Latest Posts

Gekwebbel in het Woud

“I had a bath this morning”, zegt een van onze Duitse vrienden, een jongeman met groene ogen, bruine huid, een wilde bos zwarte haren om zijn hele gezicht en een dun touwtje dat het in toom houdt. ‘Huh’, denk ik, met wie is hij bevriend? Douches en wasmachines zijn alleen toegankelijk als je betaald voor de camping of vrienden hebt in Cornudella, het dichtstbijzijnde dorp in de vallei. Siurana zelf heeft alleen een klein waterkraantje. En een bad is wel héél luxe. Klimmers die wonen in een bus in een bos hebben doorgaans geen vrienden met een bad.
“Down in the lake”, zegt hij vervolgens.
Aha.

Het leven is gemakkelijk. Ik slaap op een matje onder de sterrenhemel en wordt wakker door het eerste licht. Boven ons kamp ligt een platte, witte rots waar ik in kleermakerszit wacht op de zon, elke morgen, die altijd achter dezelfde heuvel tevoorschijn schiet. Ik blijf daar tot mijn vriendinnetjes wakker worden (we zijn tegenwoordig met drie, oud-huisgenootje Sadbh heeft zich aangesloten) en dan zetten we koffie, of een brouwsel van gemalen koffiebonen in kokend water dat ongeveer zo ruikt en smaakt. We ontbijten met wat we nog over hebben. Drie aapjes op een rots.
Na een tijdje horen we het gefluit en geknisper van Tom, die zijn weg zoekt tussen de bosjes en daar in tegenstelling tot ons nooit moeite mee heeft omdat ons gekwebbel door het hele woud hoorbaar is. Hij neemt onze plaats op de witte rots en wij beginnen in een stofwolk van chaos onze spullen op te ruimen. En dan vertrekken we in een eigenaardige karavaan naar de rotsen.

Na een week kennen we veel van de klimmers die voor langere tijd in Siurana verblijven. Freja is een sociale stuiterbal die geen rust vindt voor ze zich aan iedereen met een touw en gordel heeft voorgesteld, en dus vind ik mezelf in een eindeloze hoeveelheid ‘waar kom jij vandaan’ conversaties. Spanjaarden, Fransen, Italianen, Belgen, Duitsers, Amerikanen. Het doet veel voor mijn mensenkennis, of in elk geval voor mijn kennis van zij die zich in het zwervende bestaan gegooid hebben. Het is een warm bad van vreemdelingen die verdomd goed lijken in de kunst van het leven en, hoe is het mogelijk, bijna allemaal grappig en sympathiek overkomen.
Tom manifesteert zich ondertussen als een baken van rust, in beweging en woorden. Met zijn blonde sprietharen en ronde brilletje klimt hij de hardste routes. Soms zit hij stilletjes maar geamuseerd op een rots. Hij lijkt niet afgeleid door ons meisjesachtige gegil en gegeit en vormt een belangrijk deel van onze dagelijkse realiteit.

Dagen lijken te vliegen. Het is te kort licht voor al dat klimmen elke dag, en ook te kort avond om datgene te doen wat zich als secundair naast het klimmen voordoet, zoals boodschappen, biertjes en internet.
Ik heb een hardlooproute gevonden die een grote cirkel achter de rotsen maakt. De zonondergangen lijken hier drie keer zo breed en kleurrijk als in Chamonix en dus probeer ik rond het vallen van de avond mijn ronde in het dagprogramma te persen. Het ontbreken van een douche kan me niet meer hinderen om me in het zweet te werken, sinds ik heb ontdekt dat je best schoon wordt onder het leeggooien van flesjes water. Het is een klein ritueel geworden.

Dagen eindigen meestal in een één of andere absurd romantische setting, met wijn in plastic kopjes en bungelende beentjes over de rand van de rotsen, gitaarsessies in klimmersbusjes of biertjes rondom een reusachtig houten vat in de Rifugio in Cornudella, waar binnendruppelende klimmers zich aansluiten en verslag doen van de voorderingen binnen hun klimprojecten.

En dan sluit ik weer mijn ogen onder de sterrenhemel van Siurana.
Zo gemakkelijk als dat kan het leven zijn.

Siuranaans Leven

6-11-2015

We wonen in het bos.

Er gaan verhalen rond over wilde zwijnen die ’s nachts uit de vallei omhoog komen, maar we hebben ze nog niet gezien of gehoord. Het is hier zo stil als hoog in de bergen. De nachten zijn pikzwart en de hemel is gigantisch. We hebben een klein plateautje gevonden aan de rand van de afgrond, tussen lage donkergroene bosjes en bomen, en dat stukje wereld is nu van ons. Drie meter onder de laatste haring van onze tent eindigen klimroutes, duizenden meters daarachter toont zich alleen maar die heuvelige Spaanse natuur, een rivier in de diepte, grote Lion King rotsen aan de overkant.

De weg naar onze tent is niet helemaal duidelijk, er zijn veel paden en gelijksoortige bosjes die het overzicht verdoezelen, en dus verdwalen we op weg naar huis. Altijd. De bosjes zijn stekelig en mijn benen ogen alsof de lokale zwerfkat ze als krabpaal gebruikt. Mijn vingertoppen zien rood met witte vlekjes en klagen nu al dagen om het gewicht dat ik ze laat dragen. Mijn schouders zijn bruinverbrand.

Freja en ik zitten in Siurana, het paradijs Siurana, daar waar het landschap bestaat uit reusachtige oranje en gele rotswanden en de brede schouders van de lokale bevolking. We hebben een vriend, Tom, die ergens anders in het bos woont en gedrieën vertrekken we elke dag naar de routes.
En die zijn overal.
Het houdt nooit op.

DSCN7219We klimmen en pogen een ‘dirtbag’ bestaan. Het vieze rugzak leven waar klimmers misschien wel monopolie op hebben, ik weet het niet. Ik wil het graag omschrijven, maar ik zit niet zo in de literatuur en ontbreek het zelfvertrouwen om uit de losse pols een heel specifieke cultuur neer te zetten die ik zelf pas drie dagen geleden ben betreden.
Ik zal me laten verleiden tot een snelle schets: Het is een soort…gecultiveerd zwerven. Coole armoe in de natuur. Als je hier een dag rondloopt en slechts af en toe je mond open trekt heb je zo zes nieuwe dirtbag vrienden die elk een eigen cliché uitoefenen. We eten smerig, primitief voedsel, poepen in de bosjes, douchen in het meer, dragen elke dag dezelfde kleren, betalen niets, profiteren, zijn de hele dag buiten want er is nergens een binnen en vinden het allemaal fan-tas-tisch. ‘Dit is het ware leven’. We hebben niets nodig.
En zolang de zon schijnt is dat absoluut waar.

Dan nu het klimmen.

Want daar ontkom je hier niet aan; alles dat zich horizontaal voortbeweegt in Suirana doet dat zonder twijfel ook verticaal. En niet lichtjes, ze klimmen angstaanjagend hard. De eerste keer dat ik in de topo keek brak het zweet me uit. Ik zag de 8a’s en b’s bezaaid over de bladzijdes en de rotsen oogden precies zo ontoegankelijk. Grote, eindeloze, gladde muren die onheilspellend over ons heen bogen. Ik voelde me op zijn minst misplaatst.

Op andere bladzijdes ontdekten we wat 5jes en 6jes en dat bracht een beetje adem terug in mijn longen. Maar ik realiseerde me dat ik geen poes meer kon zijn. Er zou geklommen worden.

En dus vond ik mijzelf de eerste middag vér boven mijn niveau en vér boven mijn laatste haak in een 7a+ met een waanzinnig fysieke uitklim. Welkom in Siurana, Ruby. Wat vloog ik prachtig door het niets.

Toch is het voor Freja en mij net zo’n Walhalla als voor de massa’s Sharma’s en Ondra’s die uit alle streken van de wereld hier hun rotsdansen komen tonen. De absurde standaard doet iets vreemds met je. In België en Frankrijk waren het de grote jongens die zich aan de zeventjes waagden, hier begint men de dag met een zeventje. En dat maakt elke willekeurige 7a een stuk toegankelijker, alhoewel ze er niet minder hard op worden. Je doet het gewoon. Je zeikt niet, bindt je in en ziet wel waar het schip strand. En dan opeens groeit er hars op je vingers en veranderen je spierballen in glanzend metaal.
Klimmen is grappig mentaal.

Freja en ik blijven nog vijf dagen klimmen, tot er geen plusje hoger meer uit ons lichaam valt te persen en we schil kijken van al die rots zo vlak voor onze neus. Het leven is goed. Iets te goed. Maar daar kan ik nauwelijks over klagen.

DSCN7250

Dakloos in Spanje

De natuur. Het dorp. De stad. Ik schiet als een sneltrein door het landschap en kan de velden niet meer van de bomen onderscheiden. De concepten zijn door elkaar gaan lopen, een wereld aan fimokleipoppetjes gekneed tot een grote bal.

Wat ik bedoel, is dat ik op een morgen wakker wordt in een Spaans hostel waar vrije stadsgeesten hun ontbijteitje omdraaien met een stijlvol getatoeëerde arm, boter dat in stoomwolkjes tussen hun glanzende bruine lokken doorglipt, en ik niet helemaal meer kan plaatsen wat ik zie. Ik kan ook niet zo goed vatten dat in de hoek een gigantische tas uitgeput tegen de muur aanleunt, met een roze touw en rode klimschoentjes, die garant staat voor een ‘life on the road’ en in vol ornaat de huissleutel ontbreekt van elk onderkomen in de wereld.

Ik ben dakloos en ik ben in Spanje.

En ze noemen het avontuur.

photo 2 (16)

Herfstzonnetje

CIMG2801 (2)Lac de Gailland is een meertje net binnen het dorp. ‘s Zomers zou de Mont Blanc erin weerspiegelen, maar nu drijven er rode en oranje blaadjes op.

De herfst heeft de bergen een warm jasje gegeven. Dat gaat heel goed met bergen, omdat ze steil de hoogte in schieten en gemakkelijk iets als een jasje kunnen omslaan. De gletsjers zijn glinsterend wit boven alle kleuren, wit en ver weg, verstopt achter windvlagen, warme huiskamers en ingepakte kindertjes. Kastanjes, kabouters en… Fieke.

Ik neem haar mee naar de rotsen van Gailland. We lopen langs echtparen in dikke jassen en dichte cafés, voorbij plekken waar het rumoer twee maanden geleden tot diep in de nacht klonk. Er zijn minder auto´s op de weg en minder klimmers in het klimgebiedje. Maar wij zijn er.

De lucht ruikt koud, of naar winter, ik weet niet precies hoe. De huid van mijn gezicht trekt zoals dat alleen in de kou gebeurt en ik weet bijna zeker dat mijn neus rood is. Mijn vingers verstop ik in mijn zakken als ik niet aan het zekeren ben. De rotsen zijn vreemd genoeg warmer dan de lucht, maar dat is misschien omdat het herfstzonnetje de strijd met de kou serieus neemt en zich vastgrijpt aan het gesteente. We zijn liever hoog dan laag, liever tegen de rots dan in het open veld,  en toch is er niets fijner dan weer samen onderaan de routes te staan. Zoals vroeger. CIMG2793 (2) (1)

De herfst is koud. Maar warm.

Het is circus. De mensen die zich vandaag bij Gailland hebben verzamelt zijn erop uitgezocht om ons te vermaken. Twee oude jofele Franse heren naast ons zekeren alsof ze beiden voor het eerst een touw in handen hebben. Aan de andere zijde gebruikt een sportieve oma de techniek van ‘het touw langs de rug’ om haar kleinkinderen op te vangen. Het hele klimgebied wordt getreiterd door een hond die, als hij niet op zijn baasjes aan het klimmen is, van zekeraar naar zekeraar loopt en eten uit hun tassen steelt. Het beest is niet groter dan een onderarm van een klimmer, zwartglanzend en hormager, en beweegt zich in wonderbaarlijke vaart langs ons op zijn vier stekelige wankele pootjes.

CIMG2813 (2) (2)Midden in het massief loopt een ijzeren trap langs de rots naar boven. Ik heb me nooit afgevraagd waar het precies heenleidt, misschien omdat ik onbewust het mysterie intact wilde laten.
Een man en vrouw doorbreken mijn dagdromen. Ik ben Fieke aan het zekeren en zie de twee achter elkaar naar beneden dalen, beide met hun billen in de lucht en een touw om hun schouders. De man zet als eerst voet op vaste grond en kijkt guitig om zich heen. Hij lijkt achterin de zestig en draagt een grijze snor en een gebreide muts. Als ik in zijn blikveld val vraag ik hem waar hij vandaan komt. ‘Van boven’, zegt hij in het Frans. ‘We deden meerdere lengtes en wilden abseilen, maar ik was mijn gordel vergeten, dus zijn we maar via het trapje gaan afdalen.’
Stom van verbazing kijk ik hem aan. Voor ik er op in kan gaan is ook de iets jongere vrouw geland en begint tegen hem te praten, duidelijk niet geïnteresseerd in een conversatie met mij. Samen lopen ze weg. Hij draagt inderdaad geen gordel.

‘Fiek!’ schreeuw ik naar boven, ‘je moest eens weten wat hier net langsliep!’

photo 3 (9)We lunchen naast een groot rotsblok in de zon. Het is geen dag van harde routes, noch van veel routes, een dag waarop het klimmen eigenlijk secundair is. Met stokbrood in mijn hand staar ik naar de kinderen die rondrennen tussen de klimtouwen en het zwartglanzende hondje dat het heeft gemunt op onze pesto. Naar Fieke die stil tegen het rotsblok leunt en de Mont Blanc die ons haar zegen geeft vanaf ongrijpbare hoogte. Ik doezel weg in de tijd waar ik op zonnige dagen eindeloos buiten speelde, rende en klom, achterna gezeten werd en bloemetjes plukte, buren lastig viel en naar binnen geroepen werd voor boterhammen en limonade. Het maakt me verdrietig en gelukkig tegelijkertijd.

We klimmen nog twee routes en grijpen daarna onze spullen bij elkaar om door de blaadjes terug naar Chamonix te lopen.
Die avond voelen we ons beide rozig van een dag in de zon en de kou.
Het verschil met vroeger is de wijn, in plaats van de limonade.
Ik schrijf dit verhaal en Fieke leest haar boek.

Lang leve deze dag.

CIMG2799 (2) (1)

Dropjes, Spanje en Japan

Ik eet dropjes. Voor ik ga slapen en gelijk als ik wakker word.
Mijn lichaam heeft de nare gewoonte om mijn keel naar voren te schuiven als het eerste en meest hardnekkige slachtoffer van een lage weerstand. Mijn weerstand ligt sinds twee dagen op een kerkhof begraven, ergens diep in de grond, en daarom eet ik dropjes.
Voor mijn vertrek naar Frankrijk afgelopen mei reden we nog even langs het ouderlijk huis om wat vergeten spul op te halen. Ik knuffelde mijn moeder een laatste keer en zij gaf ons een grote zak drop mee voor op de lange autoreis. Twee kilo.
Ik heb een derde ervan opgegeten in juni, toen ik ziek werd tijdens de aller heetste en aller drukste werkdagen van het seizoen. Nu eet ik weer een derde.

Ik ben bijna benieuwd wanneer ik het laatste deel opeet.

Het zijn twee haast gemoedelijke dagen. Ik heb het kippenhok al een week voor me alleen en kan gedurende de strijd met de ziektekiemen ongestoord in mijn bed blijven liggen. Het andere bed ligt afgeladen vol met spullen die ik mee naar Spanje ga nemen.
Ik weet eigenlijk niet of ik daarover al geschreven heb, maar ik ga voor een maand naar Spanje. Mijn maatje Freja en ik beginnen in Margalef, vlak onder Barcelona, en dalen steeds verder af, van klimgebied naar klimgebied, tot onze handen afgesleten zijn en we beide met twee stompjes op een grote boot naar Marokko varen. En als ik het niet verkeerd heb begrepen gaan we ook in Marokko nog even klimmen. Voor het volledige plan, kijk hier.

Maar alhoewel de vrouw van blablacar.fr al bijna toeterend op de stoep staat, voelt het avontuur ernstig ver weg. Het kost me best veel moeite om op te staan. Slapen lijkt altijd een betere optie. Soms kun je voor het slapengaan uren liggen woelen tot je eindelijk, of helemaal nooit, een houding hebt gevonden waarin je lichaam wilt blijven. Misschien is de definitie van ziek zijn dat elke bedhouding als gegoten zit.
Ik doe dat vaak, als ik ziek ben. Bedenken wanneer ik kan zeggen dat ik ziek ben. Ik zou gewoon mijn temperatuur kunnen meten, maar zo’n slim apparaatje heb ik nooit bij de hand. Misschien is het aantal dropjes een indicatie. Of simpelweg hoe slecht ik me voel.

Maar ik voel me niet heel slecht. De linkerhelft van mijn keel is in oorlog met de rechterhelft, ik weet zeker dat mijn hoofd drie keer in omvang is toegenomen, en mijn lichaam voelt erg mysterieus heel licht en zwaar tegelijkertijd, maar zolang ik honing drink en me alleen kleine uitstapjes uit het kippenhok permiteer zit ik eigenlijk wel goed. Ik lees een boek. De Aiguilles Rouges staan nog steeds onverstoorbaar op hun plek, precies daar waar ik ze vanuit bed door het raam kan zien.
Gisteren kon ik nog langs Chambre banjeren om daar in een roes naar een gigantische kop thee te staren, en een film kijken in het nabijgelegen appartement van een vriendin. Vandaag kluister ik me wat meer vast aan de verwarming thuis, maar aan vermaak ontbreekt het me niet; ik kan nog eenvoudig teren op mijn laatste affaire in de bergen, en omdat mijn kop vol met watten zit kan mijn denken onvermoeibaar in rondjes gaan zonder dat het me verveeld. Ik besef me nu dat zo’n volgelopen hoofd je de perfecte zenboeddhist maakt, want gedachten komen en gaan direct weer omdat je de energie niet hebt om één ervan vast te houden.

Ik lees Flipperen in 1973 van Haruki Murakami, dus eigenlijk zit ik ook meer in Japan dan dat ik in mijn bed lig.

Het is grappig dat ook in Chamonix iedereen ziek wordt wanneer het kouder wordt. Dat is niet aan Nederland gebonden.
Maar niemand vindt mijn dropjes lekker. Vandaar dat ik ze allemaal zelf eet.
En wanneer ik ze over het Sinterklaasfeest vertel, begrijpen ze er helemaal niets van.

Het is tijd dat ik ga slapen.

Het Hutje van Sprookjes en Dansende Spookjes

Bergje is wel mooi
Vier jaar geleden liepen Fieke en ik voor het eerst over de lange morenen van Glacier du Tour naar de Albert Premier, een hut in het noorden van het Mont Blanc massief. We hadden net op cursus geleerd hoe we over sneeuw moesten lopen. Onze maatjes konden we uit gletsjerspleten takelen en het kompas wees ons de weg.
Een paar ervaren klimmers namen ons vervolgens mee op tocht in de wilde bergen die zich rondom de Albert Premier bevonden. Om twee uur ’s nachts werden we gewekt en een uur later joegen ze ons over de gletsjer. Op de top van de Petite Fourche benoemden ze alle bergen om ons heen. Het was een sprookje. 

Herfst 2015.
Zoek de AapFieke en ik banjeren door de sneeuw. In de verte zien we de Albert Premier, en daarnaast het bivakhutje. Eind september sluiten de meeste grote hutten en zijn klimmers aangewezen op hun kleine bivak broertjes en zusjes. Hutten zonder waard en zonder biertjes. De aanwezige voorzieningen kun je op voorhand opzoeken, en dat hebben we gedaan, maar ik ben er niet gerust op. De laatste meters van de aanloop zijn volledig verijst. Een bevroren waterval loopt in golven over het pad en glimt in het zonlicht. We moeten ons over kleine droge rotspuntjes bewegen om bij de bivak te komen.

Het is voor ons beide de eerste keer dat we buiten het seizoen alpineren. We hebben geen idee wat we in de bergen zullen aantreffen. Sneeuw, kou, eenzaamheid. Overbezette bivakken. Het was een gok om naast ons alpine spul alleen wat kookgerei mee te nemen. In mijn achterhoofd houd ik rekening met de mogelijk dat het hele ding gesloten is en we rechtsommekeer moeten maken.  Maar dan ruiken we de geur van verband hout.

Er is leven.
Meer dan dat zelfs.  De hut

Zodra we de deur van het kleine hutje openen horen we popmuziek. Twee jongemannen zitten grijnzend achter een tafel die volgeladen is met kaas, worsten en aardappelen, twee flessen witte wijn en een box aangesloten op een smartphone. Om hun heen aan de muur hangen donsjassen, helmen en ijsbijlen. De rest van de ruimte is groot en netjes.

We gooien onze tassen af en gaan verbaasd aan onze eigen tafel zitten.
Dus dit is een bivak?

Ik trek mijn schoenen uit en ga in twee legergroenen hutklompen op ontdekking. In een hoek staat een kachel en achter een deur ligt een grote opslag met blokken hout. De wc stinkt, maar lijkt te werken, en in de slaapruimte liggen wel honderd dekens. Het is warm binnen. Op de kachel staat een grote pan waarin de Fransen liters sneeuw hebben gesmolten.
Mijn aandacht wordt getrokken door twee brede oranje strepen zonlicht die schuin vanaf de ramen de hut in lopen. Het gefonkel van de gletsjer. We raken in gesprek met de Fransen, maar als we ons op het balkonnetje begeven is het dood en doodstil. Het dal is gevuld met wolken. De hoekige lijnen van de gletsjerspleten gaan over in de pluizige oceaan boven Chamonix. Daarachter is niets, niets dan blauwe lucht.
Ik zeg tegen Fieke dat het me niet meer uitmaakt wat er gebeurt. Dat dit al voldoende is.

VerstoppertjeWe zetten ons gastankje binnen op tafel en warmen twee pakjes prefab pasta op. Light and Fast, of in elk geval niet al teveel rommel op onze rug; dat was het idee. Achter mijn pannetjes zie ik de schimmen van de twee jongens en de contouren van hun bourgondische feestje. Verschillende kazen. Verschillende worsten. Ze maken kaasfondue, laten ze ons weten.
Kaasfondue.

Onze pasta is na vijf happen op. Fieke begint aan een bak havermout en ik verzink in de topo van het gebied. Het lijkt een rustige avond te worden.

Terwijl ik van route naar route blader luister ik stilletjes naar het gebabbel tussen haar en de jongens. Ik probeer me afzijdig te houden, maar dat lukt niet. Natuurlijk niet. Voor ik het werkelijk door heb zit ik naast een plastic beker witte wijn en eet ik het ene na het andere stuk huisgemaakte worst. Grote aardappelen met gesmolten kaas worden voor onze neus op geïmproviseerde borden geschoven. Muziek klinkt door het houten hutje. Gelach. Frans.
De jongens rollen sigaretjes en we volgen ze naar buiten. De zon zakt langzaam onder, feloranje op het donkerblauw, en elke hint naar de bewoonde wereld vervaagd. Rook nestelt zich in mijn hoofd en versluierd het contact met de realiteit. Fieke praat en lacht, ik voel het geluk bijna tastbaar in de lucht.

Even later dansen we.
Allemaal.

Vier figuren in leggingen en thermoshirts op 2800 meter hoogte laten hun armen, benen en billen los op het ritme van muziek en een flacon sterke drank. We proberen spagaten en pirouetten en zelf fatsoenlijk in paren te dansen, wat geen van ons lukt. De hoogte put ons uit en laat ons zwaar ademend op de grond zakken. Met het oog op de tochten van de volgende morgen stoppen we de muziek, ruimen wat op en gaan naar de slaapzalen boven. Fiek en ik sluiten ons hok en kruipen beide onder drie wollen dekens, doorgeslagen om alles wat ons overkomt.
Als we net een beetje bedaren, horen we gerommel op de gang. De deur kraakt. Kerkmuziek klinkt. Een zwak schijnsel verlicht de ruimte. Met grote ogen kijk ik naar Fieke, die zich concentreert op wat zich langzaam op ons af beweegt.

Franse SpokenTwee Franse spoken.

Het duurt tien minuten voordat we bekomen zijn van de hilariteit en ruim een uur voordat de adrenaline uit onze lichamen stroomt. Pas dan kan de slaap ons meevoeren.

De volgende morgen vroeg klinkt onze wekker. We lopen zachtjes naar beneden, rommelen aan onze tassen en maken een grote bak havermout. Uit de pan op de kachel vissen we gletsjerwater. We koken het, eventjes – geen idee hoelang water moet koken om het drinkbaar te maken. We hebben beide een camelbag als waterdepot en moeten wachten tot het water voldoende afkoelt om ze te kunnen vullen. De ochtend verloopt traag, maar het doet er niet zozeer toe.
Een van de jongens komt naar beneden en deelt ons mee dat zij niet meer op tocht gaan. De ander heeft namelijk zijn beenspier verrekt met het proberen van de spagaat en komt zijn bed niet meer uit. Het is tragisch. En hilarisch.
Anderhalf uur na het ontwaken maken we ons debuut in het herfstalpinisme.

Eind van de middag.
Onverwacht en uitgeput komen we terug bij de hut. Het plan was aanvankelijk om ons naar een andere bivak te bewegen, maar door mijn navigatiekunde verliezen we de route en moeten we terugkeren. Het kompas wees niet de weg.
Op het balkon wachten de twee jongens ons op. Onsamenhangend van vermoeidheid doen we ons verhaal.

Op 't balkonDie avond stroomt de hut vol. Twee andere Fransen voegen zich bij de bourgondische eetclub en halen grote bieren uit hun alpine tassen. Een aspirant gids sleept zijn vriendinnetje mee omhoog en twee Sloveense dames bereiden zich voor op de Arrête de la Table.
Fiek en ik zijn uitgeput. We openen twee nieuwe pakjes prefab pasta en zonderen ons af in een hoek van de hut. Ik ben te moe om Frans te spreken, maar accepteer dankbaar de stukjes worst en kaas die ons weer worden toegeschoven. Fieke leest haar boek en ik probeer wat te schrijven. Op de achtergrond klinken de stemmen van alpinisten die hun tochten voorbereiden. Af en toe verkassen ze zich naar het balkon om hun sigaretjes te roken. Iedereen praat met elkaar. De zon gaat onder. Ik probeer in woorden vast te leggen hoe ik me voel, maar eindig met het doorstrepen van al mijn zinnen.Fieks op valkon

Die nacht realiseer ik me dat ik me nog nooit zo dicht bij de verwezenlijking van mijn fantasie heb bevonden. Dansen in een hut hoog in de bergen. Iemand die ik liefheb en onbekenden met zoveel warmte in hun wezen dat ik begrijp waarom ik de deuren van mijn toekomstige houten huisje voor altijd wagenwijd open wil hebben staan. Avontuur in het verleden en avontuur in de toekomst. Een hutje van sprookjes en dansende spookjes. Het enige wat nog miste zijn al die anderen die ik dicht bij me wil hebben. Een gitaar en een schaap.

Hap slikDe volgende morgen is de bivak verlaten en weet ik dat de wilde bergen van het Mont Blanc massief aan alle kanten worden verovert. Fiek en ik doen een klein zelfverzonnen toertje aan de rand van de gletsjer en keren een laatste keer terug naar de hut. Het krioelt er opeens van de mensen. Ze legen de prullenbakken, timmeren aan raamkozijnen en bewegen zich druk heen en weer tussen de grote hut en het bivakhutje. Een helikopter levert een lading nieuw brandhout af. De mystiek van het bivak verdampt voor onze ogen, maar onze herinneringen zijn voldoende gevoed om met onaangetast geluk over de morenen af te dalen.

Dag Spookjes. Dag sprookjes. Fieke op weg

Tot de volgende keer.

Alpenvlinders

423485_2339644826712_820293281_n
Wat gebeurt er met me.

Ik kom niet in slaap ondanks dat ik nog steeds uitgeput ben. Ik ben overal in Chamonix maar mijn gedachten zijn ergens anders. Mijn hart schiet omhoog en omlaag en mijn glimlach probeert de hele dag de breedte van mijn hoofd te beslaan. Ik leef in een roes.

Ik ben weer hoog, hoog in de bergen geweest.

Zons..gangFiek kwam een week op bezoek om te alpineren. Elke morgen keken we aan tegen bizarre zonopgangen en elke avond tegen bizarre zonsondergangen. Overal gebroken gletsjers en verre toppen.
Stilte.
Of wind.
Onze adem.

Het was een bevalling. Ik was vergeten dat tochten zo zwaar waren. We bewogen ons in een dikke laag sneeuw en namen elke stap met grote moeite. Mijn tenen waren bevroren of kwamen heel erg pijnlijk weer tot leven. Ik zakte tot op mijn kin in een gletsjerspleet en zag mijn voeten bungelen boven een duisternis die ik sindsdien probeer te vergeten. Fiek liep over een sneeuwbrug waarvan we beide niet wisten of die zou houden. Ze gleed weg tijdens de afdaling door een ijzig sneeuwcouloir en hing slechts nog met het puntje van haar pickel aan een rotsblok. Het werd mistig in een wereld waarin het al moeilijk navigeren was. Spoookyy

Voor de moeders: Er waren back-ups.

Wat kan alpine ongelofelijk shit zijn. Loodzwaar. Ik voelde me vaak genoeg oncomfortabel vanwege mijn erfenis van vorig jaar. ‘Wat als’ achtervolgde me als de duivel.
Maar tegelijkertijd viel alles op zijn plek.

Klik.
Dit is het.
Een visje in het water.

CIMG2737 (2)Ik ben in leven. Mijn hart klopt, mijn zintuigen worden geprikkeld en geen enkele ervaring wordt nog gefilterd door mijn denken. Dit is grenzeloos.

Het afgelopen half jaar heb ik constant naar woorden moeten zoeken die samen een reden zouden formuleren voor mijn beweging naar Chamonix. Deze drie dagen liep ik door de verwezenlijking van die reden.
Selfiestickfiekk

Het is de overdonderende schoonheid die me van binnen verandert na
er dagen door omringt te zijn. Het is de kracht van de natuur, van de dag en nacht en de beweging van de gletsjer, van de wind en de hoogte, van de bergen die me inprenten dat zij de absolute alleenheersers zijn. Het is de hoge inzet, de keuze voor die inzet, het gevolg van die inzet, want wat je dreigt te verliezen is je dierbaarder dan ooit. Het is de pijn en de uitputting,
waardoor ik me bewust word van elke ledenmaat, elk fysieke systeem dat me gaande houdt, het hele lichaam dat op magische wijze van mij is, en waardoor ik met een voldoening bij de hut aankom die geen enkele andere prestatie me kan geven. Het is de kameraadschap tussen mij en mijn tochtmaatjes. Het vertrouwen. Het is het verhaal dat ontstaat bij een idee, een blik op een berg, een verhaal dat geleefd wordt door duizend alpinisten en waarin ik me verbonden voel met hen allemaal.

Ik ben afgeleid. Ik ben al twee dagen in het dal, maar mijn kop is alleen maar op hoogte. Het ene na het andere beeld flitst langs en voert me mee in mijn herinneringen. Ik wil alleen maar dáár zijn. Het leven is opeens heel eenvoudig.
Er vliegen vlinders in mijn buik, ik ben verliefd en ik weet waar ik heen moet.

CIMG2885 (2)

Met dank aan Fieke voor de foto’s en inspiratie.

Piratenboot

Ik ga. Fack it, ik ga gewoon. Ik stap in de auto en ik emigreer naar Frankrijk. En de rest zoek ik daar wel uit.

Je hebt van die punctuele mensen die zelfs iets wilds als een emigratie tot in detail regelen. Een stel dat op een gefixeerd tijdstip in de toekomst uit hun zes maanden geleden opgevraagde taxi stapt, met een passende sleutel het nieuw ingerichte appartement betreedt en struikelt over de zes ansichtkaarten op de vloer, gestuurd door al de mensen die het nieuwe adres al hebben opgeschreven.
Dat zijn twee hele verstandige mensen.

Ik was niet zo verstandig, want ik was een avonturier. Ik was de kapitein op mijn piratenboot en ik zeilde, zong en zigzagde me een weg door het ruige terrein van mijn nieuwe land.

Maar mijn zorgeloze vaart kwam abrupt ten einde toen mijn Nederlandse zorgverzekeraar mijn verzekering stopzette vanwege mijn werkcontract in Frankrijk.
Ok, dacht ik. Dat is hun goedrecht. Dan maar op zoek naar een Franse verzekering.

Niemandsland

Nu, Frankrijk is…interessant. Het is niet gemakkelijk om hier een zorgverzekering aan te vragen. Ik wil best toegeven dat ik het in het begin een beetje op zijn beloop heb gelaten, maar later, toen ik uit zenuwen als een agressieve terriër door sites en documenten spitte, en grommend en blaffend bij talloze instanties aanklopte, lukte het me niet. Het lukte me gewoon niet. Men waarschuwde me op voorhand voor de Franse papierhandel en ik dacht ‘dat loopt wel los’.
Nee, het loopt niet los.
Je moet hier minstens drie maanden officieel wonen en daarvan bewijs kunnen leveren. Ik heb mijn laatste huurgeld cash in een enveloppe gestopt, ‘Peter’ op de achterkant geschreven en door een brievenbus geduwd. En zelfs al had ik ooit een keurig huurcontract ondertekend, dan nog was ik de komende maanden onverzekerd geweest. Het duurde mijn georganiseerde Zweedse werkgever een half jaar voor ze de juiste pasjes van haar en haar kinderen binnen had en zelfs de instanties zelf waarschuwde me dat het wel een half jaar kon duren.

En de grap was dat ik in Nederland niet meer verzekerd kon worden omdat ik al in Frankrijk woonde. Zelfs de smekende telefoontjes van mijn moeder naar zorginstanties leverden niets op.

Ik kwam er via internetfora achter dat ik een klassiek geval was. Een idioot die haar emigratie naar Frankrijk op voorhand niet doordacht had. De zoveelste in de val van het verzekeringsniemandsland.

Vergeef me, ik was de kapitein op mijn piratenboot.

Dus ik had twee opties: Of terug naar Nederland gaan, of een half jaar niet vallen. Niet onder een auto terecht komen, niet ziek worden en niet dronken in de rivier springen. Thuis zitten, thee drinken en uit het raam staren.

De onverzekerde

Ik sprak met verschillende mensen en de reacties op mijn onverzekerde status waren erg uiteenlopend. Sommige keken me aan alsof ik elk moment aan een ernstig virus kon bezwijken, anderen startten risicoanalyses of raadde me aan het alpinisme tijdelijk stop te zetten. Je kunt je de reactie van mijn moeder wel voorstellen.
Mijn Franse klimvriend en bewoner van een bus zei me dat hij zelf geen zorgverzekering meer had, maar wel recent een had afgesloten voor zijn hond.
Een oud-collega had überhaupt nooit een zorgverzekering gehad. Haar ouders waren arme hippies in Engeland, die hun eigen groenten en ethische codes verbouwden en tegen hun kroost zeiden dat het wel overging, die hoofdpijn. Ik kan me niet voorstellen dat er werkelijk geen zorgverzekering voor die guppen bestond- ik betwijfel of je dat binnen de Europese Unie voor elkaar krijgt – maar het idee vond ik interessant. Ik had de zorgverzekering nooit vanuit ideologisch licht bekeken.

Ik voelde me niet prettig bij het idee onverzekerd te zijn, met name als ik dacht aan wat er kon gebeuren, maar er waren ook momenten dat ik dacht ‘rot op met die kloteverzekering, smeer hem iemand anders aan’. Ik had de behoefte om de keuze voor een verzekering bewust te maken, en me niet gedwongen te voelen om er één te nemen simpelweg omdat het de conventie was. Hoe meer ik erover nadacht, hoe vreemder de instantie van de zorgverzekering werd. Het was niets wezenlijks, het had betrekking op het eventuele, het ging om risico en het concept van risico duizelde me al voordat ik er werkelijk over nadacht.

Maar een week na die gedachten manifesteerde het zich juist als iets heel wezenlijks. Ik maakte een val met klimmen en voelde direct dat mijn enkel aan gort was. Ik wilde niet meteen aan een dokter, maar na een keten van stroeve morgens en weinig verbetering dacht ik, ‘shit, nu wil ik verdorie dat er iemand naar kijkt.’ Maar nee, ik was niet verzekerd.

De verzekerde

Als ik optel hoeveel geld er inmiddels aan het onderhouden van mijn lichaam is besteed, dan word ik bijna verdrietig. Mijn historie van hockeyblessures is ellenlang. Een knieschijf die op avontuur is geweest, tig gescheurde enkelbanden, rijen fysio’s en zwembadtherapieën. Ik heb mijn pols gebroken omdat ik van de trap viel en Pfeiffer gehad in een variant die mijn hoofd deed opzwellen tot buitengewone proporties. En ik ben recent nog van een berg gevallen. Hoe kun je van zo’n rennend, roekeloos wezen verwachten dat het in één stuk blijft?

De zorgverzekering blijft een concept waar ik niet helemaal met mijn verstand bij kan. Ik betaal maandelijks een bedrag en áls er iets misgaat, betalen anderen het duizendvoud van dat bedrag. Het heeft te maken met hele dure machines, heftig gekwalificeerde dokters, medicijnen en technologie. Ik leef in een tijd en samenleving waarin ik gefikst kan worden en het gaat gegarandeerd nog een keer mis. Daar hoef ik geen expert op het gebied van risicoanalyse voor te zijn.

En ik heb goed nieuws: Er is een Nederlandse verzekeringsinstantie die mij onder haar vleugels heeft genomen. Uw aanvraag 1577268 accepteren wij onder voorwaarden…
Wat een opluchting. Niet alleen voor mijn moeder, maar ook voor mij. Want ik ben de kapitein van een piratenboot en ga elke dag op avontuur. Mocht ik overboord slaan, dan zijn er mensen die mij op de kade hijsen en een deken om me heen slaan.
Dat is best heel erg bijzonder.

Wit

Het sneeuwt hier.

Dikke vlokken sneeuw in oktober. Het blijft niet liggen op de straten, maar wel op de daken van de auto’s en de bladeren van de bomen. Het sneeuwt hier en facebook explodeert. De overgebleven seizoenarbeiders plaatsen foto’s van zichzelf omringt door dwarrelende vlokken en schrijven die ene wens eronder die ik al de zomer lang hoor: Skiën. We kunnen bijna skiën.
Dit is Chamonix. Dit is het dorp in haar beste outfit, haar grootste belofte. Het was leuk, van de zomer, de zon was bloedheet en de ijsjes ijskoud, maar op een grashelling maak je geen vaart.
De klimtouwen en wandelstokken verdwijnen uit de etalages, weg van de begaande grond naar de kelder. De paspoppen worden warm aangekleed. De huurprijzen schieten omhoog en de après-ski bars rekruteren. Straks gaat er pas écht geld verdiend worden. Straks stromen de straten weer vol met toeristen, en de nachten met bezopen feestgangers. Straks is het wederom een gekkenhuis.

Maar nu is de serene schoonheid van de witte berghellingen voor de achterblijvers. Het is stil en het is magisch. Het sneeuwt.