Latest Posts

Een Soort van Ruby

Ik leer mezelf kennen. Al mijn hele leven lang, en nu weer. Maar niet alsof ik steeds dichterbij die eenheid kom die ik ben, die ene substantie Ruby die écht Ruby is. Meer alsof ik telkens weer een nieuwe glimp opvang van iets dat constant in verandering is, en dat met het opvangen van die glimp nog verder verandert. Zelfs als ik de wetten van het Ruby zijn opstel, dan nog voelt het tijdelijk van aard, omdat ik weet dat er nog zoveel wereld over is om mij te kunnen overdonderen dat ik nooit definitief kan maken wie ik ben, waarom ik zo ben of hoe ik mijn leven wil leiden.

Het is zo interessant, het is zo… Vreemd eigenlijk om mijn eigen verschijnsel te zijn, ook omdat ik nooit niet mijn eigen verschijnsel zou kunnen zijn en mijn toevallige interesse in mijzelf een soort van onvermijdelijk is.
En het is ook vreemd omdat ik aan de ene kant mijn verschijnsel ben, maar aan de andere kant mijn verschijnsel maak, en hoe ik het verschijnsel maak is vervolgens weer deel van hoe ik het verschijnsel opvat, deel van hoe ik mezelf vastpin aan bepaalde karaktereigenschappen, deel van hoe ik overkom op mezelf.

Het experiment Ruby. Ik woon in Chamonix en word sinds twee maanden onderworpen aan een hele sloot nieuwe indrukken en situaties. Nieuwe gezichten en karakters, sociale verhoudingen, toestanden van zekerheid, mogelijkheden en stugheden, successen en mislukkingen. Ik leer mezelf kennen maar dan met een grotere intensiteit dan daarvoor, en daardoor voel ik meer dan ooit mijn eigen veranderlijkheid. Niet perse dat ik veranderlijker ben dat ik dacht: meer dat een relatief klein uitstapje naar ieniemienie Chamonix al heel erg veel nieuwe wereld geeft waar ik me toe kan verhouden.
Ik doe niet heel raar. Mijn hele reageren ligt in lijn met hoe ik altijd een soort van ben geweest en hoe ik waarschijnlijk voorlopig een soort van zal zijn. Een soort van. Het gaat me juist om dat soort van; ik ben een soort van Ruby.

Het punt van dit verhaal is dat ik me onverwacht heel erg prettig en thuis voel in de toestand van ontdekking en nieuwigheid. Dat ik méér wil uitvinden over de wereld, de mensen erin, en het meest belangrijk, dat het ontdekken van de wereld (al is die wereld nu slechts ieniemienie Chamonix) me meer dan ooit laat voelen dat ik slechts een soort van Ruby ben.
Ik vind vrijheid in het zijn van een soort van Ruby. Een bewegelijk, veranderlijk iets dat niet gebonden is aan een woonplaats, studie of vriendengroep om iets te zijn, maar als een soort van interessant en blij verschijnsel over een interessante wereld gaat, een soort van bolletje wezen dat ervaart, zich ontwikkeld, en open en toegankelijk door het leven stuitert.
En ik vind rust in het zijn van een soort van Ruby. Want het is niet afhankelijk van geniepig fragile vastigheden in de wereld. Het enige dat het als vastigheid heeft is dat ik het ben. En zolang ik ben, ben ik. Een soort van.

Ik zal niet concluderen dat mijn toekomst ligt in het zwerven over de aardbol, high van mijn eigen vrijheid, beste vriendjes met alleen mijn eigen vage theorie over het zijn van een soort van Ruby. Het voelt onverwacht goed om de ontdekking aan te gaan en ik hoop op nog veel meer wereld dat me kan overdonderen, opdat ik mezelf beter en beter leer kennen, opdat ik meer en meer ervaar dat wie en hoe ik ben in beweging is en me zo vrij blijf voelen als ik me nu voel.
Tegelijkertijd zijn er toch een aantal wetten in mijn soort van Ruby waar ik liever niet de bewegelijkheid van wil inzien en die, hoezeer ze me ook binden, als voorwaarde bestaan voor de waardering van de vrijheid van het zijn van slecht een stuiterend bolletje ervaring: Het belang dat ik hecht aan papa, mama, zus en broer, vriendinnetjes en vriendjes, de bergen en Amsterdam.

De Trucs van het Hotel

De telefoon van de receptie ging. Het was de baas van het hotel en ze wilde me spreken, zei de receptioniste. Ik onttrok me van mijn collega’s en nam aan.
De baas, zelf op vakantie, zei me dat mijn contract opgesteld moest worden. De vorige keer viel ik over de hoogte van mijn salaris en moest ze een nieuwe maken, maar het kwam er nooit van om een ander salaris vast te stellen en dus ook niet om het alternatieve contract op te stellen. 7,50 was het SMIC, het minimumloon in Frankrijk wat ze me wilde uitbetalen. Zeven. Facking. Vijftig.
Ik heb nooit eerder onderhandeld over mijn salaris en alhoewel ik in eerste instantie trots was dat ik een keer positie heb aangenomen, word ik er nu bloed en bloed chagrijnig van. Hoe kun je tot een salarisovereenkomst komen over de telefoon, een vluchtig belletje, terwijl de een op vakantie is en de ander aan het werk? Wat is dit voor iets belachelijks?
We hebben een voorlopig bedrag vastgesteld en als ze terug is van vakantie praten we verder. Maar ik ben het zat.
Die middag kwam de barmanager naar me toe met ‘slecht nieuws’: dat het hem niet is gelukt om mijn voorkeuren voor het komende werkrooster door te voeren omdat de baas (die nu op vakantie is) al een volledig afgerond rooster heeft doorgestuurd waar hij zich aan moet houden. Ik sta er weer fulltime op, vijf nachten aaneengesloten. Opmerking daarbij was dat ze in het hotel eigenlijk alleen maar iemand voor fulltime nodig hebben en dat ‘t of mij, en zo niet, dan iemand anders wordt. Vijf weken lang is me voorgehouden dat ik drie dagen per week kon werken, vijf weken lang roosteren ze me fulltime in, en nu komen ze met dit bericht. Ik ben het zo verschrikkelijk zat.

En er is meer. Inmiddels heb ik door hoe het hotel werkt. Het vergt geen jaren van hogere wiskunde om het soort bar te draaien dat het hotel als ondergeschikt broertje runt en ik heb genoeg horecaervaring om de conventies per onderneming op te pikken. Sinds al het nieuwe eraf is en ik me ontspannen door de tafels manoeuvreer, vervalt elke uitdaging, elke prikkeling met betrekking tot het werk zelf. Ik tolereer het eindeloze willekeurige delegeren van de barmanagers niet meer omdat ze net zo jong en ervaren zijn als ik en we allemaal dezelfde truc doorzien. Het enige wat er overblijft is de werkomgeving zelf, de gekke collega’s en de gekke gasten, en als ik me daar niet dusdanig in had vermaakt, dan was ik nu definitief klaar met het hotel geweest.

Zondagavond. Ik was chagrijnig. Ik was moe en ik kon het niet meer opbrengen om mijn lachende, foefjes uithalende zelf te zijn. Elke kleine misser van mij of de buitenwereld bracht reden tot gigantische irritatie. Mijn geduld voor de nieuwe Zweedse meisjes die onbeholpen fouten in de kassa maakten was weinig afdoende. Ik kon niet lachen om vreemde muziek, niet onder de bar kruipen, niet dansen, niets. En diegene die me vroegen wat er mis was legde ik om.
De diensten van het 32 uur durende horrorweekend vallen me steeds zwaarder en nu ik in mijn achterhoofd heb dat ik niet naar behoren betaald wordt kan ik me er moeilijk overheen zetten. Het komt uiteindelijk neer op een keuze; een keuze voor dik een maand teveel werken, tot eind augustus, wanneer alle toeristen het dorp verlaten. Of niet.
Ik zit nu nog in de nasleep van dit dieptepunt en geef mezelf even de tijd om uit mijn slechte humeur te komen. De sociale omgeving waarin ik terecht ben gekomen is me op het moment heel waardevol en ik wil daar nu nog niets tegen beslissen. Ik kan wel janken als ik al die Nederlandse klimmertjes voorbij zie komen, maar tegelijkertijd weet ik dat mijn klimseizoen nog komt en dat ik momenteel investeer in een stiekem best nabije toekomst. Best nabij.

Zomerkamp Chamonix

Wat is alles toch anders. Anders dan ik het me ooit ingebeeld had. Het is veel makkelijker geweest dan ik dacht, enerzijds, emotioneel gezien. Ik mis mensen en Amsterdam en heb de grenzen van mijn fysiek enigszins overschreden door teveel te werken. Maar nooit echt heb ik het moeilijk gehad.
Chamonix is stadje vol vreemde feestvogels en jonge avonturiers uit honderd landen, en het hotel des temeer. In een dergelijke context ben je niet gemakkelijk eenzaam of verloren. Er is altijd wel iemand die je, happig naar kameraadschap, mee naar een kroeg trekt en zijn of haar sores over je uitstort, iemand die wil gaan dansen, iemand die wil gaan drinken. De Zweedse collega’s vormen inmiddels een hechte groep die samen naar het park gaan of op het voorterras van het hotel liters bier naar binnen slaan. De rest van het bargespuis is doorgedraaid op een goede manier, wars van een groot aantal sociale conventies, zo nu en dan verandert er een in een krokodil, kruipt onder de bar, drijft af naar hogere sferen en kraamt grote onzin uit.

Anderzijds heb ik nog lang, lang niet het leven dat ik wil en moet ik nog een hoop rommelen voor ik dagen kan draaien die enigszins overeenkomen met mijn ambities. Het voelt een beetje vreemd om niet tevreden te zijn terwijl ik (zeker nu ik weer fit ben) elke dag geniet van alle vreemde perikelen waarin ik word meegesleurd. Maar het komt er vrij letterlijk niet meer van om te klimmen en dat is een toestand die ik niet ingecalculeerd had. Ze woont in KlimWalhallaChamonix en het lukt haar niet om te klimmen. Hoe leuk ik het hier ook heb, ik ben hier voor een reden en die reden domineert nog steeds.
De truc met de twee baantjes werkt momenteel behoorlijk in mijn nadeel. Beide werkgevers plannen me veel meer in dan vooraf afgesproken was. Ik werk nu per week vijf shifts bij het hotel en twee in Les Houches, wat erin zal resulteren dat ik straks tijdens mijn spaarzame vrije minuutjes in een MammutExtremepak met Nommics en een arm vol GPS horloges door een helikopter op de top van de Mont Blanc afgezet kan worden.
Maar, als mijn plan werkt en ik uiteindelijk werk naar slechts de afgesproken uren, dan heb ik een fulltime baan in drie dagen en kan ik vier dagen per week omhoog. Dat zou toch wel mooi zijn.

Tot die tijd ben ik ondergedompeld in de hotelwereld, de feestwereld, en ik ben blij dat ik een keer in mijn leven zoiets mag meemaken en dat ’t dan ook nog eens in een dergelijke omgeving is. Ik heb een vaag vermoeden dat er veel concepten leven zijn waarin ik me goed zou voelen. Zolang ik maar mijn eigen concept leven in het vizier houd.

Microscopische Beestjes

Het vele werken heeft me uiteindelijk toch te grazen genomen. Afgelopen dagen spendeerde ik deels in bed met strepsils, ibu’s en telefoontjes naar mijn moeder, en deels in het hotel, gênant kuchend en snuitend boven de steriele borden van hotelgasten.
Het heeft iets geks om ziek te zijn hier in Chamonix, gedwongen tot bedrust in een appartement dat ik pas sinds een week bewoon. Ik ken dit soort snotterende malaise alleen als een klassieke hindernis in een uitgedokterd leven waar het studie of hockey aantast. Het hoort niet bij de obstakels van een nieuw leven, of althans, als ik denk aan avonturiers en veroveraars dan denk ik aan zwaardwonden en schipbreuk, niet aan hardnekkige verkoudheid. Mijn rampspoed zou zich beperken tot eenzaamheid, geldgebrek en twijfel over de koers van mijn leven. In plaats daarvan vecht ik de aloude microscopische beestjes van mijn vorige leven.
Wat het misschien vreemder maakt is dat ik ziek zijn associeer met de zorg van mijn ouders of oma, het regenachtige weer in Nederland en de kleurrijke dekentjes thuis op de bank die een vrolijk holletje van warmte en veiligheid vormen. Het is een soort beroerde maar vertrouwde staat van zijn onder de vleugels van een liefdevolle omgeving.
Hier betekend ziek zijn voor pampus liggen in een groot bed met een stel grotere bergen die achter het raam in een immer blauwe lucht prijken. Mijn vrije dagen zijn al spaarzaam en het leven daarbuiten gaat in sneltreinvaart. Als ik er niet eens de aandacht van een paar verwanten of vrienden mee kan vragen, wat voor punt heeft het dan om hier te liggen en de verleidelijke buitenwereld aan me te laten passeren?

Contouren

Nu het balletje is gaan rollen ebt langzaam de behoefte weg om te schrijven over het proces van emigreren. Mijn leven krijgt vanzelfsprekende contouren die het noemen niet meer waard zijn, of wat zeg ik, die ontsnappen aan mijn bewustzijn of interesse. Ik werk. Als ik niet werk ren ik ergens een berg op. Mijn sociale leven bestaat uit mijn gekke collega’s, de Getuige op de camping en de meisjes van mijn yogaclubje. Ik zou het hierbij kunnen laten; een vinkje zetten bij emigreren en een biertje gaan drinken bij een van de vele pubs waar heel jong en ons-kent-ons Chamonix zich verzamelt.

Nee, nee, nee, ik ben er nog niet, nu heb ik andere dingen om over te schrijven. De betrekkelijke stress van het achterlaten van zekerheid en het vestigen in nieuwigheid loopt misschien tegen het einde, maar daarvoor in de plaats komen de reflecties over de grote levensloop. Wat nu. Ik ben hier immers niet om tot in lengte der dagen Jäger te serveren.
Chamonix is ergens nog dat stadje midden in de bergen, zoals ik het kende voor ik er woonde en nog geen Britten of Zweden had ontmoet. Het stadje dat je uitnodigt om een avontuurlijk paradijs van je leven te maken. Dit is Chamonix: Elke morgen dwarrelen hier tientallen parapenters door de lucht. Trailrunners krioelen over de paden die vanuit het dal omhoog schieten. Door de winkelstraat zigzaggen mountainbikers in woeste outfits met helm en bescherming. Rond een uur of vijf arriveren groepjes alpinisten uit het hooggebergte.

Ik moet alles uit de mogelijkheden van deze plek halen, want ja, ik ben hier. Opzoek naar klimmaatjes en zorgen dat mijn enkel het aankan om straks door sneeuw en ijs te kachelen. En dan opeens heb ik het hele Mont Blanc massief aan de ene kant, en de Aiguilles Rouges aan de andere kant. Misschien ga ik een klimopleiding doen, mijn rijbewijs halen, leren skiën en tegelijkertijd een doorgeslagen après-skiseizoen meedraaien, misschien zelfs ga ik leren parapenten of trailrunnen.

Het kan hier, het kan hier allemaal.

Maar, zoals ik al zei, de grote levensloop is om de hoek komen kijken, en ik voel dat het niet genoeg gaat zijn om alleen mijn bergperikelen uit te breiden en na dertig jaar met een leren gezicht en gesloopte knieën nauwelijks verder dan die ene obsessie te kunnen kijken. Ik wil nog steeds dat grote huis met al die kippen en geiten, en ik wil nog steeds een schrijfster worden, dus op zich is dat al heel wat extra om me mee bezig te houden. Maar ook dat is niet afdoende.

Het achterlaten van Amsterdam heeft zijn uitwerking gehad op mijn reislust. Alsof er banden zijn doorgeknipt en sindsdien de wereld in mijn bereik ligt. Ik ben nog nooit buiten Europa geweest, terwijl ik verdorie Culturele Antropologie gestudeerd heb en de bergen op andere continenten twee keer zo hoog zijn.
En dat niet alleen. Emigreren maakte me héél erg zelf geobsedeerd. Langzaam sijpelt de realiteit weer binnen, die met andere mensen en een kleine aardbol met schaarse bronnen die we moeten delen. Het is slechts voor mezelf, maar ik wil daar iets mee. Ik wil een betekenisvoller bestaan. Ik wil me ergens voor inzetten. Gelukkig zijn we gezegend met een lang leven en heb ik tijd genoeg om iets uit te dokteren, een briljante combinatieactie waarin ik al mijn vredelievende wensen vervul en tegelijkertijd bergen beklim en mijn kippen voeder vanaf het bureautje waarop ik mijn romans schrijf – dat ik elk jaar verplaats van land naar land.

Kortom, sinds het ‘settelen in Chamonix’ een vaster en normalen karakter krijgt verplaatst het werkveld van mijn denken zich naar het manifesteren van een alpine leven aan de ene kant, en ‘iets met die grote wereld’ aan de andere kant. Waar gaat dit heenleiden? Ga ik mezelf in een masters tricken? Ga ik een wereldreis maken? Ga ik een ‘met dikke kindertjes naar de bergen’ cursus organiseren? Vrede stichten, mijn leven verliezen aan een heldendaad in plaats van een val van een gladde bergtop?

Een Fietstocht onder de Sterren

Kimberley is mijn profeet.

Een jaar geleden trok ze op de bonnefooi naar Zwitserland en begon daar een leven dat zich vormde naar de willekeur waarin zoiets zich voltrekt; de grillen van een stad en haar mensen, het eindeloze aanpassingsvermogen en tegelijkertijd de vechtlust er iets eigens van te maken, het zich voordoen van kansen of de stugheid van het nieuwe bestaan, pech, geluk, alles wat maar opdoemt of wegblijft. Ze is me voorgegaan en heeft me gegidst door de werkelijkheid van het emigreren.
Dankzij haar moet ik vaak om mezelf lachen. Er zijn een aantal wetten van weggaan: De wet van gemis, de wet van euforie, de wet van onverwachte vriendschappen en ‘wat doe ik mezelf aan’. Op sommige emoties en situaties kan ik gewoon gaan zitten wachten.

En er is me iets opgevallen, iets dat steeds maar weer terugkomt, en ik geloof zoiets ook in het traject van Kimberley te herkennen, alhoewel ik het nog niet heb geverifieerd.

Waar het mee begint is de wens om op een bepaalde plek een bestaan in te richten dat in zekere mate voldoet aan je verwachtingen (bergen, vriendschappen, zekerheid), en tegelijkertijd, in het kader van avontuur en ontdekking, duizend verschillende vormen aan mag nemen. Er zit een soort tweeslachtig principe achter: Zorgen dat het gebeurt, en het laten gebeuren zoals het gebeurt. Sommige dingen kun je afdwingen, andere dingen wil je of kun je niet afdwingen. Daadkracht, onverschrokkenheid, creativiteit aan de ene kant; manoeuvres, volharding, timing, trucjes en listen.
En aan de andere kant: Geduld, rust, en vertrouwen. Het vermogen jezelf ten alle tijden te kunnen vermaken, dulden van tegenstand, een goed boek, genieten van wendingen, zweven op het avontuur.
Kimberley, herken je dit?

Maar wat bovenal mijn gemoederen bezighoud en het hele schipperen tussen ‘afdwingen’ en ‘op zijn beloop laten’ doet vervagen is het volgende: (Vergeef me het cliché)
De ongelofelijke waarde van familie, vrienden en herinneringen, de immense kracht die ik daaruit kan putten en die me telkens weer verrast, en het bizarre, overweldigende gevoel van vrijheid dat me overvalt wanneer ik bedenk dat Chamonix slechts één stad is, één keuze, en de hele wereld en mijn hele leven aan mijn voeten ligt.

Dat is emigreren.

Ik fietste naar huis op een nacht, vanuit mijn werk, en was mijn koplamp vergeten. De weg naar de camping ontbreekt vaak genoeg lantaarnpalen en dus zag ik regelmatig niets, geen bochten of gaten in het wegdek, geen indicatie van mijn richting.
Maar boven me was de lucht bezaaid met sterren, en links lagen de allerhoogste bergen met hun witte gletsjers in het bleke licht van de maan. En ik voelde alles, de intensiteit van al mijn keuzes, van de afgelopen vijf weken en alle jaren daarvoor.

En ja, Kimberley, ik dacht aan jou.

De Redding is Nabij

Ze zijn van God los. De boeren, de Britten en bij toeval een deel van de mensen die ik onderweg ontmoet. Wiet, drank, seks. Ik ben beland in een foute videoclip geheimzinnig verweven door het meest dagelijkse leven. We waren heilig, in Nederland.

Het is dinsdagmiddag en ik ben afgezet op de camping door een jongen met opgeschoren haar, gouden oorbel, zonnebril op een grijze dag en sigaret tussen de lippen. Hij pikte me op bij Mègeve, hij en zijn ‘client’ want hij was een taxichauffeur zonder taxibordje op het dak. En de lift was fantastisch, hij was onwijs op het randje, mignonne, mignonne, en had zo’n lak aan mijn Frans dat ik me vrij voelde om te lullen alsof het Nederlands was.

Goed, hij zette me af bij mijn tent. De realiteit is mijn tent, ik zou het bijna vergeten. Ze staat er nog, donkergroen met rood, een beetje flodderig, mijn trotse onderkomen. Ik had haar niet heel strak opgezet omdat ik daar schijnbaar niet toe in staat was; de verkoper verzekerde me dat ze idiot proof was en ik voelde me gedurende het hele opzetten een grote idioot.
Iets weerhoudt me om te tekenen voor een 500 euro huurcontract dat me veroordeelt tot een luxe chalet met jacuzzi, veranda en weet ik veel hoeveel vierkante meter woonruimte. Ik betaal liever de helft voor een geïsoleerd kippenhok en wacht (on)geduldig tot een dergelijk concept me toekomt. Tot die tijd ben ik gelukkig in mijn tent.

Ik rol mijn yogamatje uit en tik naaktslakken van de rand. Ik vind een rol Oreokoekjes en mijn boek, en installeer me voor het enige droge moment van deze dag. En wie, wie oh wie dwaalt over de camping, op zoek naar het perfecte plekje, schaduw en zon, gezelschap maar rust, uitzicht op de Mont Blanc en al haar hoge kameraden, en kiest het plekje naast mij?

Een Johovagetuige.

Een vrouw van 64 met een angstaanjagende levenskracht, grote mond en doordringende waarschuwingen over de gevaren van het alpinisme en het rijden op een fiets met meerdere versnellingen. En natuurlijk, onvermijdelijk, het is een ontzettend lieve schat die zich het lot van een dwalend meisje aantrekt en haar verschillende kookspulletjes geeft om te vermijden dat het meisje de rest van haar campingverblijf droog voedsel eet (want ja, ze is zelf ook jong geweest en toen zij een dergelijke frats uithaalde eindigde het in ziekte en verderf).

Wat blijkt, de dame van de camping is ook Johova’s Getuige, en sindsdien verdenk ik het gros van mijn buren ervan Johova’s Getuigen te zijn. Dus als ik ’s avonds naar mijn verdorven bar ga, make-up ik mij stiekem in mijn tent in plaats van achter de spiegels van het washok en als op een dag de zon gaat schijnen, weet ik niet of ik mijn bikini tevoorschijn haal. Ik heb geen idee wat precies de heersende ethiek op de camping is maar vanaf deze dinsdagmiddag zal ik me gedragen.

Soms heb ik het vage gevoel dat men erop uit is mijn nieuwe leven hilarisch te maken. Ik lach wel, ik lach altijd wel, maar andere keren denk ik; verdorie, geef me een kamer, een handjevol klimmaatjes en een laat me in vredesnaam die bergen beklimmen waar ik de godganse dag naar staar.
Een gebedje zal wel helpen.

Talenfuck-up

Ik ben een schrijfster. Woorden bepalen mijn manifestatie. Zonder dat taaltje van me ben ik slechts een schim van mezelf.

Ik dacht in Nederland: Mwah, dat Frans, dat leer ik snel genoeg als ik er ben. Tsjah.

Werkgevers zijn weinig happig op het aannemen van gestotter en pardon, je ne comprends pas. Ik neem het ze niet kwalijk, ik heb zelf al geen geduld om naar mijn eigen frans te luisteren. Dat ze bij het café bereid zijn geweest om me aan te nemen kwam door een moment van verbluffende vaardigheid tijdens een klein testgesprek met de manager op mijn sollicitatieronde. Nu versta ik geen woord meer van het snelle geratel tussen collega’s. Ik ben nieuw, ik kan niet meepraten en ik kan mezelf als nieuw-zijnde niet positioneren zoals ik dat gewend ben. Dat is verdomde lastig.

Ik moet geduldig zijn, accepteren en rustig blijven, mezelf vergeven wanneer het fout, en fout, en fout gaat. Want dat is de realiteit. Falen in horen, falen in spreken en falen in sociale situaties omdat je simpelweg niet elke drie zinnen kan vragen wat er is gezegd en dus reageert op het verkeerde moment of de verkeerde wijze.

De praktijk van het leren van een nieuwe taal blijkt simpelweg vermoeiend. Ik heb me dat niet voldoende gerealiseerd, al had het weinig veranderd. Mensen bleven aanvankelijk maar vragen: Spreek je Frans, spreek je Frans, en ik dacht: Maakt het uit? Ik ga het leren, toch?

Ik vraag me af of de hoge dosis Engels in dit nieuwe leven mijn redding of mijn doem betekent. Het is enerzijds comfortabel dat ik erop kan terugvallen, maar anderzijds slechts uitstel van executie. Elke keer dat ik van Frans op Engels overga verlies ik een leermoment, dat ik nodig heb tijdens de penibele conversaties met de alleen-maar-Franse Fransoos.

Tegelijkertijd voelt het vaak genoeg alsof ik twee nieuwe talen leer. Britten spreken geen Engels, ze spreken Brits. Ik niet. Daarbij, er bestaat een groot gat in mijn Engelse woordenschat waarvan ik nooit op de hoogte was. Ik heb in het Engels heel veel minder mogelijkheden om me uit te drukken dan in het Nederlands, en eerlijk, het voelt alsof een heel deel van mijn persoonlijkheid wegvalt.

Wie ben je, in handen- en voetentaal?

Er is meer.

Woorden zijn zoveel meer dan conventies. Ik was me daar op een vaag theoretisch niveau wel van bewust, waarschijnlijk door Antropologie of Filosofie, maar de praktijk van een talenfuck-up levert me bijzondere ervaringen. De fundamenten van mijn brein rommelen. Mijn intuïtie schommelt. De structuren van Nederlands, Frans en Engels zijn zo door elkaar gaan lopen dat mijn taalgevoel soms niet meer in staat is het juiste concept aan een indruk te koppelen en het gewoon opgeeft. Soms voelt het alsof ik de structuur van taal in het algeheel, van het benoemen, betekenis geven, afbakenen enzovoort, alsof ik die in het geheel aan het loslaten ben. Alles wat dan nog resteert is de indruk zelf, vliegend in het niets van mijn ervaring.

Voor mijn denken en schrijven is het interessant. Voor het dagelijks leven is het een uitdaging en voor mijn toekomst is het een grote investering. Ik zal het leren. Ik weet niet wanneer, maar ik zal het leren.

De koeien van Savoie

– zaterdag 13 juni

Het is stil in huis. Tim heeft zijn reis door Europa hervat en de boerin slaapt.

Een week geleden belde een boer uit een hogerop gelegen dorp met de mededeling dat hij en zijn 62 koeien hulp nodig hebben, omdat de voormalige melkster de laatste dagen van haar doodzieke moeder bijwoont.
Sindsdien werkt de boerin van drie tot zes ’s nachts en ’s middags.

De lokale bevolking van Savoie, zij die hier altijd zijn geweest, zijn niet ver van primitief of bekrompen. Als ik de boerin mag geloven.

De boeren komen zelden of nooit uit hun bergketen. Ze zijn het minst functionerende jongetje van de familie, zij die niet kozen voor de opleiding, de stad. Ze zien vrouwen als niet anders dan koeien en de wijze waarop ze de liefde bedrijven harmonieert met die visie.
De bazen zijn volslagen geldbelust en onaangenaam naar hun werknemers.
Men is rechts, extreemrechts, anders is eng.
De vrouwen zijn jaloers en wantrouwend.
Er worden lijstjes bijgehouden met een opsommingen van alle incidenten (verkeerde opmerkingen, per ongeluk gebroken tuinhekjes, leugens…) van buren, collega’s, zelfs vrienden.

Nu, mijn boerin is niet erg van het nuanceren dus er zullen voldoende boeren, bazen of vrouwen rondlopen die weinig stroken met deze omschrijving. Maar ik maak me wel zorgen om de nieuwe wending binnen het leven van de boerin, zo tussen de mensen van Savoie, hoe zij ook moge wezen.
De boer met de 62 koeien kan niet lezen of schrijven en schreeuwt als primair communicatiemiddel. Hij is 42, zonder vrouw en dus zonder seks. De werkdagen zijn te overleven naar gelang de schommelingen in zijn gemoedstoestand. Zijn ‘binaire brein’ functioneert alleen binnen het kader wat het gewend is. Mijn boerin krijgt geen werkcontract en haar salaris is nog onbekend.

Ze is moe. De hap van vier uur uit haar nachten kunnen maar half worden gecompenseerd door ochtenddutjes, terwijl ze geen concessies wil doen op haar niet koe-gerelateerde en doorgaans al drukke leven. Maar het past zich aan, zelf, want het kan niet anders. Het krokusveld groeit onkruid en de Wwooffers weten niet meer zo goed wat ze moeten doen, behalve herhalen dat de boerin op tijd naar bed moet, zorgen dat Salut af en toe buiten komt en dagen spenderen op de slackline.

Tim heeft zijn reis vervroegd voortgezet en vanwege mijn baan vertrek ook ik eerder. Maandag komen nieuwe Wwooffers. Dat is goed, dan laat ik de boerin in gezelschap achter.

En toch, de boerin is me dierbaar geworden. Haar leven is een complexe chaos waarin ik drie weken lang verstrikt ben geweest, en nu ik los dreig te komen voelt het slecht haar daarin achter te laten.
Maar goed, het is haar zijnswijze, haar geluk, haar keuze voor de typische Savoiaan hogerop in het dal. De 62 koeien. Ik heb een eigen chaos om op te lossen.
Op naar Chamonix.

Tussenstand

Ik heb een baan.

Het hotel schuin tegenover het station van Chamonix wordt gerund door Zweden. De baas is Zweeds, de chef-kok is Zweeds, de receptioniste is Zweeds, en ze zijn allemaal blond. De manager van de bar is Iers. Ze hebben een probleem. Normaal gesproken komt er elke zomer een lichting verse Zweden overvliegen om de drukte van het hoogseizoen op te vangen. Recent is gebleken dat de Zweden er niet meer zo’n trek hebben. Opeens zijn de eigenaren gedwongen om een stelletje locals aan te nemen. Lisa uit Groot-Brittannië. Nela uit Groot-Brittannië. Ruby uit Amsterdam.

Ik heb een proefdag gelopen en ze hebben me aangenomen. Om vier stond ik voor de deur en pas om zes uur was de manager klaar met zijn andere afspraken. Om zeven uur verliet hij de bar en om acht uur kwam hij terug om met mij het diner te draaien. Ze zijn grappig. Spontaan. Ongeforceerd relaxed. Vooruit, ik moet wennen aan de nieuwe horeca conventies. Wennen aan het feit dat je samen met de baas filmpjes van helikopters kijkt terwijl een groep van 28 man voor je neus aan het dessert begint. Alles wat ik heb geleerd bij mijn vorige baan, leer ik nu af. Alles wat niet mocht, mag nu wel. Ik voel me stijf, conventioneel en mierenneukerig. Chaos is het devies.

Collega Lisa heeft me bijgepraat over het leven in Chamonix. Een dorp waar het krioelt van jonge mensen en reputaties snel zijn opgebouwd. Lisa zelf is…een type. Blond haar, klein en springerig, werkt in een nachtclub, doet aan ‘vechten’ of eigenlijk ‘worstelen’ en ik heb het idee dat ze daarbij weinig verhullend gekleed gaat. Ze is naar Chamonix gekomen vanwege een Fransoos en in Chamonix gebleven om hem te irriteren nadat hij bleek te zijn vreemd gegaan.

Na een uur was ik op de hoogte van haar seksleven.

Dankzij haar weet ik dat Franse vrouwen op zoek zijn naar veiligheid terwijl hun vriendjes hen bedriegen (waarvan ze op de hoogte zijn). En dat Franse jongens grappig zijn maar dus hun vriendinnen bedriegen. En dat iedereen elkaar kent en als je dingen uitspookt, je het ofwel heel subtiel moet houden, of zelf het nieuws zo snel mogelijk de wereld in moet brengen.

De 15e begint officieel mijn leven in Chamonix.

Ik heb nog geen kamer, maar ik heb een baan. Drie tot vier dagen per week. Afhankelijk van het loon en mijn huur moet ik op zoek naar iets ernaast.

Het begin is er.