Latest Posts

De sterke berg

Het is plotseling koud in Chamonix. Zo koud dat er sneeuw ligt op 2000 meter, het buiten anders ruikt (koud) en het prettig is om een sjaal om te binden. De ingepakte kassière snifte en klaagde deze morgen en mijn tenen zijn koud terwijl ik schrijf. Maar ik kom uit Nederland. Ik hou van verstoppertje in lagen zachte stof. Daarbij, de bergen waren afgelopen maand aan het instorten vanwege de hitte. Permafrost legde het af tegen onze behoefte aan drie-en-een-halve aardbol. Nu zit er een groot gat in de Cosmiquegraat en houden ze de Aiguille de Midi lift gesloten, men zegt vanwege een gebroken kabel, men zegt ook (maar zachtjes) vanwege de mogelijkheid dat de hele naald inclusief het liftstation naar beneden kan donderen.

Het is zo tragisch dat ik er eigenlijk niet langer mee geconfronteerd kan worden. Ik wil me terugtrekken, net als de gletsjers, weg van die nare mensen in de vallei die het eigenlijk geen reet kan schelen zolang ze maar rondjes mogen rennen op een paar hysterische schoenen, op naar een plek diep in de Alpen waar de illusie van de sterke berg en de kleine mens nog overeind staat, waar ik alleen zou kunnen komen met een goedkope 4×4 dieselmotor die ik voor de gelegenheid aanschaf.

Ik weet (duidelijk) nog even niet wat ik hiermee aan moet. Daarom zoek ik in mijn kledingkast naar een extra paar sokken en geniet ik van het idee dat de bergen eventjes rust krijgen. Hopelijk tot volgende zomer.

Een broodje gezond

Er zijn gasten die worden teleurgesteld door het feit dat we geen glutenvrije veganistische zoetigheid verkopen. We hebben altijd twee soorten glutenvrij gebak (kokos en sinaasappel) en twee soorten veganistisch gebak (banaanchocola en citroen), en dan ook nog eens gebak dat zowel gluten als dierproducten bevat, waarvan de beste absoluut de worteltaart is, met een dikke dot crème van boter en suiker die er helaas nooit vanaf valt zodat ik me erop kan storten. Wanneer zo’n klant ongelovig door de vitrine blijft kijken, alsof er daardoor toch een glutenvrij veganistisch koekje in wordt gebakken, onderdruk ik de neiging om te vertellen dat mijn Argentijnse chef een koe met een hamer heeft gedood.

Er is een trailrunner die zichzelf filmt wanneer hij zijn veganistische wrap opeet, met een grote camera met zo’n grijze pluizenbol erop die vakkundig vanuit de plantenbak op hem gericht staat, zodat het in goede kwaliteit op zijn YouTube kanaal komt.

Er zijn überhaupt een hoop trailrunners op het moment, omdat de UTMB-race over zo’n week van start gaat, en bij het juiste lichaam en de juiste outfit van een trailrunner hoort ook het eten van Hibou, waar we misschien geen glutenvrije veganistische zoetigheid verkopen, maar wel een proteïnesalade. En grote wraps vol met rauwkost die zowel goed zijn voor een uitgeteerd sportlichaam als voor een Instagramaccount.

Ik moedig uiteraard het individu aan dat bewust met eten bezig is, en met name bewust met onze planeet, en toch wil ik na elke lunch steevast worstenbroodjes naar klanten gooien. Waarom?

Voor mijn coeliakie oud-huisgenoot zou Hibou een zegen zijn geweest. Er is tevens een lief, verlegen, veganistisch meisje dat soms binnenkomt en zodra zij naar het menu kijkt ben ik trots op alle veganistische opties die we kunnen bieden. Als al die specifieke eters lieve meisjes waren geweest, dan was ik misschien in staat geweest om mijn geduld met betrekking tot hun wensen te bewaren. Misschien had ik zelf de stap naar veganistisch eten wel gemaakt. Maar alhoewel mensen beschaaft en vriendelijk zijn wanneer ze hun eetpatroon inzichtelijk maken, zit er altijd iets in hun benadering dat voor mij veel te serieus en veel te dwingend is. Ik kan daar niet zo goed mee omgaan. Dan denk ik: Ga fietsen stelen. En geef mij zo’n fiets, dan fiets ik weg uit de vallei en haal ik ergens anders, waar ze nog in het verleden leven, een broodje gezond met ketchup en mayonaise.

Woeste Tijden

Afgelopen nacht faalde ik het geologie-examen op het College Hageveld in Heemstede. Ik had aanvankelijk niet door dat het een probleem was, maar de geologielerares zei dat ik met mijn 4.16 niet zou slagen voor mijn eindexamens.

Normaal gesproken komt deze droom in een andere vorm: Ik kom erachter dat ik op de een of andere manier nooit naar de wiskundeles ben gegaan, realiseer me vervolgens de ernst van mijn achterstand en spendeer de gehele droom – in angst – aan de vraag of ik dan alsnog mijn wiskunde-examen zou kunnen halen (willekeurig detail: de niet-geattendeerde wiskundeles vindt steevast plaats in het biologielokaal).

De reden voor de geologische twist in mijn droom is ongetwijfeld het bezoek van mijn ouders aan Chamonix en mijn vaders interesse in gesteenten. Hij wijst naar witte vlekken op keien waarover we lopen en plooien in gebergtes waarover we uitkijken en legt ons dan uit dat ze ontstonden gedurende woeste tijden lang geleden, waarin bergen nog op reis gingen, botsten en scheurden.

Ik zou Chamonix graag willen zien gedurende zo’n woeste tijd. Mijn vader ook. In plaats daarvan banen we ons onvermijdelijk een weg door Goretex-jassen en schoothondjes in plastic (het regent) en schuilen we in een café met luide muziek en een zee van onderuitgezakte gasten onder hun smartphone. Schijnbaar zijn er deze zomer 30% meer toeristen dan normaal. Chamonix is een nauwe vallei; dat gaat nooit goed.

Gelukkig hebben beide ouders een goed stel benen en kunnen ze op zoek naar stille plekken hogerop, waar de bergen nog niet zo ernstig geketend zijn door Compagnie de Mont Blanc en het volk dat zij aantrekt.

En ik herkans mijn geologie-examen en schrijf dat er momenteel een erg interessant fenomeen gaande is in Chamonix: Onrust is zichtbaar in zowel het Mont Blanc massief als de Aiguilles Rouges; de bergen lijken zich voor te bereiden op een massale trek; Mont Buet wil naar het Noorden en Mont Blanc vooral ver weg.

Condolences to fear

Yes’, zei Thomas, ‘you better take pictures of him. He’s very beautiful.’ Ik hield mijn camera hoog in de lucht en probeerde over de hoofden van honderden mensen een foto te maken van een artiest op het podium. Zijn naam kende ik niet, zijn muziek evenmin, en ik was zo bezig met fotograferen dat ik hem niet zag staan of hoorde zingen.

Na de opmerking van Thomas bracht ik mijn camera terug naar mijn borst. Ik keek op en zag Benjamin Clementine.

Alles in de verte is altijd klein, maar die middag was Benjamin Clementine zelfs op een ver podium gigantisch. Een buitenaards mooie, intrigerende gestalte achter een vleugel, gekleed in zwart. Zijn stem was warm en jazzy, hijzelf stond boven alle wetten van menselijkheid, zoveel zelfvertrouwen en charisma dat je als toevallig aanwezige in het publiek geen keuze had dan naar hem te kijken en te luisteren.

Hoe dan? – vroeg ik me af. De man was een magiër. Hoe hij liep, zong, zijn publiek toesprak, zijn vriendelijkheid, zijn grappen.

Ik werd zo geabosorbeerd door zijn optreden dat ik ter plekke zijn teksten niet hoorde. Maar halverwege spoorde hij ons aan om ‘I’m sending my condolences to fear, to insecurities’ te repeteren, een zin in het nummer concolences. Het publiek en ik zongen aanvankelijk aarzelend, maar daar was hij niet van gediend, en dus herhaalden we onszelf zeven keer. Ik denk dat we na die zevende keer allemaal een beetje veranderd waren.

En het was gek, want hij leek bij uitstek iemand die geen angst of onzekerheid leek te bezitten. Zijn optreden suggereerde bijna dat wij, onzekere mensen, ook konden zijn zoals hij, op een dag, misschien door dat zinnetje te blijven herhalen.

Er valt een hoop over hem te zeggen (en te lezen), maar luisteren is misschien het beste. Voor als je nieuwsgierig bent geworden, dit zijn een paar nummers van hem: Cornerstone, LondonI won’t complain en Condolences.

En dit is de foto die ik van hem maakte.

_DSC9163

 

Rescue Spray

Ik kan me werkelijk niet voorstellen dat ik straks in een auto op stap kan zonder Evelyn en haar drietal extra pedalen aan mijn rechterkant. Toch heeft de inspecteur eindelijk geoordeeld dat ik kan rijden. Dat kostte me in totaal drie examens, 2500 euro en een bezoek aan de apotheek, waar ze me op aanraden van mijn rijinstructrice een potje rescue spray verkochten, omdat ik telkens zo zenuwachtig werd dat mijn voeten van de pedalen trilden. Mijn huisgenoten hadden een expositie van knoflook en Mariabeelden op het dashboard van de examenauto gesuggereerd, maar inspecteurs hebben weinig verbeelding en inlevingsvermogen. Rescue spray was subtiel en loodste me stiekem door het examen (het smaakte naar whisky, misschien was het wel whisky)

Had ik mijn rijbewijs maar gehaald toen ik achttien was. Dan was ik nu een coureur geweest, met acht jaar ervaring, en ging ik gedachteloos met de auto op stap, zoals alle andere mensen. Komende twee jaar blijf ik waarschijnlijk afhankelijk van mijn rescue spray om me door het verkeer van deze wereld te loodsen.

Hoe dan ook, rijexamen hoef ik vanaf nu niet meer te doen. Deze kan ik afstrepen.

Millie Meditatie

Het huis is stil tot acht in de ochtend. Het enige geluid komt van buiten, door het open raam. Vogeltjes die zachtjes muziek maken.

Dan is er een periode van relatieve rust: Een viertal huisgenoten die om de beurt hun slaap onderbreken om over de krakende vloeren te lopen, hun piepende deuren te openen en heen en weer naar het toilet te sloffen.

Rond elven wordt er ergens in een slaapkamer Drum and Bass opgezet en is de dag officieel begonnen.

Als ik wil mediteren, dan is de vroege morgen mijn gouden tijdperk. De morgen met de vogeltjes.

Ik ben er nog niet zo goed in. Vandaag word ik afgeleid door een scherpe wietlucht die schijnbaar door mijn open deur de slaapkamer instroomt. Het is negen uur; ik ben te laat begonnen. Millie springt van het bed van een huisgenoot en springt dan op het mijne. Ze likt mijn handen die rusten op mijn knieën. Ik hoor getik van ongeduldige kleine hondennagels op de gang; dat is Cookie. De geur van mannendeodorant volgt. Dan schrijf ik dit verhaal, in mijn meditatie. Ik probeer het niet te doen, maar ik ben lang nog niet geoefend genoeg om inspiratie uit te stellen tot na de meditatie.

Ik denk aan de krakende vloeren van het huis. En dan weer niet. Ik denk aan mijn drugsverslaafde huisgenoten. En dan weer niet. Ik denk aan Millie’s tong. En dan weer niet. Ik denk aan de minieme progressie in mijn mediteren. En dan weer niet.

De praktijk van het mediteren – zitten met gekruiste benen, ogen dicht, concentreren op de ademhaling, niet denken, niet wachten op het alarm – is voor mij nog steeds erg moeilijk. Zelfs in absolute stilte is de afleiding groot. In dit stadium maakt het eigenlijk nog niet zoveel uit of een likkende hond of een willekeurige gedachte me afleidt. Beiden eisen evenveel aandacht op.

Maar het leuke of interessante (voor mijzelf) is dit: Wanneer ik mijn benen strek, is de oefening nog lang niet over. Gedurende de dag, op willekeurige momenten, word ik me bewust van mijn denken, van al die onzinnige maar invloedrijke gedachten die zich in mijn hoofd aandienen, en dan lukt het me om, al is het maar voor een ademhaling of drie, ze te laten gaan.

En wat ik me dwars door mijn gebrekkige capaciteit tot meditatie realiseer, is hoe groot het potentieel van dit alles is. Want alleen al de bewustwording van de stroom aan gedachten werkt bevrijdend. Het creëert talloze kleine keuzemomenten – is dit het denken waard of niet – waardoor ik me steeds minder hoef te laten leiden door mijn eigen brein. Zelfs in dit stadium van amateurboeddhisme bespaar ik daar al aandacht, energie en emoties mee.

Het is overigens waanzin dat je dit niet leert op school.

Millie, Cookie en mijn huisgenoten zijn allen grappige wezens die ik daarom niet zou willen ruilen voor normale mensen. Meditatie is nu eenmaal moeilijk, en als ik slim ben, sta ik gewoon nog een uurtje vroeger op.

Na het seizoen zal ik een tiendaagse Vipassana cursus volgen, urenlang met gekruiste benen en gesloten ogen in een uithoek in Frankrijk, en de kans dat een wietlucht of een opgewonden Millie het tot in de meditatieruimte brengen acht ik erg klein. Officieel mogen mijn gedachten niet eens mee naar binnen, maar ik geloof dat ik de hulp van een zenmeester nodig heb om dat te voorkomen.

In de steigers

Goed nieuws: Ik heb eindelijk een Nederlandse spellingcorrectie op mijn laptop kunnen installeren, waardoor het aantal spelfouten in mijn blogs misschien weer wat daalt (geen idee hoe weerzinwekkend de situatie was). Met een beetje geluk spreken we hier over de nieuwste versie van het correctieprogramma, waardoor ik er eventueel zelfs op vooruit ga. Helaas ben ik pas gered wanneer het taalgedeelte van het brein van een van mijn ouders – moeder: basisschoollerares, vader: leesmonster en sinterklaasdichter – beschikbaar is in onlineversie.

Met mijn nieuwe spellingcorrector in aanslag hoop ik dat de wereld zich weer vol veelbelovende verhalen vertoond, want mijn inspiratieniveau van het afgelopen half jaar lag ergens onder mijn bed. Ik heb gedacht aan flamingo’s, detectives, eenhoorns, marathonrenners, drugsgebruikers, monsters, alpinisten en de liefde, maar niets overleefde de eerste paar regels. Misschien (dit is een theorie) omdat mijn brein tijdelijk (?) in de steigers staat en het productieproces buiten mijn weten om is stilgelegd. Dan zou ik toch even met de projectleider in overleg moeten en kijken of er weer schot in de zaak kan komen.

_DSC0228

Je vraagt je misschien af: Waarom die flamingo? Dit is de inspiratieflamingo. Met drie belangrijke bestemmingen: Lac du Passy, top van de Mont Blanc én de zee (onze zee, Zandvoort). 

_DSC0231

Hibou

Een Hibou is een uil, maar dan in het Frans. Het is ook de naam van het eettentje waar ik tegenwoordig in werk. Een miniscuul afhaalrestaurant waar de uilen overal stilzitten: Op schilderijen, theedoeken, vazen, servetten, kunstobjecten, enzovoort. Het klinkt ouderwets, maar Hibou is allesbehalve. Het is een lichte, zonnige, vrolijke hipsterplek waar ze curry’s, wraps en salades verkopen. Ik sta achter de toonbank en moet van alles weten of het vegan, vegetarisch, glutenvrij of lactosevrij is. Er is een schaal van heetheid (aantal pepertjes) en zoveel keuzeopties dat nieuwe klanten vaak tien minuten naar het menu staren voordat ze vertwijfeld om een aanbeveling vragen. ‘Geen idee, mevrouw’, zeg ik dan, want ik eet doorgaans witbrood met nutella.

Omdat het nog redelijk rustig is, laten ze me helpen in de keuken. Ik heb wortels geraspt en rondjes uit deeg gesneden, die in muffin- en quichevorm in de vitrine kwamen te liggen. Niemand weet dat ik het doodeng vind om betrokken te worden bij het kookproces en ik doe nog steeds alsof ik alles onder controle heb. Gisteren moest ik citroendressing over een salade gieten, die onverwacht zo zuur werd dat ik de hele dag hoopte dat niemand die salade zou bestellen (of haar vér van Hibou zouden opeten).

Diep in mijn hart mis ik de dronken chaos van een bar zoals Chambre Neuf, waar klanten voor binnenkomst al schreeuwen wat ze willen (beer) en zich achteloos verdrinken in de gluten. Maar voor mijn eigen gezondheid is Hibou geen slecht idee. Ik werk normale tijden met normale mensen en eet zoveel groenten dat er kleine paprika’s uit mijn paardenstaart piepen. De basis voor een gestructureerd en bewust bestaan is gelegd. Nu kan ik me concentreren op belangrijke dingen.

Stil op een matje

Ik kan me het moment nog precies herinneren dat ik me voor het eerst bewust werd van mijn eigen denken. Mijn moeder en ik fietsten over de Wagenweg, weg van Haarlem, en ik was een jaar of tien. Fanatiek dagboekschrijver. En opeens, daar, tussen het trottoir en mijn moeder in, op een snelheid van zo’n vijf kilometer per uur, realiseerde ik me dat ik aan het denken was. Dat denken een soort activiteit was, in plaats van iets dat maar gewoon gebeurde. Ik kroop als het ware voor het eerst in mijn eigen hoofd en kan me eigenlijk niet meer herinneren of ik mijn ontdekking meteen naar mijn moeder heb gecommuniceerd of er pas later, in mijn dagboek, met verbazing over heb gesproken. Hoe dan ook, het was een merkwaardig moment.

Sindsdien was ik dus een denker. Een uitpluizer van mijn gedachten. Mijn brein werd de leverancier van het geheime gereedschap dat me hielp om met het leven om te gaan (oh die puberjaren). Ik schreef alles uit, was er van overtuigd dat er geen probleem was dat niet al denkend – schrijvend – opgelost kon worden, zelfs toen ik erachter kwam dat mijn eigen denken vaak het probleem was. Of juist toen ik erachter kwam dat mijn eigen denken vaak het probleem was. Dan kon het dus ook door mijn eigen hoofd opgelost worden.

Vanwege mijn denken heb ik mezelf altijd sterk geacht. Ik vond mezelf niet geniaal, niet eens zo filosofisch, maar ik had altijd de middelen om met emoties of situaties om te gaan. Alles viel direct ten prooi aan mijn ratiomonsters (ratiomonsters: bewoners van mijn brein die specifiek zijn getraind op hun relativerend vermogen). Met hen aan mijn zijde was ik tegen de wereld opgewassen.

Maar. Maar, maar, maar. De laatste tijd ben ik niet zo’n groot fan van mijn eigen denken meer. Het is een hardnekkig stuk vreten, als ik heel eerlijk ben. Het gaat namelijk in cirkels. Het produceert onzin. Het leert maar moeizaam. Het is conservatief; wil niet veranderen, niet écht, liever niet. Het is een gewoontedier. Het luistert beter naar de samenleving dan naar mij. De ratiomonsters doen hun werk wel, maar het systeem waarin ze functioneren is veel te chaotisch. Het creëert of houdt in stand de shit die het zelf moet oplossen. Ik ben 26 jaar, en denk dus al 16 jaar lang. Je zou zeggen dat ik inmiddels een meester ben in het beheren van mijn gedachtenprocessen. Maar nee, ik ben er de slaaf van. Mijn denken legt zich aan me op, verspilt mijn tijd en energie. Er is geen ontsnappen aan.

Het is tijd voor de volgende stap. Toen ik tien jaar oud was en met mijn moeder over de Wagenweg fietste, kroop ik onverwacht in mijn eigen hoofd (geen idee waar ik daarvoor precies was) en leerde vervolgens de kracht van mijn denken kennen. Nu wil ik eruit. Of op zijn minst de mogelijkheid hebben om de wereld te ervaren zonder dat mijn hoofd er eerst mee aan de haal gaat. Om af en toe niet te denken. En dat is moeilijk. Dat is iets dat ik eigenlijk al jaren wil, maar waar ik nu pas klaar voor ben.

Gelukkig ben ik niet de eerste die is begonnen met denken en er inmiddels klaar mee is. We hebben Christophe André, Suzuki, Ilgner (voor de klimpraktijk), Vipassana kampen, eeuwenoude wijsheid en een grote achtertuin waar ik in alle stilte naar de vogeltjes kan luisteren. Er is genoeg hulp, fantastische boeken en een buitenwereld met bergen. Ik ben gemotiveerd en ik doe mijn best; het voelt als het volgende grote avontuur van mijn leven. Maar dan stil op een matje. Ademen. Gedachteloos.

_DSC0223

Ik mag op het hoekje.

Lampionnen

_DSC0212

Normaal gesproken word ik wakker naast mijn pluchen aap (Monkey) en de Catalaan, maar Marcel is zo druk met de CRET dat Monkey en ik bijna zijn vergeten hoe het is om naast een mens te slapen. Het is desondanks dringen in bed: De helft van het oppervlakte zijn we tegenwoordig kwijt aan mijn nieuwe elektrische piano en de andere helft delen we met Cookie (mannetje) en Millie (vrouwtje), twee kortharige, kortpotige honden.

Ik heb een kamer gevonden in een oud chalet in Gaillands, vlak bij het centrum van Chamonix, waar een stel Britten, Cookie en Millie al jaren van seizoen naar seizoen leven. In de achtertuin staat een grote kersenboom die al haar kersen veel te hoog heeft hangen, waardoor je ze eigenlijk niet kunt eten, tenzij je eronder gaat staan en wacht. Mijn nieuwe huisgenootje heeft er vorige zomer van die kleine gekleurde lampionnen ingehangen. Zijzelf heeft blauwe ogen en blonde haren en lijkt een beetje op een elf, maar een speciaal soort elf, met piercings en tattoo’s en plannen om na de zomer naar Burningman te gaan.

Ze hebben in huis maar één regel: Blowen mag binnen, maar roken doe je altijd buiten.

Ik voel me erg op mijn gemak. Mijn kledingkast is groot genoeg voor al mijn kleren, die inmiddels netjes aan klerenhangers hangen en ineens een aantrekkelijk geheel vormen. De honden achtervolgen me door het hele huis. Niemand klimt. Ze praten over reizen en nachtclubs en dragen gekke kleding. Het huis is schoon en ruim. Het ruikt lekker. De supermarkt is daarbij onwaarschijnlijk dichtbij: Ik ben er al in drie minuten (een tripje naar de supermarkt kostte me afgelopen winter ruim anderhalf uur).

Op een dag krijgt de elektrische piano een houten standaard met wielen waarmee ik hem naar buiten rijd, zodat ik muziek kan maken op straat en voor straatmuzikant door kan gaan. Dan is er meteen weer ruimte voor de Catalaan. Misschien vind ik ergens wel een ladder om bij de kersen te komen en maak ik kersenjam voor mijn elfachtige huisgenoot. Misschien sta ik over een paar maanden gedrogeert en halfnaakt in de woestijn van Nevada. Misschien liggen Monkey en ik tegen die tijd wel in het Nederlandse bedje in de logeerkamer van mijn ouders, omdat ik hen mis.

Ik zoek al een tijd lang naar wat structuur in mijn leven, maar had Cookie en Millie voor geen goud willen mislopen.

_DSC0206

_DSC0204