Latest Posts

Kwakkel

Het is niet verstandig een tekst te schrijven om 00:20, wanneer je zo moe bent dat de aftocht van bank naar bed een te grote opgave is. Maar nu ik eenmaal mijn laptop op mijn schoot heb kan ik het niet laten een kleine toer door mijn eigen moeheid te maken.

Ik vraag me immer af hoe mijn artsenvriendinnetjes hun coschappen door zijn gekomen. Ik zie best in dat adrenaline en verantwoordelijkheid je een eind brengt, maar wat dan op die schaarse vrije momenten? Hoe krijg je die lichaamsvezels dan nog als een eenheid in beweging? Fuck, ik kan dat niet hoor.

Mijn grootste en enige probleem is dat mijn fysiek het nog steeds niet trekt, dit leven. Mijn weerstand zit aanhoudend onder nul, zo ijzig als sommige pistes hier in Le Tour. En ik ben nog geen nacht uit geweest; dat is een indicatie an sich, ik blijf naar mijn feestbeestvriendjes herhalen dat ik met ze mee op pad ga wanneer mijn lichaam zich een korte nacht kan permitteren. Niet dus.

Ik vraag me bijna af of ik niet een paar dagen achtereen het skiën en klimmen moet laten voor wat het is, om alleen het venijn van mijn werklast te hoeven verdragen. 42 uur per week rondrennen achter een bar zou toch geen doodsvonnis moeten betekenen voor een kerngezonde 24 jarige met een klein geval van chronische keeltyfus in een winters milieu. Maar ik ben hier om te klimmen en te skiën, niet om te werken. Ik zou eigenlijk mijn werk even stil moeten leggen. Zo werkt de wereld helaas niet.

Ik lig voor pampus. Apathisch moe met hoofdholtes vol beesten die forten in mijn longen bouwen. Toevallig ben ik al twee keer langs een arts geweest voor een gezondheidscheck; de ene was voor werk en de ander voor een certificat d’aptitude voor het klimmen in een klimhal. Beide artsen waren verrast over mijn sterke hart. Gigantisch.
Ik heb een ijzersterk hart.
Blijkbaar heb ik daar nu weinig aan.

Ik weet het niet. Ik ben een klein kind dat niet wil stoppen. Tegelijkertijd kijk ik intens uit naar het moment dat ik dit allemaal kan doen zonder dat ik me in een constante modus van uithijgen bevind. Ik denk niet dat het werkelijk teveel is, ik denk alleen dat ik even 100% in orde moet zijn voor ik dit schema voortzet.
Kwakkel, kwakkel.

8: Teleski Difficile

De achtste dag op ski’s

Ik houd korte verslagjes bij van elke dag dat ik ga skiën, om mezelf een reflectie af te dwingen op de afgelopen sessie én om het schrijven van de blog over die dag uit te kunnen stellen, zonder dat ik cruciale informatie vergeet.

De eerste zin van het verslag van mijn achtste skidag luid (dikgedrukt): De eerste dag dat ik niet begin als een idioot.

De achtste dag begon goed. Het was inderdaad de eerste dag waarop mijn lichaam zich  kon herinneren hoe het een piste af moet bewegen. Ik was alleen op Le Tour en het weer was perfect. Elke hobbel op de piste was ver van tevoren zichtbaar. Ik begon aan blauw, die ene die ik al honderd keer ben afgeskied, en bleef daar het gros van de dag. Er liep een paddenstoelliftje langs omhoog en ik was vastberaden die trouw te blijven totdat ik de piste begreep, zoals ik de groene piste op dag zes had begrepen. Het was een mooie dag, écht een mooie dag, want de paddenstoellift was een ‘Teleski Difficile’ en ik zag dat pas na drie rondjes.

Progressie.

Af en toe maakte ik een uitstapje naar de rode piste, en de terugkomst bij blauw was keer op keer hartverwarmend. Ik heb weinig idee meer waar ik precies mee bezig ben, ik kan mezelf niet zien laat staan corrigeren, maar ik heb iets dat ik nastreef, een soort toestand die ik soms bereik waarin dingen lijken te kloppen. Iets gevoelsmatig. Het was voor het eerst dit keer dat ik controle werkelijk voelde, dat het me overkwam in plaats van dat ik ervoor vocht.

Een dag als deze achtste heb ik nodig. Waarschijnlijk ziet het er niet uit en moet ik honderd verkeerde gewoontes afleren wanneer ik weer een les neem, maar die frustratie is voor later. Nu voelt het goed en gaat het goed.

3: Bovenaan de Helling

De derde dag op ski’s

Brevent ken ik niet. Afgelopen zomer woonde ik tegenover het liftstation en zag ik de eitjes vanachter mijn raam omhoog getrokken worden, maar ik ben nog nooit boven geweest. Ik weet inmiddels dat Flegère zich niet specifiek munt op debutanten, ik heb gezien dat er sneeuw ligt en ervaren dat de liftjes me netjes bovenaan de piste afzetten. Van Brevent weet ik niets.
Ik had dus ook een dag Flegere geprefereerd, ware het niet dat mijn huisgenootje mee wilde skiën gedurende zijn drie uur lange middagpauze en zijn werk vlakbij Brevent ligt.
Rond tien uur liep hij ski’s te verkopen en zat ik al in één zo’n ei.
Het woei als een malle. Het moment dat ik uit het liftstation stapte werd ik aangevallen door duizend agressieve sneeuwvlokken. Ik zag een bordje Espace Debutant voor een soort liftgebouw en sjuffelde erheen, in de lift, tussen Britten die naar bier roken. Ergens in een wit niemandsland werden we afgezet, en ik had geen idee meer waar ik was of heen moest. Ik koos een helling links van me en stond twee minuten later weer voor het bordje Espace Debutant, met het vage vermoeden dat ik ergens het hele ding gemist had. Dit keer koos ik ervoor om de menigte te volgen en sloot ik aan bij de blauwe piste.

Mijn eerste blauwe piste.

Het einde is nabij, dacht ik bij mijzelf. Twee gescheurde kniebanden en een toertje in de banaan. Dag drie.
En inderdaad, opeens verdwenen hele stukken piste omdat ik ze niet kon zien waarvandaan ik stond. Ik sjuffelde een beetje, nog een beetje, sjuffelen in de pizzapunt tot ik een beetje meer piste zag.

De bocht was problematisch. Ik geloof dat de piste zo’n honderd meter breed was, maar de bocht kon ik absoluut niet maken zonder beneden in het dal te belanden. Het was zó steil. Die bocht.
Ik stond bovenaan de helling en van alles schoot langs me. Tig vallende snowboarders en debutanten durfden met wisselend succes het bochtje aan en ik stond nog steeds bovenaan de helling. Na het realisatiemoment dat mijn huisgenootje waarschijnlijk ergens op me stond te wachten sjuffelde ik tot ik vaart had. Ik bracht mijn gewicht over van mijn ene been op het andere, of niet, ik ging snel, heel snel, en toen vloog een ski af en lag ik twee meter lager.
Ik kroop terug naar mijn ene ski en probeerde hem in te klikken.
Het lukte niet.
Precisie. Geweld. Na tien minuten lukte het nog steeds niet en overwoog ik passanten om hulp te vragen. Als een ski afvliegt, moet je er dan iets aan veranderen? Heb ik hem kapot gemaakt? Wat is er aan de hand?

Je moet zo’n ding dus open zetten voor je je erin kan klikken. Ik leer zo veel.

Even later zat ik in het liftje met een spraakzame snowboarder die me aanraadde het beginnersliftje te pakken. Espace Debutant, schoot het door mijn hoofd – maar waar dan. Ik zag een sleeplift en probeerde uit te maken waar het ding begon. Onderwijl gleed ik gemoedelijk het begin van een rode piste af en panikeerde zodra ik aan het randje stond van iets dat heel steil naar beneden ging. Ik klikte mijn ski’s af en stampte terug omhoog. De sneeuwvlokken waren nog steeds in de aanval, mijn tenen liepen weer eens uit mijn schoenen en het skiën was één grote dramatische bedoeling.

Mijn huisgenoot herkende me wonderbaarlijk genoeg in de sneeuwstorm die ons omringde en begeleidde me de blauwe piste af. Zijn aanwezigheid en aanmoediging gaf me het idee dat ik niet geheel misplaatst was en dat deed wonderen voor mijn bochtje. En alle bochtjes die later nog zouden komen.
We werden twee ijspoppen. De anderen ook. Het weer werd slechter en slechter, zo slecht dat ik het gevoel had dat niets meer bestond buiten de ruimte tussen mijn twee ski’s. De wind stool het geluid en de mist het zicht.
Ik zag nog net het sluiten van de pistes en het laatste liftje terug naar het dal.
De pistes van Brevent zijn monsters.

6: Skiën

De zesde dag op ski’s

Ik heb niet elke dag tijd om omhoog te gaan, en ook zeker niet elke dag zin. Het weer lijkt soms op het einde van de wereld vanachter de ramen van het chalet en zolang ik nog in de overlevingsmodus verkeer, zoek ik regelmatig naar excuusjes om niet de kou in te hoeven.
Soms is het weer daadwerkelijk te slecht. We hebben een stel regenachtige dagen gehad, de wind speurt guitig de hoger gelegen pistes af en als lawinegevaar dreigt, dan is daar weinig op te antwoorden.
Maar er is altijd wel iets open.
Maandag de 11e was het Flegère. Het regende, het woei, het was verschrikkelijk, maar de groene piste van Flegère was open en ik sleepte mezelf aan mijn haren naar buiten, daarna mijn ski’s en skischoenen. Het moment dat ik het hele zootje bovenin Le Tour had gebracht (de weg vanaf het chalet naar het busstation stijgt enorm, met name wanneer een skiuitrusting op je schouders leunt) reed de bus weg. Ik draaide me abrupt om, in een mars naar de warmte van het chalet, tot ik poppetjes van de babypiste achter het dorp zag komen.
De paddenstoellift.

Tot nu toe had ik de gevaren van de hoger gelegen blauwe piste verkozen boven de gevaren van de paddenstoellift. De paddenstoelen zouden me vastgrijpen aan mijn enkel en me ondersteboven meesleuren, van beneden naar boven en boven naar beneden.
Er waren (weer) wat slingerende pizzapuntbaby’s voor nodig om me het zelfvertrouwen te geven de uitdaging van het sleepliftje aan te gaan.

De motregen sloeg in mijn gezicht en mijn goggles verloren het van de weersomstandigheden. De piste was kort en vlak en als ik even niet oplette was ik beneden.
Op, af, op, af.
En toen was het opeens heel leuk. De overgang van blauw naar groen permitteerde me vaart en controle. Ik zag geen hand voor ogen en werd als een kanon de ruimte in geschoten bij een onverwacht heuveltje. Er ontstond logica in de gewichtsverplaatsing van mijn onderlichaam. In het sleepliftje koppelde ik mijn Iphone aan en vervolgens sjeesde ik de piste af onder Moderat en Flume. Het weer werd beter, maar de piste leger. Ik had de wereld voor me alleen. De liftjes omhoog confronteerde me met ijzige witte bergen en euforische gedachten en de skipiste naar beneden met dit gevoel…skiën… De tijd vloog.
Het was de beste trainingssessie tot nu toe.

Mooie Dreiging

Ik draai een rustige après-ski waarop ik kan meezingen en meedansen met de band. De gasten staan op de banken. Een groep hangt lege bierkannen aan de kroonluchters. Het gewei van het elandhoofd aan een wand in het midden van de zaal is de kapstok van skijassen. Mijn chef staat dronken aan de bar. Ik serveer Rosemary Martini’s in meervoud tijdens Happy Hour terwijl mijn collega een hit maakt met liters felblauwe cocktail van zes verschillende alcoholen. Ik zeg tegen een geïnteresseerde gast dat hij het beter niet kan proberen. Aan het einde van de après-ski is hij nog net genoeg voor rede vatbaar om me te zeggen: You were right.
Na het laatste nummer van de band glip ik tussen de menigte door naar huis. Ik sla een sjaal dicht om mijn nek en trek twee jassen aan.
De ziektekiemen gunnen me geen rust dit jaar.
Ik heb mijn weerstand in Nederland achtergelaten.
De nachtbus laat lang op zich wachten. Het sneeuwt sinds vanmorgen vroeg. De straten liggen onder een laag grijze pap, de bovenkant van bomen en gebouwen zijn wit. Ik zie groepen jongeren door Chamonix lopen die ik ongetwijfeld heb geserveerd.

De terugreis baart me zorgen; vanmorgen kon ik Le Tour nauwelijks uitkomen omdat de bus het dorp niet kon bereiken. De weg werd heropend op het moment dat ik naar beneden kwam lopen. Het lawinegevaar was geweken, zo leek, zo bleek.

De nachtbus arriveert. Naarmate we ons verder van Chamonix verwijderen wordt de wereld mooier, kleiner omdat alles zo diep in en onder sneeuw ligt dat er weinig ruimte overblijft. Ik zak weg in gedachten, zo ver dat het hele leven mijn subject wordt en ik voor een zoveelste keer aan mezelf zweer nooit meer terug in mijn kooi te gaan.
Bij Grand Montet, vlak voor Argentière, word ik er onverwacht uitgegooid. De zachte landing in een halve meter sneeuw verklaard. Ik begin aan een langzame mars naar boven, door smalle straatjes in het dorp, via wegen die ik nooit zou lopen als de sneeuw niet in miljoenen kilo’s wankel boven de normaalweg had gelegen. Een auto pikt me op en brengt me zover mogelijk omhoog, tot de banden geen frictie meer vinden en ik wel moet lopen. De automobilist raad me aan zo snel mogelijk thuis te komen wegens het lawinegevaar op de route. Ik ren met de bergen links en recht hoog boven me, hun wanden steil en wit in het donker. De dreiging is vreemd, het is stil, het is bijna een mooie dreiging. Ik en de bergen moederziel alleen rond tien uur ’s avonds, pak me dan, als je kan.

photo 1 (23)Het pad naar het chalet lijkt op een scherp uitgeslepen rivier met een meter hoge oever. Nog voor ik de deur open hoor ik muziek, geklap en stemmen. Ingepakt en ondergesneeuwd stap ik de woonkamer binnen, tussen een trompet, trommel, mondharmonica, accordeon, zo’n vier gitaren en zo’n twintig paar voeten die stampen op het ritme. Mijn huisgenoten en Spanjaarden en Fransozen dansen en zingen en drinken. De jongen met de accordeon beheerst de muziek en ik weet niet meer waar ik ben; niet in Frankrijk, niet in Spanje, niet in de woonkamer van een chalet in een dorp maar in een multicultureel festijn dan mijn wildste gedachten niet in mijn eigen thuis hadden kunnen fantaseren.
Ik drink een biertje, zing mee in zover mijn stem geluid kan voortbrengen en staar naar alle blije gezichten. Dan stort ik in. Ik pak mijn laptop, ga in een hoek van de woonkamer zitten en schrijf dit verhaal, tot iedereen zo dronken en wild is dat ik vrees voor de gesteldheid van mijn laptop en afdaal naar mijn kelderkamer.
Het laatste wat ik me herinner af te vragen voor ik in slaap val, is hoe ik kan leren rennen in het tempo van mijn leven. Want dat lukt me nog steeds niet. Rennen en kijken, zonder dat de omgeving vervaagd en ik niet meer kan zien door wat voor onbeschrijfelijk landschap ik ga.

2: Relatieve Superheld

De tweede dag op ski’s

Zenuwachtig.
Ik ben zenuwachtig.
Misschien zijn er helemaal geen pistes meer boven. Misschien heeft het gras gesneeuwd.
Ik ben zenuwachtig dat de toegangspoortjes mijn skipas niet accepteren en de lift verboden is voor skiërs die nog steeds niet hebben uitgevogeld hoe ze het beste hun ski’s kunnen dragen. Ik ben zenuwachtig dat mijn nieuwe skischoenen (voor beginners) niet samenwerken met mijn ski’s (voor poederpro’s) en het zou zomaar kunnen dat de hellingen onder mijn afwezigheid dertig graden steiler zijn geworden. Want dat doen ze soms. Je weet het nooit met hellingen.

Ik sta in de lift met een drietal Russen in peperdure outfits. Ze blijven maar praten, het ene Russisch na het andere, terwijl ik langzaam opstijg naar mijn noodlot.

Het sneeuwt. Wekenlang heeft het dal gezeurd om sneeuw en vandaag vallen er dikke, natte vlokken uit de hemel. Mijn Goretex is lang geleden naar de hemel opgestegen en mijn 2000 Fjall Räven broek is geen skibroek.
Ik heb gezegd, wees een skibroek.
Nee.
Ik heb geen hippe goggles, ook geen niet hippe goggles, en er zitten grote gaten tussen mijn sjaal en mijn muts waardoor skivlokken zich heel vaardig langs mijn hals kunnen nesten. Mijn handschoenen zijn geen ware alpine investering, ik heb er geloof ik niet meer dan veertig euro voor neergelegd. Dan weet je het wel.

Ik stap uit de lift, leg mijn ski’s plat op de sneeuw en begin mijn dag met twijfelen of er een linker- en een rechterski bestaat. Ik meen me te herinneren dat ik de laatste keer de meest groene ski aan mijn rechtervoet had en klik ze op die wijze in. Vervolgens hop ik naar het begin van de piste (ik heb geen skistokken en ook geen geld voor skistokken) en glijd naar beneden voor ik tijd heb om me te bedenken.
Ik ben alles vergeten. Ik kan niet meer skiën. In remmende pizzatoestand leg ik de hele groene piste af. Mijn kniebanden schreeuwen om vergeving en mijn enkels zoeken fanatiek naar een weg uit mijn nieuwe skischoenen.

Ik kan me gelukkig wel herinneren dat ik de stang van de stoeltjeslift omlaag moet trekken en zie aan hoe mijn ski’s boven de piste bungelen. De wereld is wit, écht wit dit keer. De hellingen zijn talloos en magisch, de toppen zijn sprookjes die zich afspelen achter die miljoenen dikke vlokken.
Ondertussen vriezen mijn broek, thermobroek, onderbroek en billen aan het ondergesneeuwde ijzer van de bank en stel ik vast dat mijn handschoenen en handen doorweekt zijn. Maar ik heb het nog niet koud. Die affaire komt nog.

De tweede keer sijpelt er langzaam wat vaardigheid van de eerste dag skiën terug in mijn lichaam en kom ik enigszins fatsoenlijk de helling af. Mijn bril beslaat gigantisch. De derde keer is mijn lichaam zo afgekoeld van de lift dat alle uiteindes gevoelloos mee skiën, maar het is leuk. Ik snap het weer. De vierde keer weet ik zeker dat ook mijn BH inmiddels doorweekt is en zijn mijn vingers rimpelig van al het vocht. Het lukt me bijna pizzapuntloze bochtjes te maken. De vijfde keer vervloek ik mijn nieuwe hobby en ga ik een laatste keer omlaag, wat fantastisch is want ik voel me een (relatieve) superheld, tot ik weer die klotelift in moet. De lift wordt langer en langer en ik word kouder en kouder. Het is de honger naar controle die de ontbering verslaat. Ik ben er zo dichtbij, het voelt zo dichtbij, ik hoef alleen nog maar nóg een piste af te gaan. En nog één. En nog één.

Als een verzopen kat sta ik tussen de skijassen in het laatste liftje terug naar het dal.
De bus laat lang op zich wachten en ik moet liedjes zingen en dansjes maken om niet als het ijskristallen beeld van Busstop Flegère winter 2016 door te gaan.

Thuis in het chalet duurt het nog twintig minuten badderen voor mijn tenen en vingers weer van mij zijn. Ik besluit dat, als ik mijn loon binnen heb, een bezoekje aan de hoofdstraat van Chamonix geen slecht idee is.
Op zijn minst een hippe goggle.
En wat skistokken.
Misschien een skibroek. Een bivakmuts.
En waterdichte handschoenen.
En een Goretex.

Of een grote paraplu.

Blog 200

In maart bestaat mijn blog drie jaar. Deze blog zet de teller op 200.

Ik begon het bloggen ooit omdat ik alsmaar riep dat ik schrijfster wilde worden en niet zozeer actie daartoe ondernam. Het was een bijna luie manier om zonder al te veel commentaar vol te houden dat ik het schrijversberoep werkelijk ambieerde. Ik hoefde geen volledige romans in te sturen en te wachten op afwijzing of degradatie van de waarde van mijn fantasie, maar moest alleen het systeem van wordpress onder controle krijgen. En een leuk achtergrondje kiezen. En even op mijn tanden bijten wanneer ik een vers verhaaltje op facebook publiceerde.

Inmiddels is mijn blog niet meer uit mijn bestaan weg te denken.

Elke blog vergt tijd, de meeste vergen zelfs een hoop tijd. Verhalen die ik schrijf vanuit een emotionele opwelling kunnen soms in een half uurtje online staan, maar het gros kost me minstens een uur of drie, en vaak gaan er dagen overheen voor ik me comfortabel voel bij het publiceren. Sommigen worden nooit gepubliceerd en eindigen in een tragisch achteraf document, of in de hemel tussen alle afgewezen romans van aspirant schrijvers.

Ik kan niet meer zo goed zeggen waarom ik bereid ben al die tijd erin te investeren. De hoop op succes is zo rond blog nummer dertig weggeëbd. De andere honderdzeventig heb ik geschreven omdat ik nou eenmaal schrijf, ik kan niet meer niet schrijven, het is als een eeuwenoud mechanisme binnen mijn brein dat in werk wordt gesteld zodra ik iets interessants meemaak.

En het is leuk als mijn ouders weten waar ik uithang in de wereld.

Mijn blog heeft geen doel meer, het is een bijproduct van mijn denken dat zo nu en dan uit me komt rollen. Een fotokopie van mijn binnenwerkje.
Ik ergerde me er nog wel eens aan dat ikzelf op die manier bijna immer het onderwerp uitmaakte. Mijn zelfobsessie was misschien niet groter dan die van de gemiddelde westerling, maar het stond wel zwart op wit online. Ik had graag interesse getoond in de wereld en over grote, grote onderwerpen geschreven. Belangrijke dingen. Maar het ontbrak me aan discipline om diep in een enkel onderwerp te duiken en aan zelfvertrouwen om mijn mening te geven. En eigenlijk, de passie voor mijn eigen leven was toch veel te groot om te negeren.
Ik kan inmiddels in elk geval voor mijzelf mijn zelfobsessie legitimeren door te zeggen dat als het mogelijk was geweest ook iemand anders te zijn, ik dat dolgraag had geprobeerd. Het liefst was ik eigenaar van zes levens geweest en had ik ze allemaal een verschillende kant op gestuurd. Dan had ik zes breinen kunnen uitpluizen en met het natuurlijke pakket van zes personen een trial en error in de wereld kunnen maken. Ik zou ze zelfs naast elkaar kunnen leggen en vergelijken.
Maar ik ben beperkt tot het experiment Ruby Elizabeth de Witte. Mijn gevoel is het enige dat ik daadwerkelijk voel en alleen mijn eigen gedachten poppen op in mijn hoofd.

Mijn grenzeloze passie ligt bij het leven en dichter bij een leven dan het mijne zal ik nooit komen.

Gelukkig is mijn leven verbonden met duizenden andere levens en verweven met een grote gecompliceerde wereld, gemaakt van de mooiste kleuren en bewegingen en een onverklaarbare magie. Dat redt mijn blog. Misschien.

Weet je wat me aan dit alles écht fascineert…
Mijn lezers. Jullie. Jij.
Ik schrijf aan de grote buitenwereld en ik weet niet wie zich in die buitenwereld schuilhoudt. Soms lees ik mijn stukken door alsof ik mijn vader ben, of een vriendje, een lerares van vroeger, en dan bedenk ik hoe ze mijn woorden zullen interpreteren of wat ze bij mijn gedachten zullen denken. Samen met de lezers die ik nooit zal ontmoeten voelen ze als één wezen waar ik altijd iets tegen te zeggen heb. Altijd. Mijn dierbare samengestelde luisteraar.

Dat is mijn blog: Ik loop al bijna drie jaar in het wilde weg te wapperen met een fotokopie van mijn binnenwerkje en ik weet niet waarom. Maar ik zal het blijven doen.

Ik wil nog steeds een schrijfster worden. Als ik geld kan verdienen met iets dat ik toch onvermijdelijk doe, dan ben ik een gezegend mens. Het past daarbij zo verdomde goed in het leven dat ik wil leiden; een laptop vastgebonden met een liaan aan de rugzak van een medeavonturier, schrijven op die momenten dat het leven niets interessanter te bieden heeft of juist omdat het leven zojuist iets heel interessants geboden heeft – ik droom ervan.

En dus moet ik iets verzinnen. Iets succesvols.
Laat ik daar nog even over nadenken.
Nog zo’n 200 blogs.

1: Wintervariant

De eerste dag op ski’s

Voor mijn ramen zitten zware houten luiken. Ik heb ze wijd open gezet op de dag van aankomst in het chalet en nooit meer dicht gedaan. We wonen tussen de witte bergen; dat schouwspel wil ik niet missen.

Het is donker buiten. Ik ben al wakker. Of nog wakker, of half wakker.

Om half twee ’s nachts zat ik nog achter de kassa, vloekend en tierend omdat ik niet begreep waarom ik een kassatekort van 250 euro had. Mijn manager nam niet op omdat hij diep in slaap was. Met het kersverse team van een nieuw winterseizoen was wijsheid in geen velden of wegen te bekennen. Rond tweeën had ik het geld zes keer geteld en gaf ik op. Ik sprong in mijn hardloopschoenen en rende naar huis.

Het was mijn nacht niet.

Chamonix – Le tour is 11,6 kilometer. Ik weet niet of het mijn geest was die me dwars zat, of mijn lichaam dat liever sliep, maar het vroeg twee uur van mijn nacht om thuis te komen. Ik lag om vier uur in mijn bed. Rennen naar huis na werk is geen oplossing.

Slaap ik? Slaap ik niet?

Zeven uur. Ik kruip mijn bed uit zoek naar een broek. Een bril. Handschoenen. Muts.
Mijn ogen prikken van slaap.

Deze zomer heb ik de ski’s van een vriendin uit Chamonix overgekocht. Zij deed een impulsverkoop en ik een impulsaankoop. Vlak na aanschaf scheurde ze haar kniebanden en sindsdien hebben zowel de kniebanden als de ski’s de piste niet meer gezien.
Mijn ski’s. Ze zijn gigantisch en loodzwaar, groen, Salomon, niet gewillig om door mij naar de sneeuw gedragen te worden. En ik weet niets en denk dat ski’s nu eenmaal boomstamgewicht hebben.

Het blijken geen beginnersski’s, zegt mijn gids, en ik zie mezelf er inderdaad toe in staat grootscheeps in het verkeerde te investeren. Ik had net zo goed twee arrenslees onder kunnen binden.

Rond negen uur nemen we samen de bus naar Flegère.

Ik ken het liftstation alleen als dat oerlelijke ding in de oerlelijke wandeling naar Lac Blanc, een meertje in de Aiguille Rouges. De plek is een ravage in de zomer. Een uitgestrekte steenmassa, verdorven betonnen liftstations en grijze constructen die als dode mechanica de hoogte in schieten. Het is bijna een reden om niet naar Chamonix te gaan.
Nu is het allemaal wit en allemaal nieuw.

Mijn gids legt me uit hoe ik mijn skischoenen in de twee giganten vastklik. Vervolgens pizzapunten we de eerste helling af.
Het doet het zelf. De helling en de ski’s, ze doen het zelf. Ik hoef geen truc uit te halen om naar beneden te glijden. Ik hoef alleen een truc uit te halen om te stoppen. De pizzapunt.

Halverwege de tweede helling vraag ik me af of ik wel de juiste fysieke gesteldheid heb, of mijn knieën en enkels deze hoek wel aankunnen.

Is dit het?

Niet heel vaak in je leven begin je een nieuwe passie. Een passie ontwikkelt zich meestal stiekem, op een dag vraagt iemand je naar je passies en verbaast antwoordt je: Breien is mijn passie. Ik heb het skiën als passie aangenomen zonder ooit op ski’s te hebben gestaan. Ik heb er honderden euro’s aan gespendeerd en vijf maanden voor ingepland. Zomaar. En niet uit gebrek aan andere passies, het gaat eerder mijn andere passies in de weg zitten. En toch. Ik zal skiën.
Er zat wel een beetje een redenatie achter. Als ik mijn leven in de bergen wil spenderen, kan ik de alpen in wintervariant maar beter een kans geven. Daarbij is het typisch iets wat ik leuk zou kunnen vinden, zo typisch dat het bijna mankeerde in mijn pakket.
Die eerste piste voelde ik desondanks de verplichting om het leuk te vinden sterker dan de lol van het skiën zelf. Dit is het dus. Een zigzag die eerder focus en vertrouwen vergt dan energie. Veel focus: ik werd afgeleid door het skiën zelf, het beheersen ervan, de instructies van mijn gids, er was nauwelijks ruimte om het leuk te vinden.

Piste twee. Piste drie. Mijn gids neemt me aan de hand als een kind en ik voel sinds jaren weer die veiligheid die mijn ouders me vroeger konden geven en daarna het werk werd van berggidsen en kliminstructeurs, die zorgeloosheid die ontstaat wanneer je je even van de verantwoordelijkheid van je eigen leven ontdoet en die verdwijnt zodra je ervaring opdoet, ervaring genoeg om zelfstandig in leven te blijven.

En het duurt niet lang voordat mijn leven weer in eigen handen ligt en ik zelf moet waken voor de afgrond. Rond het middaguur gaat mijn gids ervan door.
Hij neemt aan dat ik wel blijf skiën, met zo’n vanzelfsprekendheid dat ik mijn angst voor de billenbijtende skilift en hongerig-naar-debutanten-piste niet hardop uitspreek. Even later sta ik alleen bovenaan de helling en weet ik zeker dat de remfunctie van de pizzapunt kapot is. Er stevent van alles langs me, vliegende skiërs en vallende boarders, en ik sta stil. Pas als drie pizzapuntkleuters achter hun skileraar voorbij glijden besluit ik langzaam een beetje naar voren te hoppen en mijn lot als speeltje van zwaartekracht te verzegelen.
Het gaat. Ik ben voorzichtig en blijf in remtoestand, maar het gaat. De piste eet geen debutanten, ook niet als de gids al naar huis is.

De tweede piste gaat beter. Ik zoef, glijd, ga, woesh, ontspan en voel mijn moeheid opkomen. In de lift zak ik in, mijn hoofd tegen de grijze stangen, mijn ogen gesloten. Ik besluit dat het mijn laatste rondje is, maar als ik boven ben neem ik toch de afslag naar beneden. Langzaam voel ik een beetje controle in mijn ledenmaten glippen. De bochten worden iets minder pizza. Het lukt me af en toe mijn gewicht op een enkel been te houden en ik maak vaart, bochtjes en vaart, daar ga ik.

Op. Af. Op. Af. Op. Af.

Elke liftsessie is de laatste, maar geen één laat me stoppen. Dit is verslavend.

Pas als ik ook op mijn ski’s in slaap dreig te vallen en roekeloos de hellingen afschiet, besluit ik dat ik dit keer werkelijk naar huis moet. Ik weersta de verleiding van de afdaling en bevrijd mezelf onhandig van mijn ski’s. In een roes van slaap en voldoening stap ik de lift naar het dal in en zie Chamonix groter en groter worden. Mijn ski’s zijn nog steeds loodzwaar, maar me niet meer vreemd, en terug in de bus voelt mijn aanwezigheid in het skidorp opeens een stuk logischer.

Het is donker eer ik aankom in het chalet. Ik open de deur en hoor de stemmen van mijn huisgenootjes boven in de woonkamer. Een bas laat de muren trillen. Het is het begin van een huisfeest dat duurt tot vier uur ‘s morgens, maar ik loop naar mijn bed, gooi mijn muts af en val in slaap.

Het winterseizoen is begonnen.

Het nieuwe jaar

Ik lag in mijn bed in de kelderkamer. Een tiental halfnaakte Fransen kwam terug uit het dorp en zong in de hal gedurende het wachten op het vrijkomen van de douche. Eén voor een veranderden ze in geciviliseerde jongens, gekamde haren, deodorant. Ze verdwenen in de keuken en kookten, laadden de tafel af met vlees, kaas en stokbrood en waren dronken van bier en wijn voordat ze zaten. Af en toe kwam ik boven en zag ik hoe de woonkamer in een apenkooi veranderde. Er was een trompet. Gestoei. Geschreeuw.

Rond half twaalf werd het doodstil in huis. De jongens waren naar een kroeg in Argentière. Ik kroop mijn bed uit en schoof in mijn Crocs. Ze bleven plakken aan de trap. Langs de rand stond een half bierflesje, de scherven waren verdeeld over verschillende treden. Het rook muf.
De muren van de woonkamer waren nog intact, dat was het wel.


De dag voor oud en nieuw was er een virus in mijn buik gekropen, ik hoorde het knallen van vuurwerk praktisch van boven de wc. Op mijn werk was het ondertussen de drukste nacht ooit, zo druk dat de hoteleigenaar om zes uur in de morgen hielp met het opdweilen van de bierzee die al vanaf middennacht boven de houten vloer kabbelde. Ze hebben zich aan gort gewerkt en zeiden nog net niet dat ik ze in de steek gelaten had. Maar mijn nacht was jofel genoeg geweest om me niet schuldig te voelen.
Ik had de rust nodig. Het kroegwerk teerde me uit, elke dag een beetje meer, mijn ogen glazig en mijn brein op tien seconde achterstand van het draaien van de wereld. Het was weer eens goed dat beestjes me aan het bed bonden.

1 januari was niet bijzonder.
2 januari keek ik mijn raam uit en was het wit. De bergen leken op de giganten van de Himalaya, ijzig en ijzingwekkend. Alle bomen bogen gemoedelijk  onder een laagje sneeuw. Le Tour als een miniatuurdorpje met spuitsneeuw miste alleen een rood treintje dat zonder stoppen om de huizen cirkelde.
De verte wit, de balkonrand wit, alles wit.

Vorig jaar vierde ik oud en nieuw met vrienden in de Ardèche. De omgeving was droog, amandelbomen en cactussen, en we hadden het goed. Kaas en fruit in de morgen, klimmen in de oranje zon. Ik kotste ter plekke de laatste brokken van mijn studie uit en beraamde het plan om de wijde wereld in te trekken.
Ik zou gaan. Ik wist zo zeker dat ik zou gaan als iemand die nog niet is gegaan zeker kan weten dat zij zal gaan.
En ik ben gegaan. Daarom sluit ik mijn jaar af als dorpsbewoner van het winterwonderland Le Tour Mont Blanc. Daarom kijk ik niet meer op van mijn gekke huisgenoten of de poten van hun honden in de sneeuw rond het chalet. Daarom voel ik me hondsberoerd op oudjaarsavond en wankel maar onoverwinnelijk op de piste twee dagen later.

2015. Ik houd van 2015. Het is mijn piratenjaar, mijn knuffeljaar, de uitschieter in mijn verhaallijn.

En ik heb zin in elke dag van het nieuwe jaar.

De Niet Kerst

De vierentwintigste vieren de Zweden hun kerst. Het team van mijn hotel was ’s middags met cadeautjes, dobbelstenen en een Donald Duck film rond de tafels in de bar gaan zitten. De arme chef-kok moest hard werken voor hun kerstlunch.
Ik was er niet, want ik had besloten liever te drytoolen met mijn gids in Servoz. Terwijl mijn collegaatjes de gevel van het gingerbreadhuis afbraken en opdeelden, hing ik aan twee ijsbijlen langs een rotswand. Die avond, nadat het kerstfeest was opgeruimd en mijn bazen met ronde buikjes aan de bar hingen, stond ik op het rooster en volledig uitgeput achter de biertaps.
De après-ski was rustig. Rond achten verdween de kleine uitgedoste menigte naar het appartement en bleef ik achter met een stel feestgangers met kerstmutsen dat te dronken was om binnen het gat van de wc-bril te kotsen. Een veel te verlegen collega heeft iedereen er zachtjes uitgeschopt. Dat was mijn kerstavond.

De vijfentwintigste besloot ik een hardlooproute rond het chalet te zoeken. Het was absurd warm. Ik eindigde ergens in het gras halverwege de flank van een berg, met uitzicht op een witte tong van de kunstmatig in stand gehouden pistes van Le Tour. Ik droeg een hempje. ’s Middags viel ik in slaap op mijn yogamat in de achtertuin, mijn oogleden gekeerd naar een helderblauwe hemel. Zomergeluiden kwamen van kinderen in het dorp.
In de bus naar mijn werk skipte ik de kerstmuziek die nog tussen mijn afspeellijsten van 2014 stond.

Zesentwintig december 2015. Ik maakte een vroege avondwandeling door Le Tour. Mijn Franse huisgenootjes BMXen (stunten op kleine fietsjes op relingen en stoepranden) en zeiden me dat ze ergens in het dorp heen en weer zouden rijden. Ik kon ze niet vinden. Hun honden wel, die renden in een treintje tussen de kleine huisjes door. De zon was al uit het dal, maar scheen nog net op de brokstukken van Glacier du Tour, ergens hoog tussen de bergtoppen.
Ondertussen vierde mijn familie kerst. Ze hadden lootjes getrokken en lazen elkaar gedichten voor. Waarschijnlijk miste er een ingrediënt voor het diner en aten ze pas om tien uur. Ik weet het niet, want ik was er niet bij.

Ik zag het al lang geleden aankomen dat ik kerst niet bij mijn familie zou vieren.

Dan maar geen kerst. Mijn leven lang heb ik feest gevierd op de kerstdagen, zo consequent dat het feest aanvoelde als een jaargetijde, het opkomen van de zon, iets in of van de wereld. Maar als je kerst niet besluit te vieren, dan is er ook geen feest. De kerstman loopt niet over je dak, het In Excelsis Deo zingt zichzelf niet, je moeder zit niet plotseling aangeschoten in je woonkamer. Als je kerst niet viert, dan is er geen kerst.

Ik weet van Kinneke Jezus, Coca Cola en de kerstgedachte, maar nu ik ver van mijn familie ben realiseer ik me dat kerst niets anders is dan dat tafereel rond die boom in de woonkamer. Het is niets dan het samenzijn met die mensen waarmee ik rond kerst altijd samen ben geweest. Mijn vrolijke moeder en wijze vader, mijn gekke zus en grappige broer, zijn lieve vriend, de kat en oma, altijd, ergens.
Als dat tafereel er niet is, dan is de betekenis van een kerstmuts verwaarloosbaar.

Kerst 2016 wordt mijn kerst. Want ik ga niet nog een jaar kerstliedjes skippen omdat ik het gemis van mijn familie niet wil voelen. Hoe mooi de bergen ook zijn, ik zal mijn kerstgedicht niet van de mail plukken, maar naast mijn papa op de bank zitten terwijl hij het aan mij voorleest.

Onderweg in de regen

De regen klatert uren hard
Door woestgrijze golven
Word ik keer op keer bedolven
Wat doe ik hier, denk ik vol smart

De beek blijft eeuwig donderen
Splijt rots met ongekende kracht,
Woest en dag en nacht,
Brult het van onderen

Ik ben nat en heb het koud
Maar niemand heeft mij in de gaten
Ik voel mij helemaal verlaten
Wat doe ik hier, denk ik benauwd

Tot plots van onder groen bemoste blokken
Een veldje gentianen naar mij lacht
Met hun al hun blauwe pracht
Mijn droef gemoed doet stokken

De stortvloed kan mij niet meer deren
Ik moet omhoog, naar boven
Waar de beek ontspringt uit witte kloven
Ik moet dit fiere plantje eren