geschreven en gezongen door mijn vrienden. Ik wist van verlegenheid niet zo goed hoe te reageren, maar mijn hart groeide en vulde de hele ruimte.

Het mooiste verjaardagscadeau was echter slechts een cijfer. Achtentwintig.

Ik ben me misschien niet voldoende bewust geweest van de betekenis van mijn verjaardag, anders had ik ze wel met wat meer overtuiging gevierd. Nu weet ik dat we moeten dansen voor dat jaar dat nog geleefd mocht worden en dat volgende jaar dat we in mogen gaan. Elke rimpel die op ons gezicht verschijnt is bonus. Elke rimpel op het gezicht van onze vrienden en familie is eveneens, bonus.

Zoveel jaar is achtentwintig jaar, zo gelukkig ben ik dat we allemaal relatief in orde zijn en gestaag ouder kunnen worden.

Behalve dan die muis.

Bruno de Magiër

Het is maandagavond, half zeven, donker als in winter. Fieke heeft een afspraak in het oude centrum van Saint Chaffrey en ik ga met haar mee. Er is niemand in het dorp. Alleen wat vastgeplakte herfstbladeren op de natte vlakte van het plein lijken te wachten op, misschien, een wind om ze los te trekken en mee te nemen

Maar in een winkeltje op de hoek branden de lichten en de kachel. Daar loopt Bruno heen en weer, verstopt achter rijen skischoenen, tussen, onder en boven rijen skischoenen, een oude, gezette man met een frons en het krullende grijze haar van een vriendelijke maar vermoeide winkelier.

Nu moet je eerst iets weten over skischoenen. Die zijn hard en zeker niet gemaakt voor warme, zachte mensenvoeten. Een skischoen maakt een ‘tok tok’ geluid als je erop klopt met je knokkels of een ‘tik-tik tik-tik’ geluid als je erin loopt over het trottoir. Ze buigen niet en willen vooral niet met je mee, behalve als de sneeuw toevallig valt en de helling steil naar beneden loopt.

Maar Fieke en zoveel anderen skiërs willen nu juist naar boven. Die willen vele kilometers en hoogtemeters met de hardplastic schoenen overbruggen, alsof ze gemaakt zijn van schuimrubber en orthopedisch dons, zo licht als Nike-air maar rigide als – juist ja – een skischoen voor de afdaling.

Natuurlijk zijn er talloze skischoenen die zowel gemaakt zijn voor de beklimming als de afdaling, maar echt lekker loopt het nooit. Plastic blijft plastic en warme, zachte mensenvoeten van skitoerfanaten gaan er het liefst, zo eind herfst, poedeltje naakt vandoor (richting een warm eiland vol zacht zand). De enige die ze kan verleiden tot een langdurig verblijf in een skischoen is Bruno.

Bruno heeft klanten door heel Frankrijk, jonge talenten en olympisch kampioenen, skileraren, pisteurs en berggidsen, heren en dames zoals Fieke wiens voeten vreemde vormen aan beginnen te nemen. Zijn agenda is zo vol en ongeorganiseerd als zijn winkel, maar hij luistert geduldig naar Fieke’s problemen en begint dan met praten, deels tegen haar en deels tegen zichzelf, misschien dat ze dit eens moet proberen of dat, anders ligt beneden nog wel iets anders, een plastic huls en een linker binnenschoen, tussen twee maten in ja, dat is lastig, maar misschien, misschien valt er hier wat te knutselen en daar wat te plakken, wat liefde hier en wat magie daar en…

Ik heb plaats genomen op een bankje tussen de skischoenen en kijk hoe Fieke heen en weer loopt over het tapijt, in telkens weer een andere schoen, gade geslagen vanachter een rij skischoenen door een Bruno in gedachten. Hij werkt te veel, zegt hij. Er zijn nauwelijks andere specialisten in Frankrijk. Niemand kan hem assisteren want ze ontbreken het geduld of de precisie om het vakwerk onder de knie te krijgen. Te veel werk, geen slaap, van midden zomer tot eind lente elk jaar weer, een telefoon die vaak rinkelt tijdens ons bezoek.

Toch weet ik vrijwel zeker dat Bruno niet alleen is. Niet echt. Kleine skiërtjes met skivoeten en goggle-ogen komen tevoorschijn wanneer hij de gordijnen sluit, door een klein deurtje verborgen vanachter de skischoenen, zo ergens in een hoek van de winkel. Ze geven hem zijn gereedschap aan, organiseren de schoenen in rijen (zonder hen zou het écht een rommel zijn), wijzen hem op dubbele afspraken in zijn agenda, doen suggesties na het vertrekken van de moeilijkste voeten en houden zich muisstil wanneer Bruno zijn laatste, magische spreuk gebruikt om de skischoen leven in te blazen.

Bruno heeft misschien moeite met het vinden van een menselijke assistent, alleen maar omdat de skiërtjes erg kritisch zijn op het geklungel van zijn vorige assistenten en ze het gewoon niet zo op mensen hebben, die lawaaimakers met warme, gevoelige voeten die ook nog eens plastic schoenen nodig hebben en zelfs ski’s.

Maar goed, zij en Bruno gaan al vele honderden jaren terug en hij betaalt ze uit in chocolade. Dat hebben ze niet, daar zo waar zij vandaan komen.

Fieke moet nog vaak naar Bruno om samen met hem de skischoenen te vinden die haar de komende jaren soepeltjes door de winterse bergen laten bewegen. ’s Avonds zo tussen vier en zes moet ze hem bellen, en dan heeft hij ofwel een halfuurtje over, ofwel de gordijnen al gesloten, peinzend met een skischoen in zijn hand, een skiërtje dat over zijn agenda gebogen staat en nee schudt wanneer Bruno vragend naar hem kijkt.

Fieke’s volgende afspraak woon ik natuurlijk graag weer bij. Dan kan ik op zoek naar dat deurtje of de rijen skischoenen afspeuren naar een paar ogen dat stiekem meekijkt, en laat ik onopvallend wat chocolaatjes achter. Misschien gaan ze mij dan wel leuk vinden.

Stemmen en Plingels en Tokkels

De parkeerplaats voor het conservatorium staat vol, want er is een pianoconcert gaande op de begaande grond. Ik zie ze door het raam, de pianist en zijn publiek. Ik hoor ze door de muren. De noten klinken pling pling na elkaar, door de stilte van het luisterende publiek.

Maar de gangen zijn leeg en het trappenhuis ook. Buiten is het donker, binnen knippert het licht aan met een paar seconden vertraging. Ik hoor mijn stappen op de trap en de lage stem van een volwassen leerling op de eerste verdieping, gegrepen in een toonladder, van hoog naar laag en steeds lager. La-la-la-la-laaa. De stem van zijn lerares klinkt een octaaf hoger, luid, foutloos en zelfverzekerd.

Als ik de deur van de eerste verdieping open, hoor ik ook de piano die hen begeleid, en ik hoor het zachte getokkel op een gitaar door een leerling zoals ik, achter de deur van mijn leslokaal, naast de warme stem van mijn leraar.

Omdat ik te vroeg ben, kan ik alleen maar luisteren. Ik zit stil op de koude vloer tegen de muur in de gang en het licht knippert uit. Het is donker als buiten. De pianist van de begaande grond redt het tot boven, door de grond en door mijn lichaam, ik voel mezelf opstijgen en zweven als een noot door de gang, in een zachte wervelwind van stemmen en plingels en tokkels en de stilte van mijn luisteren, tot abrupt de deur wordt geopend en ik neerplof voor de ogen van mijn gitaarleraar.

Cyclus

De kleur wit is terug in mijn verhalen. Zelfs nu de Mélèze nog oranje is, schrijf ik al over wit. Wit op de bomen, wit op de grond en de kleine storm in mijn hart, die alles begraaft in het wit. Het is November en ik kom thuis.

Ik kan niet goed omschrijven wat het met me doet, die komst van de winter. Te veel om niet onzinnig te klinken, het is maar sneeuw, zou je zeggen. Maar het haalt me overhoop en zet me terug op mijn plek, de wereld waar ik alleszins vandaan lijk te komen, wat geenszins waar is.

Hoe is het mogelijk.

De fanfare van het skiseizoen staat voor de deur. Felgekleurde ski’s en schoenen, bekende namen van gevaarlijke afdalingen, koude, huilende kinderen, lawaai van aanbiedingen en geld dat in vier maanden verdiend moet worden, auto’s, files, bochten die op een bepaalde manier gedraaid worden, ski ik goed of ski ik slecht, waarom ben ik moe, waarom ben ik niet moe, was ik niet snel genoeg gisteren, niet snel genoeg, nee, hoe word ik goed, goed, goed?

Maar nog even, nog een maand, zijn de bergen besneeuwd en is die sneeuw op haar allermooiste betekenisloosheid. Vandaag ben ik verwondert en opgetild en neergezet, terug waar ik hoor. Zo gelukkig.

20191111_121831

Guess Who. It’s The Figue.

 

Gastblog door de logerende mama

Mama gaat naar Briançon! Eerst een standbeeld voor de medewerker van de Treinreiswinkel. Want nee mevrouw wilde absoluut in één dag met de trein naar haar dochter in Briançon en mevrouw wilde net zo absoluut, niet over Parijs’. Werkelijk alle dienstregelingen, van de snelste TGV tot het meest amechtige boemeltje, passeerden aan het bureau de revue, maar Parijs bleef als een grote spin in het web. ‘Nou ja, dan toch maar over Parijs, maar vooral niet te duur én met voldoende overstaptijd én aan het raam én op een redelijke tijd aankomen…..’ De man gaf geen krimp en uiteindelijk stond ik weer buiten met echt álle kaartjes (zelfs voor de Parijse metro), wat een held.

Dus nu was het verder gewoon een kwestie van op de goede volgorde in de bijbehorende treinen klimmen, als daar tenminste dat Parijs niet was geweest. Nou heb ik een ander kind, dat heel goed is met Parijs. Hij kan zijn moeder vanuit zijn stoel precies vertellen welke borden ze moet volgen om van gare du Nord naar het gare de Lyon te komen en het dan ook nog een paar keer zo overhoren dat het gewoon niet mis kan gaan, ware het niet dat…
De Fransen zijn boos en die bewuste zondag waren vooral de Franse Spoorwegen boos met als brandend middelpunt van alle woede, Parijs. Het was geen kwestie meer van ‘gewoon de groene D richting ‘de long trains’ volgen’. In- en uitgangen waren geblokkeerd en metro’s reden niet meer. Een paniekerig telefoontje naar het knappe overstap kind bood geen uitkomst. Maar hulp kwam uit onverwachte hoek: van ‘hesjes’, niet de gele maar rode.  Medewerkers die met engelengeduld iedereen de andere goede weg wezen en bij bibberige oude vrouwtjes dit zelfs met alle bijbehorende trein- en perronnummers in de telefoon typten! Wat een lieverds.
Zodoende werd zelfs de laatste overstap bij nacht en ontij van de ene op de andere onmogelijke boemel, gehaald. Op naar Ruby!

De volgende dagen zijn voor mij als trouw blogvolger een feest der herkenning. Aankomen via ‘de dode kattenweg’ vanuit Turijn, dan de weg door het dal, waar volgens mij katten ook maar beter kunnen uitkijken, tot aan een graspad waaraan een soort bult van huizen. Onderhuizen, bovenhuizen en zijhuizen klemmen zich aan elkaar vast. Ik weet uiteindelijk welke ijzeren trap ik op moet. Ontdekken waar die aardige mevrouw, die zich buurvrouw noemt, nu eigenlijk woont, lukt niet echt. Maar iedereen oogt gelukkig in zijn eigen stenen aangroeisel; geen welstandscommissie te bekennen. Binnen is daar natuurlijk Tigrou, groot, rood en vervaarlijk. Je moet hem kennen, hij gaat onmiddellijk op zijn dikke rode kattenrug liggen, maar wee je gebeente wanneer je het waagt over zijn buik te aaien. Dan zijn de rapen gaar en klapt hij rond je aaiende hand met al zijn nagels uit, dicht als een mossel.

We verkennen de omgeving, in adembenemende herfstkleuren. Briançon op het snijpunt van vier valleien met evenzoveel vestingen, van waaruit heethoofdige kasteelheren hun vallei met hun leven verdedigden. De oude stad is prachtig! Het is ook de stad waar Ruby op zo’n echte Franse markt vanuit haar kraam in benijdenswaardig rap Frans haar waar aan de man brengt. Frans met de Fransen, een vis in het water, een Hollandse vis in heel Frans water. We wandelen in de bergen, in de verte de witte toppen van de drieduizenders, dichterbij de skihellingen in afwachting van de eerste sneeuw.
In de gang van het huis struikel ik over een mengsel van klim- en skispullen.
Vrijdag ga ik weer terug naar Nederland en ik realiseer me ineens dat ik deze reis nog vaak ga maken. Ruby is op haar plek; mijn Nederlandse kind is definitief mijn Franse kind geworden.

img-20191023-wa0000-11844886770330736674.jpg

Marktkoopvrouw

Florice is de flirt in de kraam schuin tegenover ons. Ik schat hem zo’n jaar of vijftig, met grijze lokken en een linker knipoog. Hij is niet te vertrouwen, die Florice. Noch zijn groenten.

Op de markt staan producenten en doorverkopers. Doorverkopers herken je aan een te groot assortiment, ‘verschilt niet van de supermarkt’ zegt Thomas. Producenten staan er met hun eigen broccoli, aardappelen en pompoenen. Onze overbuurman ontbreekt het soms aan groenten, koopt ze dan in bij de Italianen op de hoek en zet ze voor een hogere prijs te koop in zijn eigen kraam.

Het is zondag negen uur in Briançon. Ik sta achter een kraam gemaakt van bamboe, in de frituurdampen van ‘Les Saveurs des Îles’ (de smaken van de eilanden), van Samossa’s en Nems met garnalen, kip of groenten. Mijn klanten zijn met pensioen, want de romantici en uitslapers liggen nog op bed en komen twee uur later, en de gezinnen hebben eveneens tijd nodig om op te starten.

Thomas frituurt ons koopwaar en legt het dan in bakken voor me. Ik schep het in zakjes en stop het briefgeld in mijn broekzak. Schreeuwen hoef ik niet, want de bamboekraam valt in het oog en mijn zakken vullen zich als vanzelf.

Halverwege de ochtend maakt Florice de oversteek met een klein trosje druiven en legt die op de toonbank. ‘Voor jou, hè, niet voor Thomas.’ Zijn linkeroog knipoogt. Even later krijgt Thomas een uitnodiging van de meneer met de forellen om, na het afbreken van de markt, oesters en witte wijn bij zijn buurman te proeven. De mevrouw van de schoenen houdt zich niet meer aan haar eigen belofte en komt toch, zoals elke zondag, langs bij Saveurs des Îles voor een zak met Accras. Thomas schept een tiental extra Accras in haar zak en laat haar minder betalen. Tegen het einde van de markt wordt er een kist met groenten gedumpt naast de kraam, even later zie ik Thomas een zak met Samossas weggeven aan iemand wiens geld niet in mijn broekzak beland. Op onbekende wijze verschijnt een groot, vers stuk kaas in de mand met persoonlijke bezittingen.

Zo ongeveer iedereen die ik ken in Briançon passeert die ochtend onze marktkraam, want zo ongeveer iedereen die ik ken gaat op zondag naar de markt. Ik kan me niet verbergen voor werkgevers die ik ben vergeten te antwoorden, noch voor gierende vrienden die Falaffels pikken en daarom door Thomas gedwongen worden te helpen met de afbouw van de kraam.

Ik geef hem de proppen biljetten van mijn broekzak en voel me een handelaar, een marktkoopvrouw, een echte, al word ik gewoon via een contract uitbetaald en heb ik alle geheimen van de markt nog om te ontdekken.

’S middags ligt er een zak Goutalis op de keukentafel, naast een stuk kaas en een stapel wortelen. Ik was het frituurvet uit mijn haren en neem grijnzend plaats achter het waar. Mijn eerste dag op de markt van Briançon is een absoluut succes.

Kortjakje

Het is vrijdagavond en het donker is net gevallen. Ik slinger mijn gitaar aan de hals mee naar de Citroën AX, die geparkeerd staat op een stuk gras naast de Clarée in La Vachette. De achterbak gaat open wanneer ik voorzichtig aan het kleine touwtje trek dat uit het slot kruipt. Ik zet mezelf achter het stuur en trek ook aan de starter, en dan maak ik veel lawaai met mijn gaspedaal, want de AX start anders niet. Met name nu het kouder is. Voorzichtig draai ik haar een halve slag in de rondte, en dan rijd ik rustig mijn verlaten dorp door.

Want het is stil op de Dodekippenkattenweg. En het is stil op De Verschrikkelijke Weg, tot aan Briançon, waar het eveneens stil is, van het oude centrum tot de dalende Chaussée tot mijn muziekschool. Niet uitgestorven, maar stil. Zoals in de bibliotheek.

Mijn gitaarleraar komt uit Gap. Hij is een jaar of vijftig en heeft een klein brilletje en een kale kruin. Ik zit tegenover hem en laat ‘altijd is kortjakje ziek’ horen. Mijn studiegenoten zijn tussen de zes en twaalf jaar oud, daarom staat mijn studiemateriaal vol dirigerende muizen en gitaar spelende honden. Maar dat maakt gitaarspelen niet makkelijker, nee, het is moeilijk om je vingers op de fretten te houden en om noten te lezen en om het ritme aan te houden.

Getrommel en gelach komt door het open raam naar binnen. ‘Geven jullie hier ook danslessen?’ vraag ik mijn leraar. ‘Nee’, zegt hij, ‘dat zijn de immigranten’. Het conservatorium staat naast het opvangcentrum waar asielzoekers twee nachten mogen verblijven. Wat jammer dat er muren zijn, denk ik eventjes, tussen de violen, piano’s, klarinetten en liefhebbers van percussie. Kortjakje roept voordat ik mijn verhaal kan beginnen.

Even later zit ik weer achter het stuur van de AX, en rijd haar in z’n twee de Chaussée op. Kom op, AX, zeg ik haar. Er schijnen lichtjes in het oude centrum, maar de bergen liggen in het donker. Ik denk aan mijn gitaar in de achterbak en moet glimlachen. We hebben allemaal geheimen.

De AX rolt haar stuk gras weer op en ik sleep mijn gitaar aan de hals terug naar huis. Vijf minuten later ren ik naar buiten om te controleren of ik de starter wel terug heb geduwd. Die zit, zoals altijd, gewoon weer in zijn hokje. Dan geef ik Tigrou zijn bak eten, zet een kop tijmthee om de kou te trotseren en neem plaats op een kruk achter mijn bureau, met mijn linkervoet op een stapel boeken en mijn gitaar op schoot.

Ik voel me thuis.