Latest Posts

Tromgeroffel

Ik sta bij het busstation en de wind trekt aan mijn haren en kleren, de rafels van mijn broek, mijn schoenveters. We eindigen bijna twee haltes verder zonder in de bus te stappen. Het is bitterkoud. Ondanks de zaterdag, de dag waarop mensen komen en gaan en de pistes relatief verlaten zijn, is het druk op straat. Mijn bus laat lang op zich wachten en ik spring en loop heen en weer om warm te blijven.
Een groep bezopen toeristen komt het café uit. Ik laat ze passeren, volg ze met mijn ogen en zie een meisje inzakken. Languit op de stoep totdat mijn bus komt, omringt door iedereen behalve zij met wie ze was, want die plassen tegen de schutting of leunen tegen de lantaarnpaal.

De bussen van de vallei komen te laat als het veel gesneeuwd heeft of er reden is om massaal van de piste af te komen – de sluittijd van het liftstation.
Grote groepen dronken toeristen zijn het dit keer.
Ik stap in en manoeuvreer me tussen de Engelse skiërs en anekdotes. Ver na de bushalte stopt de chauffeur om iemand eruit te gooien, die zodra hij op vaste grond staat alle alcoholische ellende op kotst. Tot euforie van de rest.

Het is half twaalf ’s avonds. De bus rijdt weg van haar laatste halte en ik begin de wandeling van Argentière naar Le Tour. Tussen bomen en huizen, het pikkendonker, de wind in vlagen langs me heen als kleine hapgrage monsters. De bergen zijn zichtbaar door het wit van de sneeuw dat nog net door de nacht verschijnt. Sterren.
De stijging van de weg houdt me warm.
Halverwege heb ik het normale leven achtergelaten en wandel ik door mijn eigen gedachten. Ik ben ook een beetje dronken. Niet als de Engelsen, niet als mijn collega’s, maar het dronken dat ik word van twee biertjes.
Ik ben door het dolle heen.
Het is zo mooi dat ik eindelijk weer kan schrijven. Eindelijk. Razendsnel, elke stap twee regels.
Ik dans, want niemand ziet me toch.
Ik ben in leven, ik kan zingen want mijn stem is niet meer aan gort, ik heb weer genoeg marche om moe te worden.
De wind trekt en trekt alsof het verandering in mijn binnenste teweeg wil brengen. Doe het maar, denk ik, verander maar, dat doe me goed.

Ik ben iemand anders als ik bij het chalet aankom. De Fransen en Spanjaarden zijn allen nog wakker en dronken a mort, met lege flessen wijn en bier op tafel en zijzelf ook, of onder de bank, of uit het raam. Ik krijg shotjes wodka en wordt meegesleurd terug naar Argentière, ik schreeuw dat ik wil schrijven – moet schrijven – maar dat zegt ze niets, naar een verlaten kroeg waar ik een derde biertje met grenadinesiroop drink en een verbazingwekkend diep, Franstalig gesprek met mijn Argentijnse huisgenootje voer. Rond drie uur ’s nachts dwaal ik door de hoofdstraat op zoek naar de Fransen die miraculeus zijn verdwenen. De wind kruipt wederom agressief door mijn kleren en haren.
Maar het heeft iets bizar teders.

De jongen die ons naar huis rijdt kotst vijf minuten later de keuken onder.

Ik staar naar het haardvuur vanaf de bank in de woonkamer en voel me zachtjes terug in de realiteit landen. Met gesloten ogen luister ik naar het gebeuk van de windvlagen die als tromgeroffel door het knisperen van het haardvuur klinken. Drie lichamen liggen uitgeteld om me heen. Ik daal af naar de kelder, kruip in bed en val in slaap.

Iglo’s, bacillen, vliegende honden, honderden euro’s en een diploma

Soms leef je dagen waarvan je weet dat ze groots je eigen historie ingaan.
Deze weken zijn zo geladen dat ik er altijd een sterk gevoel aan over zal houden.
I got my ass wipped, ik ben op mijn bek gegaan, ik ben verslagen. Ik had het idee dat ik wel kon blijven aanmodderen met de bacillen en ik verbaas me bijna over de feitelijkheid van hun overwinning. Als zij werkelijk sterker zijn, dan doe je daar dus niets aan.
Mijn leven is er desondanks niet vervelender op geworden.
Gebonden aan mijn bed sla ik de komst van ladingen sneeuw en een achttal extra Fransozen in mijn huis gade. Fieke klopt aan en mengt zich in de huiselijke chaos, zo natuurlijk dat ik me haar naderende afwezigheid onmogelijk kan invoelen. De Fransen maken een iglo in de achtertuin, een gigantische, ze bouwen er een tweede iglo naast en verbinden ze met een gang. En dat alles houdt het voldoende om er op een avond met het hele huis in te kaasfonduen.
Ik ben daar niet bij, want ik draai de dagen van mijn terugkomst op het werk, daar waar de bom is gebarsten en beterschap is beloofd. De keelmalaise houdt aan en ik droom van de dag waarop ik weer kan zingen.
’s Middags slaap ik bij in een poging om de destructie van het nachtwerk te compenseren. Tijdens een sessie dagdromen zie ik opeens iets langs het kelderraam vallen. En nog iets. En nog iets.
Later hoor ik dat een Fransoos van het balkon in de poedersneeuw is gesprongen (het is een serieus balkon, ’s zomers zou dat suïcidaal zijn). Een andere Fransoos heeft een achterwaartse salto gemaakt en daarna hebben ze de honden naar beneden gegooid.
Op een avond komt dat allemaal langs mijn werk om bier te drinken. Omdat het leven nu eenmaal bizarre toeren maakt, vinden ze vierhonderd euro op de stoep voor het café en gaan ze in één beweging naar een restaurant. Pizza en Amaretto, hoor ik later.
Op de laatste dag van het verblijf van Fiekje wordt ze gebeld met het nieuws ze dat ze geslaagd is voor haar diploma verpleegkunde. Met drie achten. Haar solide prestatie staat in zulk grappig contrast met de fratsen van het leven in Le Tour dat ik er bijna met mijn kop niet bij kan. Vliegende honden rijmen slecht met jarenlange studies en stages in ziekenhuizen. Ik ben apentrots.
De iglo’s in de achtertuin glinsteren in de zon. Ik heb een verkeerde keuze gemaakt door een fulltime baan te nemen en ik kan me er niet direct uit manoeuvreren, maar het levert me een goede dosis inzicht op wat betreft de indeling van alle miljoenen dagen die nog komen gaan.
Dit seizoen heeft de charme van een probeersel. Ik mag de uitkomst wel.

Voor Pampus

Het is vier uur. Om half vijf sta ik op het rooster. Ik zit aan de grote houten tafel in de hoek van het café en ben plotseling zo moe dat ik mijn hoofd nauwelijks meer zelf kan dragen. De helft van mijn collega´s wandelt ziek om me heen. Het heerst niet eventjes, het heerst al sinds de start van het seizoen. De hele bus kucht. Ik weet nog dat mijn oud huisgenootje zei dat ze niet wilde blijven voor de winter omdat ze wist dat ze van november tot april ziek zou zijn. Nee joh, dacht ik, dan doe je gewoon een dikke jas aan.
Zes dikke jassen zouden deze beesten nog niet buiten kunnen houden.

Ik verklaar in het wilde weg dat ik ermee ga kappen. Ik trek het niet meer. De baan is teveel en te intens en de vlijmscherpe conflicten die ook al vanaf het begin van het seizoen spelen kruipen als weerzin door mijn hele lichaam.

Ik breng mezelf naar beneden, trek mijn werkkleding aan, draai het bolletje van mijn piercing af, gooi mijn haar in een staart en staar mezelf aan in de spiegel van het personeelstoilet. Je bent gek, Ruby, je bent volslagen gek.

Als ik weer boven kom is het feest al begonnen. De ene bestelling wordt gedaan voor de andere voltooit is en mijn collega’s zijn verdwenen in hun eigen wereld aan routinehandelingen. Mijn baas komt even achter de bar om extra wisselgeld in de kassa te doen en omdat ik weet dat ik er normaal gesproken te terughoudend voor zou zijn, gebruik ik mijn vermoeidheid en emoties om op hem af te stevenen en te vragen om een één op één gesprek. You busy now? – Reageert hij. Fuck, denk ik, dat is wel heel snel. Ik weet niet eens wat ik wil zeggen.
Vijf minuten later zit ik tegenover hem in een klein muf kantoortje en hoor ik mezelf ratelen alsof iemand een plug uit een verdorven hokje van mijn brein heeft getrokken. Ik zeg alles wat me dwars zit en betrek iedereen in mijn spontane veldslag. Verbazingwekkend genoeg blijkt hij overal van op de hoogte en geeft hij me in alles gelijk. Hij beloofd maatregelen en beterschap en ik vertrouw hem daarin. Een last valt van me af.

De après-ski is relatief rustig, maar vlak na het stoppen van de band komen plotseling hordes mensen binnen. Om half tien kan ik pas naar beneden om te eten. Ze zijn de keuken al aan het opruimen en ik zie meteen dat het personeelseten weggegooid is. ‘We don’t really have leftovers’, zegt mijn chef me.
Ik barst bijna in huilen uit.
Een indicatie van mijn gesteldheid.

’s Nachts rijdt een collega me terug naar Le Tour. De volgende ochtend hoef ik maar eventjes mijn bed uit om te weten dat ik er officieel aflig. Alweer. Ik heb twee dagen vrij en spendeer ze beiden onder de dekens, terwijl het weer buiten onvoorstelbaar mooi is en ik Fieke op bezoek heb. Gelukkig kan zij de hort op met mijn huisgenootjes en hoef ik me geen zorgen om haar entertainment te maken.
Ik slaap veel en ril veel en zweet veel. Als het lukt kijk ik een film of schrijf ik. Mijn gedachten maken vreemde toeren, maar het is fijn om weer even met ze alleen te zijn. Ik realiseer me dat ik iets moet veranderen om dit seizoen met fatsoen af te sluiten, een sterker lichaam of een verminderde last. Het is geen keuze.

Fieke de Goede

Vroeger wandelde ik braaf op bergpaadjes. Ik skiede op pistes. Maar sinds ik lid werd van de ASAC is de bergwereld oneindig veel groter en interessanter geworden. Rotswanden bleken beklimbaar en plots verliet ik de wandelpaden om de mooiste topjes op te klauteren. Omdat een tourskicursus er telkens niet van kwam bleef ik helaas nog altijd wel gebonden aan de pistes. Vanuit de lift staarde ik naar elk topje om me heen, dromend over hoe het zou zijn om daar omhoog te zwoegen en door de poeder naar beneden te zweven.

Twee jaar geleden was ik op wintersport met mijn familie. Mijn broer is de grootste skifanaat die ik ken en was de gehele week door het dolle heen. Ik ook, maar toch niet helemaal. Iets ontbrak. Ik bleef hem maar vertellen over mijn zomerse alpine avonturen, over hoe fantastisch het is om af te zien, kapot te gaan. Ik wilde tourskiën en niet anders. M’n broer vond dat ik me maar aanstelde. Afzien..

Ook dit jaar ging mijn plan om op tourskicursus te gaan niet door. Ik kreeg namelijk de kans om met een paar fantastische mensen te gaan ijsklimmen. Een prima alternatief. Een week lang hebben we ons uitgeleefd op brakke watervallen in Oostenrijk. Toen de rest terugkeerde naar Nederland stapte ik in de trein naar Chamonix.

Op avontuur met Ruby.

Nog slechts een half jaar geleden was ik niet echt fan van Chamonix – veel te toeristisch. Sinds Ruby zich echter in de Mont Blanc vallei heeft gesetteld, heb ik de schoonheid van het massief om Chamonix heen ontdekt. De bergen zijn zo imponerend dat mijn hart bij de eerste aanblik vanaf de snelweg al als een dolle tekeer gaat. Ik heb ontdekt dat alles wat je in de bergen maar zou willen doen, hier mogelijk is. Tijdens eerdere bezoekjes afgelopen jaar heb ik al bizarre avonturen beleefd met Ruby – sprookjes en de dansende spookjes, herfstzonnetje – en ik wist dat deze week minstens zo goed zou worden. Geen plannen, wat we ook zouden gaan doen, het zou goed zijn. Chamonix biedt mogelijkheden.

Ruby had bij een huisgenoot – Adria – laten vallen dat ik dolgraag wil tourskiën. Ik werd spontaan uitgenodigd om mee te gaan op tocht. Eerst stond er een gigantische tour op de planning, steigend vanuit Argentiere, ergens de Chardonnet over, dan Col du Tour en skiënd terug tot in de achtertuin van het Chalet. Precies daar waar ik mijn eerst zelfstandige alpine tocht heb gemaakt – met Ruby – de gletsjer af skiën..
Het sneeuwde en stormde de dagen ervoor en het plan viel in het water.
Later kreeg ik echter bericht van Adria. ‘We’ll do a bit of ski touring tomorrow but much shorter than that what was planned because of the avalance risk. If you want to come you’ll need to come to the shop (de skiverhuur in Chamonix waar Adria werkt) and get your touring skis!’ ‘Souds awesome! I’ll come straight away!’

In de skiverhuur realiseerde ik me dat ik geen flauw benul had van wat ik eigenlijk ging doen. Ik wist niets van de ski’s, de vellen, de loop en ski-stand van de ski’s. Geen idee van de piep, het tassenpakken voor een tourski tocht, het routeverloop. Ik voelde me een idioot en snapte even niet meer waarom zo kon dromen over iets waarvan ik de inhoud niet kende.
Maar ik begreep al snel weer wat het was, die droom.
Ik wilde zelf de berg op komen. Ik wilde het verdienen om door de poeder naar beneden te roetsjen en afgepeigerd maar volledig voldaan neer te ploffen op de bank in het Chalet met de Spanjaarden. Ik wist dat dat me blij zou maken.

IMG_0816Op pad gingen we, Adria en ik onder begeleiding van Marcel – een bevriende spanjaard die al zoveel ervaring heeft dat hij hoopt binnenkort met zijn opleiding tot berggids te beginnen. Een goed stel om mijn eerste tocht mee te maken. Ik kreeg uitgelegd hoe ik mijn vellen op mijn ski’s moest binden en daar gingen we. Eerst vond ik ze maar in de weg zitten die lange zware latten. Maar ik raakte eraan gewend en steeg steeds gemakkelijker omhoog door het besneeuwde bos.
Heerlijk.
Ik was door het dolle heen. Het was zó fijn om daar te zijn, om op de ski’s te staan en tegelijkertijd de wereld om me heen in me op te nemen. Hoe dunner het bos werd, hoe zichtbaarder de gigantische bergen werden. Ik genoot van de zon die na al die dagen storm volop scheen, ik genoot van het aanzicht van de imposante bergen, ik genoot van het Spaanse gezelschap. Ik voelde me goed en raakte vertrouwd met mijn ski’s. We stegen boven het bos uit en gingen weides over die werden omringd door rauwe rotswanden. Mijn gedachten dwaalden af. Niets leek er meer toen te doen. Het leven was weer een spel. Dat is wat de bergen met me doen. Ze maken me gelukkig, rustig, euforisch..

Even werd ik opgeschrikt door een stel tourskiërs die ons in razend tempo passeerden – het bleek de beste skiër van de hele wereld te zijn, ene Kilian Jornet met wat aanhang. Toen ik hun smalle skietjes zag besefte ik dat de ski’s van Marcel die ik maar raar smal had gevonden, toch niet zo oldschool en hippie waren als ik dacht. Stiekem waren ze veel functioneler dan de brede zware ski’s van Adria en mij. Ik hoopte maar dat ik tijdens de afdaling profijt zou hebben van mijn brede ski’s. Want hoewel ik de pistes prima naar beneden kom ben ik nog niet zo’n ster in off-piste skiën.
Ergens kneep ik hem een beetje..

Op de top besloot Marcel het couloir rechts naar beneden te nemen. Aan het begin smal en stijl, daarna steeds breder en vlakker aflopend. Ik dacht dat het goed moest komen. De jongens vlogen naar beneden. Pas toen het mijn beurt was zag ik dat ik eerst een sprong van zo’n meter moest maken en daarna meteen een bocht zou moeten maken. Mijn hart sloeg over en mijn benen leken van pap. Ik moest lachen om mezelf en stiekem wilde ik een beetje huilen. Hier had ik zolang van gedroomd, en nu stond ik hier.. Ik durfde niet en ik wilde niet.. Maar er was geen ontkomen aan.
Ik ging en liet me na elk bocht in de poeder vallen in de hoop dat ik op die manier mijn kniebanden zou sparen. Toen het couloir breder en minder stijl werd, durfde ik het aan twee bochtjes achter elkaar te maken en uiteindelijk liet ik mijn ski’s vaart maken. Eenmaal bij de Spanjaarden waren mijn benen zo verzuurd dat ik niets meer kon en me in de sneeuw moest laten vallen.
‘C’etait bon, ton premiere descente?’ antwoorde ik met ‘horrible, mais super’!!

Ik voelde me steeds meer thuis in de poeder en sjeesde jodelend achter de jongens aan. Gedurende het laatste stuk door het bos over smalle paadjes was ik weer helemaal in mijn element en we hadden dikke pret.
We dronken een bier in La Buet en namen nog een tweede. Dronken van blijdschap, vermoeidheid en alcohol stapten we uiteindelijk het treintje in, terug naar de warmte van het huis.

Net buiten Chamonix, in Le Tour, ligt de uitvalbasis van Ruby. Het is al benoemd in eerdere gastblogs, meerdere keren; het huis, de Spanjaarden de Fransozen…  Het is er fantastisch. Al het moois wat zich in het chalet afspeelt en de sfeer die er hangt, zouden echter niet zo fijn en mooi zijn als dit chalet op een andere plek stond. De bergen, het bergleven, het maakt alles compleet.
Na een dag buitenspelen wordt je gevoerd met Spaans eten, gekkigheid en liefde. Ik snap heel goed dat Ruby verliefd is geworden op dit leven, op de mensen, op het huis. Maar vooral ook op de bergen.

Ik wil hier blijven.

IMG_0807

Annick Speur

Even langs bij Ruby

Er zijn vele soorten franse lekkernijen, tijdens mijn bezoek aan Ruby in Chamonix heb ik een nieuw geneugte ontdekt, een croissant au amande. Over het algemeen ben ik een simpel mens met simpele wensen, en zo bestel ik doorgaans een croissant, op een wilde dag misschien een pain au chocolat.

Maar niet Ruby. Ruby is geëmigreerd en inmiddels ook volledig geïntegreerd in Chamonix. Zij besteld dus onder de torenhoge druk geleverd door de stroeve blik van de franse madame bij de bakker niet zomaar een croissant, nee, zij besteld een croissant au amande. Bij het wachten op de bus eten wij onze lekkernijen op(een normale croissant voor mij, dat wel).

Ik ben op bezoek bij Ruby om haar eindelijk weer eens goed te spreken en ook om misbruik te maken van het feit dat haar vloer plek heeft voor een matje en pal midden in een (winter)sport walhalla ligt. Ik word toegevoegd aan de 301 Spanjaarden (zie ook de gastblog van Bas) en honden en maak me er gelijk thuis. Ik ski, zit op de bank, slaap, doe niks.

Maar niet Ruby, want Ruby is druk. Haar dagen zijn gevuld met werken, klimmen, skiën, schrijven. Nu denk je misschien, wat een luilekker leventje, beetje de piste op, af en toe klimmen, chillen met Spanjaarden, maar dat is niet wat Ruby doet. Ze wil en ze moet beter worden, harder klimmen, sneller skiën. En Ruby heeft geen tijd voor niks, geen tijd voor blowende huisgenoten, geen tijd voor zuipende collega’s. Gelukkig wel een klein beetje tijd om met mij te kletsen en te mijmeren over het leven. Heel even maar, dan moet ze naar werk, of schrijven, even snel een blog eruit, verder aan haar droom (“Wat kost eigenlijk een domeinnaam? Zoveel? Hoezo zoveel? Moet ik privé bescherming erbij? Kost wel tien euro..”)

Ik weet natuurlijk niet wat de lezers van dit blog denken over Ruby’s grote beweging naar de bergen. Ik wil ook niet een groots lofzang houden waarover Ruby zich genegeerd zal voelen en daardoor dit stukje het internet niet meer zal halen. Dus laat ik het bij het volgende houden.

Ruby werk hard, heel hard (te hard?) en dat vind ik knap. Te midden van de totale chaos van Chamonix en het chalet met Spanjaarden zal je Ruby tegenkomen, werkend aan haar droom, met super focus, en geen tijd voor afleiding.

Op woensdag word ik verblind van de berg afgesneeuwd en besluit ik enigszins bedroefd de bus naar Chamonix te nemen. Verloren en half griepig loop ik langs gesloten (lunchtijd is alles dicht, weet ik veel) en veel te dure winkels. Als de apotheek eindelijk weer open is koop ik paracetamol en een neusspray en loop ik door naar de bakker. Ai, weer een stroeve franse madame. Onder druk zeg ik het eerste wat in me opkomt, “un croissant au amande s’il vous plaît”. En dat was me toch verdomme een lekker croissantje. Door de natte sneeuw loop ik al etend naar de bus. In het chalet geen Ruby, wel een hond. Ik ga maar vroeg naar bed.

Mijn laatste dag brengt ons een dikke laag verse poeder en mijn herstelde gezondheid. Het is erg koud, maar zo makkelijk komen ze nog niet van mij af. Met een Spanjaard uit het chalet maak ik in de namiddag in de kniediepe sneeuw ergens naast de piste de beste runs van de week. Wanneer we moe en hongerig terugkomen in het chalet is er een brandende openhaard, warme choco en pasta en een tafel vol met Ruby en Spanjaarden.

Ondanks het feit dat Ruby en ik nog wel jaren zouden kunnen praten is mijn vakantie helaas voorbij. Op het vliegveld van Genève eet ik mijn laatste croissant, een gewone, en ga ik weer terug naar huis.

Roze bril

Sinds dat stuk van Bas vertrouw ik mijn eigen schrijven niet meer.
Ik ben inderdaad een beetje een romanticus, beweeg mezelf door Chamonix met een roze bril, of in elk geval lichtroze. Haren in een afvoerputje, hasjlucht of gevaarlijke wc-potten dringen niet echt tot me door als hinderlijke aspecten van het zojuist geëmigreerde bestaan, omdat ik heel gemakkelijk high word van dat bestaan zelf. Ik schrijf zo stoned als een garnaal en ben misschien zo stoned als een garnaal zolang het dagelijks leven me niet afleidt. Ik heb daar ooit hard aan gewerkt, ik heb die bril zelf roze geverfd, misschien zag ik de haren in het afvoerputje al aankomen en ben ik preventief gemakkelijk geworden.
Hoe dan ook, ik moet tegenwoordig een beetje lachen om mezelf en mijn woorden omdat ik me er bewust van ben geworden dat ik een hele gestileerde versie van mijn bestaan op deze blog naar voren breng – wat logisch is, maar wel geinig. Ik vind het geinig.
Ik ben nu eigenlijk wel getriggerd om over niet romantische dingen te schrijven. Even die bril afzetten.

Zoals: Ik vind nooit de tijd om boodschappen te doen en heb daarom nooit ontbijt. De dichtstbijzijnde winkel zit in Argentière en die bus gaat slechts elk half uur. Dat gaat dus niet. En ’s ochtends, als ik het liefst met een kop koffie vanaf de bank uit het raam staar, ligt er vaak al een Spanjaard op de bank, en dan weet ik niet meer waar ik met mijn koffie heen moet.
Mijn Iphonekabeltje is altijd weg, ergens nabij de slaapplekken van alle negen chaletgenootjes, en mijn Iphone zelf ook – maar dat ligt aan mij.
De bussen zijn sinds de komst van het hoog-hoog seizoen zo afgeladen dat zo nu en dan het eind van een skistok, een goggle of het puntje van een neus klem raakt tussen de busdeuren. Voor het poortje van de skilift staat een rij van meer dan een uur, met vuil kijkende toeristen die elke tien minuten met kromme benen in hun ongemakkelijke skischoenen een metertje naar voren schuiven. Diezelfde toeristen laten hun fatsoen achter op de piste en staan ’s avonds strontlazarus aan mijn bar, niet zelden walgelijk arrogant van door alcohol (of het bezit van geld, want we zijn nog altijd in Chamonix) aangemoedigde grootheidswaanzin.
Na de après-ski zijn mijn collegaatjes en ik ruim twee uur bezig om de boel weer schoon te krijgen, en als er een ‘ten o’clock wave’ binnen komt wens ik iedereen hele nare dingen toe, want dan mogen we alles opnieuw gaan schoonmaken en lig ik niet in mijn bed voor half 2 ’s nachts.
Ik ben de grootste partypooper ooit en wijs als een waar sociaal ondier elke mogelijke afspraak af, omdat ik prioriteiten stel die voor de gemiddelde seizoensarbeider onbegrijpelijk zijn (Sorry, ik wil mijn verhaal vanavond afschrijven. Waar gaat dat dan over? Over de onromantische aspecten van mijn Chamonix  bestaan. Oh… Ok).
Soms kijk ik naar Juna, de chalethond, op haar groene dekentje bij de kachel en ben ik jaloers op haar omdat ze alleen maar slaapt en eet. Ik wil ook wel slapen en eten.

Goed, dan nu die bril weer op.
Ik woon in de bergen.
Alleen dat is relevant.

Bas Visscher

photo (20)

Trouwe lezers van deze blog, jullie gaan vandaag niet in jullie vaste portie Ruby-schrijfsels bediend worden. Nee, in dit gastblog is het tijd voor wat anders.  Ruby is een romanticus, idealist, optimist, dromer, liefhebber van lyrisch schrijven, observator, doorzetter, vrije geest, bikkel en wereldburger. En daar zijn haar schrijfsels dan ook naar. In deze blog gaat het over een andere boeg. Afgelopen dagen heb ik Ruby haar Chamonix-experience van dichtbij  mogen meemaken. Tijd om de ontnuchterende waarheid op tafel te hebben, maar ook om de balans op te maken na ruim een half jaar Chamonix. Dan wordt het laagland weer geïnformeerd. Een puntsgewijze beschrijving van de situatie:

– Laat ik beginnen met de plek waar Ruby woont. Dit is in Le Tour, een klein dorpje tussen Chamonix en de col des Montets. De bekendste inwoner is de Spanjaard Kilian Jornet, de ultrafitte ultraloper die vanuit Chamonix de 1000m hoge Grandes Jorasses noordwand opsprint op hardloopschoenen. In Le Tour  wonen op zijn minst 5  andere Spanjaarden, namelijk in het huis van Ruby. Dit aantal is fluctuerend en door niemand definitief vast te stellen. Het is namelijk een kwestie van komen en gaan van Spanjaarden. Het aantal aanwezige Spanjaarden word ten dele beïnvloed door de huisstemming, maar daarover meer in het volgende punt. En tot zover de demografische gegevens.
–  Door naar de sfeer in het huis. Bij binnenkomst valt de geur van hasj op. Dit bleek een constante factor tijdens mijn verblijf. Naast het fluctuerende aantal Spanjaarden zijn er ook enkele Fransen. Iedereen is bijzonder hartelijk tegen elkaar en er staan 4 gitaren klaar om bespeeld te worden. Het onderlinge Spaanse converserende geratel overheerst, en zoals het een buitensportende blowende Spanjaard betaamt is er ook een hond die zich alleen laat aaien in ruil voor voedsel. Soms zijn er ook 3 honden, maar dat hangt van af van de fluctuatie in het aantal Spanjaarden. Iedereen in het huis nodigt namelijk zijn vrienden, familie en scharrels uit om op de bank te komen slapen. Het is volkomen onduidelijk wie er nou wel officieel huur betaalt en wie niet. Dit heeft al tot een heftige soap geleid die absoluut de moeite waard is om te beschrijven. Een van de Spanjaarden (met 2 drukke honden) had namelijk een permanente slaapplek op de bank veroverd. Na verloop van tijd was de sfeer niet meer zo tranquillo, en concludeerde de Spaanse inquisitie dat hij helemaal geen huur betaalde. De Spanjaard in kwestie weigerde echter het huis te verlaten. Er volgde een heuse huisstemming (ik stel me een Asterix&Obelix achtig tafereel voor), waarbij de Spanjaard het huis werd uit gestemd. Daarna (of daarvoor) leende de Spanjaard ook nog eens het snowboard van de andere Spanjaard zonder hiervoor toestemming te vragen. Toen beide heren elkaar toevallig genoeg op de mooie pistes van Le Tour tegen kwamen waren de rapen gaar. Na deze confrontatie verdween de illegale Spanjaard van het toneel. Maar inmiddels is de ruzie tussen de Spanjaarden toevallig genoeg weer bijgelegd. En zo zal het aantal Spanjaarden komende tijd blijven fluctueren. Ik kan dit wel waarderen.
– Los van deze soap: over het algemeen heerst er een prima sfeertje in het huis. Zo bakt de kamergenoot van Ruby lekkere brownies. Zonder suiker, want die is al weken op. Maar je humeur kan wel goed verpest worden als je onoplettend op het toilet op de onderste verdieping gaat zitten. De loszittende toiletbril vereist een secure plaatsing van je achterwerk. Je zou niet de eerste zijn die een ongecontroleerde val naast de pot moet ondergaan. Voor advies kan je Ruby vragen. Milieubewust zijn ze ook in dit huis. Om waterverspilling tijdens het douchen tegen te gaan wordt er bewust gebruik gemaakt van een natuurlijke, harige buffer in het doucheputje. Als je te lang doucht staat er te veel water in de douchebak en overstroomt de badkamer. Dit wil je natuurlijk niet meemaken. Handig en zuinig!
– Dan door naar de ski en klimmogelijkheden. De pistes van Le Tour zijn echt op loopafstand en dat is natuurlijk fantastisch. Pas wel op dat je niet door de Britse colonne overhoop wordt geskied. De beste kamikaze taferelen zijn te zien bij de BMW slalom snelheidsmeter. Ook is Ruby al in aanraking gekomen met de Franse kindjes op skies, die nietsontziend zijn. De nabijheid van de Albert Premierhut biedt trouwens veel mogelijkheden voor alpien vertier. De beklimming van de sierlijke Chardonnet prijkt op menig wishlistje, en als alternatief kan je altijd de toegankelijke Aiguille du Tour op. In Le Tour sneeuwde het tijdens mijn verblijf, terwijl het in Chamonix regende. Goed geregeld Ruby!

– Voor fatsoenlijk apres-skieen moet je echter niet in Le Tour zijn. Ruby haar eigen werk, café Chambre Neuf nabij Gare Chamonix, voorziet gelukkig in alle behoeftes van de doorgewinterde apres-skier. Toen ik polshoogte kwam nemen zag ik van buitenaf door de ramen heen al de bezwete en ontblote bovenlichamen op de tafel staan dansen. Binnen werd door iedereen hartstochtelijk Angels van Robbie Williams meegezongen. Tussen dit tumult tapt Ruby dagelijks de glazen weer vol. Elke avond vloeit de drank rijkelijk, swingt de band, gaan de shirts uit en worden de ski-ambities weer een jaar uitgesteld door de ziedende katers. In de wereldhoofdstad van het alpinisme heeft Ruby inmiddels als geen ander begrepen dat ongegeneerd zuipen en feesten de drijvende kracht achter de lokale economie is.

Laten we de balans opmaken. Ik kan me goed voorstellen dat je door bovenstaand verhaal nog niet volledig overtuigd bent van Ruby haar welzijn in het bizarre Chamonix. Toch kan ik jullie beloven dat het naar omstandigheden vrij goed gaat. Ruby klimt, skiet, traint, geniet, lacht en kijkt vooruit. Ze slaapt wel te weinig en ze zou nog wat vaker goed moeten koken. Dit komt allemaal wel goed. Hoort bij de opstartproblemen, zo zullen we maar zeggen. En met de hierboven beschreven taferelen gaat ze ook heel laconiek om. Waar menig persoon al drie keer gek zou zijn geworden, jaagt Ruby haar dromen na. Mijn goedkeuring en bewondering (eerlijk is eerlijk) heeft ze, maar ik verzoek ook de volgende Nederlandse bezoeker om als correspondent naar de laaglanders geen blad voor de mond te nemen. Dit maakt het jaloers zijn voor ons als achterblijvers hopelijk iets dragelijker, en dan weten we goed door wat malligheden je heen moet om in Chamonix te kunnen aarden.

7: Paarse Monsters

De zevende dag op ski’s

We zijn in Le Tour. Ik ski vaak met mijn huisgenootje, en op één of andere manier is het telkens slecht weer als ik met hem op de piste sta.
Dit keer is het bijna helderblauw.
Maar de monsters op de onderste piste zijn knalpaars.

Sinds mijn dag op de groene babypiste begrijp ik een stuk meer van het verbond tussen ski’s en zwaartekracht. Alhoewel ik gedurende de eerste twee runs onveranderlijk strijd naar controle voer, pik ik snel een soort van comfort op. Ik kan mijn onderbenen ontspannen en gaan op de golven van de piste, op wat voor manier dan ook.

Mijn huisgenootje brengt me in de loop van de dag naar het begin van een rode piste. Het is er zo één om beginners goed te laten voelen over hun eigen skikunst. Een verkapte babyspiste, en dus vloei ik er doorheen. Ik knal bijna in een twee meter hoge sneeuwwand die ik even niet aan had zien komen, verder voel ik me een Argentiërse superski baby.

Aan het eind van de dag staat me wederom de befaamde laatste rode piste te wachten. Ik poep hem al op de eerste meters. We komen een ander huisgenootje tegen, die me met zijn vrienden in een wolk van poedersneeuw voorbij vliegt. Come, Ruby, schreewt hij me toe. No, there purple monsters here, schreeuw ik terug.
Die zijn hier altijd.
Ik wacht tot een falende boarder uit mijn skiveld is en bocht het hele ding naar beneden.
Ik ben er nog lang, lang niet.

4: De Achtertuin

De vierde dag op ski’s

Mijn eerste zelfstandige alpine avontuur begon op de graspistes van Le Tour aan het begin van de weg naar Refuge Albert.
Twee jaar later kwam ik er weer en liep ik dezelfde route, heen, niet terug, omdat ik met de heli was afgescheept naar Zwitserland.
Afgelopen zomer was ik er met mijn ouders om ze Glacier du Tour te tonen. Heen én terug.
Afgelopen herfst liep ik er met Fieke voor een eerste buiten-seizoen alpine avontuur. Er lag al wat sneeuw. Op de terugweg dansten we op Lean on van Major Lazer, een gigantische mainstream hit die me nog steeds gelukkig maakt omwille van die willekeurige dans bovenaan de grasgroene pistes.

Le Tour was me al dierbaar voor ik er kwam wonen.

Nu heb ik negen fantastische huisgenoten in een chalet aan de rand van het dorp en beginnen de pistes praktisch in onze achtertuin. De keukenramen kijken uit op La Balme, het skigebied boven Le Tour, en tonen me ’s ochtends of de liftjes gaan of niet. Lange tijd was alleen de onderste piste open, kunstmatig in stand gehouden door sneeuwspuiters die ’s zomers ijzeren onkruid vormen. Een rode piste. Te moeilijk. Ik heb me een eeuwigheid verheugd op het openen van de andere pistes, zodat ik vanaf mijn ontbijtkruk naar buiten kon hobbelen en met nog slaperige ogen het eerste liftje kon pakken.

Vandaag kan ik eindelijk mijn eigen piste op.

Een beetje zenuwachtig zit ik in de lift, wederom, want al weet ik nu dat zowel Flegère als Brevent me niet opeten, het liftje in mijn achtertuin zou zomaar die ene kwaadaardige kunnen zijn.
Het is helder buiten. Met een liedje op wordt ik de berg opgetakeld, in mijn eigen ei, op mijn eigen avontuur tussen normaal geworden adembenemende schoonheid. Bovenaan klik ik mijn ski’s in en laat ik een stoeltjeslift me oppikken. De wereld blijft adembenemend.
Ik herken het landschap aan hobbels en liften, huisjes en bergen, maar het is een andere plek dan voorheen. Hier ben ik nog nooit geweest. Hier is het wit.

Ik ben natuurlijk vergeten hoe ik moet skiën en rem de blauwe piste van boven naar beneden. De sneeuw is hard, ijzig. Om me heen zijn beginners en ik haat ze, want mijn controle is er niet en die van hun is afkomstig van de skileraar die als mama eend de sloot domineert.
Ze bezetten in een megazigzag de hele piste. Ik heb liever een enkele kamikazepiloot dan een onvoorspelbare rij van tien trage pizzapunten.

Er is één steile helling waar alle pizzapunten zich boven verzamelen. En ik dus ook. Ik moet wachten tot elke pizzapunt zijwaarts de helling afglijd en voel mijn eigen moet in mijn schoenen zinken.

Stomme beginners.

Gedurende de tweede en derde piste zakt mijn ergernis, met name omdat mijn controle terugkomt en ik de brede zigzaggen enigszins kan ontwijken. Ik ski zo’n acht keer de steile helling af en alhoewel ik er niet angstloos aan begin, lukt het me wat vaart te behouden en in bochtjes naar beneden te gaan.
Het is weer een feest. Woosh. Vrijheid.

imageNa drie uur verlies ik zowel de euforie van controle als mijn concentratie en steven ik terug naar het liftje richting Le Tour.
Ik ben de enige die niet via de piste afdaalt, maar de rode piste is absoluut te eng voor mij. Vanuit mijn eenzame ei zie ik de sneeuwhelling voorbij glijden. Ergens halverwege skiet een nog geen meter hoge pizzapunt met dinosaurushelm achter zijn papa aan, bochtje naar bochtje, en ik realiseer me dat ik dat ook wel had gekunt.

Stomme beginner.

Beneden klik ik mijn ski’s uit en loop naar huis alsof de wereld van mij is, want ik heb geskiet in mijn eigen achtertuin. Ik zet mijn ski’s tegen de buitenwand, mijn skischoenen beneden in het skihok en ga zelf de keuken in. Terwijl ik wacht op het opwarmen van mijn chocolademelk staar ik uit het raam en zie ik poppetjes op de rode piste van La Balme.
Volgende keer ski ik hem ook, beloof ik mezelf.

 

Mam,

Ik was laatst een biertje aan het tappen in mijn café. De afgelopen paar dagen schijnt de zon in Chamonix, misschien niet het beste voor de pistes, maar wel goed voor ons gemoed. Ik keek naar buiten en zag mensen op het terras van het café tegenover ons. Mijn gedachten vlogen, zo even naar vroeger, shit, mam, wat lijkt dat lang geleden. Ik kan het niet eens vroeger noemen, maar op de een of andere manier heeft de wereld heel veel rondjes gedraaid sinds ik in de auto naar Chamonix ben gestapt. Andere rondjes voor jou en mij.

Gedurende het tappen van dat ene biertje wenste ik zo vurig dat ik met jou op een terras kon zitten dat het me de rest van de dag niet meer losliet. Ik fantaseerde over de gesprekken die we zouden hebben, over de nieuwe levensfilosofie die ik over je heen zou storten. Jij zou me corrigeren en inzichten geven in mijzelf, want al ben je het er niet mee eens, ik voel me nog immer een variant van jou. Misschien wat losgeslagen, maar een jou, ontegenzeggelijk.
Dat biertje was natuurlijk noch voor jou, noch voor mij.
Ik hou zoveel van jou en papa en ik mis jullie.

Tot snel, hoop ik.