Voor Pampus

Het is vier uur. Om half vijf sta ik op het rooster. Ik zit aan de grote houten tafel in de hoek van het café en ben plotseling zo moe dat ik mijn hoofd nauwelijks meer zelf kan dragen. De helft van mijn collega´s wandelt ziek om me heen. Het heerst niet eventjes, het heerst al sinds de start van het seizoen. De hele bus kucht. Ik weet nog dat mijn oud huisgenootje zei dat ze niet wilde blijven voor de winter omdat ze wist dat ze van november tot april ziek zou zijn. Nee joh, dacht ik, dan doe je gewoon een dikke jas aan.
Zes dikke jassen zouden deze beesten nog niet buiten kunnen houden.

Ik verklaar in het wilde weg dat ik ermee ga kappen. Ik trek het niet meer. De baan is teveel en te intens en de vlijmscherpe conflicten die ook al vanaf het begin van het seizoen spelen kruipen als weerzin door mijn hele lichaam.

Ik breng mezelf naar beneden, trek mijn werkkleding aan, draai het bolletje van mijn piercing af, gooi mijn haar in een staart en staar mezelf aan in de spiegel van het personeelstoilet. Je bent gek, Ruby, je bent volslagen gek.

Als ik weer boven kom is het feest al begonnen. De ene bestelling wordt gedaan voor de andere voltooit is en mijn collega’s zijn verdwenen in hun eigen wereld aan routinehandelingen. Mijn baas komt even achter de bar om extra wisselgeld in de kassa te doen en omdat ik weet dat ik er normaal gesproken te terughoudend voor zou zijn, gebruik ik mijn vermoeidheid en emoties om op hem af te stevenen en te vragen om een één op één gesprek. You busy now? – Reageert hij. Fuck, denk ik, dat is wel heel snel. Ik weet niet eens wat ik wil zeggen.
Vijf minuten later zit ik tegenover hem in een klein muf kantoortje en hoor ik mezelf ratelen alsof iemand een plug uit een verdorven hokje van mijn brein heeft getrokken. Ik zeg alles wat me dwars zit en betrek iedereen in mijn spontane veldslag. Verbazingwekkend genoeg blijkt hij overal van op de hoogte en geeft hij me in alles gelijk. Hij beloofd maatregelen en beterschap en ik vertrouw hem daarin. Een last valt van me af.

De après-ski is relatief rustig, maar vlak na het stoppen van de band komen plotseling hordes mensen binnen. Om half tien kan ik pas naar beneden om te eten. Ze zijn de keuken al aan het opruimen en ik zie meteen dat het personeelseten weggegooid is. ‘We don’t really have leftovers’, zegt mijn chef me.
Ik barst bijna in huilen uit.
Een indicatie van mijn gesteldheid.

’s Nachts rijdt een collega me terug naar Le Tour. De volgende ochtend hoef ik maar eventjes mijn bed uit om te weten dat ik er officieel aflig. Alweer. Ik heb twee dagen vrij en spendeer ze beiden onder de dekens, terwijl het weer buiten onvoorstelbaar mooi is en ik Fieke op bezoek heb. Gelukkig kan zij de hort op met mijn huisgenootjes en hoef ik me geen zorgen om haar entertainment te maken.
Ik slaap veel en ril veel en zweet veel. Als het lukt kijk ik een film of schrijf ik. Mijn gedachten maken vreemde toeren, maar het is fijn om weer even met ze alleen te zijn. Ik realiseer me dat ik iets moet veranderen om dit seizoen met fatsoen af te sluiten, een sterker lichaam of een verminderde last. Het is geen keuze.

One Comment

  1. liev Ruby, ik geniet van je blog, bewonder je zelfgekozen pad, maar je verdient zoveel meer dan op deze manier in jouw bergen te zijn. Dat dacht ik al een tijdje, las vervolgens dit laatste blog en zag dat je zelf ook al die weg probeert in te slaan. Chapeau!
    Willemijn

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s