Latest Posts

Céline en Elise (Céline et Elise)

We gingen met zijn vijven op pad en jullie hebben een andere afslag genomen. Sindsdien weten we eigenlijk niet meer waar we zijn of heen moeten. De weg door de shock, het verdriet en de liefde is niet duidelijk. Hoe verder jullie raken, hoe meer jullie nodig zijn om ons allen weer terug op het pad te krijgen.

Er wordt zoveel van jullie gehouden, ik zou het jullie niet eens duidelijk kunnen maken.

We sliepen niet gisternacht en zullen ook vannacht niet slapen. Alleen ’s nachts lijken we tijd en ruimte te hebben om jullie miraculeus terug te halen. En dat terwijl we allemaal dondersgoed weten dat jullie eindbestemming lang bereikt is.

Céline en Elise, ik heb niet geroepen maar nu roep ik toch. Met alle liefde en kracht die ik bezit. Kom terug.

_______

Céline et Elise,

Nous avons emprunté ce chemin à cinqs et vous avez pris une autre direction. Depuis, nous ne savons plus où nous sommes, ni où nous devons aller. Notre route à travers le choc, la tristesse et l’amour ne sont pas clairs. Plus vous irez loin, plus vous nous serez nécessaires pour nous remettre tous sur le droit chemin.

Les gens vous aiment tellement, je ne pourrais même pas l’expliquer clairement.

Nous n’avons pas dormi la nuit dernière et ne dormirons pas cette nuit. Ce n’est que la nuit que nous semblons avoir l’espace et le temps pour vous ramener miraculeusement. Et pourtant nous savons pertinemment bien que vous avez atteint le terminus depuis longtemps. 

Céline et Elise, je n’ai pas crié, mais maintenant je crie quand même. Avec tout l’amour et la force que je possède. Revenez.  

 

_DSC9415

Up. Down. En…up.

Ik zat in zo’n grote up (denk aan een gekleurde luchtballon in een zonovergoten landschap met schitterende rivieren en oeroude bomen) dat mijn eigen stapelbed en twee vechtende huisgenoten me weinig konden schelen. Mijn geest functioneerde op basis van dopamine en mijn lichaam luisterde naar mijn skileraren en mijzelf. De bergen deden zich  groot, mysterieus en waanzinnig voor (want ze zijn groot, mysterieus en waanzinnig!) en ik was een avonturier in mijn eigen bijzondere wereld.

Er zat dus een dalletje aan te komen. Dat het een dalletje was dat ik verschrikkelijk goed kende had ik echter niet verwacht.

De MCL van mijn rechterknie (precies die van vorig jaar) ligt weer in de kreukels. Niet omdat ‘ie nog zwak was, maar omdat ik wederom verkeerd gevallen ben. Grote pech voor de MCL. Weer strompel ik door het leven met een pijnlijke en stijve knie en een belangrijk examen in de nabije toekomst. Het voelt alsof de Goden grenzeloos van mijn lot van het afgelopen jaar hebben genoten en de soap nog een keer wilden afdraaien.

Maar er zijn een aantal grote verschillen: Ik ben inmiddels een expert en ik weet op basis van de pijn en de reactie van mijn knie dat dit slechts een eerste graad blessure is. Daarbij ben ik mentaal uitgerust voor het soort tegenslag (het gereedschap lag nog in de garage) en het belangrijkst: Ik zit op niveau wat betreft skiën. De hap die dit uit mijn trainingsschema zal nemen is overkomelijk.

Hoezeer de MCL dit keer is aangetast zal blijken uit de tijd die het kost om te revalideren. Ik heb gister even heel hard gehuild en met mezelf mee geleden, en daarna besloten om weer in de luchtballon te kruipen en over het landschap uit te kijken, want er is niets dat ik eraan kan veranderen. Optimisme is de enige aantrekkelijke manier om hiermee om te gaan, en de voorraad dopamine die ik afgelopen maanden heb aangelegd is denk ik groot genoeg om optimistisch te zijn tot aan het examen in maart.

Het enige waar ik tegenop zie is de tijd die ik in huis zal moeten spenderen, ergens tussen het stapelbed en de huisgenoten in. Misschien moet ik mijn revalidatietijd maar besteden aan een vluchtplan.

_DSC9401

Het verhaal schrijft zich al stilletjes

Ik houd van de romantiek, de esthetiek, de ontdekking, de vrijheid, het verhaal, het onbegrijpelijke, het magische en het liefdevolle van de bergen. Ik houd ook van de fysieke, mentale en intellectuele uitdaging.

Maar ik houd niet van de kou, de angst en de competitie. Ik geef niet persé om het materiaal en de nerdy gesprekken over twintig soorten ski’s of stijgijzers, alhoewel ik moet zeggen dat ik graag in de fijne stoffen van mooie outdoor kleding duik, zelfs als er nog wel een hipsterpaadje te gaan is voor het vrouwensegment er aantrekkelijk genoeg uitziet.

Hoe meer ik me verlies in de obsessie die nodig is voor de examens (er is maar één paard), hoe belangrijker het voor me is om helder voor ogen te hebben waar ik precies voor train. Omdat mijn droom van alpineren niet altijd strookt met de interesses of ambities van mijn directe omgeving, moet ik het einddoel af en toe opnieuw bepalen en de weg ernaartoe noodgedwongen herwaarderen. Hetgeen wat er van me gevraagd wordt is een hoog niveau en een soort onverwoestbaarheid van mijn mentaal en fysiek, maar daarachter rijzen de bergen en broeit de vrijheid; de liefde verstopt zich nog even voor de moraal of bewijsdrang van de alpenman, maar het verhaal schrijft zich al stilletjes en de magie is gewoon aanwezig voor diegene die haar willen zien en voelen.

En ik zie en voel genoeg.

_DSC9405

Ik droom van dit huis

In de voorkamer stond een piano, een bijzondere piano, een model dat voor mij normaal was maar dat ik nooit ergens anders heb gezien. Soms lag er een kat op. De muur achterin de kamer was bedekt met rijen boeken, links ervan stond een oud bureau met lades die je kon vergrendelen met zware sleutels. Vetplanten in de vensterbank, een mand met kranten, stapels tijdschriften op de glazen bijzettafel, een platenspeler en torens van cassettes en cd’s, een kleed op de donkere houten vloer en een wandtapijt waar ik niet goed genoeg naar gekeken heb, met zwart witte patronen, ik denk Afrikaans. Een schilderij waar ik niet genoeg naar gekeken heb. Een bruinleren bank waar losgeld van papa in verdween en een stoel in de hoek naast het raam waardoorheen ik vaak staarde.

De vloer kraakte vlak na de deur. Mama las een boek, papa las een boek, het was er altijd rustig en het rook naar de voorkamer. Klassieke muziek. De warmte van mijn ouders.

In de andere kamer was alles anders; daar stond de tafel waarin we mochten zagen, hing onze zelfgemaakte kunst en aten we op gehaaste dagen macaroni met kaas en ketchup voor de televisie. Daar was altijd iets kwijt en lieten wij als kinderen te vaak onze rommel achter. Vriendjes en vriendinnetjes klopten op de keukendeur, Mama zette koffie, wanten droogden op de verwarming, katten vielen de bank aan, glazen deuren openden naar de zomer in de achtertuin, verjaardagslingers bleven wekenlang hangen. Ook daar werd gelezen, maar daar werd ook afgeleid. Discussies over hockey, over een stuk in de krant, tussen mijn broer en zus, ik deed nooit zo mee want ik droomde als kind. Ik droom nog steeds als volwassene.

En nu  droom ik van dit huis.

Sneeuw

We hadden allemaal een passie die haaks stond op het humeur van moeder natuur. We wilden sneeuw om er met een grote grijns overheen te glijden, maar de lucht bleef helderblauw. Soms zagen we weerberichten vol zware wolken met ladingen sneeuw, maar die bleven hangen achter de kaders van het computerscherm, terwijl de zon zich elke morgen enthousiast in de hemel nestelde. De laag sneeuw die resteerde, stamde nog uit november en zag blauw van passerende skiërs.

Echter, afgelopen vrijdag dansten de auto’s plotseling van de weg, de greppel in, onder een laag sneeuw. Ik was op pad met Ben. We tuften voorzichtig langs de slachtoffers in zijn grote oude bus, met vier wielen die soms grip op de weg verloren. Alles en iedereen droeg een wit hoedje, en overal dwarrelde het.

Op aanraden van Fieke bezochten we het skistation van Serre Eyraud. Met een beetje moeite onderscheidde we de kantine onderaan de pistes als een berg sneeuw met glazen deuren. We klopten onze schoenen uit en keken om de hoek van de deur; een groep koffiedrinkers en kaartspelers rondom een plastic tafel hief verbaast het hoofd. Een van hen stond op en zei: ‘Vanwege het lawinegevaar hebben we de bovenste pistes moeten sluiten, als jullie willen mogen jullie skiën op de ondersten.’

We keken naar buiten, waar het niet meer sneeuwde, maar regende. In plaats van een liftpas bestelde we een kop koffie en namen plaats aan onze eigen plastic tafel. Ze verkochten zakjes chips en snoep. Aan de muren hingen foto’s van jeugdteams en lokale kampioenen. Ik moest denken aan sportkantines in Nederland, waar lokale supporters naar binnen liepen voor het middagbiertje, en had skiën nog nooit als zodanig gezien. Hier was skiën geen Goretexgelegenheid in glimmende eieren vol internationaal geld en gedrogeerde seizoenarbeiders, hier was het gewoon wat men deed. De lokale sport. Tosti’s in de rust, overenthousiaste vaders, ons kent ons.

Toen we opstonden werd ik aangesproken door een klein oud mannetje in pisteuroutfit. ‘Fiets jij toevallig?’
Ik wist niet of ik het wel goed verstaan had. ‘Ja…? Als in… Niet nu, maar…’
‘Ah! Jij hebt mijn lam gered! Jij fietste langs mijn boerderij! Ik wist dat jij het was, ik herkende je stem!’
Het was de boer van het lam dat ik half in de wereld had zien uitsteken. ‘Maar u bent het! De boer!’

De boer was pisteur, de pisteur was boer. Ik vroeg hem hoe het ging met het lam, hij antwoordde dat een roedel wolven vijftig leden van zijn kudde had opgegeten. Omdat hij niet veel meer dan vijftig schapen had, zag ik het lot van mijn lam somber in.

We betaalden onze koffie en liepen door zompige sneeuw terug naar de bus. De regen werd weer sneeuw, en in een vlaag van optimisme of naïviteit begonnen we aan de klim terug naar Briançon, die halverwege stagneerde omdat we, samen met zo’n vijftigtal andere voertuigen, verrast werden door de voorspelde sneeuwstorm van de vrijdagavond en het niet voor elkaar kregen om nog vooruit te komen. Een paar sneeuwkettingen bracht ons tot aan de col vlak voor Briançon, waar het verkeer tot stilstand kwam en voorlopig ook niet meer zou bewegen. Ik wachtte op vrijwilligers die langs zouden komen met erwtensoep en dekentjes, wat nooit gebeurde, zelf niet na drie uur.

Toen we eindelijk mijn parkeerplaats opreden, stond ze niet meer vol met auto’s, maar met bobbels van sneeuw waaruit zijspiegels staken.

De volgende dag sleepten we de bus weer over glibberige wegen naar het skiressort, waar zoveel verse sneeuw lag dat we moeder natuur al juichend en verzuipend bedankten. Ze vond het uiteindelijk toch leuk om ons te zien skiën, zo leek het.

Il neige

Ik vind het maar koud

Watervalklimmen zou ik leuk moeten vinden. Gisteren viel ik flauw van de pijn in mijn vingers terwijl ze opwarmden van een ijskoude lengte. De wereld draaide en kreeg bewegelijke zwarte vlekken, even later hing ik ontspannen in het relais. De jongens waarmee ik klom begeleidden me uit de waterval en gaven me even later, terwijl we naar huis reden, het harde commentaar dat ik de verantwoordelijkheid over mijn eigen lichaam moest nemen. Ik had niet zo koud moeten worden en me vooral moeten verzetten tegen de pijn. Als ik berggids wilde worden, dan…

Ik was echter niet flauwgevallen omdat ik die optie prettiger vond dan het verbijten van de pijn, maar omdat mijn lichaam even was vergeten om bloed naar mijn brein te sturen. De ervaring was overweldigend en het effect van hun opmerking zo mogelijk nog heftiger: Ik kon namelijk heus wel tegen pijn. Zelfs al was ik een meisje in een waterval (zie hier dan toch, het meisjescomplex). Ik heb toevallig een slechte circulatie in mijn handen en voeten (wouw, en dat heeft nog met vrouw-zijn temaken ook, heb het toch even opgezocht) en verbijt alles wat er te verbijten valt, kortom, ik wens die jongens al mijn misselijkmakende pijnlijke hot aches toe, plus een hoop menstruatiepijn en bevallingen en dergelijke.

Vandaag stond ik op zonder gevoel in de toppen van mijn grote tenen. De eerste tien minuten van mijn dag spendeerde ik zodoende aan een koffie en het overdenken van mijn toekomst. Ik trok een drietal conclusies: Allereerst, in een wereld waar ijs lekker warm is en je een helm draagt vanwege vallende kokosnoten, zou ik watervalklimmen fan-tas-tisch vinden, maar in deze onvruchtbare stervenskoude mensonvriendelijke variant vind ik het niet leuk. En dat mag best. Ten tweede, dat ik een keertje flauwval in een waterval betekend niet dat ik geen berggids kan worden. En tot slotte, het meisjescomplex moet de deur uit. Vanaf nu is er alleen nog maar sprake van verblindende womanpower. Pas op, daar klimt een woman.

Ik heb de nagels van mijn dooie tenen roodgelakt en de hele dag gespendeerd in kleine boetiekjes, dichtbij de verwarming van de boekhandel en onder de schapenwol van een reeks fluffige winterjassen. Het was een dag vol comfort. In de outdoor winkel vond ik warme sokken op batterij van 150 euro en een prachtig mooie blauwe donsjas van zo’n duizend geplukte ganzenbuikjes, misschien, als ik een rijke vent aan de haak sla, keer ik nog eens terug naar de watervallen in een cocon van dure warmte en vind ik het nog leuk ook.

Een eend in de CRET

Woensdag hing ik gedeprimeerd, bijna huilend aan de paddenstoellift. Ze hadden gezegd dat het beter ging, maar dat ging het niet. Ik begreep het nog steeds niet. Tijdens de videoanalyse die avond zag ik mijn silhouet en ik leek nog het meest op een eend, dus gleed ik de volgende dag kwakend over de pistes, in mijn roze skibroek, ver achter de jongens.

Een week later brachten ze ons naar La Grave, waar ik samen met een leraar en een andere eend de troep verloor en daarom ongepland praktisch privéles had. Pal naast La Meije, een aanéénschakeling van afdalingen van zo’n 2000 meter. In La Grave vielen de kwartjes. We gleden over de gletsjer, door couloirs, langs rotswanden, tussen bomen en ik was onvermoeibaar, niet omdat ik beresterk was, maar omdat ik het begreep. De avond viel teleurstellend vroeg.

Ik heb misschien nog steeds, een beetje, het silhouet van een eend en de leraren hebben me nog zo, zo, zoveel te leren, maar skiën kan ik tegenwoordig. De examens in maart zijn niet belachelijk meer. Ik (de eend) ben (is) er klaar voor.

Je suis le pilote

Vorig jaar kon ik Lionel, een van de leraren van de CRET, niet verstaan. Hij gebruikte veel verschillende ski-technische termen voor hetzelfde fenomeen (de perfecte bocht is zowel functioneel als poëtisch) en sprak daaromheen een onbegrijpelijk soort Frans. Ik vermeed hem bewust en onbewust, enerzijds omdat zijn correcties op mijn afdaling net zo goed hadden kunnen gaan over het weer, anderzijds omdat hij zich ontfermde over de snelle skiërs met bewijsdrang en ik zelf vooral werd aangetrokken door een ander setje leraren, twee vaderfiguren die me met een bezorgde glimlach uit de sneeuw trokken als ik er weer eens op zijn kop in lag.

Het eerste wat Lionel dit jaar over me zei was: Ze heeft op z’n minst Frans geleerd. En hij had gelijk, want vandaag raakte ik verzeilt in het groepje van Lionel en ervoer ik het merkwaardige fenomeen van het ‘iemand verstaan die, de laatste keer dat je hem ontmoette, onverstaanbaar was’: alsof het geluid plotseling was aangezet. Hij zei ons dat we zelf achter het stuur van onze ski’s moesten gaan zitten (vous êtes le pilote! Le capitaine! Le conducteur!) en ik vond dat leuk om te horen, want vorig jaar had ik deze tekening gemaakt:

_DSC0141

(Wat hij vooral bedoelde was dat je niet overgeleverd mag zijn aan de grillen van het terrein, maar actief de gang van je ski’s moet bepalen doormiddel van een eindeloos aantal technieken én door voorin je schoenen te hangen.)

Lionel zei me in de loop van de ochtend dat ik duidelijk progressie had gemaakt, en ik vroeg me verwildert af wat dat betekende: Zit ik dan nu een soort van op niveau? Ik volgde een groep die te snel voor me ging, over terrein dat mijn balans verstoorde, en de oude sensatie van de CRET (hemelse goedheid waar ben ik mee bezig) was volop aanwezig. Toen ik even later twee meter van een sneeuwwand afstortte en plat op mijn bast op de piste terecht kwam, opende ik verward mijn ogen en zag dat iemand me had gevolgd: Nico lag vlak naast me, in een vreemde positie, zonder te bewegen. Ze hielpen mij terug op de been en trillend zag ik aan hoe het bloed uit de neus van Nico stroomde. Hij kreunde van de pijn, wist niet wie of waar hij was en werd al snel in een banaan afgevoerd.

Ik had het spoor van Lionel niet kunnen volgen en Nico was me in mijn traject gevolgd. Niemand zei me dat zijn val mijn schuld was, maar zo voelde het wel. Ik bleef trillen tot aan de middagpauze en ontkwam niet aan het gevoel dat ik roekeloos was geweest, dat ik niet had moeten proberen om Lionel te volgen, wat onmiskenbaar de bedoeling van de oefening was geweest maar wat blijkbaar nog niet voor mij was weggelegd.

Terwijl het lichaam van Nico gescand en geanalyseerd werd, volgden wij weer de oefeningen en instructies van Lionel, ik nog steeds trillend, en toen gebeurde er iets geks: Terwijl hij iedereen corrigeerde zei hij slechts dat ik het goed deed. Langzaam begon ik te beseffen dat ik het dus waarschijnlijk goed deed, wat haast niet mogelijk was, maar toen we aan het einde van de dag van de pistes wegliepen zei hij het nog een keer, en hij zei zelfs dit: Als ik skiede zoals vandaag op de examens van de ENSA, dan zou ik ze ruim passeren.

Je hebt geen idee wat die opmerking met mij deed.

Nico werd gebeld en was aanspreekbaar, maar de uitslag van het onderzoek was nog niet binnen.

’s Avonds zat ik op de bank en voelde de impact die mijn eigen val op mijn lichaam had gehad. De spieren in mijn nek en rug deden zeer. Ik strekte mezelf uit en dacht twee dingen: Dat ik net zo goed Nico had kunnen zijn en andersom, en dus van geluk mocht spreken dat ik hier enigszins gekreukeld op de bank lag, en dat ik eindelijk had leren skiën.

(Nico hing twee dagen later al weer vrolijk aan de rotsen, met gescheurde knieband en al).

De accordeonspeler

Ruim drie jaar geleden ontmoette ik een waanzinnig interessante jongen die leefde in een oude ambulance en, begin winter, warmte zocht bij het chalet dat ik deelde met een gezelschap gelukszoekers dat bestond uit Fransen, Spanjaarden, Argentijnen, drie honden en een baal wiet.

Hij had gereisd en sprak over rituelen, aliens en meditatie, speelde Spaanse gitaar en accordeon op straat, was gevormd tot beeldend kunstenaar in Barcelona (en schilderde prachtig, maar vond schilderen niet persé interessant), sprak vier talen en wilde berggids worden. Ik begreep hem niet zou hem nooit volledig begrijpen. Zelfs al werd hij mijn eerste vriendje.

Ik had net een paar pisteschoenen en -ski’s aangeschaft en sleepte ze op onbehoorlijke wijze heen en weer door het skigebied, toen hij voorbijvloog en ze afkeurde, want piste-skiën was niet iets wat je deed (niet over het algemeen en met name niet als aspirant gids). De mysterieuze jongen die ik zojuist had leren kennen was Catalaans, zoals Killian Jornett, had vroeger geracet en was dun als een stokje, hij vloog naar boven en naar beneden en dat was blijkbaar iets dat ik moest leren. Ik werd verliefd op ski-rando en op hem.

In die eerste periode, die zich grotendeels afspeelde tussen de bergen en zijn ambulance in, zei hij twee dingen die blijvend indruk op me maakten: Het principe achter de wereld is liefde (daar kwam een hoop uitleg bij kijken) en ik was een gereïncarneerde Boeddha. Hij was niet het type dat me complimenteerde, maar voor mij bleek dit ene compliment genoeg voor drie jaar relatie, want het Boeddhisme voelde altijd ver weg terwijl ik het zo graag dichtbij wilde hebben, en hij zag het plotseling ìn mij.

Ik keek tegen hem op maar vond hem tegelijkertijd, die eerste paar weken, toch niet goed genoeg voor mij. Want ik had het ideaal van een Mister Darcy, en ook nog eens een fysiek ideaal, en ook nog eens een idee van wie ik aan mijn ouders kon introduceren. Hij was een vagebond. Ik moest daar overheen komen en dat deed ik erg succesvol.

En ik volgde op een mythisch Catalaans meisje dat zijn liefde niet had kunnen beantwoorden omdat er een diep spirituele Mexicaan op haar wachtte, aan de andere kant van de wereld; het had een wereldreis gekost om zijn gebroken hart te helen. Ik ontmoette haar na twee jaar en had nog nooit zoiets gezien. Ze was moeder aarde op een oude scooter in een traditioneel Catalaans dorpje. Rustig, vriendelijk en totaal ongrijpbaar. Ik had geen schijn van kans.

Maar toch bleven we samen. Hij en ik waren beide makkelijke mensen die er muisstil voor kozen om samen door het leven te blijven gaan, bijna gemakzuchtig, alsof het nu eenmaal gewoon zo was. En tegelijkertijd, hoe was het mogelijk, was onze relatie extreem. We zagen elkaar nooit, of we zagen elkaar constant van nog geen halve meter afstand (denk: ambulance). We braken elkaars hart genadeloos hard en vergaten daarop vrij snel weer hoeveel we van elkaar hielden. Ik werd verliefd op iemand anders, hij trok zich terug met zijn skischoen, en even later vonden we elkaar weer.

En wat was het bijzonder. Wat zijn mijn herinneringen mooi en vreemd en warm.

Hij was in mijn ogen een magisch product van Catalonië en de natuur rondom zijn geboorteplaats; de blauwe stroompjes, roze zonsopgangen, oranje rotswanden en bleke groene vergezichten, en tegelijkertijd was hij een knettergestoorde uitvinder, theatraal en onmogelijk om mee te converseren, hilarisch, koppig, onvoorspelbaar, gierig en toch meegaand, een bijzonder geduldig skileraar, hij nam me mee op ontdekking in de Pyreneeën en in de zigeunermuziek, klarinet, bloedmooie zangeressen en hij hield maar niet op over aliens, schepte een band tussen mij en de grond, mij en mijn lichaam, deed alles voor me, genas me, was intelligent en rationeel wanneer het hem uit kwam, en hoewel hij ontzettend vrij was in zijn denken, veroordeelde hij anderen die niet zo dachten. Altijd.

En ik was een kameleon die van kleur verschoot zonder ooit iets aan emoties te communiceren.

Had ik maar leren communiceren. Van het begin af aan.

De accordeonspeler en ik zijn al voor een lange tijd wel én niet bij elkaar, en ik moet erover schrijven, en ik moet het publiceren, want anders heb ik het gevoel dat ik niet verder kom en niet verder kan schrijven. Hij houdt me nu eenmaal bezig en het voelt stompzinnig om hem te omzeilen via blogs over de afwas en een stel vreemde Fransen. Maar het voelt eveneens als een inbreuk op zijn privacy om wel over ons te schrijven.

Ik moet daarbij zeggen dat hij inmiddels zo verweven is met mijn eigen persoon en realiteit, dat ik ook weer niet helemaal meer aan kan voelen waar de grens tussen mijn en zijn privéleven precies loopt.

En dus schrijf ik toch. Over mìjn liefde (je zou zeggen dat ’t geen kwaad kan). Ik houd op zo’n diepe, fundamentele, onoverkomelijke wijze van hem dat ik een leven zonder hem, als puntje bij paaltje komt, nauwelijks serieus kan nemen. Maar ik weet dat liefde geen reden is om persé bij iemand te blijven. Hij is uniek, maar een relatie met een artiest van zijn kaliber is, naast mysterieus en interessant, verre van eenvoudig, en komt blijkbaar met een offer op mijn eigen persoonlijkheid dat ik tot nu toe niet heb weten te vermijden.

Het liefst bouw ik een ruimteschip en zoek ik een leuke alien voor hem uit, en voor mij desnoods ook, zodat we op passende wijze aan een nieuw hoofdstuk kunnen beginnen. Maar zodra ik de onderdelen bij elkaar raap begin ik toch te twijfelen. Hij is tenslotte toch mijn accordeonspeler.

_DSC9313

Vegen en dweilen

Het verhaal ging, als ik het me enigszins goed herinner, ongeveer zo: Een man vroeg zijn meester (of was het God?) om verlichting en deze zei: Ga vanaf nu elke dag de vloeren van dit gebouw vegen en dweilen en dan vind je verlichting. De verteller sprak toen we net waren opgestegen naar de Aiguille du Midi, en daarom beeld ik me nu het liftstation in, een groot, stenen gebouw op de top van een 3600 meter hoge berg.

Zonder te weten waar of wanneer hij dan precies verlichting zou vinden, veegde en dweilde de man, en dit was niet zomaar een man, hij was bescheiden, geduldig en vol vertrouwen, zodat hij bleef vegen en dweilen, met overgave en concentratie, week na week, maand na maand, jaar na jaar.

En toen vond hij verlichting.

Zo ongeveer honderd keer per dag denk ik aan hem. Het voelt alsof hij, onzichtbaar, het restaurant aan het vegen en dweilen is, terwijl ik glas na glas na glas in de vaatwasser stop. En dan denk ik en voel ik: Wat hij kan, kan ik ook. Of laat ik het zo zeggen: Ik kan met overgave en concentratie glazen in de vaatwasser stoppen, ik zou het kunnen, ik probeer het. Alhoewel ik 80% van de tijd onbewust geleid wordt door onzinnige gedachten en een klein beetje frustratie, en 17% van de tijd bewust, is er drie procent waarin ik alleen maar, en vol overgave, doe wat ik aan het doen ben. Een kwartier.

En dit kwartier maakt mijn dagen in de afwas toch een succes.