Latest Posts

Cacao Girls – Châtelard

KimstersFantastische route, niet waar Wous?
Geen idee waar die begon. Ergens onderaan het massief, tussen bossen en mossige rotsblokken, het plukje gras hier of het paadje daar. Ergens… rechts van de ene route en links van de andere, die routes die ook ergens begonnen. Geen idee waar.

De route begon in elk geval niet waar wij zijn begonnen.

Er stond Cacao Girls op de rots geschreven; het bewijs dat we in elk geval in de juiste verticale lijn zaten. De zon scheen en het leven was goed, wat maakte het ons nog uit waar we ons op papier begaven? Eerste, tweede, derde lengte…Vierde? Geen idee.

Het was wel vreemd dat opeens de hele wand vol met haken geboord was. Had jij het gezien, Wous, dat ergens halverwege onze route was vermenigvuldigd? In drievoud! Het boekje had er in elk geval geen oog voor. Wat was onze route…die linker? Of toch die rechter? Of…de middelste?

Kregen we nu de verrassings-zevenB?

Klimwous!Ik weet niet meer hoeveel lengtes we geklommen hebben, Wous, maar het waren niet de voorgeschreven twaalf lengtes.

Herinner je die boom nog. Daar waar jij stand gemaakt hebt. En de boswandeling die daarop volgde? Wat een feest was dat! Jij met het touw in je handen, op mijn aanraden onopgebost en dus erop uit om sliert voor sliert uit je handen te glijden. En ik met mijn nieuwe klimschoentjes en grote tenen die vurig van lijden tegen de neuzen drukten. Feest! Feest!

Nee, dat was eigenlijk het feest nog niet. Het feest was de 6a+ waar we allebei keer op keer uit donderden. Want die ene plek waar iedereen zijn linkervoet zette glom als onze bezweette voorhoofden, en al die andere potentiele voettreedjes deden maar alsof. Ik weet niet hoe we ons uiteindelijk naar boven hebben gewerkt, maar het was niet… Elegant.

En wij zijn zo elegant…!

GrasveldHet is wel gek dat ik hele mooie herinneringen aan deze route heb.
Dat zal dan toch aan jou hebben gelegen.

Of misschien aan de gesprekken tijdens de afloop, en de pauze die we hielden op het meest willekeurige perfect onderhouden grasveldje op hoogte ooit. Welkom in Zwitserland.

Ik heb genoten, Wous.
En je bent nog steeds mijn profeet.

Twee Puddinkjes

Voorklimangst.

Één keer goed naar beneden donderen en je bent erover heen. Of, zo leer ik nu, één keer fout naar beneden donderen en je hebt een gloednieuw mentaal traject te pakken. Bonus, zou ik bijna zeggen, bonus want nu heb ik weer een drijfveer om me de kunst van het mediteren toe te eigenen.

In Mont Blanc Escalade, de klimhal van Les Houches, hangen vijf touwen boven routes tot een graad of vier. De rest van de touwen moet je er zelf inhangen. Logisch, misschien, binnen een gebied waar aan alle kanten touwloze rotswanden uit de grond schieten.
En dus loop je de hele dag door voor te klimmen. Binnen of buiten, enkele of meerdere lengtes, het is allemaal met het risico meters naar beneden te vallen. En dat doe je ook, nu en dan. Een voetje glijdt weg of een hand grijpt mis of de verzuring treedt in en zoeff, opeens staar je naar een heel ander stuk wand.

Ik was een heerser. Behalve op de écht sketchie passages waar uitstekende rotspunten me als een marshmallow dreigden vast te rijgen vergat ik dat ik aan het voorklimmen was. Topropen voelde als het equivalent van setje-trekken. Ik had het allemaal onder controle.

Maar toen, in een donkere episode van mijn recente klimmersbestaan, viel ik op mijn goede enkel en sindsdien voelen beide enkels alsof ik chronisch op van die fysiobalansballen loop. Het zijn de twee zwakke schakels van mijn lichaam, de puddinkjes aan het uiteinde van mijn benen, niet echt de weerbarstige doch absorberende kussens waarmee je ramhard op een muur kan klappen.

En precies dat spookt tegenwoordig door mijn lichaam als ik boven mijn haak klim en me als een idioot begin voort te bewegen. Ergens is de angst wel reëel, ik denk dat ik voorlopig écht even geen vallen meer kan opvangen, maar waarom dan ben ik angstig in routes waarin ik weet dat ik niet val? Of in de overhang?

Ik klim als een gepanikeerde kip. Mijn kop is door het dolle en mijn lichaam wordt bezeten door onrust. Ik adem niet meer in mijn routes en obsedeer over elke volgende klip. Dat is mijn huidige status.

Gelukkig weet ik na vier jaar klimmen op zijn minst hoe ik mijn mentaal moet aanpakken en zal ik in de klimhal blijven cruisen tot ik me weer fatsoenlijk met het klimmen zelf bezig houd. Maar mijn god, wat een sport is dit. Ik heb me nog niet eens verzoend met de bergen na het ongeval van vorig jaar, en nu komt daar de verzoening met de klimwand nog eens bij. Het is één groot vallen en een gigantisch mentaal opstaan.

En ik ben bang dat ik het nog leuk vind ook. Of nee, laat ik zo zeggen: ik mag weer op zoek naar Boeddha, en dat is immer een bijzondere aangelegenheid.

Moeilijk Koekje

Allemaal gele kentekenplaten. In Chamonix ben ik alert op Nederlandse auto’s en lach ik als er typische Nederlanders in zitten.
In Nederland is iedereen typisch Nederlands.

En het landschap is plat.

Volgens mij is dit gewoon een volgend element van het emigreren: de terugkomst, de confrontatie met alles waar je niet voor gekozen hebt.

Harig monsterDe confrontatie met je eindeloos lieve en grappige moeder en je slimme vader die een kerstmanbaard heeft laten staan en nu nog drie keer slimmer lijkt. En je zus, die tegenover je zit met een kunstzinnige knot midden op haar hoofd, stuiterend op het ritme van haar hak-op-de-tak levensanalyses, en je broer die nog altijd floreert als het stabiele gezinslid. En de kat, natuurlijk, natuurlijk de kat. De zwarte miauwregent, het scharminkel Josephine, de sterk gekrompen pluizenbol die haar leeftijd miskend.

Ik sleur mezelf van diner naar koffie, van biertje naar taartje en merk dat mijn stembanden rauw dreigen te worden. Ik zie een deel van mijn vriendjes maar zie ook een deel van mijn vriendjes niet, en moet mijn best doen om me niet schuldig te voelen als ik bij mijn moeder op de bank zit.
Het is zo verschrikkelijk fijn om bij mijn moeder op de bank te zitten dat ik toch vaak kies om nog even thuis te blijven.

Thuis.

Amsterdam voelt surreëel in Chamonix en voorspelbaar genoeg voelt Chamonix surreëel in Amsterdam. Ik hou van dit stadje. Het loopt allemaal door elkaar, de straten en de mensen, en ergens daartussen loop ik. Smerig water in de grachten, glinsterend water in het Ij. De straten waar al mijn Franse vriendjes aan denken wanneer ik spreek over Amsterdam stinken. De fietsen zijn gewoon nog daar. De hipstercafeetjes ook. De parken, de duiven, de meisjes en de jongens, het is allemaal daar.

Nederland is geen moer verandert en overtuigd me van mijn eigen onveranderlijkheid. Mijn benen kennen de afstanden tussen elke straathoek en mijn hoofd de tijden van elke tram of trein. Ik voel precies wat ik voelde, zo exact en overtuigend dat er geen tijd tussen maart en oktober lijkt te hebben gezeten.
Oude gewoontes en denkpatronen nemen moeiteloos bezit van me en het intrigeert me, want ik had gedacht dat de ervaring van Chamonix me tot in mijn wortels aangetast had, maar nu lijkt mijn uitstap naar de bergen meer op onkruid. Vier maanden Chamonix vervalt bij 23 jaar Nederland.
Het gaat zelfs zó ver dat ik op een gegeven moment vloek omdat ik ‘hier’ goddomme vastzit. Meteen daarna realiseer ik me dat ik de stap naar Chamonix al genomen heb.

Het is vervreemdend, heftig en amusant.

Ik zit thuis, wederom bij mijn moeder op de bank, en we kijken naar Heel Holland Bakt. De deelnemers moeten een Franse soesjesspecialiteit maken en mama en ik leveren commentaar. Mijn zus kijkt mee vanuit haar eigen huis en becommentarieert via Whatsapp.
Na de soesjes krijgen de deelnemers een technische opdracht (legt mijn moeder aan me uit) en moeten een koekje maken.
Een koekje.
En dus kijken we allemaal naar hoe ze het koekje maken. Het is een ‘moeilijk koekje’, zeggen de chefs bij het beoordelen. ‘Een moeilijk koekje’ stuurt mijn zus op de Whatsapp.
Ja, denk ik. Een moeilijk koekje.

photo 1 (11)Het is niet het gemakkelijkste om terug te zijn. Want de gezichten van mijn familie en vrienden zijn mooi en hun kennis van me is zo diepgaand dat het me beangstigd. Wat als het niet beter wordt dan dit?

Het doet me pijn om afscheid te nemen. Echt pijn.

En toch twijfel ik niet aan de juistheid van mijn keuze. Ik ging weg om duizend redenen en kon het niet beter samenvatten dan door te zeggen dat het aanvoelde alsof ik niet kon ademen in Nederland. En een verblijf van vijf dagen in mijn oude omgeving is ruim voldoende om opnieuw naar adem te moeten happen. Ik heb de bergen nodig, ik heb ze nodig als een basisvoorwaarde en daar kan ik geen enkele analyse aan verbinden. Zo is het nu eenmaal.
Maar ik heb mijn vrienden en familie ook nodig.
Mijn moeder brengt me naar Schiphol. Het is vijf uur ’s ochtends en we drinken een kopje koffie voor mijn gate sluit. Ze vraagt me: ‘Waarom blijf je niet?’. Het is veel te vroeg om daar fatsoenlijk op te antwoorden en daarom mompel ik iets onsamenhangends. Bergen. Vrijheid.
Ik wou dat ik ijzersterk in woorden kon vatten wat het in vredesnaam waard maakt om zo ver van haar te wonen.

Wat kan ik zeggen. Nederland is een moeilijk koekje.

De avonturen van Haas

Voor mijn vertrek naar Frankrijk moest ik mijn spullen kwijt. Ik gooide veel bij het grofvuil en schoof de rest tussen boeken en spinnen op zolders door heel Nederland. Haas werd in een doos gestopt en op een plank gezet.

Een week na mijn aankomst in Notre Dame de Bellecombe krijg ik bericht op mijn telefoon. Het is een foto van Haas met een La Chouffe in de zon. Een brede zonnebril hangt om zijn snoet en een goed stuk worst ligt in plakjes naast hem. Haas was een knuffelhaas, een zacht maatje naast me op het kussen. Hoe kan hij nu opeens zo keihard chillen?

Ik leer in korte tijd meer over Haas dan in al die jaren daarvoor. Want in het volgende bericht, nog geen week later, zie ik Haas aan de speculaas, een afstandsbediening in zijn poot, zomaar even aan een vrijdagavondfilm.

Haas lag voorheen niet slechts passief onder mijn hoofd wanneer ik Pride and Pejudice keek, maar spiekte vanachter mijn paardenstaart naar de grote bruine ogen van Lizzie en voelde mee met Darcy toen hij bruut werd afgewezen om zijn arrogantie.

Dát wist ik niet.

Zeg Haas, waarom zei je het me niet, als je mee wilde lezen met Stoner of een slokje wilde uit mijn koffie? Ik had het graag met je gedeeld! Misschien dat ik de ChocoladeOreokoekjes zelf had opgegeten, zo eerlijk wil ik best zijn, maar had ik je niet op zijn minst op schoot genomen en de bladzijdes voor je omgeslagen! Of, nu ik je zo wijs en zelfstandig achter dat boek zie zitten, ontdaan van al je fluffigheid en pluizig brein, misschien had ik je me laten voorlezen, met de lage en warme stem van een wijs Haas… Oh Haas, had het me gezegd!

In een zoveelste bericht zie ik Haas met een gitaar op een bureaustoel. Het gaat me inmiddels vrij ver, dat avontuur van Haas. Ik denk terug aan de dagen dat Haas geen adem kreeg onder de dekens of gedurende de nacht naar het voeteneind werd geschopt. Ik voelde weinig bij het geluid van Haas, vallend van het bed op de houten kamervloer, en als ik niet in twee keer raak greep naar zijn oren om hem terug het bed in te tillen, nam ik nooit de moeite om even het licht aan te knippen en Haas van de grond te halen. Haas had een hard bestaan, maar alleen omdat ik dacht dat Haas een knuffelhaas was.
Knuffelhazen kunnen niet uit een doos kruipen, van een plank afspringen en het avontuur aan gaan.

Wat zal ik zeggen.

Ik verdenk Haas ervan al die tijd een tweede leven te hebben gehad.
(Mag ik je erop attenderen, Haas, dat je gitaar maar drie snaren heeft. Zo cool ben je niet.)

  


  
  

Met heel erg veel dank aan het fantastische brein van Menno Visser, dat een gewone knuffelhaas omtovert in Haas en me laat lachen telkens wanneer Nederland even héél ver weg is. 

Voie Piola – Barberine

Begin Freja

Acht uur ’s ochtends. Freja en ik staan langs de hoofdweg van Chamonix met onze duimen hoog in de lucht. Om elke uitgestoken hand een handschoen, want het is bitterkoud. In de berm liggen onze touwen en langs ons scheuren de auto’s. We worden meegenomen tot Argentière. En dan tot Col de Montets. En dan tot Vallorcine. En dan tot Barberine.

De zon schijnt fel als we langs het tiental huizen van Baberine lopen, maar herfstochtenden in deze vallei laten zich niet opwarmen. Ik trek mijn vingers terug in mijn donsjas en volg Freja langs de gele velden, over een houten bruggetje naar een donker paadje tot onze route. De voet van de 300 meter hoge rotsmuur van Barberine ligt tussen de bomen en is bezaaid met een tiental korte plaatroutes en multipitches. Dalles du Bas. Freja en ik klimmen twee 5b lengtes tot het officiële begin van onze geplande multipitch: Vipère aux pieds.

Zoek RouteOf toch niet. Vipère aux pieds ligt zo’n vijftig meter links van de route die wij instappen, zie ik later in de topo. In plaats daarvan beginnen we aan Voie Piola; een zeven lengtes multipitch met een hoop 6a/6a+ en een enkele 6b, volledig uitgestippeld door een reeks klimmers die ons al zijn voorgegaan. Fileklimmen tussen Zwitserse vijftigplussers met anekdotes en de neiging bij elke standplaats de zojuist geklommen lengte op te hemelen.

Klim FrejaDe lengtes zijn inderdaad mooi. We klimmen door geslepen vierkante dakjes, buigen onze rug in vreemde hoeken, zwiepen aan onze handen naar de andere zijden van de schoorsteen en balanceren en traverseren op een plaatachtig maanlandschap (de 6b). Na een uur trekken we onze truien uit en klimmen in de zon, een warmte die binnen dit seizoen nog beter is dan in hartje zomer. Halverwege grijp ik in iets fluffigs: de twee paarse oren van een gekleurde koalabeer, verstopt tussen een stel bamboestokken vlak voor de vijfde lengte. Het dal van Vallorcine is kalm, geen Chamonix, en Freja en ik kijken regelmatig de leegte in, naar alle meters onder ons en achter ons. De toppen van het Mont Blanc Massief liggen spierwit aan het eind van het dal.

Zoek MBHet klimmen gaat vloeiend en we zijn negen lengtes lang dolgelukkig. Het enige moment van onzekerheid vindt plaats wanneer Freja gedachteloos haar bananenschil naar beneden gooit en we ons gelijktijdig genoodzaakt zien banana!! naar onze nieuwe Zwitserse maten te schreeuwen. Rond vijfen staan we boven, een beetje verslagen door de mooie dag en de moeheid die nu pas ons lichaam in sluipt.

photo 1 (8)De rots van Barberine kun je eenvoudig aflopen. Klettersteigs, dwalingen en glijpartijen. We struikelen bijna over twee klimgebieden (ik denk Afrique en La Zone) die zomaar tientallen absurd mooie routes in de bossen verstoppen, lang en overhangend en veel te hard om zomaar in te stappen. Nieuwe dromen.

Klik hier voor Freja’s verslag van de route.

Een nacht op Genève Aéroport

21:00 Ik ben de Starbucks uitgekickt. Ik dacht dat mijn café allongé van vijf euro een nachtelijk vrijticket voor de suède donkergroene fauteuils zou betekenen, maar de kroeg sluit stipt negen uur. Om twintig voor zeven in de ochtend gaat mijn vlucht. Dat is nog een kleine negen uur te gaan.

21:05 De goedkoopste vliegtickets corresponderen met vluchten op de meest onorthodoxe tijden. Het dal van Chamonix kom je niet uit voor het fatsoenlijk licht is geworden, tenzij je in het bezit bent van een auto of een ijzersterk paar benen. Arme seizoensarbeiders crashen daarom ’s avonds al op het vliegveld. Waar-dan, is mijn vraag. Ik verwachtte rond dit tijdstip hoopjes mensen op de harde vloer van de vertrekhallen aan te treffen, opgerold onder hun jassen, mutsen over hun ogen. Maar ik tref alleen een zwerver,

21:10 Vondst: Een redelijk afgeschermde reeks rode stoelen achter een rolstrap, deels bezet door keurige burgers. Een plug voor mijn laptopsnoer. Ideaal.

21:15 Ik heb op voorhand nagedacht. Wat doe je een nacht lang op een vliegveld als je na twee uur doezelen en kwijlen op je bagage opschrikt van het gekwetter van twee stewardessen, en het TL-licht als een plots hels schijnsel alle slaap uit je lichaam drijft?

Lezen. De Engelse vertaling van Pierre et Jean, Guy de Maupassant.

En bloggen. In deze negen uur kan ik alles schrijven dat maar geschreven wilde worden. Een nacht zoals ik die had tijdens het uitbraken van essays voor mijn studie.

En nadenken.

22:00Talent is simply long patience”, schrijft Maupassant in zijn voorwoord. “It is a matter of looking at anything you want to express long enough and closely enough to discover in it some aspect that nobody has yet seen or described. In everything there is an unexplored element because we are prone by habit to use our eyes only in combination with the memory of what others have thought about the thing we are looking at.” (pag. 32, in het Frans was het waarschijnlijk mooier geweest, maar zo ver ben ik nog niet).

Schrijverstalent vloeit voort uit het aantal uren dat je in het schrijven steekt. “To describe a fire burning or a tree on a plain let us stand in front of that fire and that tree until for us they no longer look like any other tree or any other fire.”  En dan ben je in het bezit van een origineel verhaal.
Arbeid. Dit is waarom ik geen groot wat-dan-ook ben geworden en mijn schrijven bij gekwakkel op een blog blijft. Ik train niet. Ik heb geen long patience.
Maar misschien dat een nacht van negen uur staren naar de stille burger tegenover me, me zoiets treffends laat schrijven over zijn wezen, iets dat hem onderscheid van alle stille burgers ooit, dat ik in elk geval één schrijfsel heb dat het lezen waard is.

22:26 De tijd gaat snel als je nadenkt.

22:28 De man voor me leest. Hij beweegt nauwelijks en eet niet. Ik durf hem niet te omschrijven na geschreven te hebben over de strenge eisen van Mauppassant, maar ik wil op zijn minst zijn onverstoorbaarheid weergeven. Wanneer er een schreeuw of een knal uit het vliegveld klinkt kijkt iedereen op, maar hij niet. Hij zal zijn twee buren niet gezien hebben, en mij ook niet. Hij gaapt niet en heeft geen kriebel aan zijn neus. Hij draagt een net pak en hij leest, dat is het.

23:05 Het lukt me niet meer om te lezen noch te schrijven. Mijn gedachten zijn leeg. Mijn fantasie is gesloten. Mijn record van line runner, het enige spel dat ik op mijn Iphone gedownload heb, kan ik niet verbreken. Wat rest me nog dan doezelen en kwijlen op mijn bagage?
Ik daal af van de rode stoelen en nestel op de harde vloer van de vertrekhal, opgerold onder mijn jas, muts over mijn ogen.

Fuck, die vloer is koud.

23:52 Twee Portugezen hebben ontdekt dat ze beide Portugees zijn en praten en geinen met lage stemmen, in eenzelfde ritme, onderuitgezakt in hun stoelen, hun voeten hoog op hun koffers. Of zijn het Arabieren?

3:31 Ik heb een droom die zo dicht bij de realiteit zit dat ik de twee door elkaar haal. Ik open mijn ogen en mijn laptop ligt opengeklapt op mijn bast. Om me heen zitten veel meer mensen dan eerst. Ze zijn als vaatdoekjes over de stoelen gelegd, met hun nek in zo’n knik dat ik weet dat ze stijf zal zijn als ze zo wakker worden.
Ik kom van mijn vloer af, trek mijn kleding recht en zigzag tussen de mensen door naar het elektronische bord met de vluchten. Het is nog leeg. De Portugezen zijn ook op grond gaan liggen.
De man die aanvankelijk voor me zat heeft zich niet verplaatst. Hij leest. Morgenochtend zal hij aankomen op bestemming en zal zijn vrouw vragen hoe zijn vlucht was. Prima, zal hij zeggen. En dan heeft hij een dag zoals alle andere dagen.

4:57 Mijn vlucht staat op de borden.

5:15 Iedereen staat op en begint te rommelen. Ik pak mijn spullen bij elkaar en volg de meute naar een andere hal. Het vliegveld loopt vol met reizigers die zich in rijen formeren voor de incheckbalies. Ik word naar boven gedirigeerd en zelf deel van de rij voor de bagagecontrole. Ik voel me een spook. In de belastingvrije zone vind ik een stoel en zodra ik zit en mijn ogen sluit merk ik dat mijn gedachten door elkaar lopen en ik in slaap dreig te vallen. Veel van mijn mede vliegveldovernachters staan in de rij voor de koffie. Ik sluit achterin aan, drink mijn koffie, loop naar mijn gate en wacht tot ik mijn vliegtuig in kan. Nog twintig minuten.

6:00 Nederlands. Allemaal Nederlanders om me heen.

6:30 “Ik wens u een fijne vlucht”. Het vliegtuig rijdt, rijdt harder en stijgt op. Door het raampje ik Genève Aéroport kleiner worden. De lucht kleurt oranje. Ik ben op weg naar Amsterdam.

Zoek de Zwerver

Ik zit in de trein naar Sallanches om zorgverzekeringszaken op de rails te krijgen. Want ik snap er niets van. Frankrijk is een papieren ramp vol handtekeningen en andere instanties die er meer in thuis zijn. In Sallanches zit een bureau voor ontspoorde jongeren, werklozen en types zoals ik, die geen zin hebben om op eigen houtje het doolhof van de Assurance Santé te betreden.
Sallanches ligt in het naastgelegen dal. De trein duikt na de vallei van Chamonix even de wildernis in, maakt een grote bocht tussen de bomen en rijdt daarna de vlakte van Saint-Gervais en Sallanches op.
Sallanches.
Hangjongeren begroeten me op het perron. Zwervers ruiken hetzelfde in Frankrijk als in Nederland. Ik loop door eentonige straten op zoek naar een supermarkt, want ik heb niet ontbeten en onder mijn trek maakt Sallanches weinig kans. Ik kijk uit naar een centrum. Wat ik zie is een park omringt door een parkeerplaats, bankautomaten en een café met mannen met zonnebrillen. De zon schijnt niet. Er zijn geen toeristen en de stoelen staan opgestapeld langs het terras. Kinderen zitten waarschijnlijk op school, volwassenen op werk, de straten overgelaten aan de rest.

‘Fuck, dat Chamonix’, denk ik, dat is werkelijk van een andere orde. Hoge bergen die selectief mensen doorlaten. Zij die zich binnenin het gratis traject van de trein begeven – Servoz tot Vallorcine – zullen geen zwerver tegenkomen.

Wat doen ze ermee? Serieus? Worden ze in het holst van de nacht door een stel gesponsorde Wingsuiters de gletsjerspleet in gedreven of is de hoge concentratie aan slenterende elite al genoeg ze uit het dal te houden?

De vreemdelingen zijn sjeiks, de drugsdealers zijn jonge seizoenarbeiders uit Engeland die een rebelse fase doormaken, de hangjongeren – ik heb geen idee waar ze zijn, misschien wordt hen ski’s onder gebonden en een duwtje gegeven, eindigen ze in de landelijke competitie of als gids. Ik weet het niet.
Ik vind een bakkerij langs een rivier en eet een stokbrood op een bank onder een boom en een streep zon. Met een beter gemoed zoek ik naar het bureau voor jongeren die de weg kwijt zijn, de werklozen, en vind het in een zijstraat. Het is druk en ruikt er naar crèche. Rechts zitten twee mannen achter een ouderwetse computer, links een aantal jonge moeders met gepeinsde gezichten en onrustige kinderen op hun schoot. Ik loop naar de balie, leg mijn situatie uit en krijg een briefje in mijn hand gedrukt: l’Assurance Maladie vous informe…Cluses et Bonneville. Een andere stad.
Ik verlaat de werklozen, werkzoekenden, en loop terug naar het treinstation. De hangjongeren en zwervers hebben zich niet verplaatst.
Samen met een verdacht aantal sportievelingen in kleurrijke regenjasjes stap ik op. De trein rijdt terug het bos in, maakt een grote bocht en brengt me in het vertrouwde landschap van gigantische bergen en vlekkeloze samenleving.
Chamonix.

Oude Intro

Ik heb een droom, een monsterplan, een einddoel. Deze blog vertelt je over de weg erheen. De gekke creaturen die zich verborgen houden achter elke bocht, de lange gedachten en kleine avonturen in een onbekende wereld. Je mag het allemaal met me meemaken. Als je wilt.

Wat is dat monsterplan?

Ik wil een stuk grond kopen op een bergflank in de Franse Alpen, het liefst met een bouwval erop. Dan vraag ik iedereen om me te komen helpen timmeren en verven, loodgieten en dakbedekken, net zolang tot er iets staat met een hele grote keuken en woonkamer, een bibliotheek en een steenoven, een reuzentafel en een Chouffetap. Buiten leg ik een moestuin aan, omringt door fruitbomen en grond die me nagenoeg zelfvoorzienend maakt. Daarnaast komt een grasveld waarop ieder bergbeest mag kamperen, in ruil voor dat hij of zij de kapotte poort of het avondeten maakt. Jij ook, als je maar genoeg geprikkeld wordt door deze woorden.

Ik tik wat kippen op de kop, twee geiten en twee schapen, een Friese Stabij, een berggids of een tuinman (of een berggids én een tuinman) en in de loop der tijd wat kinderen. Niet te vergeten een ezel, die onze spullen naar de hut tilt op elke bergtocht die we maken.
Op zolder komt het allergrootste materiaalhok ooit, groter dan dat van Ueli, met setjes in alle kleuren (zelfs roze en paars). Langs de wand bouw ik een reusachtige boekenkast met topo’s en gidsjes, en daarvoor zet ik een zachte fauteuil met een tafeltje en een kaars.  Op de overloop maak ik een donkere ruimte voor de foto’s. Op de houten tafel in de achtertuin, tussen rozenstruiken en klimop, leg ik een boek waarin we onze tochtenplannen schrijven voor we de bergen in trekken.

In de buurt, bijkeuken, boomhut of schuur komen vrienden wonen. In mijn wildste dromen zelfs mijn ouders. Elke morgen halen we brood bij de bakker en kaas bij de kaasboer, zolang we nog niet zo handig zijn met het melken van de geit. Elke middag is het een chaos van volk dat in en uitloopt, gillende kinderen die we uit de bomen moeten plukken om aan de lunch te krijgen en een schaap dat in het bed is gaan liggen. Elke avond zitten we samen, met gitaren of discussies, tot de zon ondergaat of de wijn ons naar bed begeleidt. In het weekend dansen we.
Mits we er zijn, want ieder beleeft eigen avonturen op continenten of in de bergen. Zolang er maar iemand thuis is om op de ezel te passen en in de moestuin te prikken.

Dit monsterplan komt niet uit de lucht vallen. Mijn vader nam ons mee naar bergen, elke zomer, met een afgeladen auto vol kampeerstoelen, verrekijkers en wandelschoenen. Op een onbewaakt moment, ik zat waarschijnlijk op een rots met een roze hoedje op en een broodje jam in mijn hand, hebben de bergen mijn hart gestolen. Nu ga ik het terugveroveren.
Stap voor stap. Verhuizen, aarden in Frankrijk, een leven opbouwen en kijken hoe het loopt. Doe je mee?

Als romantiek bestaat, dan lukt het me uiteindelijk mijn droomplan, het fort, kasteel te realiseren. Als de wereld zo rauw is als in de waarschuwingen, dan zal ik interessante dingen hebben om over te schrijven.

AAvoorblog

De Climbing Buddy’s Blues

De Blonde Zwever in zijn wijde broeken en lange Nepalese vesten zocht klimmaatjes. Hij schreef op een groot kartonnen bord: “looking for climbingbuddy’s” en installeerde zich onder een boom midden in een klimgebied. Die dag had veel geklommen, zei hij.

Het Ierse tienermeisje met de blonde haren tot op haar billen klom pas net een maand, maar vond het zo’n leuke sport dat ze besloot een bericht op facebook te plaatsen: “desperately looking for climbingbuddy’s”. Inmiddels heeft ze met haar nieuwgevonden maatjes een road trip gemaakt langs alle beroemde crags in Frankrijk en Spanje en klimt ze 7a.

Ik had een andere tactiek. Ik dacht: dit is Chamonix, als ik heel hard schreeuw dan zal er vast een klimmer zijn die me hoort. Maar ik stond op de verkeerde plek; ik stond in de kroeg, met een constante in- en uitloop van twintigjarige drankfestijnen op wankele poten die liever elkaar beklommen dan de rots.
Ik had naar Gailland moeten gaan, of naar het liftje van de Brevent. Misschien had ik een gitaar naast mijn touw op mijn rugtas moeten binden en ter plekke de Climbing Buddy’s Blues moeten zingen.

Hoe dan ook, ik had afgelopen maanden toch geen tijd gehad om met ze op pad te gaan. Nu heb ik dat wel, nu kan ik op jacht.
Dus, hoe doe je dat? Hoe maak je vriendjes?

Gisteravond ging ik naar de klimhal in Les Houches. Ik was er al drie keer eerder geweest: De eerste keer om de kat uit de boom te kijken, de tweede keer om te falen in het vinden van een klimpartner en te eindigen in het boulderhok in hartje zomer, handruggen glimmend van het zweet en energie verloren aan de hitte, en de derde keer om een collega thuis te maken in het topropen.

Gisteravond zou ik slagen. Ik vroeg aan de barman of er toevallig iemand opzoek was naar een klimpartner. ‘Oh, ga maar even binnen kijken, er is vast wel iemand.’ Zó makkelijk: gewoon even de hal in, er is vast wel iemand.
Ik voelde me als een kleuter op haar eerste schooldag. Had ik maar een teddybeer meegenomen, dan had ik me eraan vast kunnen klampen, midden in de hal, net zolang totdat één van de klimmers me als een ervaren kleuterjuf liefdevol aan een potentieel nieuw vriendje had gekoppeld. Zo werkt het dus niet.

Ik moest naar één van de klimparen toe om te vragen of ik mee mocht klimmen. Wie kies je dan? De twee oude pezige mannetjes? Het stelletje? De gespierde dames onder de overhang? De jonge jongens, de alpinisten, de dikke vrouwen? Fuck, dacht ik, ik wil terugkrabbelen. Tegen de barman zeggen dat er niemand was, niémand van alle ruim dertig aanwezigen, niemand die met mij wilde klimmen.
Ik bracht mezelf zover mijn strot te openen tegen twee magere, getatoeëerde klimmers met een zuidelijke teint en dreadlocks. Bingo. Ze bleken met een groep van vijf en koppelde me aan hun ‘buurman op de parkeerplaats’, Jona, een veertigjarige busbewoner zonder baan en zonder klimvrienden. Ahh, oui, je veux aller tous les jours, grimper, grimper, grimper. Precies de gek die ik nodig had.

Jona en ik hebben nummers uitgewisseld en zullen de komende dagen de rosten van Chamonix onveilig maken. Dat was het plan, althans, want het regent aanhoudend en ik heb (weer eens) mijn enkel gebrast door in de allerlaatste route van gisteravond een voorklimval te maken. Blauw. Dik. Onmogelijk.

Hoe dan ook, ik heb een Climbing Buddy achter de hand. Samen met diegene die ik stiekem al had kan ik in principe elke dag naar de rotsen.
Als mijn enkel genezen is moet ik ook de jacht op alpine maatjes openen. De Alpine Buddy’s Blues zingen op het tussenstation bij Plan de Aiguille. Mocht mijn sociale vermogen er tegen die tijd op vooruit zijn gegaan, dan maak ik misschien nog een kans ook.

Berghuppelen

Ik woon in Chamonix en werk in de bar tegenover het station. Ruim een maand geleden legde mijn manager het nieuwe rooster voor mijn neus. UTMB, stond erboven geschreven. Ik was elke dag ingepland en ik had geen idee waarom.
Twee weken later kreeg ik antwoord: Het dorp werd brutaal overgenomen door honderden trailrunners in schreeuwerige outfits. De trein, kroegen, winkels, pleinen, mijn lievelingsbakkerij: Ze waren overal.
Ons terras stroomde vol met zongebruinde waterdrinkers en uitgemergelde pastaeters. Een op de twee gasten liep in felgekleurde shirts, hoge sokken en groene UV-Buffs.

Ik kende het trailrunnen als een plotselinge hype in de outdoorwinkels van Amsterdam. Het commerciële gedoe rondom en met name de absentie van een fatsoenlijke Nederlandse naam ergerde me. Spoorrennen. Berghuppelen. Padrollen. Modderworstelen.
Tijdens het wandelen in de bergen rond Chamonix kwam er nu en dan een trailrunner langs en dacht ik: Dit kan niet, toch? Je bent hier toch niet daadwerkelijk omhoog aan het rennen?

Waarom?

En als ik de deelnemers van de UTMB hun laatste meters door het dorpscentrum zag lopen had ik alleen maar verschrikkelijk veel medelijden.

Maar tegen het eind van het evenement betrapte ik mezelf op een licht soort jaloezie naar al die hinkende, kreupele wezens die zich traag maar hardnekkig door Chamonix bewogen. Ik hoorde hun verhalen terwijl ik met een dienblad vol lege waterglazen naast hun gehavende knieën stond en kon hun sensatie van teleurstelling of overwinning bijna grijpen. Er hing een intensiteit om hen heen waar ik niet omheen kon.

Ik had het niet gezien, niet gedaan, ik had niet geleden en niet doorgezet. Ze maakten een groep uit waar ik geen deel van was.

En daar ontstond de gedachte: Zou ik het kunnen?

Niet al te lang na het vertrek van de renners vond ik mezelf scollend door de lijst van puntenraces die konden kwalificeerden voor één van de races van UTMB 2016. Ik kwam erachter dat de UTMB zelf, laat staan de PTL, volslagen onmogelijk zouden zijn (165 en 300 km), maar de CCC (101 km, 6988 hoogtemeters) was dat wel.
Besloot ik.
Ik had nog nooit een trail gelopen.

Misschien is mijn jaloezie naar andermans uitputting geen fantastische eerste motivatie voor trailrunning, maar het heeft me wel tot het eigenlijke trailrunnen gebracht. Want een dag na mijn besluit moest ik wel een berg op rennen.

Ik hees mezelf in een hardloopbroek, liep het trappenhuis uit en koos een willekeurig pad omhoog. Het leidde me naar het Petit Balcon Sud, een trail op ongeveer 250 meter hoogte parallel aan het dal, door bossen en over riviertjes die vanuit de Aiguilles Rouges naar Chamonix stromen. ‘Ik ben gek, ik ben gek’, dacht ik tijdens de eerste hoogtemeters. En daarna was ik verkocht.

Trailrunnen is niet onmogelijk. Het is geen uitputtingsslag die de omgeving doet vergeten. Ik voel me elke dag een beetje meer als het rode treintje dat bij Montenvers omhoog kacheld. Hoe vaker ik ren, hoe langer mijn spoor door de bergen wordt. Soms, als het pad lang steil blijft, sterf ik een beetje, maar daartegenover staan zoveel vergezichten en mooie paden dat ik het twee meter na de helling al vergeten ben. Het is alsof ik investeer in een razend goede motor die me op alle plekken in de Alpen zal brengen. Mijn benen, mijn ademhaling, mijn hartslag. En dan de mooiste bergen die er zijn.

Ik wil proberen om de punten voor de CCC bij elkaar te sprokkelen, maar het gaat me er allang niet meer om. Op het moment is het trailrunnen voor mij niets meer dan een simpel dagelijks verlangen om ergens omhoog te rennen en uit te kijken over de bergmassieven. De kleine pijntjes en mijn veranderde eetgedrag in dat van een onbevredigbaar beest neem ik op de koop toe.

Ik ren nog niet lang genoeg om te weten of het meer dan een opwelling is. Misschien loop ik binnenkort in een fluorescerende clownspak met hoge sokken, misschien serveer ik de renners van UTMB 2016 met een vaag sentiment dat afstamt uit die septembermaand waarin trailrunnen me kortstondig in zijn greep had. Het Spoorrennen. Berghuppelen. Padrollen.

Modderworstelen.

We zullen zien.