Week 7: De wonderlijke wereld van een zomerse wintersport

Het is 26 juni, zeven uur ’s ochtends. Met de ramen open rijden we langs het Lac du Chambon. De bergen zijn groen, de lucht is warm. Nieuwsgierig tuur ik in de verte, op zoek naar onze bestemming van deze ochtend. Ze hadden me gezegd ‘kijk goed om je heen, Ruby, het is nog eens wat’. We rollen langzaam Les Deux Alpes binnen en ik geef ze gelijk.

Het is bijzonder lelijk.

Het dorp, als het zo te noemen valt, bestaat uit een enorme verzameling appartementencomplexen met brede asfaltwegen, parkeerplaatsen en betonnen liftstations. Rechts gapen beige gaten in de flank van de berg, recent opgevuld met nog meer appartementencomplexen, links zie ik slechts opgedroogde skipistes. De hele berg piste, alsof ze er een gestreepte deken overheen hebben gelegd.

We halen onze ski’s uit de kofferbak en stappen in een lift, die ons takelt over eindeloze lappen gras, over puinhellingen waar bulldozers de bergen zonder concessies op skiërs hebben aangepast, over het begin van een gletsjers die inmiddels de naam draagt van het skistation. Daar treden we een wereld binnen waarvan ik nooit had bedacht dat íe bestond.

Een zomerse wintersport. Hierboven, op 3000 meter hoogte, traint het Frans nationaal team, de Franse nationale skischool en de ENSA als een verborgen diersoort in strakke pakken op geslepen latten. Hier overzomeren de snelheidsduivels wanneer de valleien groen zien en er nergens meer te glijden valt. Ik staar verbijsterd om me heen.

Hoogst ongemakkelijk sluit ik me daarna aan in de rij bij de nationale kampioenen voor de sleeplift. Wij allen, de stagiaires van de CRET, vallen volledig uit de toon: We hebben brede skitourski’s, wijde broeken, grote tassen en klimgordels met reddingmateriaal. Zij hebben glimmende onesies onder gestroomlijnde helmen en messen onder hun voeten. Nooit waren we hier beland zonder het coronavirus en het uitstel van het ski-examen. Ik ben bang om naast hen de pistes af te gaan en vooral om per ongeluk op hun ski’s te gaan staan. Ze zien er duur uit. Gelukkig vinden onze opleiders afgelegen hellingen waar we met een gerust hart naar beneden kunnen zigzaggen, buiten het zicht van de rest.

Skiën, ’s zomers, is overigens niet minder leuk dan skiën ’s winters. Het voelt licht gestoord en absoluut niet de bedoeling, maar toch ook prettig om weer in de stijve schoenen, met de helm op de kop en de stokken in de handen bovenaan een witte helling te staan. Naar beneden glijden is een sensatie, zelfs nog ietsje meer wanneer het eind juni zomaar uit de lucht komt vallen. Wanneer we echter terug naar Les Deux Alpes worden getrokken voel ik toch teleurstelling. Ik heb geprofiteerd van een destructieve institutie. Het is zo lelijk, het dorp. De natuur is zo ver weg.

Om twaalf uur ’s middags is het bloedheet in het dal. We trekken een short over onze heupen en zoeken de schaduw op van een terras, waar de huid van onze gebruinde, in mijn geval rode kaken even tot rust kan komen. De ski’s liggen weer in de auto. Nog één keer deze zomer zullen ze van stal worden gehaald.

Wanneer ze de ENSA moeten tonen wat we allemaal wel niet geleerd hebben.

One Comment

  1. Bijzonder. Ik vind het ook wel knap dat je die lelijke kant ook durft laten zien.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s