Latest Posts

Maison Nel

Er zijn heel veel redenen waarom het een goed idee is om vakantie te vieren in de Champsaur. Het is er weids en groen, overal valt te fietsen en te wandelen, de zon schijnt, het staat er vol bloemen en lammetjes, de grote bergen zijn niet ver, de croissants evenmin, zelfs Céüse ligt om de hoek en, bovenal, in het dorp Villard Trottier staat Maison Nel.

Een jaar geleden verhuisden Henri en Els, de ouders van mijn beste vriendinnetje, naar Frankrijk om daar, midden tussen de koeien en de Fransen, een oude boerderij om te bouwen tot een Bed & Breakfast. Ze waren niet persé klussers, spraken niet persé vloeiend Frans en hadden niet persé een netwerk vrijwilligers noch een onuitputbare geldbron, maar ze waren dapper, taai en erg goed in het realiseren van dromen. Want Maison Nel is deze zomer open en ontvangt binnenkort haar eerste gasten.

Nu, waarom moet je naar Maison Nel?

Omdat ik Henri en Els erg leuke mensen vind en hun een eindeloze stroom gasten gun, natuurlijk. Maar ook omdat het er écht heel mooi is, zowel het huis, de directe omgeving als de bergen, en ik er zonder twijfel mijn eigen kritische wandel-monster vader heen zou sturen, net als mijn boekje-lees theetje-erbij moeder.

Maar waarom ik vooral vind dat je vakantie moet vieren in Maison Nel, is omdat het zo inspireert. We hebben altijd grote enge dromen die uiteindelijk nooit het daglicht zien, want we geloven niet écht dat het mogelijk is om in een tiny house te leven, een lama op te voeden of de biezen te pakken naar Zuid-Amerika. Wat we nodig hebben is bewijs, het bewijs dat normale mensen dromen verwezenlijken door te durven en hard te werken. Zoals Henri en Els.

Het leuke is dat zomervakanties bij uitstek droomvakanties zijn: Je bent ver van huis, het werk en de stad, en de zon en frisse lucht maken je hoofd leeg van gekke gedachten. Het grootse van de bergen en de voeten in een beek moedigen aan tot verandering en het fietsen en wandelen herinneren je eraan dat je sterk bent en door kunt zetten. Als je dan ook nog eens midden in de kersverse droom van twee mensen precies zoals jijzelf, opstaat en weer gaat slapen, dan vertrek je een week later richting huis met kriebels, ideeën en een diep gevoel van vertrouwen in mogelijkheden.

Mocht je  nieuwsgierig zijn geworden naar de recente geschiedenis van Maison Nel, kijk dan op haar facebookpagina, daar staan foto’s en filmpjes van bouwputten, uitgeputte arbeiders en natuurlijk het eindresultaat. En ga naar www.maisonnel.com voor een idee van de activiteiten in de omgeving, het aanbod en natuurlijk om te boeken!

Ga voorklimmen en val

Mijn zus doet binnenkort haar voorklimcursus. Ik deed mijn eigen zeven jaar geleden en heb dus zeven jaar ervaring met voorklimmen en… voorklimangst. Het heeft me vaak dwars gezeten, zowel de voorklimangst zelf als de verhalen eromheen, maar inmiddels ben ik dankbaar dat het deel van mijn leven uitmaakt. Het is lastig om dat uit te leggen aan iemand die voor een eerste keer boven een haak uitklimt, maar ik heb het vermoeden dat ervaren voorklimmers misschien wel hetzelfde voelen.

Hier in Briançon word ik omringt door fanatieke sportklimmers en aspirant gidsen. Het (overtuigende) merendeel bestaat uit mannen tussen de 25 en 35 jaar oud die tussen de 6b en 8a klimmen, en het merendeel daarvan is vaak bang om vallen te maken. Het valt me niet eens meer op. Ze hebben allemaal hun tactieken, zo ongeveer de helft kent The Rock Warriors Way, sommige zien het als onderwerp waarover (met liefde) gesproken kan worden, anderen worden erdoor gehinderd en uiten vooral hun frustratie. Maar in welke vorm dan ook, het is bijna altijd aanwezig aan de voet van rotsen die beklommen kunnen worden.

Ik heb erover nagedacht welk advies ik nou het beste aan mijn zus kan geven, die nog geen enkele mentale verhouding heeft met het parcours boven de haak. Het liefst zou ik zelf bij haar voorklimcursus zijn, zodat ik haar ter plekke zou kunnen laten wennen aan vallende mensen en het vallen zelf, want ik ben ervan overtuigd dat een deel van voorklimangst vermeden kan worden door van het begin af aan te ervaren dat er eindeloos gevallen kan worden, dat het normaal is en erbij hoort. Het valklimaat is altijd van invloed. Ook hier in Frankrijk ga ik liever op pad met vallers dan met twijfelaars, omdat ik anders ook ga twijfelen. En ik ben een beetje bang dat er in Nederlandse hallen weinig gevallen wordt en voorklimmers nog steeds een beetje bijzonder zijn.

Maar gezien ik niet bij haar voorklimcursus ben, zou ik haar vooral willen zeggen: Zodra voorklimangst zich aandient, maak er dan gebruik van om sterker te worden. Ik heb het zelf veel te lang afgedaan als iets vervelends waar ik overheen moest komen, maar de mentale uitdaging is in feite goud waard. Voorklimangst is een soort angst op bestelling: Je kiest ervoor om boven je haak uit te klimmen, je kunt je erop voorbereiden en je kunt zelfs nabespreken hoe je ermee om bent gegaan. Het valt (in mijn ervaring) alleen maar op te lossen door met de juiste gedachten een route in te stappen (The Rock Warriors Way) en dat vraagt om concentratie, discipline en meditatie (dingen waar ik zelf van nature geen aanleg voor heb en heel veel moeite voor moet doen). Thuis op een matje dus, of tijdens een wandeling, of voor het slapengaan.

Want als je er op de juiste manier mee om leert gaan, dan is de beloning waanzinnig. Een route die geklommen wordt in een totale flow geeft bijna een bovennatuurlijke ervaring. Je voelt je zo vrij. Zo bevrijdt. Zo sterk. En dat neem je zo, hop, mee naar het normale leven.

Het is zeker niet zo dat ik zelf immer in meditatieve toestand aan de rots hang, in tegenstelling. Soms ben ik bang en soms niet, het kan verschillen per week, per route, per pas. Maar ik probeer elke sportklimsessie te gebruiken als een mogelijkheid om te leren en ik voel dat ik steeds iets sterker word. Het hoofd is een taaie, maar ons duel is interessant en zolang ik een beetje mediteer en boven mijn haak uitklim, ben ik het die wint. Ik win aan klimniveau, puur plezier en mentale buffer voor het normale leven.

Dus, zus. Misschien begrijp je geen donder van dit nerdy voorklimverhaal, misschien slechts delen, maar wat ik vooral wil zeggen is dit: Ga voorklimmen en val, lees Arnold Ilgner en val, mediteer en val, leer en val, geniet en val. Laat je niet bang maken voor enge dingen. Het is zo mooi, zo zonde om de angst te vermijden, zo waardevol om het voorklimmen met beide handen aan te grijpen. Misschien ben ik in de loop der jaren verandert in een dichtgetikte klimfanaat die overdreven belang hecht aan iets dat op de normale mens niet als zinnig overkomt, vergeef me dan mijn passie, maar ik bedoel het goed en met heel mijn hart. Klim voor en…val.

(En word alsjeblieft geen boulderaar. Of niet alleen maar. Een klein beetje boulderen, af en toe, naast het klimmen enzo).

Felgekleurde bloem

Iemand zei me dat de dag voor het ongeluk de heetste ooit gemeten op die datum was geweest. Ook onze dag, de 27ste, was heet. Zo heet dat we eigenlijk om drie uur ’s nachts op hadden moeten staan; zo heet dat het ijs tussen de rotsten boven ons in het couloir wegsmolt; zo heet dat we twee levens verloren.

Als de wetenschappers zeggen dat de wereld opwarmt, dan eet je misschien wat minder vlees. Als de bergen bovenop je kop instorten en je miraculeus doorleeft, in tegenstelling tot twee meisjes precies zoals jijzelf, dan dringt het pas tot je door wat die wetenschappers eigenlijk bedoelden. De wereld warmt op en de gevolgen zijn nu al niet te overzien.

In het ondoordringbare, duistere woud van willekeur groeien felgekleurde bloemen. Dit exemplaar valt niet te negeren. Ik wil best toegeven dat ik sinds het ongeluk op zoek ben naar iets dat mijn eigen overleven goedpraat, een zoektocht die me gevoelig maakt voor bedoelingen, lessen, verborgen boodschappen. Dat de opwarming van de aarde me aan het hart gaat is misschien niet nieuw, maar nu ik er ook nog eens voor het leven mee verbonden ben, moet ik het wel serieus nemen.

Want ik wil niet dat de bergen instorten en vooral niet bovenop mensen die ik liefheb, en er zijn nogal wat geliefden die tijd spenderen in de bergen. Allereerst schreeuw ik daarom maar: Pas op, die dingen warmen op. Maak niet onze fout. Zomerhitte bestaat nu ook in winter, zomerhitte is nog heter in de zomer.

En daarnaast: Fuck, onze bergen storten in. Voor bergbeklimmers is de opwarming genadeloos zichtbaar. Het ziet er niet uit, dat broze skelet van gesmolten gletsjers. Vaak loop ik rond op weet ik veel welke hoogte en had ik eerder willen leven, in een tijd van loodzwaar materiaal maar springlevende bergen, zij het maar twintig jaar geleden. Nu bereid ik me voor op een beroep dat zich grotendeels afspeelt op ski’s, nota bene. God mag weten hoe de pistes er hier over tien jaar uitzien.

Mijn felgekleurde bloem, mijn schuldgevoel, onze toekomst. Ik pas mijn leven aan en consumeer en verspil minder, maar ik zoek naar meer, naar honderden felgekleurde bloemen die ik overal in ieders hart plant, misschien groeien ze wel in de bergen en moet ik me eerst tussen hen begeven om te weten waar. De meisjes zullen me een richting op wijzen.

_DSC9504

Le Rosier

_DSC9479

Tussen het dak en de muur hebben tientallen kolmezen een nestje gebouwd. Ze fluiten wat af, die beestjes. Alsof er altijd iets geregeld moet worden, alle dertig een andere mening, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat.

Het huis dat me heeft opgevangen, is een huis van verloren zielen. Een oud, koud, krakend, stenen boerenhuis en tevens opvangcentrum voor gebroken harten en getroebleerde geesten; passanten bij wie het leven al heeft toegeslagen. Na een week in het tweede dorp van Vallée de la Clarée, Le Rosier, in de mezzanine van een bijzonder gezelschap, wist ik nog steeds niet wie er precies woonden. Maar er werd accordeon gespeeld op de bovenverdieping en vuur gemaakt in de openhaard; overal lagen briefjes met vriendelijke boodschappen (vrienden, ik kom terug over een week, amusez-vous bien) en tijd werd verdreven met boeken en spelletjes.

Ik heb me zelden zo goed gevoeld in een huis en een omgeving. De vallei zit vol klimgebieden en klimmers, de gang puilt uit van klimmateriaal en de boekenkasten worden gevuld door topo’s. De drukte van Briançon is zowel ver weg als dichtbij; we zitten op zeven kilometer van het centrum, vijf minuten met de auto, een half uur met de fiets, zo’n 200 meter hoger, kouder en stiller. En mijn huisgenoten zijn drugsbaronnen noch nachtbrakers. Het zijn volwassenen die niet raar opkijken als ik met gekleurde krijtjes aan de keukentafel zit, want ze hebben zelf ook gekleurde krijtjes. Bourgondische sportievelingen, mediterende springveren, vrolijke denkers.

Toen ik een cake wilde bakken, was alles al in huis: Vijf verschillende soorten bloem, vers en gedroogd fruit, noten, kruiden, chocoladepastilles, marsepein, potten vol geheime ingrediënten, een lade met bakvormen en een koppige oven. Ik hou van deze plek.

Bij het juiste perspectief geven de ramen uitzicht op een steile rotswand, dan lijken we te wonen in een ruig, verticaal landschap, misschien zelf wel op een rots geplant als een elvenhuis, met witte rozenstruiken tegen de muren en ronde toegangspoorten voor kleine bewoners met puntige oren. Maar Vallée de la Clarée is juist weidt en groen en doet me denken aan koeien. Dagelijks fietsen zo’n vijftig wielrenners richting Refuge Laval of Italië. Ze hebben de gewoonte om hard te praten en wij volgen hun conversaties vanuit de achtertuin. Ons terras ligt de hele dag lang in de zon en als er niet gewerkt wordt, dan wordt er ontbeten, gerookt, geconverseerd of gedineerd. Onder de fluitende kolmezen.

Het leven laat zich op het moment van verschillende kanten zien en zette me hier af. Met een beetje geluk mag ik hier blijven.

 

Een monster misschien

We vluchten. We zijn al op de vlucht voordat we onze voet de opdracht geven om een stap te zetten. We rennen en verstoppen ons achter klein geluk, oud geluk, elkaar, de natuur, pogingen om ongeluk te begrijpen, tijdverdrijf.

We vluchten weg voor de realiteit, wat dat in ons geval ook mag wezen. Een monster misschien, een monster met gespreide kaken dat zit en wacht. Voor sommigen heet ‘ie leegte, absentie of bodemloos verdriet, voor anderen willekeur of zinloosheid.

Mijn eigen monster is een angstaanjagende kleurrijke bol substantie waar ik geen raad mee weet, waar ik soms niet eens bij kan, waar ik dan maar naar staar wanneer ik niet vlucht.

Sinds twee maanden ben ik bang voor de dood. Mijn trein schiet van de rails, mijn auto botst en mijn touw scheurt, bommen vallen en het klimaat verandert; nergens ben ik veilig. Want ik ben er nog. Ze zijn me wederom vergeten op te halen.

Maar ook wanneer ik vlucht, ben ik bang. De dood aan de ene kant, het leven aan de andere kant, ik lijk er als een kip zonder kop tussenin heen en weer te rennen. En toch ben ik niet verloren. Sterker nog, ik ben gedrevener dan ooit.

Misschien geld het voor iedereen, misschien voor mijzelf: Ik vermoed dat ik altijd in zekere mate aan het vluchten ben geweest, dat mijn realiteit vanaf mijn eerste gedachte dikwijls op een monster heeft geleken waar ik liever omheen loop, en de dood me al zachtjes bij de hand neemt sinds mijn geboorte.

Maar nu zijn beide eindes helder gedefinieerd. Ik kijk ze aan, recht in de ogen, naar links en naar rechts, en ik weet dat mijn positie bijzonder is: Ik heb de mogelijkheid om recht op het leven af te stevenen. Zonder excuus of omhaal. Mijn vlucht is over.

bol

Honderd kleine handjes

Dit is een blog aan jullie: De berichtjes-stuurders, de steunpillaarvriendinnen, de lieve onbekenden, de dappere lotgenoten, de onmisbare filosofen en mam en pap.

Ik schreef in mijn laatste blog dat ik behoefte had aan een sterke hand die me in de kraag zou grijpen en terug op mijn poten zou zetten, en ging daarmee razendsnel voorbij aan de honderd kleine handjes die me hebben opgevangen voordat ik met een klap op de bodem terecht zou zijn gekomen.

Dankzij jullie ben ik niet gebroken; ik ben nog heel.

Er zijn inmiddels ruim zes weken gepasseerd sinds het ongeluk. Ik heb nog nooit zoiets verschrikkelijks meegemaakt, maar ook nog nooit zoveel liefde gezien. Liefde voor de meisjes die er niet meer zijn, allereerst, voor alles. Maar ook liefde voor en tussen nabestaanden, betrokkenen, vreemden, en, tot mijn dankbaarheid, voor mij.

De steun die ik afgelopen weken heb ontvangen is nog steeds onmisbaar en neem ik de rest van mijn leven met me mee. Daarmee zal ik zelf een weg omhoog vinden en stel ik me tegelijkertijd gerust dat ook diegene die het diepst zijn geraakt, er bovenop komen. Mijn hart gaat, op mijn beurt, naar hun uit.

Honderd kleine handjes, aan jullie allemaal: Misschien beseffen jullie je niet hoezeer jullie mijn redder-in-nood zijn geweest, maar besef het jullie maar gewoon wél.

Jullie maken het verschil.

Zo, zo, zo erg bedankt.

Opkrabbelen

Ik was bang om terug te keren naar Briançon en had er nog reden toe ook. Fieke zette me af bij mijn flat en zodra ze wegreed kwam ik – poef – op de bodem terecht. Daar bleef ik liggen, en daar lig ik nog steeds.

Het is eigenlijk gewoon te moeilijk, alles bij elkaar. Afgelopen maand speelde zich af in de absurde nasleep van het ongeluk, een soort parallel universum waar men ons in de gaten hield en we zelf niet verder keken dan een paar uur vooruit, waar ik een tijdelijk doel vond in mijn eigen verdriet en het bizarre gegeven van het nog in leven zijn (en het dus in leven blijven).

Maar nu ben ik in de realiteit afgezet en die is anders. Die is hard. Ik heb geen geld, geen vast adres en geen enkel idee van de toekomst. Het geschifte en onzekere pad dat ik in het verleden koos en dat me naar mijn huidige onmogelijke uitgangspositie heeft geleid, kon ik voorheen makkelijk aan, want ik had een mentale buffer waar ik me al tien jaar lang over verbaas. Sinds het ongeluk verkeer ik in een totale filosofische crisis en is de mentale buffer absent. De rek is uit mijn denken, mijn eigen hutspot van een leven zegt me werkelijk niets.

De bodem.

Het punt met een bodem is dat je niet zozeer lager kunt. Je kunt er blijven rondhangen, misschien op zoek naar een klein deurtje waarboven ‘makkelijke uitweg’ geschreven staat (te onderscheiden van ‘definitieve uitweg’: de bodem is toch nog relatief), maar dat deurtje bestaat niet, en rondhangen op een plek waar je je nooit goed zal voelen heeft geen zin.

Dus wat dan? Wat heeft wél zin?

Languit op de bodem kan ik mijn ogen sluiten en de contouren van mijn oude liefdes terugvinden: de mensen, bergen, muziek, sensatie van vrijheid, het leven zelf. Maar zodra ik mijn ogen open en mezelf weer op de bodem terugvind word ik toch weer verlamd door de zinloosheid van het geheel boven me. Ik heb behoefte aan een sterke hand die me in de kraag grijpt en me terug op mijn pootjes zet, die een richting op wijst en zegt ‘daar is je paadje, Ruby, volg het maar’, maar ik weet dat ik het uiteindelijk zelf moet doen. Ik moet opkrabbelen. En gewoon maar ergens beginnen.

Er is alleen maar een weg omhoog.

_DSC9448

Open raam (Fenêtre Ouverte)

Thibault zegt vaak: La vie est vraiment n’importe quoi. Het leven gaat werkelijk nergens over.

De logica is inderdaad ver te zoeken als je vriendinnetje doodvalt in een couloir, met name als zij diegene was die eindelijk wat richting in het leven bracht.

Ik heb Thibault vaak tegenover me en dan denk ik: Sorry, maar ik heb ook geen fucking idee. Alles is al gezegd. Zo’n twintig keer per dag benadrukken ze dat er tijd overheen moet gaan, maar ik weet dat voor jou de tijd stilstaat sinds Elise viel. De tijd van Christine staat ook stil. En van Geneviève ook.

Maar als ik later alleen ben, weg van het verstikkende verdriet van nabestaanden, dan weet ik één ding toch heel zeker: Het leven gaat niet nergens over.

Toen ik me voorbereidde op de examens, s ’ochtends in de badkamer van een vriend, hoorde ik de vogels fluiten door het open raam. Daar zat logica in. Rust van het n’importe quoi. Ik vond het ook in de knuffel die mijn moeder me gaf op Schiphol en in het bos achter het huis in Heemstede.

Ik kan nog even niet bij Thibault aankloppen met een stelletje stomme vogels, maar die vogels zullen zich toch op een dag door het open raam manoeuvreren en zich met eigenwijze overtuigingskracht in zijn hart nestelen.

En dan zal op zijn minst die tijd weer gaan lopen.

____

Fenêtre Ouverte

Thibault dit souvent : La vie c’est vraiment n’importe quoi. La vie n’est vraiment rien.

La logique est en effet difficile à trouver si votre petite amie meurt devant vous en tombant dans un couloir, surtout si c’est elle qui a finalement donné un sens à votre vie.

Je vois souvent Thibault devant moi et je me dis aussi : Désolé, mais ça n’a aucune putin de logique pour moi non plus. Tout a déjà été dit. On me répète environ vingt fois par jour, que le temps doit passer, mais je sais que pour toi le temps s’est arrêté depuis la chute d’Elise. Le temps de Christine s’est également figer. Et de Geneviève aussi.

Mais quand je suis seul, que je m’éloigne de la tristesse étouffante qu’ont l’entourage des défunts, je sais une chose : la vie n’est rien.

Quand je me préparais pour les examens au matin dans la salle de bain d’un ami, j’ai entendu les oiseaux chanter à travers la fenêtre ouverte. Il y avait une logique dans cela. Du repos dans le n’importe quoi. Je l’ai également retrouvée dans le câlin que ma mère m’a fait à Schiphol et dans la forêt derrière la maison à Heemstede.

Je ne peux pas encore arriver chez Thibault avec un groupe d’oiseaux débiles, mais j’espère que ces oiseaux rentreront quand même un jour par sa fenêtre pour aller remplir son cœur.

Et c’est alors là que le temps se remettra à s’écouler

DSC_3147

Lola

Lola is de hond van de tuinman. Ze mocht aanvankelijk niet naar binnen. De kleden waren er te mooi voor, zo groot als hele huiskamers, met zachte kleuren en patronen van rozen en klavertjes vier. Maar toen overleed Céline en waren de kleden niet meer belangrijk. Belangrijk was de liefde, en Lola had direct begrepen dat al haar affectie maar naar één iemand moest: de moeder van Céline. Zodoende zag ik ze altijd samen.

Afgelopen week was op alle mogelijke manieren ongelofelijk. Niets sloeg op iets dat ik eerder had meegemaakt. En het was niet alleen mijn realiteit die plotseling van kleur was veranderd; overal om me heen waren mensen verward, triest en zoekende.

Hoe de ouders van Céline en Elise, de broers en zussen en vriendjes, zich door het dagelijkse gemis heen moeten slaan is me niet duidelijk. Mijn uitdaging is significant anders. Ik heb geen gapend gat dat zich overal in manifesteert, ik kan langzaamaan het leven weer oppakken zonder constant geconfronteerd te worden met de absentie van een van de meisjes. Schuldgevoel en trauma laten zich redelijk in een hoekje van het hoofd opbergen. Verlies niet.

De tuinman heeft Lola achtergelaten op het landgoed, waar ze een heel klein beetje van de pijn verzacht door kwispelend onder de tafel door te lopen en zich uit te strekken aan de voeten van de moeder van Céline. Het is Lola die blijft terwijl mijn leven weer vaart neemt en het is Lola die maakt dat ik er toch vertrouwen in heb dat, op een gegeven moment, door liefde en samenzijn, zelfs de moeder van Céline het verlies van haar dochter een plekje zal kunnen geven.

___________

Lola

Lola c’est le chien du jardinier. Au départ, elle n’était pas autorisée à entrer a l’interieur. Les tapis étaient trop beaux pour ça, tout aussi grands que le salons entier, avec des couleurs douces et des motifs de roses et de trèfles à quatre feuilles. Mais c’est alors que  Céline décéda et  les tapis perdirent leurs importances. L’importance c’était l’amour et Lola l’avait tout de suite compris, toute son affection ne pouvait qu’aller vers une seule personne : la mère de Céline. C’est ainsi que je les voyais toujours ensemble.

La semaine écoulée fut incroyable à tous points de vue. Il n’y a rien qui ressemble à quelque chose que j’ai déjà vécue. Ce n’était pas seulement ma réalité qui tout d’un coup avait changé de couleur; partout autour de moi les gens étaient confus, tristes et en quête.

Il m’est difficile de concevoir comment les parents de Céline et Elise, les frères et sœurs et les copains copines doivent faire face au manque quotidien. Mon défi a moi est significativement différent. Je n’ai pas un trou béant qui se manifeste tout le temps, je peux reprendre la vie tout doucement sans être constamment confrontée à l’absence d’une des filles. La culpabilité et le traumatisme peuvent se caser dans un coin de la tête. Mais pas la perte.  

Le jardinier a laissé Lola, sa chienne dans la propriété, où elle apaise un tout petit peu la douleur en agitant la queue sous la table et en s’étendant aux pieds de Christine, la mère de Céline. C’est Lola qui reste lorsque ma vie a moi reprend son cours et c’est Lola qui fait que je garde confiance que, à un moment donné, avec de l’amour et le vivre-ensemble, même la mère de Céline fera une petite place pour la perte de sa fille.

Onze mythes (Nos Mythes, nos versions)

We vertelden het verhaal voor de eerste keer in kleine, verwarde flarden aan elkaar. Daarna vroegen ze ons om een eerste verklaring in het ziekenhuis. De politie pakte er een notitieblok bij en wij huilden ons chronologisch door het ongeluk. Vervolgens vertelden we het aan vrienden en familie, en de volgende dag nog honderd keer, als een officiële verklaring, het einde van twee dochters of een zoektocht naar een schuldige – zij het de bergen.

We merkten alle drie dat het verhaal een eigen leven ging leiden. Het nam een vorm aan in de hoofden van diegenen die luisterden, in de woorden van diegene die erover schreven, en zelfs in onze eigen herinnering leek het nog aan de gang.

Eerst vertelde ik over de steenlawine die met groot geweld over me heen raasde en Céline drie meter boven mij uit de muur sloeg. Een verhaal later herinnerde ik me dat Céline tegen me aan was gevallen, waardoor ik mijn ogen opendeed en haar de diepte in zag gaan. De ochtend na het ongeluk zei ik dat ik er zeker van was dat Céline haar bewustzijn al had verloren toen ze mij gepasseerd was. Ik zei het en dacht er toen pas over na. Waarom? Was het de manier waarop ze viel? De stilte? Of meer mijn eigen wens dat ze haar val niet had doorgemaakt?

Sindsdien was er geen weg meer terug: Céline was buiten bewustzijn geweest, door één van de stenen geraakt op het hoofd of een eerste duikeling in het couloir.

De tweede ochtend na het ongeluk realiseerde ik me opeens dat ik extreem verbonden met haar was. Ik daalde weer af in de herinnering en vond mezelf terug bovenin het couloir, op het moment waarop haar noodlot mij raakte, en daar begon de mythe. Ze was namelijk bij me gebleven. Haar lichaam viel misschien duizend meter de diepte in, maar Céline was koppig en sterk genoeg om zich in haar val aan mij vast te grijpen, waar het leven door zou gaan en ze gewoon kon blijven lachen en alpineren.

En dat was precies waarom ik er niet aan had getwijfeld dat ze buiten bewustzijn de afgrond in was gevallen, want toen ik naar haar keek, keek ze simpelweg met mij mee. Ze was met me.

Hoe de mythes van Thomas, Thibault en mij zich zullen ontwikkelen is ongetwijfeld afhankelijk van onze capaciteit om de realiteit te verwerken, die zo hard en onbegrijpelijk is dat er nog wel wat tijd overheen zal gaan voor we werkelijk zonder de meisjes verder kunnen. Toch hoop ik op een vreemde manier dat Céline nog even blijft rondhangen. Dan voel ik me minder schuldig om zelf wel door te leven, gaan we gewoon samen naar het examen en kan ik me opbeuren met haar vrolijke, berg-liefhebbende aanwezigheid totdat ik er klaar voor ben om te accepteren dat ze er simpelweg niet meer is.

________

Nos Mythes, nos versions.

Nous avons raconté l’histoire pour la première fois, en petits fragments confus. Ensuite ils nous ont pris une première déclaration à l’hôpital. La police a pris un bloc-notes pendant que nous pleurions notre malheur chronologiquement.

Nous l’avons ensuite reraconté, d’abord pour présenter une déclaration officielle sur procès-verbaux, puis pour la famille et les amis, et le surlendemain encore cent fois. Reraconter la fin des deux filles, l’histoire évoluant sur la recherche du coupable – à savoir les montagnes ou nous-même.

Nous avons remarqué tous les trois que l’histoire allait mener sa propre vie. Elle prenait une forme différente dans l’esprit de ceux qui écoutaient, différente dans les mots de ceux qui l’écrivait et même différentes dans notre propre mémoire elle semblait encore se produire.

J’ai d’abord parlé de l’avalanche de pierres qui s’est abattue sur moi avec une grande violence et a éjecté Céline du mur, à trois mètres au-dessus de moi. Une version plus tard, je me suis souvenue que Céline m’est tombée dessus, après quoi j’ai ouvert les yeux et la voyais sombrer dans le vide. Le matin après l’accident j’ai dit que j’étais certaine que Céline avait déjà perdu connaissance lorsqu’elle m’avait dépassée. Je l’ai dit, puis seulement j’y ai réfléchi. Pourquoi ? Était-ce la façon dont elle est tombée ? Le silence ? Ou plus mon propre souhait qu’elle n’ait pas subie sa propre chute ?

Depuis, il n’y avait plus aucun retour possible : Céline était inconsciente, frappée par une des pierres sur la tête ou une première dégringolade dans le couloir.

Le deuxième matin après l’accident, j’ai soudain réalisé à quel point j’étais extrêmement liée à elle. Je sombrais à nouveau dans le souvenir et me suis retrouvé au sommet du couloir, au moment où son destin m’a frappé. C’est là que le mythe a commencé, que Céline s’est incruste en moi. Son corps a peut-être sombré mille mètres dans le vide, mais Céline fut têtue et assez forte pour se cramponner à moi dans sa chute, où la vie continuerait et où elle pourrait continuer à rire et faire de l’alpinisme. Et c’est précisément pourquoi je n’ai pas douté qu’elle était tombée étant inconsciente, car lorsque je l’ai regardé, elle regardait tout simplement avec moi. Elle était avec moi.

La façon dont les mythes de Thomas, Thibault et les miens vont se développer est sans aucun doute dépendant de notre capacité à gérer la réalité, qui est si difficile et incompréhensible qu’il nous faudra un certain temps avant de pouvoir réellement continuer à vivre sans les filles. J’espère quand même étrangement que Céline s’attarde avec moi un peu plus longtemps. Ensuite, je me sens moins coupable de continuer à vivre, nous allons juste à l’examen ensemble Céline, Thibault et moi et je peux me remonter le moral avec sa présence joyeuse d’amoureuse de la montagne jusqu’à ce que je sois prête à accepter qu’elle ne soit tout simplement plus là.