Latest Posts

Afwassen in de kerstvakantie

Ik heb een baantje als afwasser in een restaurant op hoogte. ’s Ochtends om zes uur gaat mijn alarm, ongeveer een uur later stijg ik op met kartonnen dozen vol producten en jonge seizoenarbeiders in een klein ei vol sigarettenrook. Dan geven ze me koffie en een croissant, en daarna honderden en nog eens honderden vuile glazen die ik in het sop gooi en daarna in de machine schuif. Ze hoeven me niet veel uit te leggen; afwassen kan ik al.

Na een maand lang solliciteren op tijdelijke functies in Briançon, mijn enige optie in verband met de CRET, bleek afwassen het hoogst haalbare. Dus zette ik mijn ego opzij en tekende het contract.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Het zoontje van de baas, een modieus kereltje van amper 18 jaar, staat achter de bar en ik ben zijn afwasser (toen ik begon als serveerster leerde hij waarschijnlijk fietsen). Ik ben ieders afwasser; die van al mijn collega’s en al onze gasten. Ik heb ja en oké tot mijn beschikking en duw ondertussen het rek vol glazen in de machine, opnieuw en opnieuw en opnieuw. Ze zijn erg blij met me, want ik ben een goede afwasser. Ik ben een goede afwasser.

Het is afzien. In de ochtend houdt mijn van nature lichte gemoed nog wel stand, maar dan is het plotseling zo druk dat iedereen op spanning staat en mijn afwassen belangrijk wordt, dan weet ik niet meer welke kant ik mijn gedachten op moet sturen en schud ik mijn hoofd, meerdere malen, het rek vol glazen in de machine, wat is er van me geworden, kijk me nou. Mijn ego is te groot voor het afwashok en ik haat dat.

Nog een paar duizend glazen en dan ben ik er wel klaar mee. Officieel gelukkig ook; mijn les nederigheid duurt veertien dagen en ik zit al op dag vijf. Voordat ik het weet stap ik dat ei uit en resteert me slechts een weg omhoog.

Een eerste week in Briançon

Misschien heb ik uiteindelijk toch geluk gehad of was mijn intuïtie juist: Briançon toont zich zoals gehoopt en verwacht. Frans, sociaal en normaal. Mijn appartement geeft toegang tot een vriendengroep van oud-bewoners en aanhang die het hele jaar door in de stad wonen. Ik hoef alleen maar mijn bed uit om met ze in contact te komen. Ze kloppen spontaan aan, zadelen ons op met een leuke hond (Funky, een dikke border collie), drinken wijn in de avond en laten uitnodigingen achter voor kerstmarken en raclette.

Ik kan de gekte van Chamonix nog steeds niet geheel van me afschudden door mijn zombiegeoriënteerde, recent gedumpte en dus huilende, wijn- en Netflix-afhankelijke bedgenoot die het geluid van slurpende (nagesynchroniseerde) vampiers tot onze woonkamer toelaat vanaf het moment dat ze zelf het daglicht ziet, maar een stevig paar oordoppen, gegoogle naar het ‘overkomen van een gebroken hart’ en een dosis geduld voldoen als tijdelijke oplossing; daarna neemt het seizoenbestaan het ongetwijfeld over.

En ik heb al kunnen vaststellen dat de gestoorde kant van het seizoenbestaan gewoon in Serre Chevalier te vinden is. Ook hier struikel je over lallende Denen, weten Engelse bartenders niet wat ‘un demi’ is, doen locals hun beklag over hun fysieke staat in de morgen na een nacht vol harddrugs en verliezen mensen zich levenslang in de meedogenloze verleiding van het grote, warme niets dat onderaan de pistes op ze wacht.

Echter, ondanks de goede verschillen en vertrouwde gelijkenissen met Chamonix, mis ik mijn vreemde stadje. Ik mis de pistes, vergezichten en de verhaallijnen die door de hele vallei lagen en waar ik zo achteloos overheen skiede. Le Tour, Les Bossons, Adria, Marcel, gekloot op mijn ski’s en gekte in Chambre Neuf, ik mis het allemaal. Het nest dat nooit écht een nest wilde worden doet zich in de herinnering toch voor als een warme plek vol takjes en dons, lieve mensen die plotseling erg ver weg voelen. En precies hierom is het zo’n goede beslissing geweest om Chamonix te verlaten: Zodat ik mijn vreemde stadje weer kan waarderen.

_DSC9341

Deborah

Bora en ik koelen af. Zij doet er in de kou zo’n tien minuten over, ik ruim veertig.

We staan hier op de parkeerplaats van Chantemerle tot de wegen weer tevoorschijn komen. De winter bepaald. Misschien komen we pas weer weg in de lente; dan zijn Bora en ik beide niet meer dezelfde.

Ik zie in haar achteruitkijkspiegel dat mijn wangen hun razernij verloren hebben. Ik kom terug op temperatuur terwijl Bora wel weer klaar is om op te starten. Nee, zeg ik, je hebt geen winterbanden. We blijven hier.

Vlak voor aankomst in Chantemerle sloeg ik drie keer af. De hellingproef. Het stoplicht sprong op rood en weer op groen en weer op rood en de blikken staart van boze auto’s werd langer en langer. Toen ik eindelijk in beweging kwam ben ik maar gewoon gaan rijden. Door rood.

Bora hoorde me vandaag voor het eerst zingen. Eerst was ik te nerveus om iets anders dan rijden te doen – neus kriebelen, radio, verwarming – maar nu zong ik, en ik klonk anders in de auto, misschien omdat ze zachtjes met me mee gromde.

Briançon ligt in de sneeuw. De pistes van Serre Chevalier ook, maar als je er wil skiën, dan moet je zelf omhoog. De liften worden pas wakker als de toeristen dat worden en Chantemerle, het dorp naast het skigebied, is nog steeds uitgestorven.

Behalve de parkeerplaats, want daar staan Bora en ik. Tot de wegen weer tevoorschijn komen.

Paulownia Hout

Mijn waanzinnig stabiele, volwassen, nieuwe leven was erg moeilijk te vinden, onbetaalbaar en duidelijk nog even niet voor mij bedoeld. Dus pak ik het seizoenbestaan weer op, alsof ik nooit iets anders gewild heb. Ik zal werken in een bar, slapen in een hoogslaper vlak boven een feestliefhebbende Belgse en tot ieders teleurstelling – inclusief de mijne –wederom bewijzen dat ik zelf geen feestbeest ben.

Toch voelt het potentieel van mijn leven in Briançon anders dan in Chamonix. De kloof tussen het hoogseizoen en laagseizoen is minder groot en de mensen die ik ontmoet zijn doorgaans geen seizoenarbeiders. Het straatbeeld is eindeloos gevarieerd. Er zijn échte ouderen en échte armen, jonge moeders en voetballiefhebbers, hangjongeren, alcoholisten, niet-glanzende honden en niet-zo-perfecte gezinnetjes, alternatievelingen met wollen mutsen en piercings, zakenmannen, muzikanten, immigranten en dat vooral: méér kleur. Geen samengeklonterde Zweedse twintigers in Goretexpak (ik weet dat het Goretexpak vaak in mijn blog wordt genoemd, maar het zegt in mijn hoofd nu eenmaal alles) en geen hoofdstraat waar je blikken of waardering vangt met iets duurs aan je voeten of op je rug. Het oude centrum van Briançon is misschien zo toeristisch als dat van Chamonix, maar ze verkopen er wierook, zeep, oorbellen, Nepalese broeken, ansichtkaarten en een hoop crêpes met Nutella. Geen pakjes van Chanel.

Ik weet niet wat dit veranderde straatbeeld me precies zal brengen, naast de illusie wat meer in contact met de realiteit te staan op mijn weg naar de supermarkt en terug. Want mijn leven zal zich grotendeels afspelen op de pistes van Serre Chevalier, waar ik de komende vier maanden op twee planken van carbon, glasvezel en Paulowniahout zo hard mogelijk omhoog en omlaag zal proberen te gaan. Of ik nu ski in de bubbel van Chamonix of daarbuiten, het maakt eigenlijk niets uit.

En toch maakt het wél uit. Ik heb geen idee op welke manier, in elk geval niet op de waanzinnig stabiele of volwassen manier, maar het maakt uit. Er is een potentieel en ik zal er ongetwijfeld achter komen hoe dat zich zal manifesteren in mijn dagelijks leven.

Volgens mij bevalt uw schaap

In de vallei van Champoleon lijkt de rivier van zilver. De bergen hebben alle kleuren van de herfst, behalve hun toppen, want die steken uit in winter. Door de velden op de vlakte rennen lammetjes in kleine kuddes achter elkaar aan, tussen hun grazende mammies door, in de warme gloed van de laatste zonnestralen. Mijn handen zijn koud. Als ik voorbij een boerderij fiets, met de wangen rood van inspanning en mijn rug nat van het zweet, kijkt een tandeloze boer me grijnzend na.

Twintig seconden later trap ik abrupt op de rem. In het gras rechts van me ligt een gigantisch schaap op haar zijde. Uit haar achterwerk steekt iets geligs dat onmiskenbaar geboren wil worden. Ik stap van mijn fiets en staar het schaap aan, en zij mij, tot ik me realiseer dat die tandeloze boer nog in de buurt moet zijn.

‘Uh… volgens mij bevalt uw schaap.’ De kleine, bolle man met wollen pet en twinkel in de ogen sjokt op me af. Hij kijkt zijn veld in, zet zijn handen in zijn zij en vraagt, zonder zijn blik af te wenden, of ik het leuk zou vinden om met hem mee te komen. We stappen een net over en benaderen voorzichtig het schaap, dat net buiten de kudde ligt te grazen en zich niet om de bevalling lijkt te bekommeren.

De kudde ziet ons aankomen en schiet in beweging, waardoor het schaap opspringt en haar vriendinnen achterna hobbelt. Met, zo zie ik nu, een heel lamshoofd dat naar buiten steekt en onder haar staart mee zwiepert. Ik laat de boer erachteraan hollen en zie ze in de verte verdwijnen, en dan weer verschijnen, met het bevallende schaap dat nu samen met de anderen recht op mij afkomt.

‘Je vais chercher Toby’, verzucht de boer na een drietal rondjes. Hij opent de deur van een stinkende oude truck naast het veld. Zijn border collie springt enthousiast van de passagiersstoel en sprint er meteen vandoor. ‘Nee, Toby, kom hier. Kom hier Toby, spring over het hek. Toby! Toby!!’

Ik ben al lang geen toeschouwer meer en ren samen met de boer en zijn hond zeventig-en-een-half schaap achterna (daarbij moet ik zeggen dat ik effectiever ben dan Toby, want Toby vind het leuk om door het gras te rollen). Als al het wol eenmaal in een hoek van het veld bijeen staat, weet ik ons bevallende schaap er niet van tussen te halen, maar de boer wel. Hij grijpt haar vakkundig bij de billen, rolt haar omver en wenkt me.

‘Het lam ligt verkeerd om.’ Voor ik het weet zie ik zijn handen verdwijnen in het lijf van het schaap. Een pootje floept tevoorschijn, een ander ook. Hij pakt ze bijeen en trekt het lam met een flinke ruk de wereld in. Oh God. Moeder kreunt en laat het hoofd vermoeid tussen het gras poffen. ‘Leeft het nog?’ vraag ik verbaasd. ‘Ja ja’, antwoord de boer terwijl hij het lam liefdevol naast het hoofd van de moeder legt. En ja hoor, het leeft. Het ademt en kronkelt, een geel, slijmerig, bottig hoopje met waterige blauwe ogen die schrikken van het daglicht. Moeder verzamelt haar krachten bijeen en likt dan haar monster schoon.

Quel miracle’, verzucht ik.

Toby stort zich op de placenta. Ik stap terug op mijn fiets en word bedankt door de boer, want, zegt hij, ik heb het lam gered. Hij had de bevalling niet opgemerkt en het lam was er alleen zeker niet uitgekomen.

Met een grote, grote grijns fiets ik dieper de vallei in, langs de zilveren rivier en honderden lammetjes links en rechts die zich plotseling voordoen als mijn lievelingsdieren. ‘Il est debout!’ roept de boer als ik hem tref op de terugweg. Het lam staat naast zijn moeder, wankelend op vier veel te lange poten, nog steeds zo geel als een kanarie.

‘Dag lam,’ zeg ik. ‘Welkom in deze prachtige wereld.’

Roze hoedje

Helmut was mijn eerste berggids. Mijn vader was erg van hem onder de indruk en zei: Helmut weet altijd waar iedereen is, hij heeft alles in de gaten.

Ik was ook onder de indruk van Helmut. Hij sprak een vreemde taal, was groot van fysiek en hoede over onze levens. Als fantasierijk meisje van nog geen tien jaar oud vermoedde ik dat hij zo ongeveer gelijk met de bergen uit de grond was gesproten en geheimen kende die wij Hollanders, het volk van de vlakte, nooit zouden weten.

Veertien jaar later besloot ik zelf een berggids te worden.

Kan een meisje uit Heemstede dan ook berggids worden? Nou, misschien. Zolang dat roze hoedje maar van de partij is.

45373940_2463304183699333_1312017706114875392_n

 

Rudolf’s Rode Neus

Gisteravond stond er zo elk half uur een groepje kinderen voor de deur, uitgedost in spannende kostuums met spinrag, bloed en hangende vleermuizen. Ik gaf het eerste groepje een banaan, negeerde het boze kloppen van de volgende vier en plakte toen maar een briefje op de deur waarop geschreven stond dat we geen snoep in huis hadden (maar ze best wat mochten achterlaten). Ik wist niet dat de kinderen van kleine Franse bergdorpen op Halloween langs de deuren gingen, maar had zoveel kunnen vermoeden toen er ruim een week geleden een afgehakte hand in de vensterbank van de lokale pizzeria lag.

Het is dus november en het sneeuwt. De kachel staat aan en de Douwe Egberts Kerst-Cd afspeellijst op YouTube heeft al een eerste ronde gemaakt. Rudolf’s rode neus, het kinneke Jezus en onze ski’s maken allen vroegtijdig hun intrede en Fieke en ik zijn een klein beetje door het dolle heen. Maar waar een winterseizoen vol kerstartikelen en prijzige Goretex-pakken zich altijd wel met een zekere mate van humor aandient, doet de sneeuw dat nooit. De wereld achter de ruiten is wit, statig, vergevingsgezind en verbazingwekkend magisch.

We hebben de ski’s in de auto gegooid en gaan ze morgen, iets hogerop, onder onze voeten binden, wat zó leuk is dat we waarschijnlijk geen oog dicht doen vannacht. Maar dat kan nou ook weer niet; Fieke zit gewoon aan een fulltimebaan en Briançon blijkt een klein, stug seizoenstadje waarin ik maar met moeite voet aan de grond krijg, wat enerzijds betekend dat ik mijn bivak onder Fiekes dak nog even mag aanhouden, en anderzijds dat ik zelf nog steeds voltijd op de designafdeling van mijn nieuwe leven zit, met het mij vreemd gezinde lot grinnikend aan het bureau tegenover me.

Ik zeg nu al een jaar lang ‘goed, maar gekke tijden’ wanneer mensen vragen hoe het met me gaat en ik verheug me inmiddels wel op een ander antwoord. Een spontaan afgehakte hand in de vensterbank kan ik in principe wel aan, maar ik zou de grote lijnen van mijn leven liever wat meer in het gareel houden. Godzijdank sneeuwt het. Een enkele blik op de bergen, een paar miljoen sneeuwvlokken, en alles is OK.

Rots in de Branding

IMG_20181021_164904

Fieke en ik zijn supergoed in shoppen. We rennen over de markt, halen kledingwinkels overhoop, verzuipen in ons spiegelbeeld, spuiten de polsen vol met geurtjes, zwichten voor het plastic van de Flying Tiger en scheuren dan richting Valgaudemar, waar we onder het gewicht van twee loodzware tassen zo’n 1250 hoogtemeter overbruggen en, in het maanlicht, neerploffen op de vlonder van Refuge de Olan. Met een flesje wijn. Je denkt soms dat je gebonden zit aan een enkele identiteit (die van bergbeklimmer, die van shopmiep), maar je kunt dus gewoon meurend naar Pure Poisson, Opium en N°5 onder een rotspillaar staan, klaar om te versmelten met de natuur en al haar beestachtige, verticale uitdagingen. Na een dag van klimmen en zweten zit de rode lippenstift-tester van Dior nog gewoon op de rug van mijn hand; ik zou zeggen dat de test geslaagd is.

Fieke fungeert momenteel als mijn rots in de branding, en neemt daarbij, zonder er twee keer over na te denken, de rol van life coach (voor details moet je maar contact met haar opnemen), bandlid (ze zingt graag het Amazing Grace), ponytrimster, filmbuddy van buitengewoon griezelige films (Sneeuwwitje en de Jager, 22 July, Saving Private Ryan) en tochtenmaatje op zich. De mate waarin ik momenteel op haar terugval is krankzinnig. En als ik haar dan zie klimmen in zo’n megaspannende, onbehaakte dièdre, zo’n beetje tussen de bedrijven door, vlak voordat ze 1500 meter lager in de vallei haar rol als verpleegster weer moet oppakken, dan denk ik: Waar heb dit monster aan te danken? Waar heb ik haar in godsnaam aan verdiend?

IMG_20181021_114429

 

Een fijn huisje

Ik ben bij Fieke in huis. Ze bakt een chocoladetaart en beweegt zich af en toe naar mijn piano, die tegen de wonky* muur van haar woonkamer opgesteld staat. Ze passen goed in de woonkamer, Fieke en de piano, zo tussen de kamerplant, houten tafel,  stippelkopjes, Afrikaanse dekentjes, donkere vloer, hangende trommel, lange gordijnen en langgerekte vaas in.

We zijn in Saint Bonnet, het dorpje onder Villard Trottier, vlakbij Gap. In zekere zin ben ik op weg naar Briançon, waar zowel een skipas als het idee van een nieuw soort toekomst op me wacht (stabiel, gestructureerd, volwassen ect.). Maar omdat Briançon zelf nog niet op de hoogte is van mijn komst, ben ik dankbaar dat Fieke me tijdelijk opvangt.

God mag weten hoe de komende tijd verloopt. Ik heb geen idee. Meer dan weg-uit-Chamonix en anders (stabiel, gestructureerd, volwassen ect.) had ik eigenlijk nog niet bedacht. Ik weet niet eens wat voor muziek ik erbij moet luisteren. Uptempo nieuw-energetisch-begin muziek, of romantische op-avontuur muziek, of Franse welkom-in-Frankrijk muziek (ik verhuis immers naar Frankrijk), of folklore we-zijn-allemaal-verloren-zielen muziek, of… Geen idee.

Het enige dat ik momenteel echt wil, is een fijn huisje voor langere tijd. Geen drugskartel met 24/7 Drum ‘nd Bass, geen vliegende honden, geen kippenhok. Gewoon, een fijn huisje. Zoals het huisje van Fieke.

*wonky: De muren in Fiekes huis zijn niet persé scheef, maar ook zeker niet recht; ze golven een beetje. Zoals alleen de muren in een oud huis dat kunnen. Hoe omschrijf je dat met een leuk Nederlands woord?

Grands Montets

Het liftstation van Grands Montets is in vlammen opgegaan. Poef. We zagen de rookwolken in de helderblauwe lucht en hoorden de sirenes de hele middag lang. Het leek alsof Chamonix aangevallen werd, iets waarover ik heb gedroomd de laatste tijd, een vriendelijke aanval van aliens die alle toeristen weg zouden jagen. Maar nee, het was het dak. Een renovatie, een vonk, een oorzaak, geen aliens.

Vandaag stuurde de Compagnie een bericht naar de hele unlimited gemeenschap waarin ze aankondigden dat het topstation niet open zou gaan voor deze winter, wat niemand echt verbaasde, want er circuleerden foto’s en filmpjes op Facebook van neergestorte liftcabine ’s en het uitgebrande karkas. En ik dacht: Dat arme liftstation. Dat brandt eerst af, en dan staat z’n karkas op Facebook.

Alhoewel ik de Compagnie niet leuk meer vind sinds ik heb gehoord dat ze een lift willen bouwen naar de Envers (nee, nee, nee!!) zodat alle Montenverstoeristen ijsjes kunnen kopen aan de voet van de Grepon, Roc of Charmoz, vind ik het bijzonder pijnlijk om hun Grands Montets er zo bij te zien liggen. Ik zou er graag een lakentje overheen willen leggen. Na ruim drie jaar Chamonix krijgen die stalen bubbelconstructies links en rechts van de vallei toch een soort ziel. Zoveel mooie herinneringen. Zo waanzinnig platgebrand.