Latest Posts

Boulderavond

Het gangenstelsel van het sportcentrum in Chamonix geeft toegang tot een klein, donker hok waar bezwete klimmers zich vastbijten in projecten die pas interessant worden als de rotsen buiten nat zijn of het geld ontbreekt om naar een fatsoenlijke hal te gaan.
Dat is niet helemaal waar, trouwens, want de plek krijgt charme als je er vaker komt. Omdat je weet welke grepen onder het gewicht van een klimmer gedraaid zijn, waar ongeveer je rammend hard je kop hebt gestoten omdat het te donker was om een gigantische bak in de hoek van de houten wand te onderscheiden,  dat de allerlelijkste route er nog minstens een jaar in zal blijven.
En het is reuzegezellig: het is klein genoeg om bovenop elkaar te vallen wanneer een boulder faalt. Na drie maanden ken je de fysieke details van tientallen figuren die er immer lijken te zijn – de twee jonge, gespierde klimknapen, het meisje met de Ipod, de oude man met de passievolle verhalen…

Ik kom er graag.

Het regende gisteravond. Ik was te lui om de trein naar Les Houches te pakken en me daar onder de leadklimmers te mengen. Dus stopte ik slechts mijn klimschoentjes in mijn tas en zette koers naar het sportcentrum.
Twee uur later kwam ik weer naar buiten, pof op mijn legging, vingers met rood geworden eeltplekken, en liep via het centrum terug naar huis. De straten waren nat en glansden in de verlichting, toeristen achter de ruiten van hun hotels, restaurants, kroegen, huizen die Frans aandeden zonder commerciële zomergekte.
En daar, ergens achter Chamonix, rezen de bergen op. De afgelopen dagen werden ze witter en witter en nu zag ik ze bijna plotseling. Ik stond stil midden op de straat en kon voor een moment alleen maar naar ze kijken.

Een gewone avond. Een training in het boulderhok. Chamonix.
.

Chamonix Centrum

Laagseizoen

‘Ruby, I don’t have hours for you anymore. And I’m not sure if I can give them to you in October or November’.

Het is stil bij Kitsch Inn in Les Houches. Ze komen niet meer ontbijten. In plaats van bestellingen schrijf ik verhalen op in mijn notitieboekjes. Of eigenlijk, beginnetjes van verhalen, een hele hoop, want er is veel om over te schrijven.
We proberen alle producten de deur uit te krijgen en maken geen voorraden meer aan. De helft van de opties op het menu is niet meer verkrijgbaar. Locals begrijpen het, restjes toeristen moet ik vertellen dat wanneer zij vertrekken, Les Houches verandert in een spookdorp.

Chamonix blijft in leven, maar lijkt niet meer op het feestterrein van de zomermaanden. De ochtenden zijn bitterkoud en het looptempo in de winkelstraat wordt bepaald door zestigplussers. ‘How was your season?’ is een veel gestelde vraag. ‘What you’re going to do in interseason?’

Op een reguliere middag bij Chambre kwam de baas achter de bar en zei me dat ik geen baan meer had. Ze ‘dacht dat ik dit wilde’ omdat ik haar had laten weten dat ik met dit schema geen tijd over hield voor klimmen. This is what you wanted, this is what you wanted.
Veertig uur of geen uren; ik had het kunnen weten.

Kitsch Inn gaat dicht eind September, daarna ben ik werkloos.

Ik kan me verheugen op de herfst. Ik heb de Alpen slechts onder sneeuw en zomerhitte gezien, maar nog nooit onder de kleuren van de herfst.

Maar ik weet niet of ik blijf.

Het verliezen van mijn baan maakt mijn verblijf in Chamonix wederom een keuze en de rest van Frankrijk – of de wereld – opnieuw een mogelijkheid. Ik hou van de bergen hier, ik hou van ze uit alle macht, maar ik stuit te vaak op de oppervlakte van het dorp dat ze omringen. Hier vier je vakantie, hier ben je rijk, hier draai je een seizoen, hier bestaan alleen luxeproblemen. De wereld speelt geen rol in Chamonix.

Ik geef Chamonix nog een kans, want ik kan écht die bergen niet achter me laten.

Het is me nog niet gelukt om alpinemaatjes op te doen en het ziet ernaar uit dat het wel of niet slagen van die zoektocht doorslaggevend zal zijn voor mijn keuze hier te blijven – of niet.
Ondertussen spendeer ik mijn laagseizoen zoals ieder ander. Van dag tot dag. Vandaag speel ik gitaar of kaartspelletjes in de kroeg, vandaag klim ik naar Lac Blanc of op de rotsen van Gailland, vandaag herstel ik van gisternacht of wandel ik door mijn bergen, mijn bergen, mijn bergen.

Mijn Lievelingspad

Kippenhok

Klein is kleinIk woon in een kippenhok.
Samen met een hippie. Een echte, een product van hippieouders. Jong maar vastbesloten.
Stel je voor; een ruimte waarin twee bedden passen, maar je elkaar niet fatsoenlijk in het midden van de twee kunt passeren. Een keuken gepropt in een keukenkast en een wc die nagenoeg de helft van de badkamer uitmaakt.
Ik kende haar niet. Het was een gok, wederom een avontuur.
Soms denk ik; zou ik niet een soort van progressie in de grote van mijn leefruimte moeten maken. Ik ben 23, kan ik het nog verantwoorden om op die leeftijd een kippenhok te delen?
En dan denk ik; nee, er zou geen ‘zou moeten’ meer op mij toepasbaar moeten zijn. Niet in dit kader althans.

KippenhokHet leven in een kippenhok voelt als een feest. Alsof het ridicule van de grote van de kamer het legitimeert om het soort leven te leiden dat bij het hebben van een kippenhok past. Als het niet belangrijk is een zekere mate van privacy, ruimte en eigendommen te hebben, dan vallen daarmee ook een hoop andere geveinsde belangen weg.
Het maakt allemaal niet uit, zolang we het maar goed hebben. Dat idee.

Het is een gok geweest en mijn mede-kip en ik hebben elkaar getroffen. Ik vermoedde dat ze niet al te moeilijk zou zijn, daar ze bereid was met een onbekende deze deal aan te gaan. Tegelijkertijd was ik tot hetzelfde bereid en uit die wederzijdse beslissing kon ik al een soort gelijkgestemdheid opmaken. Toch had ze op alle mogelijke manieren razend irritant kunnen zijn – zoals ik dat zelf had kunnen zijn voor haar– maar dat is ze niet. Ze is leuk. Ze leest en schrijft en tekent en schildert.
En we maken muziek.
Ik heb mijn gitaar en mijn beperkte aantal akkoorden, en we hebben beide een troebel geworden achtergrond van zanglessen. Het is een kippenhok vol klanken.

Ik weet niet of ik op een zeker moment behoefte zal krijgen aan ‘een eigen plek’. Maar vooralsnog ben ik dankbaar voor haar aanwezigheid in mijn thuis, al struikel ik praktisch over haar heen wanneer ik onzorgvuldig uit bed stap. Er moet iemand ‘hoi’ zeggen bij binnenkomst en de theekopjes verzetten bij afwezigheid.
Dat heeft iets eindeloos geruststellends.

Huisbeest

Koningin Savi

Ze stond midden in de receptie. Haar armen langs haar zij, hangende schouders, nek en ogen van een stokstaartje.
Oh nee.
Ze had haar sokken hoog opgetrokken en droeg een synthetisch sportshirt op een voetbalbroek.  Om haar asblonde haar zat een zwarte band waaruit plukken ontsnapten. Ze leek niet ouder dan 18 en daar buiten haar eigen medeweten neergezet. Zomaar.
‘This is your new colleague, Savi’, stelde de manager haar een dag later aan mij voor.
Ongelofelijk, dacht ik, waar hebben ze die vandaan gehaald.

Uit Zweden. Het geïsoleerde hoge noorden, daar waar ze jagen, sissen als een jawoord en in generaties bij elkaar leven.
Savi paste niet in het restaurant. Wij waren met skateboardbritten, trashy Fransen en hipsterzweden, zij was niet eens het tegenovergestelde. Zij was van een andere oorsprong.

Ik twijfelde even aan de gezondheid van het management Savi aan te nemen. De laatste keer dat ik erover nadacht ging horeca voor een groot deel om representatie en alhoewel hetgeen dat ‘hip’ is in Chamonix bepaald wordt door tig verschillende sociale achtergronden en vrijwel gelijk is aan ‘gek’, wist ik zeker dat Savi ernstig af zou doen aan de hipheid van Chambre. Daar het floreren van de zaak me weinig interesseert was het me geen zorg, maar ik moest wel even knipperen wanneer ik haar met een dienblad en ongeschoren benen door de tafels zag zigzaggen.

Savi, hoe zou ik haar omschrijven. Leergierig, intelligent, eigenzinnig, stoïcijns, ruimdenkend, praatgraag. Voor iemand als Savi is de praktijk van horeca een kinderlijk eenvoudige truc. Het was niet de vraag of ze het technische aspect van serveren en schenken en kassa’s tellen onder de knie zou krijgen, maar eerder hoe ze zich zou manifesteren in een omgeving die door en door sociaal is.

Savi lacht veel. Niet uitbundig, ze heeft een oprechte glimlach waarmee ze zich van tafel naar tafel beweegt. Na een week kregen we het commentaar van een groep weinig ingetogen toeristen dat ze nog nooit bedient waren door zo’n lief meisje en dat ze dat ‘toch echt even moesten laten weten’.
Mannen kwamen misschien niet voor haar terug, groepen feestgangers bleven niet hangen door haar ophitsende uitbundigheid of gevatte opmerkingen, maar ze won zichtbaar de waardering van de gasten.

En ondertussen zag ze er nog precies zo uit zoals ze binnenkwam. In het begin werden er wel eens fantasieën uitgesproken, ‘wat als we haar nu een spijkerbroek aantrekken en naar de kapper sturen’, ‘kunnen we met een subtiele opmerking die opgetrokken sokken naar beneden krijgen’, maar inmiddels ziet niemand nog dat Savi van een andere oorsprong is.
De hipsterzweden, trashy Fransen en skateboardbritten hebben haar opgenomen precies zoals ze is, en in feite kon dat ook niet anders, want Savi is niet zo gevoelig. Ze praat over hetgeen haar interesseert, draagt wat comfortabel is, doet wat ze leuk vind en is, tot haar en stiekem mijn verbazing, gelukkig in Chamonix.

Soms zitten er drie collega’s achter de bar cocktails weg te stouwen, wordt er deephouse gedraaid, danst een gast met drie kleuren haar ergens op een tafel en leest Savi haar boek.
Soms zitten we met zijn allen bij elkaar en heeft ze het hoogste woord in een discussie over onzin.
Soms slaapt ze in een hoek van het café.

Omdat Savi houdt van de natuur en sporten en ik een slachtoffer zocht om op te leiden, sleep ik haar om de zoveel dagen mee naar de rotsen en laat ik haar klimmen en verzuipen in karabiners, touwtechnieken en klimverhalen. Net als de horeca pikt ze het klimmen op in slechts een paar weken.
En we wandelen en we praten.
Ik ben zelden zo van iemand onder de indruk geweest.
Ik ken de mensen van Chamonix als een reeks grote persoonlijkheden die weinig schroom hebben, schreeuwen als het nodig is, altijd voor zichzelf op zullen komen en leven naar hun eigen voorwaarden. Maar geen van hen heeft het zelfvertrouwen van Savi. Geen van hen is zo loyaal naar de eigen principes als Savi en zij is nog maar achttien jaar.
Mijn eerste oordeel zat er zo naast.

Ze komt uit het hoge noorden van Zweden en heeft de gigantische stap gemaakt naar Chamonix. Ze heeft geproefd van het avontuur en wil weten wat het leven nog meer inhoudt. Ik ben zo onwijs nieuwsgierig welke toekomst iemand als haar wacht en ik hoop zo onwijs dat het mooi zal zijn.
Op één of andere manier twijfel ik daar niet aan.

Wetten

Een klein voorwoord uit de toekomst: Ik ben het niet meer eens met deze blog, of laat ik zeggen dat ik niet meer begrijp of invoel wat ik schrijf, maar ik laat hem bestaan omdat…’ie me toch dierbaar is geworden. 

Ik had een vrij stevige levensfilosofie voor ik naar Chamonix vertrok (in zover je dat kunt hebben op 23-jarige leeftijd). De afgelopen jaren ben ik niet bijster veranderlijk geweest in mijn denken en daardoor voelt de grote schaal van mijn leven een soort van uitgedokterd aan.

Na mijn twintigste besloot ik dat het aan mij was om iets moois van mijn dagen te maken. Dat er niets relevant was buiten mijn eigen ervaring. Een zoektocht naar de wetten van mijn geluk binnen de wetten van deze wereld. Zoiets.

Sinds mijn nestelen in Amsterdam, zomer 2011, is mijn context stabiel geweest en waren zowel de wetten van mijn geluk als de wetten van de wereld vrij eenvoudig. Een studie in een stad met een gefixeerde hobby en vriendenkring: Het was nooit echt een vraag waar ik moest gaan om te floreren.
Ik draaide enerzijds mijn blije dagen en kroop anderzijds terug in mijn fantasie, in de fantastische tijd die na mijn studie zou komen en vorm kreeg op basis van mijn oude wettelijke context.

Die tijd is nu.

Mijn levensfilosofie is hetzelfde gebleven, ook hier in Chamonix, maar de zoektocht naar wetten van mijn geluk binnen de wetten van de wereld is omgetoverd tot een gigantisch avontuur. De wereld blijkt immens en mijn geluk lijkt driehonderd dimensies rijker. Wat precies belangrijk voor me is niet meer gelokaliseerd of gebonden aan een dagindeling of gedeeld met een gelijkgestemde sociale omgeving.
Nee, wat belangrijk voor me is op dit moment neemt slechts de vorm aan van krioelende mogelijkheden binnen een context ter grote van een aardbol. Ik heb een lading aan vage vermoedens die me ingegeven worden door een duizendtal opeenstapelende ervaringen en gedachten die een heelal aan speelruimte hebben gevonden. Het is interessant. En complex.

Omdat het dagelijkse goed zit en Chamonix geen dringende houdbaarheidsdatum heeft, kan ik rustig dwalen door mijn ervaringen en simpelweg opbotsen tegen de dingen die belangrijk voor me blijken. Ik hoef geen beslissingen te maken. Pas na de winter wil ik uitvogelen waarin ik ga investeren, en vooralsnog kan dat alles zijn.
Als ik genoeg geld verdien kan ik gaan reizen en mijn context van wetten nog eens radicaal groter maken. Echter, als mijn Frans het toelaat kan ik ook een klimopleiding starten of verder studeren(!?). Als ik mijn vrienden en familie mis, zal ik hen hierheen moeten halen, als ik de boerderij wil, dan zal ik moeten werken en sparen.
De wereld lonkt gigantisch. Zuid-Amerika of Azië, bergen die nog twee keer zo hoog zijn, culturen die nog twee keer zo anders zijn, maar tegelijkertijd heb ik steeds meer de behoefte om niet simpelweg mijn leventje af te draaien en me te voegen naar mijn eigen op mijzelf gerichte verlangens. Ik wil iets waardevols creëren, iets dat groter is dan ikzelf, mijn talent en energie in iets steken waar de natuur of de mens nog iets aan heeft.

Het is allemaal belangrijk voor me.

Een zoektocht naar de wetten van mijn geluk binnen de wetten van de wereld. Ik hoop dat ik nooit uit het oog verlies dat het een zoektocht zal blijven. Ik hoop dat ik in staat zal zijn tevreden te blijven met wat ik heb, met het Chamonix van het moment, en tegelijkertijd alert blijf op de mogelijkheden en hetgeen mijn ervaring me ingeeft.

Droomvlucht

Er rijdt een treintje tussen St. Gervais en Martigny.
Langs Les Bossons, Chamonix, Vallorcine en andere kleine plaatsjes kruipt ze door de lengte van het dal.
Steil gaat ze omhoog, zo hoog dat je het even niet meer begrijpt en met verbazing de ruimte in tuurt. De afgrond begint waar de laatste steen in de breedte van het spoor eindigt.  Als je met je neus platgedrukt tegen het raam naar buiten kijkt, dan vlieg je of dan krijg je hoogtevrees. Aan de overkant zijn bomen, alleen maar bomen, bergen afgedekt met donkergroene bomen, sommige vechten om een bestaan op steile rotswanden. Daar waar ze verliezen loopt de rots door tot in een rivierbedding, ergens diep beneden, meestal buiten zicht.

Ik stapte op in Martigny op dinsdagavond achttien augustus, een dag met donkere lucht, mist en regen. Het was het staartje van mijn vrije tijd, die ik gespendeerd had met een bezoek aan mijn Zwitserse avonturier Kimberley.
Deze wereld…
Ik was moe, nog steeds van het werken maar dit keer ook van het klimmen, en ik nam plaats naast het raam. Het dal was gevuld met wolken, plukken mist die her en der tussen de ketens hingen alsof ze achtergelaten waren voor de mystiek. Dorpjes op de rand van hellingen verschenen en verdwenen in donkergroen en donkergrijs.

Zo kan een leven dus zijn. Een vrije dag, even met de trein naar Zwitserland, een retourtje door de onbegrijpelijke magie van een naastgelegen dal.
Doe mij dit maar.

Drie Maanden

Er zijn twee uitspraken over Chamonix die ik vaak hoor: ‘In Chamonix blijf je veel langer dan je wilt’ en ‘je vergeet de bergen, tot je weer eens op opkijkt en denkt: Wat is het hier bijzonder’. Ik ben vooralsnog niet van plan hier heel lang te blijven, maar ‘dat zeggen ze allemaal’. Wat betreft het tweede: Ik leef naast gigantische rotswanden, spierwitte gletsjers en de lange, puntige, agressieve aftekening van het Mont Blanc massief tegen een felblauwe of inktzwarte hemel. Ik maak een middagwandeling met een collega en bots verbaasd tegen de Dru op, omdat ik me even niet had gerealiseerd dat ze zo zichtbaar zou zijn als je bij Montenvers omhoog klimt. Ik passeer drie gletsjertongen wanneer ik ’s nachts richting Les Houches fiets en zie bekende alpine routes lopen wanneer ik vanachter mijn dienblad omhoog kijk. Ik vergeet de bergen niet.

De voorwaarden van het leven in Chamonix veranderen constant. Bij Kitsch Inn lijkt het hoogseizoen nu pas aan te vangen, misschien omdat Frankrijk heel augustus vrij heeft. Tegelijkertijd sluipt er bij de collegaatjes van Chambre Neuf al een laksheid in die karakteristiek schijnt te zijn voor het tussenseizoen.

De verstrikkende hitte heeft plaats gemaakt voor onweersbuien, warme middagen of koude nachten. Alles kan. Ik kijk niet meer naar de weerberichten en zie op de dag zelf wat zich boven me afspeelt.

Vanaf vrijdag ga ik wonen in een kippenhok midden in het dorp. Er passen net aan twee kleine bedden in, het keukentje is nauwelijks groter dan de koelkast en de badkamer nauwelijks groter dan de douche. Ik deel het appartement met een Iers meisje dat ik ken van facebookfoto’s en een rondleiding van vijf minuten. Ze omschrijft zichzelf als “honestly the most chilled person ever” en ik geloof dat wel.
Hoeveel persoonlijke ruimte heb je nodig? Geen idee. Ik zal het ondervinden.

Samen met de Zweden en Britten spendeer ik mijn dagen grotendeels in Chambre Neuf, de tweede huiskamer waar niemand wil zijn, maar toch iedereen immer is, omdat iedereen er altijd is. De dynamiek op de werkvloer is uniek. Ik dek een deel van de lading als ik zeg dat, wanneer er één begint te dansen en een ander erop aanhaakt, binnen de kortste keren íedereen schaamteloos meedoet: De receptionisten, afwassers, chefs, managers en barmedewerkers, al is het midden op de dag en kijken gasten verbaasd op van hun eten.

Het nachtleven is me inmiddels eigen. Niet als iets waaraan ik deelneem, maar als iets wat ik bestudeer vanachter de bar, vanaf mijn fiets als ik na sluit naar huis rijd, vanuit verhalen van collega’s en vriendjes. Ik wist niet zeker of het me zou aantrekken nu het zo prominent aanwezig zou zijn. Maar nee, niet dus, uitgaan interesseert me nog steeds niet. Ik geniet van mijn eigen baravonden, de vaste gasten en het brouwen van drankjes, maar de ochtenden zijn me te dierbaar om op te geven voor georganiseerde dronken losbandigheid. Tenzij er gedanst wordt. Dan sluit ik wel aan.

De weekenden zijn nog steeds zwaar, maar ik kan ze beter aan dan in het begin. Soms ben ik pas na tweeën thuis en begint de volgende shift om acht uur in de ochtend. Gelukkig zijn mijn collega’s doorgaans brak en worden we vrolijk van gedeelde koffie en ellendigheid.

Ik heb al dagenlang geen bekende Nederlander meer gezien. Ze zijn weggetrokken, ze hebben me achtergelaten tussen de gekken. Zo nu en dan vergeet ik dat ik zelf van plan ben om in het buitenland te blijven en nodig ik mensen uit om me in Amsterdam op te komen zoeken.
Het voelt absurd dat die stad werkelijk niet meer mijn thuisbasis is. Haar hele realiteit lijkt ermee verloren te gaan. Ze is het decor van dat vorige leven in mijn herinnering en heeft niets te maken met Chamonix.

Ik ben er zo trots op, op Amsterdam. Ik schreeuw het als iemand naar mijn herkomst vraagt. De laatste paar maanden voor mijn vertrek manifesteerde ze zich al als iets onvoorstelbaar moois, en in de kleuring van mijn gedachten is ze inmiddels monumentaal. Het enige wat haar toentertijd mankeerde was het feit dat ze een stad was.

Chamonix blijft voelen als een groot experiment. Sinds ik vrij ben van mijn studie en het gedoe rondom mijn enkel heb uitgezeten, ervaar ik elke stap die ik zet als een bewuste keuze. Mijn leven is mijn project geworden, ik mag bepalen wie ik wil zijn, waar ik wil leven, welke tijdsschaal ik wil hanteren en welke investeringen ik wil maken. Ik kan trial en erorren in een wereld vol wetten die ik nog maar half ken, en voorlopig neemt die wereld de vorm aan van Chamonix.
De deceptie rondom mijn loon heb ik kunnen relativeren en zit me niet meer dwars. Het klimmen neemt langzaamaan vorm aan en ik heb goede hoop dat ik binnen niet al te lang het gros van mijn dagen kan spenderen aan de wand. Ondertussen oefen ik mijn Frans in een Engelse omgeving, lees ik boeken en denk ik na over talloze mogelijke, volgende experimenten. Ik leer beter wat belangrijk voor me is (het concept van ‘missen’ is daarbij een heilige indicatie) en kan mijn keuzes steeds meer fundament geven. Als ik besluit verder te studeren, dan doe ik dat met een goede reden. Als ik besluit de wereld over te gaan, dan is dat op een solide basis. Als ik een hippie word, dat word ik één met overtuiging, als ik boerin word, dan kies ik met heel mijn hart voor mijn koeien, kippen en ezel. Maar voorlopig is het nog Chamonix.

Fieke

Soms heb je gewoon heel erg veel geluk.
Zoveel geluk dat je je afvraagt of je niet stiekem een hele grote investering hebt gedaan, zodat het niet slechts geluk is, maar tevens een verdienste.
Nee, het is gewoon geluk. Dom geluk. Kaliber loterij, liefde van je leven, vallen op de sneeuwbrug van een gletsjerspleet, geboren worden in gezondheid en welvaart.

Jou ontmoeten.

Ik heb het beeld van ons eerste contact haarscherp in gedachten. Zelfs al zijn er duizend ervaringen omheen ontstaan; nog steeds weet ik precies hoe je was, hoe ik je ervoer toen je naast me op het tafeltje zat met een biertje in je hand. Op zich is dat niet heel bijzonder, ik onthoud wel meer, maar dat moment daar, als dingen iets anders waren gelopen; hoe was jij dan in mijn historie komen te staan? Had het zo kunnen wezen, dat zo een immens groot geluk naast me had gezeten, haar biertje op had gedronken en naar huis was gegaan, zonder dat ik haar ooit weer had gezien?
Dat idee is toch belachelijk, onmogelijk?

Godzijdank liep het anders en ken ik je nu.

Fieke, de wereld kent minder grenzen als ik met jou ben. De dagen dat je hier was betekende vrijheid voor mij. En het voelt tegenstrijdig: Net nu ik de vrijheid heb om mijn leven in te richten zoals ik wil en ik, met jou aanmoediging, de wereld in trek, moet ik inboeten op de vrijheid die mijn vriendschap met jou me geeft.
Eerst heb ik het geluk je te ontmoeten, nu heb ik de pech je te moeten missen. Domme pech, domme pech dat we beide avontuurlijk in elkaar steken en dit nu eenmaal de realiteit is. Hetgeen wat ons zulke maatjes maakt is tevens hetgeen dat hemelsbreed kilometers tussen ons in legt.

Het is een luxeprobleem.

Ik mis je en ik hou van je en ik hoop dat, op een dag, onze vrijheid ons naar dezelfde plek leidt. Als het schijnbaar niet anders heeft kunnen wezen dat wij elkaar ontmoetten, dan kan het ook niet anders wezen dan dat we over vijftig jaar met een biertje in ons hand, rimpels van het lachen, spierwitte haren van de bergzon, kapotte gewrichten van het leven in een grote wereld, kunnen zeggen: Shit, wat een onmogelijk geluk dat jij nog steeds hier naast me zit.
Toch?

De Bankrekening

Ik heb me nog nooit zo obsessief beziggehouden met geld als deze twee maanden in Chamonix. Eerst omdat ik mijn spaarrekening er doorheen zou jagen voor ik zicht had op een stabiel inkomen.
Dat is me niet gelukt, mede omdat ik in een tent leefde en grootgebruiker was van de 95 cent Taboulé.
Daarna omdat ze me een fulltime contract opdrongen bij Chambre Neuf en ik de geldbomen in mijn tuin gepland zag. Ongelofelijk hoe snel mijn fantasie met me op de loop ging. Een rijbewijs, reizen, alpine kleding, Aiguille de Midi liftpassen; shit, dacht ik: de wereld verandert als je geld hebt.
Het extra baantje bij Kitsch Inn verhinderde het opbouwen van wat voor soort klimcarrière dan ook, maar daarvoor in de plaats kon ik mijn financiële fantasieën verder uitdiepen en alhoewel ik nog steeds schuchter was met uitgeven, liep ik met veel genoegen langs de outdoorwinkels van de hoofdstraat.

Maar dan nu: bij beide bedrijven blijk ik geen ruk te verdienen. Bij Chambre Neuf heb ik gevochten voor een beter salaris en een soort van gewonnen. Ik verdien nog steeds niets noemenswaardig, maar ik zit in elk geval niet meer op het hongerloon dat ze me eerst wilden aansmeren.

Ik ben bij Kitsch Inn gebleven uit loyaliteit naar de bazin, die zelf zeven dagen per week op de werkvloer stond en de baby dan maar bij haar man dumpte, maar sinds ik mijn eerste loonstrook binnen heb is elke vorm van sympathie verdwenen. Pats. Ik verbaas me er zelf om, ik verbaas me om mijn primitieve, ongenuanceerde reactie op iets dat met geld te maken heeft.

Maar het offer is zo groot, ik frustreer me dusdanig als ik klimmers door de straten van Chamonix zie lopen terwijl ik zelf nog geen halve mogelijkheid heb gehad om één fatsoenlijk klimmaatje aan me te binden, dat ik écht, écht geen heil meer zie in het afwassen van borden zonder dat mijn bankrekening er aanzienlijk van groeit.
Ik bevind me op onbekend terrein, wederom. Mijn eigen heftige reacties fascineren me, maar ook het dilemma erachter: Hoeveel ‘verdien’ ik dan? Waar komt mijn idee van een rechtvaardig loon vandaan? Nederland?
Mijn baantjes vergen verantwoordelijkheid noch opleiding. Maar juist het feit dat ik me dag in dag uit nederig opstel naar verwende toeristen en hun onbelangrijke wensen vóór al mijn eigen moet stellen, het feit dat het meer en meer voelt alsof ik mijn zelfrespect opzij moet zetten, maakt het voor mij een grote investering.

Welkom in de wereld, Ruby. Dit zijn de wetten die gelden in Chamonix, dit is werken, dit is geld.

Ik ben weldegelijk financieel iets aan het opbouwen. En nog steeds kan ik genieten van mijn collega’s, zelfs van het draaien van een vlekkeloze avond, de dronken locals aan de bar. Maar ondanks dat ik geen idee heb wat de relatie tussen werken en geld zou moeten zijn en ik de regels van het spel niet ken, weten ze me hier bijzonder succesvol tot het uiterste te drijven.
Ik heel benieuwd hoe mijn komende jaar eruit gaat zien.

Chamonixbubbel

Ik ontkom niet aan de Hollanders hier. Vrienden, kennissen, vage bekenden; ik loop over straat en vrijwel elke dag ontmoet ik er een paar. Soms logeren ze in mijn appartement, soms zitten ze op mijn terras. Dat is vreemd emigreren.
De eerste weken was ik nog alleen, in het staartje van het laagseizoen. Een Chamonix waar nog doorheen te fietsen valt, waar ik me een nieuwkomer tussen de dorpelingen voelde.
Het hoogseizoen heeft hordes Aziaten gebracht, de Zweedse hotels opgevuld met Zweden, Britse families herenigd, rijke Fransen in chalets gevestigd en heel veel Nederlandse alpinisten in de context van mijn nieuwe leven gedumpt.

Kijk, zeg ik ze, daar werk ik. Dit is mijn collega, hier doe ik boodschappen en misschien zie je het niet, maar Chamonix is een gek stadje. Ze lachen met me mee, pakken hun tassen en gaan omhoog.

De situatie doet me denken aan zo’n glazen bol met vloeistof rond een klein winterschouwspel, huisjes, mensjes, een Kerstman en een kerk, sneeuw dat dwarrelt als je het door elkaar schudt. We staren ernaar, ik wijs ze op het kleine gezichtje achter het bovenraam en de oranje wortel van de sneeuwpop, en het moment dat zij hun aandacht verliezen kruip ik er terug in. Mijn leven binnen de Chamonixbubbel: Erin bestaan geen Hollandse vriendjes en geen Hollands vriendje ziet ooit de werkelijke inhoud.

Over een paar weken trekken ze massaal weg. Alleen een paar Nederlandse hardcore alpinisten zullen buiten het seizoen nog naar Chamonix komen; de rest hervat studie of werk en denkt alleen nog aan de Alpen als wat ze afgelopen zomer hebben bezocht en in een ander hoogseizoen misschien weer bezoeken. Dan ben ik werkelijk overgeleverd aan de gekken van Chamonix.