Latest Posts

Als ze lacht

Mijn bazin loopt erg langzaam. Zo’n zes seconden per stap. Het lukt haar niet om haar volgende voet snel genoeg te laten landen, daardoor is ze uit evenwicht wanneer er geen steun beschikbaar is. Gelukkig is het restaurant klein: ze kan via het keukenblad langs de bar en eerste twee tafels naar de uitgang. Die twee tafels staan voor de gelegenheid tegen elkaar aangeschoven.

Ik zit naast de ‘comis de cuisine’, de keukenhulp die tegen het einde van het seizoen onofficieel chef is geworden. De weinige klanten die we hadden dachten dat wij samen het restaurant runden. Wat we vooral deden was de tijd doden, vaak door te praten over wat we stiekem op onze telefoons aan nieuws zagen, of over Briançon, of zijn vader, die eens opgepakt was door de politie omdat hij een bevallende vluchteling had geholpen bij de oversteek naar het ziekenhuis.

Midden aan tafel zit de echtgenoot van mijn bazin. Hij is stil, vanavond. Hij lijkt nergens op aan te kunnen haken, niet op de conversaties aan tafel en niet, in grotere zin, op het leven in het Westen. Over een maand gaat hij terug naar Nepal, maar eerst moet hij naar het ziekenhuis. Ze hebben op een echo gezien dat zijn lever te groot is. Hij lijkt echter blij om ook iets te hebben, want alle aandacht gaat altijd naar zijn zieke vrouw, die tegelijkertijd niets kan doen voor het restaurant en hem constant nodig heeft. Het aangeven van haar telefoon, haar stok, haar sleutels.

Beiden ontkennen regelmatig dat hij een alcoholprobleem heeft, maar sinds we weten dat hij een vergrootte lever heeft, weten we ook wat hij telkens in de kelder deed. Het verband heeft hij zelf nog niet gelegd, daarom blijft hij ons vertellen over zijn ziekte, desnoods met een glas rosé in zijn hand.

Aan het einde van de tafel zit mijn voorganger in de bediening, tevens kleermaker, marktkoopman en reisorganisator. Hij draagt een Afrikaans shirt en heeft lange blonde haren. Ik zie hem vaak in Briançon, zoals iedereen; hij is iemand die je niet echt kan missen, op zijn crossmotor met zijn zoontje of aan de hand van zijn schitterende Afrikaanse vriendin. Hij helpt mijn bazin veel, zit vaak met haar aan de telefoon, weet inmiddels wat ze wel en wat ze niet kan en helpt waar nodig.

En naast mij zit Fieke, mijn genodigde voor de avond, en tegenover me het vriendinnetje van de comis. Achter ons ligt het terras in stukken, het meubilair opgestapeld in de koepel en de verzameling schommelende kaarsenhouders op de ronde tafel. We eten Momo’s, Nepalese salade en Indiase poulet Korma, alles wat nog over was, en delen een piepkleine wereld die keihard ten einde loopt. Ze is mooi, mijn bazin. Als ze lacht, dan gebeurt er iets in de ruimte. Iets verandert. En als ze huilt, dan huilen we allemaal een beetje mee.

20190915_142838.jpg

Dat kleine beetje ruimte

Het is moeilijk, mijn gedachten beheersen. Moeilijk op het matje, gedurende twee minuten, of tien, of dertig. Moeilijk misschien niet af en toe in het dagelijks leven, voor even, voor het moment, maar wanneer een ander moment volgt is het alweer verdwenen. Moeilijk is het wanneer de gedachten negatief zijn, of emotioneel geladen, wanneer beheersing nodig is, en ook wanneer ik moe ben. Of wanneer mijn hart eventjes niet geloofd, of erger, wanneer het mijn gedachten geloofd. Moeilijk, moeilijk, moeilijk, en toch heb ik hoop.

Want sinds mijn begin als afgeleide zen beoefenaar ben ik rustiger. Er is een kleine afstand ontstaan tussen mij en mijn gedachten, en zodoende mijn oordelen, impulsen, automatismen, emoties, alsof ik ze zie aankomen en zie vestigen in mijn hoofd en lichaam. Zelfs al komen ze met commotie of dwang, repeterend, zelfverzekerd, er is steeds vaker dat kleine beetje ruimte om ze belachelijk te maken, om het simpelweg niet met ze eens te zijn, om ze aan te vechten of, idealiter, te laten gaan. Niet altijd met succes, maar de ruimte is er.

Omdat ik had geschreven hoe de wind met mijn gedachten aan de haal ging op het terras van Lou Grand Caïre, dacht ik laatst: Wat als dat nou écht het geval was? Dat gedachten altijd meegenomen worden door de wind die langs ons gezicht strijkt? Dat iedereen in de wind dus even niet oordeelt, bezig is met wat hij of zij moet doen zo dadelijk, twijfelt aan zichzelf, ergert aan anderen, dat mensen stilvallen in gesprekken omdat hun redenaties wegvliegen, hangjongeren per ongeluk mediteren, iedereen buiten nergens anders dan in het nu zou kunnen bestaan…

De samenleving zou er anders uit zien. En ik zou niet meer op mijn matje hoeven oefenen, maar gewoon even de wind opzoeken.

De Clarée maakt vreemde slingeringen

Soms laat ik dingen gaan, in het Frans. Dan snap ik een verhaal of conversatie niet, een woord of een idee, en let ik maar half op. Een soort ‘laat maar’ luiheid die volgt uit het leren van een taal en de duizenden momenten van onbegrip die daar onvermijdelijk bijhoren.

Het verhaal van coulée de boue kwam meerdere malen terug. Eerst een keer op de radio, daarna in gesprekken, en begin Juli pikte ik zo ongeveer op dat er iets in de vallei was gebeurd wat de weg naar Nèvache blokkeerde. Ik dacht aan een ingestorte rotswand, misschien, of een verzakking; iets dat met wat graafmachines en menselijk huishouden wel opgelost kon worden. Hier in de bergen ligt er constant iets op de weg, moet het wegdek hernieuwt, zijn valleien afgesloten. Ik had geen idee.

Ik had geen idee dat, na een reeks stormen, een zes meter hoge modderstroom een deel van de vallei had weggevaagd.

De dag waarop ik ging kijken, leerde ik dat het aanzicht van een verwoest natuurgebied haast fysiek pijn doet. Het gras, de rivier, de bomen, bloemen, paden, oevers, alles dat met zoveel aandacht, tijd en liefde bij elkaar stond – dat realiseer ik nu – en aanvankelijk perfect was, was weg. Onder een zes meter diepe laag van bleke aarde en vieze stenen.

Ergens spreekt de destructie van een ongelofelijke kracht van de natuur; het laatste wat je kunt doen is met haar sollen. Ze maakt de wereld prachtig en bedelft haar dan onder de modder. Geen lawinehekje had een zandkorrel kunnen tegenhouden. Ze geeft en neemt, ze bloeit en laat het dan stormen, onweer en regen zoveel dat je voelt dat ze woedend is.

Wat buurtbewoners en de Briançonnais zeggen over de coulée de boue is het volgende: De vallei heeft altijd last van modderstromen gehad wegens haar diepte en haar grond, maar de geulen worden breder en breder. Eenmaal kaal is een flank kansloos. Het zijn de bomen die de aarde moeten verankeren, maar ze krijgen de tijd niet om groot te worden. Nu de wereld daarbij warmer wordt, is de aarde droger en kan ze minder vocht opnemen. De rotsen brokkelen af en de stormen zijn veel heviger, een dergelijke stortvloed doet een broze berg moeiteloos wegsmelten.

De Clarée maakt vreemde slingeringen door de vallei, ze heeft een nieuwe weg moeten vinden, maar neemt die nog niet met overtuiging. De vallei is veranderd en zal blijven veranderen. Met de natuur sollen kan dus eigenlijk wel, en de gevolgen zijn van modder. ‘Le maire espère un arrêté de catastrophe naturelle’, ‘de burgemeester hoopt op een stop van de natuurramp’, stond het in de krant. Wie niet.

De stormen blijven ook nu regelmatig over de vallei waaien en boezemen angst in, vooral vanwege de gewelddadige hoeveelheid water die uit de lucht valt. De kracht ervan is hoorbaar en voelbaar. Nu de betekenis van coulée de boue tot me is doorgedrongen, kan ik me niet veilig wanen aan de binnenkant van het huis. We liggen misschien afgeschermd van de modderstromen, maar de natuur ligt niet afgeschermd van ons. Of haar, of wij, is wat ik denk als ik uit het raam staar. En het engste is nog dat daar waarschijnijk geen verschil tussen bestaat.

_DSC9792

Dodekattenkippenweg

Mijn overbuurman heet Christian, ‘Kri Kri’, en heeft twee katten van achttien jaar oud die niet alleen gelaten kunnen worden. Wanneer hij en zijn vrouw boodschappen doen, moeten ze dus mee. Op de achterbank. Ik heb die achterbank een keer met de katten gedeeld toen het echtpaar me oppikte in Briançon, waar ik aan het liften was. Tijdens het rijden keken beiden uit het raam.

Ik vertelde Kri Kri dat ik van plan was om Tigrou uit het asiel te halen, en hij antwoordde met: Pas op. De katten van La Vachette worden overreden. Mensen rijden als gekken. De kat van mijn hoogsteigen huisbaas was blijkbaar twee jaar geleden overreden. Ze hadden de burgermeester van Val de Près (onze commune) gevraagd om verkeersdrempels en wachten er al jaren op. In de tussentijd hebben ze maar gigantische bloembakken neergezet, maar daar slingeren de duivels als gekken omheen.

De katten van Kri Kri en zijn vrouw mogen dus niet naar buiten.

Tigrou mag eigenlijk ook nog niet naar buiten, maar is gisteren toch ontsnapt. Ik was niet bang dat hij niet meer terug zou komen, geïnaugureerd bij één van de kattenbendes, maar vreesde vooral dat ik hem als pannenkoek op het asfalt terug zou vinden.

Gelukkig zijn er een aantal goede ontwikkelingen in La Vachette: Aan het begin van de Dodekattenweg is iemand bezig een bar te openen. Als het goed is kunnen we er vanaf november bierdrinken en ik zie dat helemaal voor me. Ik ben erg bereid een barhanger van mijn eigen dorpskroeg te worden. Fieke en ik zullen er onze dagen beginnen met een koffie en een sigaret boven onze opengeslagen kranten (daarvoor moeten we eerst beginnen met roken en ons abonneren op een krant).

Een paar huizen verder staat het woord ‘boulangerie’ (bakker) op de gevel geschilderd, maar die bladert af, en de luiken zijn dicht, en de deur is gesloten. Voor croissants moeten we momenteel De Verschrikkelijke Weg naar Briançon over, het liefst met de fiets, maar we zijn er nog niet over uit of we in naam van ecologie onze levens moeten wagen. Idealiter zou die bakker dus gewoon heropenen. Deze goede ontwikkeling vindt vooral plaats in de fantasie.

Tevens is er naast mij een evenementkip komen wonen, een ‘poul nain’ (dwergkip), met zoveel veren op haar poten dat het lijkt alsof ze elegante sloffen draagt. Als de buurmeisjes thuis zijn, loopt ze vrij rond, zo een beetje in de rondte, verward en op zoek. Het is de vreemdste kip die ik ooit gezien heb, ik hoop dat ze het nooit tot de Dodekattenweg schopt.

La Vachette is in veel opzichten een leuk klein dorp: Ze is de poort tussen de Clarée en de beschaving, buurtbewoners kennen en begroeten elkaar en de dwergkip loopt vrij rond. Maar juist daarom is het makkelijk om te vallen over de (kleinere) negatieve aspecten van het leven hier, zoals de hoeveelheid en snelheid van auto’s, het ontbreken van een fietspad om er te komen en eveneens die verse croissants in de ochtend.

Het is me opgevallen dat wonen in een dorp de illusie wekt dat vooruitgang mogelijk is. Op een plek waar zo’n honderd mensen wonen voelt de ideale samenleving binnen handbereik, alsof de beoogde verandering afhangt van het overtuigen van die honderd mensen (kom, jongens, we graven gewoon een groot gat aan het begin van het dorp, dan rijden alle auto’s erin). Het realiseren van de verkeersdrempel klinkt daarom als een schoolproject, alsof Kri Kri het kamertje van de directeur kan binnenlopen met een tekening van een bedreigende auto en zijn bange katten.

Het probleem is dat de auto’s die zijn katten en mijn eigen Tigrou bedreigen vanuit heel Europa komen, de Clarée wereldwijd op internet gevonden kan worden en het belang van de beestenlevens en de rust in La Vachette totaal in het niet valt bij het profijt dat Nevache en de rest van de Clarée heeft bij het toerisme. Een drempel valt niet even op een vrijdagmiddag uit de grond te stampen, daar moeten ongetwijfeld allerlei belangrijke mensen over beslissen. Waarom er ’s zomers niet gewoon elk halfuur een bus heen en weer toeft, het zal vast ergens mee te maken hebben. La Vachette is niet zo dorpig als het lijkt, het is deel van een groot, groot geheel.

Ik heb Tigrou maar gezegd dat hij de Dodekattenweg moet vermijden, want de drempel komt er toch niet. Jammer genoeg is Tigrou een kat en snapt hij niet wat ik zeg (ik heb hem ook gevraagd om de dwergkip met rust te laten, tot nu toe heeft de dwergkip geluk gehad). Ik zal hem niet opsluiten, maar zorgen maak ik me wel.

_DSC9776

Charlotte has the Raspberry

Onze servetten zijn rood. Soms kom ik ze bovenin de Gargouille tegen, uitgevouwen en vies, meegenomen door de noorderwind die altijd langs ons terras komt wanneer ze de stad bezoekt. Een gast maakte eens een grapje; ze zei dat we onze naam en menu op de servetten moesten laten drukken, dan kon de wind reclame voor ons maken.

Soms haat ik die wind, omdat mijn glazen van de tafel waaien als ik even de andere kant op kijk. Soms houd ik van haar, omdat ze met futiele dingen aan de haal gaat, zoals servetten, glazen en mijn ongeduld naar onbeleefde klanten.

Het is een moeilijk seizoen. Mijn bazin was in juni al zo ziek en moe dat ze onze menukaart niet meer in het Engels kon vertalen. Met dank aan Google Translate hebben we nog steeds een ‘Charlotte has the raspberry’ (Charlotte à la framboise). Een gast wees me er laatst eveneens op dat, volgens de introductietekst van zijn menu, het geboortedorp van de Nepalese echtgenoot van mijn bazin op vier dagen lopen van Kathmandu lag. Volgens het menu van zijn vrouw lag het op acht dagen lopen. ‘Dat is wel een verschil’, zei de gast met een glimlach. Ik had daar niet echt een antwoord op.

Het ontbreekt me vaak aan antwoorden. Als gasten veertig minuten wachten op hun eten, dan kan ik niet zeggen dat mijn bazin, tevens de chef, 79 jaar is en niet kan bewegen, ademen, leven zonder pijn. Ik kan ook niet zeggen dat de wijn uit voorraad is omdat we toch sluiten na het seizoen, want het gaat niet meer, het gaat niet meer, of dat we geen visgerecht hebben omdat de bazin naar huis is gegaan nadat ze flauwviel in onze armen, en alleen zij weet hoe die klaar gemaakt moet worden.

Dankzij haar heb ik wederom les in leed van anderen. Fysiek leed en mentaal eveneens, angst voor het onbekende, het einde, van het restaurant, eventueel van alles.

Ook wat betreft klandizie is het een moeilijk seizoen. Het restaurant maakte aanvankelijk geen winst; mijn collega en ik konden maar met moeite uitbetaald worden. Heel juli wisten gasten ons nauwelijks vinden, we zaten verstopt achter de hoofdstraat, andere restaurants en de verleiding van het rumoer. Slechts het leed van mijn bazin vulde de ruimte, het terras en de straten tot aan de Gargouille.

Plotseling zijn ze gekomen. Allemaal tegelijkertijd, veel meer dan mijn bazin aankan. Elke dag is een uitputtingsslag, voor haar en zelfs voor ons. Haar echtgenoot heeft woedeaanvallen van stress en schreeuwt in het Nepalees, Frans en Engels tegen klanten, huilende kinderen en langslopende honden. Zijn imago neemt dezelfde koers als de servetten, men zegt dat hij een alcoholprobleem heeft, dat hij gek is. Het probleem is dat hij ongelukkig is.

Over een maand sluiten onze deuren, dan gaat hij terug naar Nepal en zij terug naar het ziekenhuis. Ik zal worden uitbetaald en ga dan de bergen in, om weer met de natuur te leven, ver van de horeca, de glazen, servetten, het geschreeuw, met het besef dat mijn lichaam momenteel jong en sterk is en dat het me vrijheid en geluk kan brengen, zolang de wind in de juiste directie waait.

De Rozen van Fontvallon

Juni 2019

In Fontvallon sla ik mijn laptop niet open, want het is beter voor me om naar de vogels te luisteren of door het gras te lopen. Nooit heb ik een landgoed gewild, een huis ver van buren, maar nu snap ik wat ruimte en stilte kan doen. Hoe ver je ook kijkt, links of recht of achterom, je ziet rozen en bomen, heuvels en lucht. Ik sla mijn laptop niet open zelfs al heb ik veel gedachten om te verwerken, want ik baad in rust en wil het bad niet uit. De gastvrijheid waarmee ik ontvangen ben is zacht en grenzeloos, ik eet goed en slaap in een groot bed. Het is juni en warm en het leven speelt zich buiten af, waar Lola leert om een kleine rode bal terug te brengen naar de gooier. In de groentetuin hangen paprika’s en tomaten, aardappelen en knoflook liggen vlak onder de grond. Olijfbomen onderscheid ik inmiddels van de anderen en de paden in het bos plak ik bijna aan elkaar. Het gefluit van vogels lijkt telkens hetzelfde maar als echt ik luister, verandert het toch. We proberen te zien wie het zijn, die fluiters, maar we vinden ze niet tussen alle takken en bladeren.

Dit is een plek van aandacht en zorg, van aanwezigheid en herinnering, van liefde en verdriet.

Een week voor mijn bezoek aan Fontvallon liftte ik van Villard d’Arene naar Col de Lauteret, een traject van nog geen tien minuten, maar ruim twintig minuten in de oude camper van de bejaarde man die me oppikte. Hij hoorde zo slecht dat ik mezelf vaak langzaam en luid moest herhalen. Hij kon om alles lachen, om hetgeen dat hij meekreeg en niet meekreeg, en hij vond me prachtig, in zoverre hij me zag. We spraken en maakten grapjes over mijn leven en het zijne, tot hij zei: ‘Ik zal je eens vertellen over mijn leven. Ik leefde dertig jaar toen ik mijn zoon kreeg. Twintig jaar later ging hij dood. Dat is dertig jaar geleden.’ En toen begon hij te huilen.

Ik zit aan tafel in de tuin van Fontvallon en schrijf toch mijn gedachten op.

Want de verhalen over het ongeluk zakken langzaam weg in de geschiedenis van mijn blog. Letterlijk lager en lager, diep uit het zicht van potentiele lezers en mijzelf. Het probleem met het ongeluk is dat de gevolgen ervan niet wegzakken. Die zijn permanent.

Hoe meer tijd erover heengaat, hoe meer ik leer over de dood. Deels uit boeken, omdat ik voel dat het belangrijk is om tot meer begrip te komen. Maar het meeste leer ik van het verlopen van de tijd zelf: Elke dag is een nieuwe dag zonder de doden. Een dag zonder Céline en Elise, een dag waarop hun ouders en vrienden wakker worden in een realiteit die leegte vertoond, waarin de meisjes weer en weer en weer niet terugkomen. Ik vind die kant van de dood ongenadig simpel en hard. Het duurt al vier maanden en het gaat nooit meer over.

Toch overheerst in Fontvallon niet de absentie, maar vooral de aanwezigheid: Van liefde. Het is ongelofelijk hoe voelbaar Céline voortleeft in de rozen, bomen, paden en vogels, in de stilte en de ruimte, de aandacht en tijd van haar moeder en stiefvader. Haar dood is onherroepelijk, maar haar leven eveneens, en ook dat begin ik te leren. Dat alles op een dag ophoudt, maar tegelijkertijd voor eeuwig doorgaat, omdat dat de scheiding tussen alle dingen minder absoluut is dan ik voorheen dacht. Tussen Céline, de wereld waarin ze opgroeide, de natuur, haar ouders, al hetgeen waarvan ze hield, haar verleden, haar toekomst, mijzelf.

Passage

Mijn huisgenoot zou gisteravond vijf dames over de vloer hebben. Eén van hen ontbrak omdat ze door de gendarmerie was aangehouden in Montgenèvre. Haar naam stond in het systeem en werd eruit gepikt tijdens een paspoortcontrole. ’s Nacht om twee uur lieten ze haar vrij, mijn huisgenootje heeft haar opgehaald in Briançon, ’s ochtends zat ze aan de ontbijttafel.

Ik voel me altijd erg naïef wanneer activisten hier over de vloer komen. Egoïstisch, materialistisch en gemakzuchtig. Want de immigranten lopen hier praktisch langs het huis, in wisselende staat, en ik spendeer mijn tijd aan het uitzoeken van een leuke kat voor het appartement.

Ik heb ze gevraagd waarom het meisje in het systeem stond en dit was het antwoord: Ze woont in Oulx, een stad op 25 kilometer van de Franse grens, waar immigranten met de bus of trein aankomen voordat ze de oversteek naar Frankrijk wagen. Daar legt ze hen uit wat hen te wachten staat wat betreft het pad door de bergen, hoe ze zich het beste kunnen voorbereiden en waar ze zich in Briançon moeten melden.

Op het faciliteren van de passage van immigranten (die er niet zo uitzien zoals ik) staat vijftien jaar gevangenisstraf wanneer er profijt uit wordt gehaald, zoals geld. Het profijt dat het meisje eruit haalt, zou kunnen worden gedefinieerd als politieke organisatie (credit) tegen de staat (als ik het goed heb begrepen).

Ze wil, zegt ze, vooral dat die mensen niet doodgaan in de bergen.

Vanmorgen aan de ontbijttafel was ik stil, omdat ik de brug tussen onze werelden niet vond, meer uit onzekerheid dan uit desinteresse. En die onzekerheid komt weer voort uit een gebrek aan informatie: Ik ben hier komen wonen omdat ik weet van de schoonheid van de bergen, niet van de gebeurtenissen rondom de grens en de politiek die erachter schuilt. Ik moet me eerst informeren.

Om met mezelf in het reine te komen heb ik na het vertrek van de dames in plaats van een kitten, een vijfjaar oude, rode, chagrijnige kat uit het asiel gehaald. Hij is veel te zwaar omdat hij acht maanden lang de kattenbrokken van de andere asielkatten heeft opgegeten. Hij heeft moeite om op schoot te komen liggen, want springen gaat zo moeilijk. Hij heet Tigrou en hij is op dieet.

Ik heb tevens mijn huisgenoot gevraagd of ik een nacht mee zou kunnen naar Clavier, het laatste dorp voor de grens, waar hij regelmatig heen gaat om immigranten te informeren over de gevaren van de oversteek. Ik denk dat een dergelijk avontuur nodig is om me wakker te schudden.

_DSC9684

De weg naar Montgenèvre en daar achter, Italië

Dag Zomer

De zomer is mijn seizoen niet meer. Het is te warm rond mijn huid en mijn lippen, onder mijn voeten en in mijn longen, mijn gletsjers smelten en mijn water verdampt, mijn bergen storten in en mijn gras is dood. Ik zou graag de zomer van mijn ouders hebben gehad, en van hun ouders. Ik zou die zomer graag bij ze ophalen en achterlaten voor mijn kinderen. Maar het is te warm om terug te kijken en te warm om vooruit te kijken. Ik geef mijn kinderen gebroken bergen met een beetje lente en een beetje herfst, en zeg ze: Probeer de winter te redden voor onze kleinkinderen en misschien zelfs die van hun. Als het nog niet te laat is.

_DSC9764

Een kleine introductie

Een vache is een koe in het Frans. Gek genoeg lopen er tussen La Vachette (het eerste dorp van de vallei) en Nevache (het laatste dorp van de vallei) geen koeien rond. Ik vraag me af wanneer ze zijn verdwenen of waar ze heen zijn. Wel rijdt er veel gendarmerie heen en weer, iets dat opvalt in kleine onbeduidende dorpen zoals het onze, waar niet eens een bar bestaat om in overlast te voorzien. We hebben alleen, zo heeft mijn huisgenoot waargenomen (een geograaf die zijn thesis schrijft en veel uit het raam staart), twee kattenbendes die het ’s nachts tegen elkaar opnemen. Ik kan me niet voorstellen dat de politie om die reden surveilleert, ik denk evenmin dat ze opzoek is naar ontbrekende koeien.

Ons dorp ligt zo’n honderd meter van de weg tussen Briançon en Montgenèvre (Italië). Die weg is verschrikkelijk. Als fietser circuleer je er tussen bochten, afgronden en ongeduldige automobilisten door. Iedereen zegt me keer op keer dat ik haar niet moet nemen, maar het openbaar vervoer reikt niet tot in La Vachette en ik heb dermate een hekel aan auto’s dat ik koppig mijn fiets pak, zelfs wanneer ik een auto zou kunnen lenen. En wanneer ik naar mijn werk ga, tegen het vallen van de avond, is het spel van het licht tussen de forten en bergen van Briançon zo onwerkelijk dat de stad geenszins normaal lijkt, meer een illustratie naast een ridderverhaal, en dan voel ik mezelf steevast even uit het alledaagse bestaan getrokken. Het is de meest verschrikkelijke, mooie weg die ik ken.

Ook La Vachette heeft iets onwerkelijks, al is het maar omdat ik er een thuis heb gevonden. Het dorp bestaat uit een verzameling oude, zware gebouwen met stenen muren en scheve houten schuren, verbonden door stroken onkruid, gras en geplante of vergeten bloemen. Er is geen bakker, slager of kruidenwinkel, alleen een boerderij waar ze eieren en salades verkopen en een kleine bibliotheek aan het begin van de hoofdstraat.

Die hoofdstraat vormt momenteel het begin van de snelweg naar populaire vakantiebestemmingen in de Clarée. Vanwege alle auto’s die passeren, het geluid dat ze maken, de katten die ze overrijden en de dreiging die ze vormen is het geen straat waarop buren worden besproken of kinderen spelen, want alleen al om te traverseren kijkt men links, rechts en nog een keer links, om vervolgens in een drafje de oversteek te wagen.

Maar het is eveneens in de vakantie wanneer de dorpelingen avond aan avond Jeu de Boules spelen op het stuk gras achter de huizen, want een aantal van hen woont er alleen s’ zomers en de traditie hangt af van die twee maanden. Het leven dat de zomer brengt, komt in vorm van auto’s en ballen.

Wij bewonen een huis vlak naast de hoofdstraat, met een klein balkon dat ’s avonds de zon pakt en op de één of andere manier bloemen aantrekt. Een van de voordelen van dit stekje is het stel dat onder ons woont: De jongen, zwaar afgestudeerd chemicus, probeert net zoals ik een berggids te worden. Hij is bijna twee meter lang en zonder twijfel de Franse afstammeling van de grote vriendelijke reus, want hij helpt iedereen om zich heen zonder een moment aarzeling en heeft iets bijzonder zachts in zijn blik. Zijn vriendin is een vrolijke springveer van Catalaanse lengte en wordt in mijn hoofd altijd omringt door een dans van warme kleuren, lief en spontaan, zowel haar lach als haar ogen, enigszins exotisch zo tussen de opgestapelde grijze stenen van ons dorp.

Het stel noemt onze linkerbuurvrouw Cheveux Blanc (mevrouw Withaar), want ze zijn haar echte naam vergeten en vinden haar veel te nieuwsgierig, zo klaagden ze voordat we het appartement introkken. Ik wilde Chevaux Blanc een kans geven en glimlach nog steeds naar haar wanneer ze langsloopt – elke keer dat ze langsloopt – en ons doen en laten in zich opneemt. Nieuwsgierigheid is het juiste woord en hoort denk ik bij het dorpsleven.

Het tweede voordeel van ons stekje is dat we op de route liggen van de vrienden van Rosier. Ze voelen waarschijnlijk licht de verplichting om visite af te leggen wanneer ze ons balkon zien en ik houd dat graag in stand.

We liggen daarbij, in tegengestelde richting, op de route naar Italië, een omweg via bergweggetjes langs de prachtige vallei van Col d’Echelle, het groenste gras dat ik hier gezien heb. ’s Winters, zo heb ik gehoord, ligt er een berg sneeuw en traverseren immigranten alsnog stiekem het land in, soms zonder schoenen, zonder een idee van sneeuw. ‘s Zomers komen ze vooral via Montgenevre, zo’n tien per nacht, in het donker in het bos, niet altijd op de hoogte van de uitdaging van de bergen. Dat legt niet uit waarom de koeien uit onze vallei zijn verdwenen, maar wel waarom de gendarmerie de Clarée in de gaten houdt.

Mijn hart en haar gevoel van onrecht is dermate met de natuur verstrengeld dat de opwarming van de aarde me ’s avonds wakker houdt, en niet het mensenleed om de hoek, maar in Rosier, La Vachette en Briançon wemelt het van activisten met felle gezichtsuitdrukkingen en grote gebaren. Ik heb onvermijdelijk het gevoel dat ik een en ander zal leren gedurende mijn tijd in La Vachette.

Vandaag organiseert het dorp het jaarlijkse feest, met een rommelmarkt, een jeu de boules toernooi en een taartbakcompetitie waarvoor ik al sta ingeschreven, zelfs al heb ik nog geen idee van een winnend recept (ik leun hiervoor enigszins op mijn huisgenoot). Wel ben ik erg nieuwsgierig naar de opkomst; ik hoop op een setje ontbrekende koeien, de gendarmerie, beiden kattenbendes, mijn onderburen, Cheveux Blanc, vrienden van Rosier, immigranten met schoenen en goede taart van eigen (nieuwe) keuken.

La Vachette

Begin deze week betrok ik een appartement in La Vachette, Vallée de la Clarée, vlak bij Rosier. Het appartement ruikt nog naar renovatie, behalve als ik wierook aansteek, wat de geur van verf en vers hout voor een uur of twee overstemt. De kamers zijn licht en groot, de vloeren glanzen en de muren zijn nog leeg. Ik huur het voor zo’n twee jaar en word begin oktober vergezeld door Fieke, die op de pistes van Serre Chevalier voor haar pisteurexamen wil trainen. Tot zover een droom die uitkomt.

Ondertussen werk ik voor een Nepalees restaurant waar ik licht uitgebuit word door een 78-jarige vrouw en haar 20 jaar jongere Nepalese echtgenoot. Ik trek mezelf langzaamaan financieel uit het slob door Pakhora’s en Momo’s te serveren, begeleid door luide mantra’s uit een oude stereo-installatie die zichzelf herhaalt, net als het echtpaar, en zelfs al heb ik er een hekel aan weer terug te moeten vallen op de horeca, mijn dagen zijn zo slecht nog niet. Er is altijd iets leuks te vinden in de interactie met gasten. Mensen zijn vaak leuk.

Er woont daarbij een dikke, bruinrode kat vlakbij, die zich alleen vertoont wanneer gasten plaatsnemen op het terras. Hij zit dan zelf op de balustrade, met zijn poten nog geen dertig centimeter boven de boorden van de gasten, en werpt een lange, stille blik op hetgeen hij zelf niet eet, dat op een dag, hoopt hij zichtbaar, toch zijn richting op zal komen. Hij is zich er niet van bewust dat hij mijn lievelingskat is.

Nu mijn leven weer enigszins stabiliteit vertoond, ongekende stabiliteit zelfs, kan ik eindelijk afstand nemen tot wat er de afgelopen maanden gebeurd is. Ik voel dat er iets groots veranderd is in mijzelf en de manier waarop ik de wereld ervaar, maar ik heb er nog geen grip op. Soms lijkt het alsof ik toch ook een beetje ben gevallen, die dag in het couloir, alsof er een deel van me nog steeds in vrije val is, op weg of op zoek naar een definitieve bestemming. Daardoor kan ik de draad niet zomaar weer oppakken, zelfs nu mijn leven zulke fatsoenlijke vormen aanneemt. Ik moet mezelf opnieuw bevestigen en een nieuwe weg vinden in een wereld die zelf misschien niet veranderd is, maar toch een beetje voor mij.

Dat ik die weg kan inslaan vanuit La Vachette is heel, heel erg van waarde. Het appartement is zelf net aan een nieuw leven begonnen en leven erin voelt fris en onbepaald, vrij van slechte gewoontes en rommel, alles erin heeft vooralsnog een doel of een verhaal dat gemakkelijk terug te halen valt. Zoals de houten pinguïn, een recent aangevlogen bewoner zoals ikzelf, afkomstig van de markt en hier enigszins misplaatst, gepositioneerd op Fieke’s houten kast in de woonkamer en aangeschaft wegens Suus (zus) haar passie. Trots als een pauw (pinguïn) in haar houding, herinnert ze me elke morgen aan ons gemeenschappelijk lot in La Vachette, aan de willekeur ervan en ook het geluk dat we hebben, en ze inspireert me om beiden als trotse pinguïns de uitdaging aan te gaan.