Latest Posts

Après-Ski

Ik maakte me een beetje zorgen. Ze hadden me ingeroosterd op de eerste après-ski van het seizoen en ik vroeg me af of ze wel wisten met wie ze te maken hadden. Ik ben geen feestbeest. Ja, ik wilde het meemaken en dacht dat als ik een beetje een grote mond opzette, ik vast wel over het hele winterseizoen een aantal après-ski’s mocht draaien. Maar elke werkdag een après-ski, dat had ik niet helemaal voorzien.

Ik werk in dezelfde bar als afgelopen zomer. Heel juni tot september heb ik moeten aanhoren hoe wild en druk de bar in de winter is, zowel van collega’s als gasten. Ik heb de jongens gezien die de après-ski’s draaiden en hun verhalen gehoord. Ze waren hypersociale feestbeesten, tapten bier met hun linkerhand terwijl hun rechterhand een Moijto kluste, misdroegen zich meer en meer naarmate ze bezopener en bezopener raakten. Rijen shotjes over de lengte van de bar, jugs  aan het plafon, ongelukken en calamiteiten. Gekkenhuis.

Ik had me geestelijk voorbereid, die eerste werkdag. Nu gaat het komen, dacht ik. Nu gaat het komen.

Het eerste wat de (nieuwe) manager deed toen ik binnenkwam, was me neerzetten aan de marmeren tafel in de conferentiezaal en de map met nieuwe regels voor mijn neus schuiven. Geen gratis drinken voor het barpersoneel, geen alcohol, geen telefoons, ontslag op het weggeven van drankjes (‘I’ve fired someone once over giving away one shot’), schoonmaaklijsten, spillijsten, roosters voor komende tig jaar, handtekeningen, verantwoordelijkheid, cijfers en winstbejag, regels, regels, regels. De hele après-ski was dicht gedocumenteerd.

Het had me rustiger moeten maken, maar ik werd zenuwachtiger dan eerst. De feestgangers van Chamonix komen niet naar de bar voor orde. Ze komen voor wanorde, voor de befaamde wanorde. Ik voorzag teleurstelling in de ogen van een bedrogen maar wilde menigte. Grove teleurstelling en bijdehante opmerkingen een seizoen lang.

Van vijf tot acht

Om vier uur stond ik die eerste après-ski met twee collegaatjes achter de bar. De band was weggemoffeld in een hoekje van het café, al sinds zeven jaar, en bereidde zich rustig voor. Oude rotten.

Om vijf uur rende ik van biertap naar kassa en kende ik de prijzen van alle mixdrankjes uit mijn hoofd. Het was niet half zo druk als het kon worden, zei men, maar het was aanpoten. Ik probeerde twee biertjes tegelijkertijd te tappen en vodka zonder maatbekertje in het glas te schenken (een…twee…die…vier) en dat ging grandioos mis. Veel ging mis. Het management was godzijdank vergevingsgezind. We mochten aankloten, niet in de speelse zin van het woord, maar in een poging de bartechnieken onder controle te krijgen.

Om zes uur sprongen mensen op de banken en tafels. Ik gniffelde.

Er waren momenten dat er niets te doen was. Dan schreeuwden we en danste we, iets wat ik latere après-ski’s een stuk minder zou doen om mezelf en mijn stem van een burn-out te behoeden. Ik denk dat we alle drie de druk voelden om het gek te houden, wild, ongecontroleerd ondanks dat alles in kleine zwarte lettertjes in een map naast de voorraad citroenen stond vastgelegd. Maar ik zag al dat het niet persé de bar was die zich moest misdragen, het was aan de menigte zelf om een feestje te bouwen en in de lampen te gaan hangen. Het potentieel was er.

Een heel seizoen

De après-ski’s die volgden verliepen steeds een beetje soepeler. Het echte hoogseizoen is nog steeds niet begonnen, maar er zijn al momenten dat ik op een versnelling sta waarvan ik niet wist dat het mogelijk was. Ik begin vat te krijgen op de bar.
En het is leuk.
Van vijf tot acht is het feest.
De band is perfect voor de bar, de meeste gasten zijn op vakantie en blij, dezelfde seizoenarbeiders hangen rond achten laveloos tegen de muur, de sfeer is goed. Ik vermaak me. Het zal intens worden om vijf dagen per week de bar draaien en ik denk dat de routine het zowel gemakkelijker als zwaarder zal maken, maar hoe dan ook, ik geloof dat ik minder misplaatst ben dan ik dacht.

Ik ben geen feestbeest en toch wel. Mijn werk is mijn feest, mijn uitgaan, dat is zichtbaar en maakt het lastig voor mijn collega’s om te begrijpen dat ik misschien niet zit te wachten op drankjes in bars en hysterische clubs op mijn vrije dagen of na werk.
Ik heb de gekte van Chamonix achter de bar en wil daaromheen skiën, klimmen en buiten zijn. Als dat lukt, als mijn lichaam dat aankan, dan ben ik blij.

Hoe het nieuwe management de après-ski op de lange termijn zal beïnvloeden, daar ben ik heel, heel nieuwsgierig naar.

Rennen Springen Vliegen

De tijd gaat snel. Het is lastig om te schrijven, zo snel gaat de tijd. Telkens als ik een gebeurtenis vastgrijp gebeuren er zes nieuwe dingen.
Het is lastig om voldoende te slapen, want de nachten gaan tot laat en de ochtenden komen te snel. Als ik niet genoeg slaap, dan blijft mijn fantasie in mijn hoofd tot ik wegdoezel. Dan schrijf ik niet, dan droom ik.
Het chalet heeft een woonkamer met allemaal oude houten attributen aan de muur. Pollepels. Wandelstokken en harken. Een drinkbak en een koeienbel. Naast de openhaard staat een sofa, een soort bed waarvan het einde schuin omhoog loopt, van hetzelfde oude hout, iets waarop filosofen denken of hun roes uitslapen. Daar zit ik in de ochtend, met mijn laptop op mijn schoot en de hond van mijn huisgenoot op een eigen matrasje naast me. Luna, heet ze. Ze is een oude rakker, zo’n beetje als dit huis, en wordt door alle tien inwoners geaaid en geamuseerd.
Het lukt me niet om te schrijven omdat mijn huisgenoten één voor één uit hun bed kruipen en we elkaar allemaal nog moeten leren kennen. Dan drink je koffie samen en vraag je of de ander eindelijk werk heeft gevonden. Of de wandeling mooi was gister. Of ze nog van plan is om te gaan studeren, of die tatoeage van diepe betekenis is.
Ik ben er het minst. Ik  ben de enige met een veertig uren contract, veertig plus zodra de vakantie begint. Omdat ik op de après-ski sta ben ik er niet in de avond, en omdat ik wil klimmen of skiën ben ik er niet in de middag. Ik ben er in de ochtend, maar dan wil ik eigenlijk schrijven. Naast de hond zitten met een kopje koffie op de natuurstenen vloer en mijn laptop op mijn schoot. En dan hopen dat ik niet in slaap val.
Het weer is mooi. Het is te warm om in winteruitrusting naar buiten te gaan. De pistes zijn groen als gras. Op de noordwanden ligt sneeuw, de noordwanden van de hellingen in het dorp worden drukbezet door kinderen met sleetjes en hoge stemmen. Zij zijn de enige met winterpret. Ik weet niet hoe dat gaat; een winterseizoen zonder sneeuw. Ik heb een skiles gehad, als dat minder leuk was geweest had het me niet gedeerd dat de sneeuw niet uit de hemel valt, maar spaarzaam uit wat sneeuwkanonnen. Mijn gids zegt dat je je moet aanpassen aan de natuur. Met dit weer moet je niet willen skiën, maar willen klimmen. Zoek een mooie route. Die winter komt nog wel.
Het skiseizoen is nog niet begonnen, maar de tijd gaat al snel. Ik zoek naar een knopje in mijn bestaan zodat ik het beter kan bijbenen. Een ritme is uitgesloten, maar ergens zou ik toch rust moeten kunnen vinden. Ik ben een week op gang nu, een week aan het werk, dat is nog niets. Met een beetje gewenning zal ik prima in staat zijn om weer te schrijven, ook wanneer er wel sneeuw ligt en ik elke dag naar beneden wil glijden. Want dat hoop ik. Dat wil ik. Het leven is heel erg mooi op het moment, nu moet ik het nog leren bijhouden.
En als het me lukt, zal ik erover schrijven.
Dan wel.

Dan zal het oké zijn

Ik verwacht dat het allemaal wel goed zal komen.
Wat?
Alles. Het leven.

Ik geloof dat ik niet op de hoogte ben van al mijn verwachtingen. Als ik aan ze denk, dan verschijnt er een bewegelijke, kleurrijke, eindeloze bende voor mijn geest. En als ik mijn verwachting van het leven in woorden wil vastleggen, dan heb ik het gevoel dat ik willekeurig in die bende grijp en omschrijf wat het ook is dat er in mijn hand ligt.
Misschien, misschien verwacht ik nog het meest dat het allemaal wel goed zal komen.
Ik ben een optimist.
Een echte, realiseer ik me nu.

Grijpen.
Ik verwacht dat het allemaal wel goed zal komen, maar ik wacht op rampspoed, want ik heb nog zo weinig gehad. Ik verwacht vrede, vrede om me heen, maar ik verwacht geen eindeloze gezondheid van ieder die me lief is. Ik verwacht….dat is eigenlijk wel een grappige, ik verwacht oprecht dat ik een man vind waar ik kindertjes mee zal krijgen. Tegelijkertijd zal ik niet al te verbaasd op mijn wolk zitten, mocht ik de 25 niet redden.
Ik verwacht dat ik altijd een manier vind om weer gelukkig te worden. Misschien vertrouw ik veel te veel op mijn eigen vermogen om met het leven om te gaan of onderschat ik hoe donker het leven kan zijn. Dat zou kunnen. Ik verwacht veel goeds omdat het goed met me gaat.

Laatst nog bedacht ik me dat ik minder wilde inplannen omdat ik het onverwachte zo mooi vond. Ik wilde het leven niet langer beroven van haar eigen magie.
Toch moet ik ook bewust toewerken naar dingen waarvan ik weet (verwacht) dat ze me gelukkig maken. Het leven werpt geen boerderij op mijn pad. Het zou mooi zijn, ja, maar ik verwacht het niet.
Hoe harder ik werk, hoe meer ik leun op de verwachting dat het werk zal uitbetalen.
Daarom is het zo eng om écht voor iets te gaan.
Verwachting – teleurstelling.

Misschien is het niet erg om veel te verwachten, als je goed kan omgaan met teleurstelling. Of als je moeiteloos overstapt op een andere verwachting.

Verwachting is heel moeilijk. Écht. Want niet alleen heb ik er zoveel zo vaag, maar ik weet ook niet wat de wereld precies van plan is, ik ken al haar wetten nog niet, en erger nog: Ik weet niet eens hoe de wereld eruit ziet zonder mijn verwachtingen, want die dingen zijn immer bij me.

Mogelijkheid. Statistiek.
Ik verwacht vrede en vrijheid. Wouw, ik verwacht zoveel vrijheid dat het bijna dom is. Ik leef op de juiste plek op het juiste moment.
Als ik mijn vrijheid behoud, dan zal het oké zijn.
Als ik mijn vrijheid behoud, dan verwacht ik dat ik, zolang ik leef, het leven het leven waard maak.

Wat dat ook mag betekenen.

Met dank aan Eva Dinarica

Het Chalet

In Le Tour staat een chalet.
Misschien wonen er dadelijk vier Spanjaarden, vier Fransozen en een Hollandse. En een hond.

De laatste paar dagen beweeg ik me heen en weer tussen het kleine dorpje aan het eind van de vallei, de bank van een vriend en Mac Donalds; de uitvalsbasis van de daklozen van Chamonix. Drie van ons betalen voor één bed in een hostel en vrezen elke nacht betrapt te worden, twee wonen in hun auto, twee logeren bij vrienden en twee hebben geen idee waar ze heen moeten als de Mac sluit.

Als we het chalet kunnen huren, waar nu al een week om gedebatteerd wordt, dan is het de komende vier maanden groot feest. Want we delen een grote woonkamer met gedateerd meubilair dat veel te luxe is voor een stel gekke seizoenarbeiders. Ik geloof niet dat er zich fanatieke feestgangers onder ons bevinden, maar levensgenieters zijn we denk ik wel. En hoe langer we dakloos zijn, hoe meer we onze eigen ruimte zullen vieren.

Ik voel me met de anderen verbonden. Het spel van hoop en teleurstelling verliest na een dag al zijn charme en als zij zuchten of even hun ogen sluiten dan weet ik wat ze denken. Chamonix is zo duur dat er geen tussenoplossing bestaat. Voor dirtbaggen is het hier veel te koud.

We hebben dit chalet nodig.

Vreemde Verjaardag

5-12-2015

Ik werd wakker in de bus van een drietal Spanjaarden. Ze reden me van Barcelona naar Albertville en dumpten me bij het station met een backpack die te zwaar was om in één keer over mijn schouder te slaan. Gebogen onder het gewicht van een dirtbagleven liep ik naar het café aan de overkant van de straat. Groepen veertigjarige mannen kleefden aan de bar en lieten hun ogen me volgen naar mijn tafel. Ik verbond mezelf met het internet. Tussen de facebookfelicitaties en mails zocht ik naar de bevestiging van een kamer, of in elk geval iets waar ik kon overnachten, en werd hinderlijk gestagneerd door een Frans vrouwtje dat zich ongemakkelijk voelde tussen al die mannen en daarom comfort zocht bij de enige andere vrouw in de ruimte. Ik hoorde over haar kinderen en haar kleinkinderen en alle zo vreselijk ontspannen mensen in een stad die ik lang vergeten ben en dacht: Hoe kan ik me nu ontspannen?

Be careful what you wish for ‘cause you just might get it. Ik geloof dat het een bekende uitspraak van deze of gene is, tot mijn schaamte ken ik het alleen van een nummer van de Pussycatdolls. Ik wenste het leven meer autonomie toe. En daar zat ik op mijn verjaardag: Alleen het leven bepaalde waar mijn feestje op uit zou draaien. Zelf had ik geen idee.

Ik zwierf een tijdje besluiteloos door Albertville, en als mijn tas niet zo zwaar was geweest had ik misschien mijn tijd in het dorpje doorgebracht. Ik kon onmogelijk negeren dat ik die bulk met spullen ergens kwijt moest voor de nacht. Laat staan mezelf. In een tweede café stippelde ik mijn route uit naar Chamonix en in een derde scrolde ik nog een keer door de internetpagina’s. Het is merkwaardig hoe verbonden je je kunt voelen op de eerste dag van je vierentwintigste jaar zonder dat er iemand significant in de buurt is.
Internet.

Ik kreeg gemakkelijk een lift naar Ugine. En tegen de tijd dat een tweede lift me oppikte in de richting van Mégève realiseerde ik me dat ik praktisch langs mijn boerin (WOOFF2015) kwam en dus stuurde ik haar een berichtje. Nadat ze klaar was met haar unstressing hypnosis technic (?) zou ze tijd voor me hebben.
Om de tijd door te komen kroop ik in Notre Dame de Bellecombe wederom achter het internet. Ik nam een thee van 3,60 en verwelkomde mezelf in het achterlijk dure wezen van het skidorp. De velden voor me lagen deels onder sneeuw en toch kon ik in mijn hempje op het terras zitten.  Spanje vrat zachtjes aan mijn hart en de bergen bleven op afstand, maar ik was niet ongelukkig. Ik was eerder in een constante staat van verbazing en onderdrukte vermoeidheid en zag de facebookpagina’s voorbij glijden zonder dat de gezichten tot me doordrongen.

Een uur later zat ik bij de boerin op de bank en lag haar hond languit op mijn schoot terwijl hij probeerde mijn hoofd eraf te likken. Ik liet mijn hand over zijn vacht gaan en zonk even weg naar Siurana, de oranje rotsen en het gelach van mijn oprechte maatjes. De ringtone van de Boerin haalde me terug. Een vriend van haar zou die nacht in de boerderij overnachten, maar had de bus gemist en vroeg haar hem op te halen. De boerin gaf hem twintig minuten om een zelf lift te regelen en als het écht niet lukte zou ze hem komen oppikken, waar het ook was dat hij was.
Hij was in Ugine.
En zat keurig aan zijn derde biertje toen wij aan kwamen rijden.

Ik schoof naast hem onder het TL-licht van het lelijkste café van Savoie en realiseerde me dat mijn Frans een stuk beter is dan mijn Spaans. Hij was ook een dirtbag, maar dan een die zich schuilhoudt in de maatschappij. Ik zou de late uurtjes van mijn verjaardag ingaan met een zwerver. Een echte.
We dronken biertjes en aten pizza, en tot mijn eigen hilariteit werd de ruimte vrijgemaakt voor een verjaarde Franse punkrockband met een rood aangelopen en half ontblootte leadsinger. Hossende boeren en tandeloze locals zweepten me op en namen me mee op de plastic dansvloer. Rond elven belde mijn moeder me en god, wat had ik graag dat gesprek op tape gehad.
Ik kon haar gelukkig verzekeren van een verblijf bij de boerin.

Rond middennacht voelde ik de spanning uit mijn lichaam vloeien. Ik lag onder de dekens in het kleine bed onderin de boerderij, de liefste zwerver ooit in een eigen bedje naast me, en vocht tegen mijn slaap om op zijn minst een paar relevante gedachten naar boven te krijgen.
Ruby, je bent vierentwintig geworden, wat vind je daarvan?

Maar ik sloot mijn ogen en sliep.

Rennen voor Zonsondergang

Ik kan niet geloven dat ik weg moet.
Ik heb mijn baas in Chamonix een email gestuurd over het verlaten van mijn terugkomst, maar dat leverde niets op.
Ik moet terug.

Mijn handen en schouders zijn kapot genoeg om misschien het klimmen niet te missen. De omgeving achterlaten, dat haat ik. En de kleine familie hier.

Rustdagen waren de moeilijkste dagen. We dreigden elkaar te vermoorden van verveling. De bakker in Cornudella verkoopt wafels met een dikke laag gesmolten chocolade en ik at een hele per rustdag, meer suiker bijeen dan alle koekjes die ik onder aan de routes eet.

Stuiter. Stuiter.

Eigenlijk is dat niet waar, de rustdagen waren op hun eigen manier vermakelijk. Eergister gingen we sterren spotten in El Pati, een klimgebied hier waarover allerlei Sharma achtige routes kruipen. Het Black Diamond team heeft de afgelopen week poep geraapt om bewustzijn te creëren voor het degraderen van de natuur in Siurana, en tijdens hun vrije uurtjes konden wij ze bewonderen in 8c’s en 9a’s. We keken en zongen, speelden gitaar en schoven mee met de zon die zich langzaam uit de vallei terugtrok. Net op tijd herinnerden we ons dat we op het plateau van Siurana naar de zonsondergang wilden kijken. Een race tegen de zon, tussen de bomen door naar boven, over het stenen pad langs de ruïnes, rennen, rennen, rennen onder een roze hemel.
Net op tijd.

Soms ben ik bang dat ik niet meer functioneer in de samenleving nadat ik eruit ben geweest. Ik voelde me al onzeker na een lang weekend met de ASAC in België. Alsof ik niet meer weet hoe ik precies tegen de caissière van de supermarkt moet praten of de systemen van de tram niet meer begrijp. Nu ben ik er een maand uit geweest.

Ik kan niet geloven dat ik weg moet. Ik kan niet geloven dat ik heb gekozen voor een seizoen in één van de heftigste après-ski bars in Chamonix. Zo stil als het was in het woud, zo druk zal het zijn elke avond.
Elke avond.
Ik weet dat ik het waarschijnlijk allemaal fantastisch zal vinden, de tijd van mijn leven, skiën zal magisch en briljant en poëtisch zijn en die witte bergen – oelalaah.

Maar nu wil ik de rotsen van Siurana.
Niets anders.

De Derde Haak

Ik ging goed. Klimmen, voorklimmen, alles.

Het koste me even om ook mijn projecten zelf voor te klimmen, maar onder druk van mijn stoere mannelijke maatjes deed ik het. Als ik eenmaal mijn gewicht op de wand had was ik toch veroordeelt tot de route. Dan maakte het niets meer uit wat ik aanvankelijk aan voorklimangsten had.

Tot een vervloekte 7b.

De jongens klommen het allemaal onsight, het was een verticale wand zonder bandjes of ongein, en ik viel probleemloos drie keer in de derde haak.
Bij de zesde haak bungelde ik rustig in het touw heen en weer.
‘Wooooww!’, schreeuwde mijn zekeraar. ‘Holyshit! Look at that! Did you hear that?’
Ik had geen idee.
‘Look below you!’
En ik keek.
De derde haak zat niet meer bij de schroef van de derde haak, maar hing aan het setje in het touw bij de tweede haak.
Holyshit – ja.
Ik kon in eerste instantie niet helemaal bedenken wat ik ervan vond en hing stil in mijn touw. Daarna maakten we wat grapjes. En daarna vroeg mijn zekeraar: ‘Are you ok? You still want to climb?’
Het was alsof wat hij zei pas de aanleiding was van mijn paniek. Ik realiseerde me aanvankelijk niet dat ik geschokt kon zijn over loskomen van een haak. Na zijn opmerking hield ik op met ademen. Baam, paniek. Paniek zoals ik dat het afgelopen jaar heb leren kennen. Klassieke, verlammende paniek. Ademen, Ruby, ademen.

Sportklimmen is een veilige sport. Ik wil geen alpine grappen bij het sportklimmen. Ik wil dat de haken me houden zonder dat ik er een gedachte aan hoef te wijden.

Schijtzooi.

Ik maak sindsdien elke dag voorklimvallen, grote en kleine, en ik ben niet meer bang mijn enkels te breken. Maar ik ben verdomde onrustig. Ik vertrouw niets meer. De haken niet, het touw niet, de Grigri niet. Verroeste standplaatsen jagen me de stuipen op het lijf wanneer ik de setjes heb uitgeklipt en in het niets bungel. Ik ben misschien niet bang om iets te breken, maar ik ben bang om dood te vallen.

Mijn ratio kan me rustig maken en de rest is een kwestie van geduld. Ik kan het proces in mijn hoofd niet sneller laten gaan dan het gaat. Het is allemaal een erfenis van mijn val en ik kom er wel overheen.
Maar eerlijk gezegd, het ergert me eindeloos dat het keer op keer lijkt alsof ik lekker ga, tot er weer iets gebeurt en ik overnieuw moet beginnen. Ik wens mijn geest terug van voor de val.

Maar laat ik het er maar op houden dat ik er uiteindelijk sterker van word.
Zoiets.

Winter in een Warm Land

DSCN7372Ik woon tegenwoordig in het busje van een vriend op het parkeerterrein van Siurana. Vlak voor de ruïne van het kasteel ligt een stoffig terrein met de mooiste zonsopgangen – zeggen ze – waar in het weekend toeristen hun auto’s dicht tegen elkaar frommelen en door de week klimbums met busjes een klein dorpje maken.
Ik word wakker als het licht wordt en kom de bus uit wanneer streepjes zon door de luxaflex komen. Precies dan openen de deuren van alle busjes zich en steken her en der de warrige koppen van klimmers uit. Hun blikken gericht op de wolken in de vallei. Niemand waagt zich buiten de bus voor de warmte van de zon het bestaan hachelijk maakt. Niemand.

En dan is het een internationale samenkomst van ontdooiende klimmers die met kopjes koffie van bus naar bus lopen, pochen over hun routes of plannen smeden voor de dag, en klagen over de niet helende wondjes op de toppen van hun vingers.

photo 4 (9)Het was de eerste weken warm voor het seizoen. Sinds een paar dagen duikt de temperatuur ’s nachts door de nul en moeten busbewoners het vorst van hun ramen schrappen voor ze naar een klimgebied rijden. De wind weet zich langs alle rotsen te wurmen en slingert topropers ver uit hun routes als ze eenmaal zijn gevallen. Buiten is een no go wanneer de zon zich terugtrekt en de projecten zijn uitgeklommen of gepauzeerd. Winter in een warm land forceert iedereen ’s avonds naar dezelfde cafés waar de gesprekken van die ochtend voortgezet worden en nog eens wordt doorgezeken over de pijn in de vingers.

Maar als de zon schijnt, als de zon schijnt is het Spanje. Als de zon schijnt klimmen we boven de bomen uit en schrikt het pigment op onze ruggen wakker, stroomt het bloed door onze vingers en het zweet langs onze rug, als de zon schijnt draaien we sjekkies onder de routes, sluiten we onze ogen en zwaaien we naar de winter die ver, ver van ons opdoemt en dan stand maakt.

Daag, winter.

Exotisch Dier

Door het deel van de vallei waar wij op uitkijken kronkelt een bruin riviertje. Het lijkt ver weg, maar als de meisjes nog slapen en ik op mijn rots zit hoor ik het stromen.

Het is een rustdag vandaag. Ik spendeer hem alleen, en ik heb al lang geleden bepaald dat als ik een dag voor mezelf had, ik naar het riviertje zou afdalen.

Ik vul mijn tas met schone kleren en een shampoofles. Ons kamp ziet er kwetsbaar uit vanaf een afstandje. We hebben het Scorpion Plateau genoemd vanwege de aanwezigheid van een kleine familie schorpioenen onder de steen waarop we koken.
DSCN7326Elke dag wordt ons stukje natuur meer als een huis. We hebben een keuken tussen opgestapelde bakstenen, twee tentzeilen slaapkamers, een huiskamer op de rots, een vuilnisbak en een boom waarin de klimspullen hangen. Onze klimvrienden weten waar het is en omdat ze allemaal fluiten of neuriën hebben we een natuurlijke deurbel.
Ik kan me niet voorstellen dat een kwaadwillende wandelaar me van mijn schoentjes of laptop beroofd, maar toch is het vreemd om geen sleutel tot het deel van het woud te hebben dat ontegenzeggelijk het onze is.

Ik loop langs de bovenrand van de rotsen tot er een pad de diepte in duikt. Het gepraat van klimmers klinkt luider en luider en vervaagd wanneer ik verder afdaal. Ik passeer de lange overhangende klimroutes en volg een slingerpaadje tot een breed pad dat de vallei in loopt.

Er is niemand.

De rivier ziet er dichtbij heel anders uit dan vanaf boven. Het water is kraakhelder en avontuurlijk, loopt in scherpe bochten en over grote stenen in watervallen en splitsingen, tot het in het stilste bassin doet alsof het altijd daar is geweest. De zon schittert. Kleine en grote visjes zwemmen onrustig door elkaar. De rotsen zijn wit en de bosjes lichtgroen. Ik vind een strandje dat uitloopt naar een grote platte steen midden in het riviertje en leg mijn spullen erop uit.

De wilde vrouw. Het meisje uit de bossen. Het kind van het woud.

Ik trek mijn kleren uit tot op mijn onderbroek en ga de rivier in. Het water bijt. Mijn ademhaling stopt als mijn borstkas onder water komt en ik schreeuw om elk stukje huid dat wordt aangetast.
Maar het wordt beter.
Ik pak de shampoofles van de rots en zie de visjes zwemmen onder het schuim van mijn gewassen haren. Ik dompel mijn kleren onder en hang ze te drogen aan de bosjes. Zelf droog ik op de witte rots en staar naar het vervolg van het riviertje, af en toe opgeschrokken door geluiden om me heen.

Ik weet dat ik me vrij zou moeten voelen en ik voel me vrij. Mijn fantasie loopt synchroon met mijn leven.

Een vrouw staat tot op haar enkels in het water. Ik zie haar pas als ze haar lens op mij gericht heeft en foto’s van me maakt. Een man verschijnt op de oever achter haar. Een ander boven op de rots. Ze zijn te ver om me écht te kunnen zien, maar even ben ik geschrokken. Ik voel me naakt en bestudeert als een exotisch dier.
Fuck it.
Je hebt het riviertje, de plantjes en je hebt mij. Welkom in de natuur.

Als ik me weer heb aangekleed lopen ze langs me. De vrouw vraagt waar ik woon, ‘in the woods’ reageer ik en ik realiseer me dat ik de mythe van mijn verschijning alleen maar groter maak. Ik leef van besjes en vis, slaap onder de vacht van een Spaanse stier en communiceer met de vogels over het leed in de wereld. Ik dans bij het kampvuur en steel brood van de bakker in Cornudella. Men ziet soms een glinster van mijn blonde haren en de afdrukken van mijn voeten in het stof op de straten. Dat is alles wat ze van me weten.

Ik stop mijn droge kleren en de shampoofles terug in mijn rugtas en loop naar boven. Bezweet van de klim onder de Spaanse zon kom ik bij het Scorpion Plateau aan. In de verte zie ik het bruine riviertje kronkelen.

Mijn huis en mijn bad. Mijn leven.

DSCN7305

Wild Mooi

Siurana is niet groot. Vijftig stenen huisjes aan elkaar geplakt op het verre eind van een heuvel, met een tiental smalle gangetjes en oude bewoners die willekeurig door elkaar lopen. Iemand met een romantische geest had het dorp kunnen schetsen en er allemaal ridders en jonkvrouwen doorheen laten lopen. Op magische wijze ben ik er zelf in geschetst.
Alleen de windrichting waarvan uit de weg naar het dorp komt geeft geen uitzicht op de omgelegen valleien. Soms komen de wolken net tot de voet van de eerste gebouwen en lijkt het alsof ze zweven. Een onoplettende toerist kan zonder waarschuwing het plateau aflopen en een snoekduik tussen de oranje rotsen maken. Een mooier einde kan die zich niet wensen.

12200494_1175560439123974_2021537825_nDe eerste dagen hier was ik zo overdondert door de schoonheid van de natuur en dat kleine dorpje, dat ik nauwelijks een gedachte heb besteed aan iets dat zich buiten het moment afspeelde. De meisjes vroegen veel aandacht en het klimmen nam het grootste deel van elke dag in beslag, dus heel veel meer dan het moment was er ook niet. En de brute eenvoud van het leven maakte elke diepere gedachte een beetje gekunsteld. Eten, klimmen en slapen, soms zingen of dansen of praten.

Maar ondanks dat de zonsondergangen nog steeds wild mooi zijn en ik vergeet te ademen als ik de rotswanden in de verte zie opdoemen, begin ik weer een beetje na te denken. We ontmoeten zoveel inspirerende mensen, zoveel bij elkaar geraapte levensconcepten die eigendom zijn van rustige en blije klimmers, busbewoners en reizigers, avonturiers en jonge papa’s en mama’s die hun baby’s voeden in de schaduw van de rotsen, dat mijn eigen levensconcept onmogelijk onaangetast blijft.

Ik geloof dat de grootste verandering ligt bij het feit dat ik mijn leven niet meer dicht wil timmeren met ideeën over mijn toekomst. Ik was vijf jaar lang heel erg trouw aan het ‘ik maak mijn eigen leven’ idee en ik denk dat ik dat nodig had om uit mijn structuur te breken. Nu is het tijd om het leven zelf weer wat autonomie te geven. Ik wil ruimte behouden voor het onverwachte. Voor onvoorziene plannen en ontmoetingen. Voor dingen die te krachtig en mooi zijn om in het leven te forceren, die alleen door het leven zelf op mijn pad geworpen kunnen worden.

Een bootje op de golven. Een dans op het ritme van de muziek.
En we dansen veel hier.

Ik ga nooit meer terug in mijn kooi.

De Novembernachten van Siurana stellen ons op de proef. We slapen in onze hele garderobe en voelen nog steeds de kou langs onze ruggengraat omhoog kruipen. Het dirtbag bestaan is niet voor mietjes. Het klimbestaan evenmin. De routes slopen ons lichaam en onze mentale kracht bevind zich in een ernstig traject dat per voorklim een andere uitkomst levert. Maar op alle fronten boeken we vooruitgang. We worden beesten.
Ik kan me niet voorstellen dat er nog een wereld bestaat buiten deze valleien. Chamonix voelt als afspraak bij de tandarts waarvan ik de datum ben vergeten. Nederlands is een vreemde taal. Parijs ligt op een andere planeet. Ik ben in Siurana en alles buiten de warmte van het dichtstbijzijnde kampvuur is ongrijpbaar. Nog twee weken in deze droom en dan zal ik weer een beetje mijn ogen openen.

Spanje kwam uit de lucht vallen en ik had de vrijheid om het op te vangen. Dat is geluk.

Mam, aan jou, ik wou dat ik met jou door Siurana kon lopen. Dat ik met jou op het plateau aan het einde van het dorp kon zitten. De wolken zouden tot onze voeten komen en we zouden bijna naar het roze van de ondergaande zon kunnen lopen. Als ik daar twee minuten met jou zou kunnen zitten, mam, dan had ik geen vijf uur over dit verhaal hoeven doen. Misschien hadden we samen naar woorden gezocht om de impact van de omgeving te omschrijven, want ik heb er grote moeite mee. Ik vrees dat ik je nooit kan vertellen wat het waard maakt om in een bos te leven en die beren die jij op de weg ziet voorzichtig een aai over hun bol te geven. Ik vrees dat ik je het moet laten zien.

Jij bent ook vrij, toch?

12212406_1175560429123975_641484596_n