Latest Posts

Paraat

De dagen waarop je gniffelt, nestelt, krioelt in nieuwigheden en vaak denkt: Ja joh, dan doen we ’t zo.

Constant aanpassen. Constant leuk doen. Vloeibaar als wat ben je. Kies mij. Accepteer mij.

Er zit een groot verschil tussen drie weken op vakantie zijn en drie weken vorderen in je emigreren.
Op vakantie ben je een vervelende toerist, de koning, geld. Tijdens emigratie ben je in eerste instantie overbodig. De samenleving draait al zonder jou. Dus je steekt je handen in de lucht en je springt.

Tegelijkertijd manifesteert de samenleving zich anders: als een keuze. De hele tijd als keuze. De ijscoman verkoopt ijs en jij kiest niet alleen het bolletje, maar ook de ijscoman. En de straat waarin zijn winkel staat. En de bergen die de straat omringen.

-Het voelt alsof ik de afgelopen weken naar een film heb gekeken waarover ik verplicht een mening moest vormen. Als een schoolopdracht des levens. Nu wil ik van mijn bioscoopstoel weglopen, in de film kruipen en leven, in plaats van bekijken.

En ik wil niet meer springen.

– Het ligt allemaal gevat in een enkele denkmodus. Weggaan, ontdekken, nieuw zijn; het bestaat in mijn eigen hoofd. Ik zou mezelf niet zijn als ik dat niet heel interessant zou vinden. Ik vorm weer een nieuw onderwerp voor mijn eigen analyses.
Het gaat dus ook goed met me, ondanks dat ik mijn rol als ‘wil mij’ zat ben en de keuze voor Chamonix als gekozen wil afdoen.
Ik heb avonturen beleeft in mijn eigen gedachten.

-Nu is het tijd voor de echte avonturen. Ik ben opgefokt, blij, energetisch. Ik wil de bergen op en af, mijn relatie met ze onderzoeken nu ze immer zo dichtbij zullen zijn, testen waartoe mijn fysiek in staat is. Mensen leren kennen, dansen met mijn nieuwe omgeving. Mezelf werkelijkheid maken op dertig nieuwe manieren.

Dus, laat maar komen.

Donder in NDBC

Zomaar een Dag

Het Schilderij

Het onweert. Zojuist sprong het ligt uit. Het internet ligt eraf. Flits, flits, flits. De regen tikt zachtjes, voor hoe serieus het gedonder klinkt. Salut loopt met zijn staart tussen zijn benen door de kamers, op zoek naar een plek waar hij niet geraakt zal worden. Ik zoek vast mijn koplamp, voor als de avond straks valt.
De boerin is nog weg. Tim werkt boven aan de site van het plantenbedrijf, of zal op het balkon rondhangen en kijken naar het weerspektakel. Ik ga op mijn bed liggen en klap mijn laptop open.

De wekker ging om kwart voor vijf vanmorgen. Ik werd uit een droom getrokken en strompelde in onduidelijke stemming naar de douche. Het zweet eraf van het fietsen van gisteren. Ik wilde er niet uit, ik wil er nooit uit, maar ik hoorde het gerommel van Tim of de boerin door de houten muren. Het was tijd.
Tim zette koffie. Salut trippelde om ons heen terwijl wij de kastjes uitkamden op eten. Melk op, kwark op. Ik herinnerde me dat ik gisteravond een stokbrood uit de vriezer had getrokken. De Calvé Pindakaas definitief op, dag Nederland.
Een paar minuten voor half zes kwam de boerin in een lange, wijduitlopende rok en opgestoken haren uit haar kamer. Ze moest alleen nog even haar tanden poetsen. Twingtig minuten later zaten we in de auto.
Naast me lagen twee manden met wilde planten. Ik voelde mijn ogen prikken, slaap in heel mijn lichaam, maar achterin bij de boerin lijkt doezelen alsof je op een rodeopaard probeert te ontspannen. Af en toe stopte ze abrupt om een extra bosje wild te wieden.

Dit was een grote ochtend. We hadden om zes uur afgesproken met de chef-kok van een chique restaurant in Ugine, die de boerin om hulp had gevraagd bij een les in wilde planten aan de peuters van een crèche in het dorp. Tim en ik hebben ons gedurende de vele voorbereidingen afgevraagd wat precies het cognitief vermogen is van een twee jaar oud kind, en met name deze vroege morgen schoot de vraag met regelmaat door ons hoofd.
CheffieTwee uur lang verdwenen de boerin en de kok in de keuken, terwijl Tim en ik onze tijd op het terras doodden. We zijn er inmiddels goed in. Onze dagen op de boerderij tonen grote gaten waarin de boerin met deze of gene in gesprek is of ‘even’ iets gaat halen. ‘Even’ bestaat niet, vijf minuten van ruim een half uur wel.
Dus daar stonden we, tussen de keurig gekapte bosjes en bijgehouden bloemenveldjes, roze parasols en tafels die glas voor glas werden ingedekt door twee karikaturaal Franse dames. Ik zat en lag, deed oefeningen, yoga, mijn enkel, keek naar de blauwe lucht, voelde mijn slaap, deed niets. Tim ook.

Met twee gebakken cakes van beslag en plantjes en de resterende bossen wild kwamen we de crèche binnen. Overal waggelden baby’s met grote ogen. In de ruimte waar we onze plantenles zouden geven stonden vier kleine tafels met vier kleine krukjes waarop zestien kleine kinderen zaten te puzzelen. Zoek het vakje waarin de hond past, en het huisje, en het meisje.
Met de KindjesHet was het idee dat de kinderen vertrouwd zouden raken met het idee van eetbare planten. De chef-kok vroeg hen of ze planten kenden (jaa, een roos) en liet de wilde planten doorgeven. Frottez, frottez, et sens la main.
Deze kinderen waren nog niet geland op aarde, ze leefden op hun eigen parallelle aardbodems en keken soms verlegen naar de onze. Kleine, schattige dieren waren het, die geen enkele boodschap hadden aan eetbare planten en de smaak van de cakes vergaten zodra ze de deur uit waggelden om de plastic grasmaaier door de speeltuin te duwen.
De chef-kok was blij, de boerin was blij, de begeleidsters waren blij en Tim en ik wachtte buiten in de zon opdat de boerin eindelijk klaar was met praten over van alles en nog wat.

Salut SchildertVanmiddag moest de boerin wax kopen in Geneve en kreeg ik een opdracht voor thuis. Eerst moest ik de blaadjes van de frambozenplant plukken en te drogen leggen in de zon. Rond het huisje vond ik tig frambozenplanten, en Salut in de schaduw, gevlucht voor de hitte.
Daarna wachtte me een leuke klus: De boerin had een pallet ergens rechtop in de tuin staan, als een soort schot waarachter Salut niet mocht komen, en wilde die geverfd hebben. Ik haalde een krat met potten en spuitbussen verf naar beneden en deed maar wat. Achter me graasden koeien. Naast me was Salut komen liggen.
Verven met Koeien
En toen gebeurde er iets bijzonders. In een naastgelegen dal sloeg het weer om. Het was bloedheet, de lucht blauw, de zon verblindde me, en ik hoorde donder na donder weergalmen door de vallei. Een reus was opgestaan om met zijn blokken te spelen.
Pas een uur later waaide wind door mijn pallet, betrok onze eigen lucht en vielen druppels op Salut. Ik maakte mijn schilderij af onder het balkon. Twee centimeter naast me was het noodweer.

Het pallet ligt in de schuur. De storm gaat tekeer. Ik ben nog steeds moe, het vroege opstaan voor de kinderen van Ugine heeft zich niet vertaald in productiviteit. De boerin is over een uur terug uit Geneve, om ons op te pikken van huis en mee te nemen naar een documentaire over wereldproblematiek.
Mijn dagen zijn interessant.

Plantjes Plukken

Notre Dame de Bellecombe is een stil dorp. Het kerkje staat aan het begin van de straat, grote, lege appartementen aan het einde. Pubs, een bakker, een kapper en een souvenirwinkeltje volgen elkaar hellingopwaarts. De omgeving ziet groen van pistes. Als poten van een spin kruipen grijze skiliften vanuit het dorp de hoogte in.

Paard1000 meter na de kerk, op een bergflank net om de hoek, in de nederzetting van Cheloup, daar vind je de boerderij. Later hoor ik van de boerin dat haar grootouders hier als eerste hun huisje bouwden. Inmiddels staan er een stuk of twintig chalets, allemaal nieuw, met keurige gazonnetjes, gekamde honden en loslopende modelkindertjes. En al die verse gezinnetjes hebben zich aangesloten op de enkele elektriciteitskabel van haar grootouders, waardoor het medium in de war is en de boerin elke twee weken haar lampen moet vervangen.

Een bron van conflict.

Wij zijn ‘de anderen’. Daar waar het gras ver boven de enkels groeit en een hond zichzelf een ongeluk blaft, daar waar je wakker wordt door het basgeluid van de didgeridoo en het plukken van plantjes in levensonderhoud voorziet, daar waar een wit autootje elke dag een levensgevaarlijke koers over smalle weggetjes inzet en ik God dankbaar ben voor het ogenschijnlijke functioneren van de gordel, daar spendeer ik mijn eerste officiële dagen in Frankrijk.

Het is mooi hier. De skiliften en hellingen richten schade aan, maar de gestalten van hun bergen zijn nog altijd imposant genoeg om het landschap te bepalen. Het zijn er simpelweg te veel. Ze zijn te hoog. Elke ochtend komt de zon op boven een massief, elke avond gaat de zon onder achter een massief.

In Het GrasIk spreek zoveel mogelijk Frans, maar het valt me zwaar. ’s Morgens hoop ik steeds weer dat ik ’t zal verstaan of dat de Fransen zijn gaan articuleren. De boerin en mijn medeWWOOFer uit Colorado spreken vloeiend Engels, en ik in principe ook, tot ik moe raak en mijn strot geen Engels of Frans meer kan onderscheiden. Nederlands is mijn lievelings. Mijn taal is me dierbaar.

We eten warm eten. Drie keer per dag, als ontbijt, lunch en avondeten. Dat is een hoop koken, een hoop nadenken over combinaties. Kaas, worst, wijn. Ik kom uit Nederland en ben een brood met hagelslagbarbaar. Ik eet het liefst om de twee uur, yoghurt, fruit, chocolade of toast, het interesseert me niet zoveel. Ik hou van de act van eten, maar eten zelf is niet mijn ding.

De boerin weet alles over planten. Ze kent ze allemaal. Ze weet ook alles over bomen en de bergen in haar omgeving. Ze kent de processen van de natuur, de cyclus, het spel, en het is fantastisch. Voor eeuwig zal ik anders door de bergen lopen.

Het huisjeDe eindeloze reeks aan voorvallen of wetten die hier anders gelden, ik kan zo veel meer schrijven, maar ik houd het even bij het volgende. In feite zijn er twee bestaanswijze gaande: Het conservatieve Franse bergdorpleven dat vooral uit de verf komt in de (soms hatelijke, soms kritische, soms spottende) verhalen van de boerin, en het totaal losgerukte, grillige, volledig chaotische en conflict zoekende leven van de boerin zelf, verborgen achter saffraan krokussen, klavertjes vier en lieve bedoelingen.
Om zeven uur haal ik melk van de koeien van de buren. Voor twaalven heb ik drie keer over grotten, ruzies en seks gesproken. Rond vier uur leen ik het paard van een bevriende boer om hem rond het huis te laten grazen en schraap ik duizend bloemetjes van hun steeltjes. Om acht uur zijn we verdwaald of te laat. Na twaalven zit ik met tabak en drank rond de tafel in de eetkamer.

En altijd pluk ik plantjes.

4810 Verdwenen Meters

Een week lang struinde ik door de straten van Chamonix. Op zoek naar indrukken en gezichten, kijken of het beroemde oord mijn habitat zou kunnen vormen. Een regenachtige middag tussen twee alpinetochten is in principe genoeg om vertrouwd te raken met de winkelstraat, het gidsenbureau, McDonald’s Wifi. Het is een klein stadje.
En toch, woont ergens maar één ziel, zelfs dan kan een plek vreemd en onontdekt aanvoelen. 9000 duizend zielen en een hele hoop toeristen, ik zeg je, Chamonix is een oneindig groot continent voor mij. Ik snap nog niet hoe dag en nacht zijn opgebouwd, de glans in de ogen van een Chamonees zegt me weinig.
Misschien heb ik onderschat hoezeer een stad waarin je gaat wonen uitgroeit tot een mysterieuze en opdringerige aanwezigheid. Complex als een mens, ontvankelijk naar gelang je eigen inzet en aanpassingsvermogen.
Aan de andere kant, misschien overschat ik nu, na deze eerste week, het belang van Chamonix als stadseenheid. Het is een locatie, een verzameling mensen, een historie of een specifiek pakket aan mogelijkheden. Maar voor mij zal het slechts mijn vrienden, mijn woonadres, mijn supermarkt en mijn kleine geschiedenis worden. Mocht dat allemaal lukken.

De manier waarop Chamonix zich manifesteerde heeft in elk geval de hoogste bergen van Europa naar de achtergrond verdrongen. En dat is amusant, want zij zijn alles waar ik de afgelopen vier jaar over gedroomd heb. Ze zijn “de reden”.
In Amsterdam begon dat al.
Begin april bleef ik maar wachten tot de realiteit van weggaan zich aandiende. Het voelde alsof de beslissing tot emigreren moeite had om het heden bij te benen en zich liever schaarde bij een verlangen in het verleden. Maar vanaf het moment dat ik bewust gezichten ‘voor het laatst’ zag, leek het weggaan zich in elk facetje leven te nestelen. De laatste dagen in Amsterdam waren mooi en heftig. En ik begreep het niet helemaal. Want de bergen hielden zich stil, ze waren ver en ongrijpbaar, en ik liep maar afscheid te nemen van iedereen, van mijn vrienden, mijn ouders. De reden was weggevlucht. Het loeder, alsof je ‘ja’ zegt op een huwelijksaanzoek en zodra je familie op de hoogte is, de vent er als een scheet vandoor gaat.

Het is mei.
Het is tijd dat ik op zoek ga naar de bergen.
Ik heb afscheid genomen van Amsterdam, ik heb kennis gemaakt met Chamonix. Nu de mentale hectiek langzamerhand wegebt vind ik tijd om weer om me heen te kijken. Nog een kamer en een baan, en dan zal ik die malle bergen terugvinden en hoog op hun oude troon zetten. Met hun kop 4810 meter in de lucht.

Via Wie

De Snel Sports in Chamonix verkoopt een grote, overzichtelijke collectie aan outdoorspullen. Op de schoenenafdeling werkt een klein enthousiast Frans mannetje die zijn taak serieus neemt. Hij wacht rustig op je uiteindelijke keuze, aanschouwt je twijfelingen met ernst en vertelt ondertussen dat hij zelf het liefst bij de Aiguilles Rouges klimt.

Achter de balie schuifelt een jonge Spanjaard van kassa naar gadgetwand. Hij zit verlegen om communicatie; zeg je één woord, dan heb je een half uur conversatie. Hij is ook nieuw in Chamonix.

Als je lift tussen Albertville en Chamonix, dan kan er zomaar een autootje met een bloedmooi meisje stoppen dat als bouwvakker werkt. Ze heeft allemaal linkse ideeën en poneert ze zonder er rekening mee te houden dat jij misschien niet zo goed Frans spreekt. In elk geval, ze kent mensen bij een uitzendbureau in Salanges.

Op de hoek van de rotonde in de buurt bij de Mediatheek ligt het restaurant MBC. Een bar strekt zich uit langs de rand van een grote houten ruimte, waar de stoelen en tafels versleten zijn en de serveersters ongedwongen en flirtend drankjes opnemen. Eén van de serveersters bezit een paar ogen dat haar gehele gezicht beslaat. Ze skiet voor het Italiaanse team, heeft een puppy (doodsbang voor vreemden) en rijdt een oude bus met zakken vol hondenbrokken. Haar vriendje is Fransoos, ze zijn hier net komen wonen en daarom is ze mega ontvankelijk voor nieuwe contacten. Drie verschillende werkgevers wachten op haar reactie, waaronder MBC.
Je mag haar restanten hebben.
Maar hoort daarna niets meer van haar.

Aan de Rue Joseph Vallot werkt een barman die het advies geeft eens te kijken bij het hotel naast het station, terwijl zijn eigen bar fantastisch is en je daar misschien wel het liefst zou willen werken.

Via Chamshare, een sociaal initiatief op internet, leg je contact met een klimmer uit Australië die binnen twee zomermaanden heel Haut Savoie uit wil spelen. Je vindt hotels die zoeken naar viertalige Britten, wasmachines die een ander set wasgoed wensen en een groot segment aan baanzoekers en zwartwerkers.

Mocht je naar Chamonix willen verhuizen en op zoek zijn naar een kamer en een baan, zet dan hierop in.

Jägerbomb

Hi, I’m Ruby, I’m working here tonight?

Een meisje met lang bruin haar en vriendelijke ogen knikt bevestigd. Ze begeleidt me naar een ruimte waar ik mijn jas kwijt kan, een opslag ontoegankelijk voor gasten. Kennismaking met dat soort plekken is tot nu toe immer een voorbode geweest van een eerste werkdag in de horeca. Terwijl ik mijn jas op een krat leg denk ik: Nu is het gedaan. Nu kan ik niet meer terug. Vanavond werk ik bij Monkey.

We lopen terug naar de bar. Ik zie Regien, Fieke en Dorien plaatsnemen op een klein balkonnetje linksboven het café met uitzicht op de bar, en laat ze verdwijnen uit mijn bewustzijn. Op lange borden hoog in de wand staan rijen cocktails en shotjes. Zal ik het meisje meteen maar zeggen dat ik geen idee heb wat er in een Long Island gaat? Dat ik alleen drink als speciaalbiertjes het aanbod vormen? En helemaal niet drink als ik ‘in training’ ben en naar Chamonix ben gekomen om te alpineren?

Ik houd nog even mijn mond en laat het meisje praten. In razend tempo loopt ze langs alles wat zij denkt dat ik moet weten, waarvan we beide weten dat ik de helft direct zal vergeten. Fris ligt in blikjes onder de bar, de ‘frisleidingen’ zijn kapot. Drank staat in koelingen onder de kassa, de handvaten van de deuren zijn kapot. Verdeling van taken is er niet. Over de bar verspreid liggen attributen zonder zichtbaar toegewezen plek. Net als Iphones. Communicatie tussen personeel en gasten verloopt via losse, luide opmerkingen. De koffiehoek is niet zozeer ingericht als wel gevuld met spullen. Er is niet echt een systeem, vertelt ze me. Nee, denk ik, hier heerst totale anarchie. Ze geeft me een rondleiding op een Ipad met een fancy kassasysteem en ik verbaas me om het kleine eilandje van hightech binnen de natuurlijke loop van alle andere bareenheden.

Ze laat me achter met de Ipad en de opmerking ‘you can just play with it a bit and find out how it works’. Zij en een collega, een jongen met een dun gezicht, blonde haren en een pet, werken om me heen terwijl ik geen idee heb (what the fack) ik moet doen en uit armoede maar door het systeem op de Ipad blijf scrollen.

Eerste dagen in de horeca zijn een ramp.

Ik leer de kok kennen: Een Brit met een klein krullerig blond staartje die zijn naam zo Brits uitspreekt dat ik geen idee heb hoe hij heet. Aan de bar zitten een aantal (stam) gasten of collega’s. Ik begin een gesprek met ze en vraag of ze hier werken, en eerst zeggen ze allemaal van wel, maar later blijkt van niet. En dus heb ik geen idee wie ze zijn, behalve misschien dat het Britten zijn en ik weinig méér oppik dan facking en fucking. Ik maak kennis met de Manager als een grote Franse brombeer in het midden van de bar met bruine ogen, een sympathieke uitstraling en een luidruchtig gedragspatroon.
In en uit lopen jongens met petjes, sommige komen achter de bar en gaan weg met drank in hun hand. Ik forceer opnieuw conversaties, met (de enige twee) Fransen in de hoek, de (enige) alpinist, de kok, het collegameisje. Ik vind uit dat de laatste het zusje is van de baas en noem haar Zusje. Ze heeft iets liefs. Zolang ze niet mans doet naar haar gasten of vrienden of wat het ook moge wezen.

Iedereen kent elkaar en ik heb geen idee meer waar ik kan inspringen. Dus keer ik terug naar de Ipad.

Zusje is klaar met werken en gaat een rondje hardlopen. Godzijdank, iemand doet iets waaraan ik me kan relateren. In haar plaats komt een stelletje: Een blond tomboymeisje met (welja) een petje en een neuspiercing, en een wat langere jongen met blauwe ogen (ik hou op met ‘met een petje’ zeggen, dat lijkt me een gegeven) en de uitstraling van een schooljongen. De vijand, zo blijkt later. Vriendje en Vriendinnetje de Vijand.
Ik begin ondertussen mijn eerste bestellingen aan te nemen. Het kost me drie gasten om door te krijgen wat een Paint, Pwaint, Peent is (een pint). De glazen doen me denken aan aquariums.
No Foam, they’re gonna scream at you if give it like that. They pay for beer.
Daar sta ik met mijn Heineken tapcursus. Het is niet druk, en tussen de bestellingen door vormt zich eindeloze tijd. Schoonmaken is niet echt iets wat je doet hier. Vanaf het moment dat ik met iedereen aan de bar een willekeurig gesprek heb gevoerd, zijn al mijn handelingsopties op.
Gelukkig is daar de Ipad. En de Manager.

De Manager vraagt om drie shotjes Jäger en één waarvan ik steeds de naam vergeet. Ik kluns met het shotjesgieten, maar krijg uiteindelijk vier kleine glaasjes met bruine substantie in een rijtje op de bar. Hij geeft elk van zijn vrienden één en schuift de vierde richting mij. Ik kijk ernaar.
You want me to drink it?
Het is zes uur. Misschien half zeven. De laatste keer dat ik een shotje heb genomen kan ik me niet meer herinneren. Misschien een avond op het corps, vier jaar terug. Bij Monk (laatste werkgever) dronken we na elven een glaasje rode wijn. 33 cl La Chouffe maakt me licht als een veertje.
Ik zet het glaasje aan mijn lippen en gooi het achterover.

Het Vriendje schreeuwt: ‘Who want’s beer?’ Drie handen schieten omhoog.

Later staat hij naast me en zegt:
Ruby, my head hurts so much it’s not good.
Ik glimlach en blijk zo ver van mijn natuurlijke reactievermogen afgedreven dat ik geen idee heb hoe ik moet antwoorden. Even later komt hij weer:
Ruby, I got so wasted last night.
De muur is wit, een vrouw heeft borsten, de muis piept, het interesseert me niet. Ik verbaas me wel over het feit dat hij mijn naam noemt. Hij richt zich in al zijn hoedanigheid tot mij en het voelt alsof hij een stelling poneert waarop ik juist acht te reageren. Hij test me.
Ohh, Ruby, my head it’s like, it hurts so much.
Nu, achteraf, weet ik dat ik had moeten zeggen ‘I don’t give a fucking damn’. Dat kwam net even niet in me op.

Ze spreken Engels in zulk jargon dat ik twijfel of ik ooit dezelfde taal heb geleerd.

Ik besluit even adem te halen bij mijn Nederlandse maatjes op het balkon. Ze blijken iets te willen eten, dus loop ik terug naar beneden om te vragen naar Monkeys eetprocedure.
The menus are there. You take the plate with the specials with you and show it to them.
Vriendje wijst naar een log bord van één bij één midden in het café. Ik denk dat hij een grapje maakt, maar twijfel. Ik loop erheen, pak het bord en voel me gigantisch in de zeik genomen. Maar nog steeds, ik twijfel. Dus ik zeul het de trap op en presenteer het aan een lege tafel. Ze staan buiten, zie ik door het raam. Ik zeul het weer naar beneden, zet het terug tegen de wand en loop naar buiten.
– Ok, ik weet niet of ik verneukt word of niet, maar er is een heel zwaar bord met de specials die ik mee zou moeten nemen naar de tafels wanneer ze bestellen en dat ga ik bij jullie dus niet doen. Als jullie specials willen, moeten jullie maar even binnen kijken.
Even later komen de drie naar binnen en zie ik ze gebukt voor het bord staan. Vriendje komt naar me toe.
So that’s the reason why you take the plate to them.
Anders loopt iedereen zich op drukke dagen voor dat bord te scharen.
Shit.
Later vraag ik me af of ze te lui of te dom zijn om de specials uit hun hoofd te leren. Nu voel ik me achterlijk.

Even later bots ik tegen Vriendje op waardoor zijn koffie over zijn broek vliegt.

Ik sterf af en toe een beetje, maar tegelijkertijd begeef ik me in de meest amusante omgeving sinds tijden. Ik geloof niet wat ik zie. Dit is een nieuwe wereld en ik ben op avontuur. De collega’s zijn knettergek, luidruchtig, bot en lachwekkend. Sympathie tussen gasten en collega’s is voelbaar. De plek heeft iets warms.
De Manager begint een baken te worden, daar zo midden aan de bar. Hij vind het wel grappig dat ik niets weet en brengt me stillaan thuis in de wereld van Monkey en de alcohol, terwijl hij op zijn beurt keer op keer mijn redding betekend als er niets te doen is. Hij blijft praten en om shotjes vragen, en ik blijf ze inschenken en meedrinken. Als ik vraag naar de betekenis van B52 wordt ‘ie gemaakt en gedronken. Jägerbomb na Jägerbomb. Ik merk dat het Engels nog moeilijker te volgen wordt en mijn concentratie en wil om vat te krijgen op Monker wegebt.
I cannot drink anymore. I wont function. I really wont, I need to stop.
Ik begin shotjes af te slaan en keer weer terug naar de Ipad.
Stop being obsessed with the facking thing!! No, no, noo, stop that!! Come on, stop looking at it the whole fucking time.
Lieve Manager, wat moet ik dan?

Vriendje heeft nog een laatste vraag voor me: Ruby, do you like to party?
Ik voel me betrapt. Wat moet ik zeggen?

Mijn maatjes besluiten ergens anders te gaan eten. Een half uurtje later kruipt Vriendinnetje naar het balkon en bekijkt de gang van zaken vanuit haar hoge toren. Ik heb net weer even niets te doen en loop als een pinguïn achter de bar heen en weer. Dat ik bij Monk geleerd heb scherp te zijn op mijn omgeving leidt ertoe Vriendinnetje te spotten. We kijken elkaar aan, twee seconde lang, zij lacht niet, ik ook niet. Ik kan de situatie niet duiden, dan niet en later niet.

De baas loopt binnen. Hij doet me denken aan een ijskoningin; een statige vrouw met bleke huid en lichte ogen, golvend zilver haar langs haar lange hals, een perfecte jurk van glimmend wit en ijskristallen, een ambigu hart en een immense, stille, onoverbrugbare afstand tussen haar en haar onderdanen. Dat is de baas, alleen dan de mannelijke skate-doerak variant met petje (nooit gedacht dat zo iemand bestond, maar zo is mijn impressie).
Ik heb teveel alcohol binnen om me druk te maken om mijn eventuele presteren in zijn aanwezigheid. Om negen uur mag ik stoppen van Vriendje en Vriendinnetje, godzijdank, omdat het te rustig is of ik uitzonderlijk nutteloos blijk, en schuif aan de bar naast Manager en zijn vrienden. De betere kant van de bar. Opeens blijk ik net zo goed in het praten over bullshit, het zeggen van facking en het maken van losse opmerkingen als de rest. Een uur lang weet ik me te handhaven, ik heb het zelfs naar mijn zin. Dan begint de alcohol me kleine kopjes te geven en raak ik bewust van het feit dat ik bezopen ben in het vizier van mijn potentiele baan. Ik mompel dat tegen Manager en hij zegt:
– You should get drunk. We all get drunk. What we do here. What you’d think!?
Nee. Ik sms Fieke of ze me op wil komen halen. Als ik bericht van haar krijg loop ik heldhaftig naar de baas toe om te vragen naar het eventuele vervolg. Ik vergeet wat hij zegt, behalve dat ik maar moet laten weten of ik wil komen werken. Dan kijken zij wel of ze me willen.

Ik zwaai vluchtig naar Manager, Vriendje, Vriendinnetje, Zusje, de kok, dertig petten, loop in een rechte lijn de deur uit en voel de zegening van frisse lucht.

No facking way, denk ik. No facking way.

Dit is Chamonix

-met Fieke

Maandag 18 mei. Vanaf camping Le Grand Champ is het centrum van Chamonix een kwartiertje fietsen. Bergafwaarts. We rollen vanaf de grote weg door tot in de winkelstraat, waar alle bergsportmerken naast elkaar hun nieuwe collecties tonen en het voelt alsof je het internet binnenstapt. Oh ja, denk ik. Dit is Chamonix.

Het is negen uur ’s ochtends en de brede straat is nagenoeg verlaten. De zon schijnt fel.
Chamonix.
Ik verdenk het dorp ervan dingen voor me achter te houden en kijk bedachtzaam om me heen. Tegelijkertijd voel ik me getest vanaf het eerste gesprekje dat ik voer (dus jij komt hier wonen?).
Ik ken Chamonix al een tijdje, maar niet als een plek waar ik vanuit het Westen binnen kom fietsen om er vervolgens mijn heil te zoeken. Een plek waarvoor je ‘gekozen hebt’ doet zich anders voor bij weerzien.

Ik kan je veel vertellen over het dorp, zoals het piepkleine inwoneraantal en het smogprobleem, maar het liefst zou ik je er middenin willen plaatsen en even laten dwalen. En dan horen wat je ervan vindt.

Ik heb besloten dat het een gek oord is.

Fieke en ik binden onze fietsen om de lantaarnpaal voor een café en drinken koffie met onze neus naar de straat gekeerd. Een groeiend aantal winkeliers en mannen in outdoor kleding snelt langs, druk met zaken. Mannen vooral. Een stel hele hoge bergen schiet boven de huizen uit. Als de winkels een uur later openen, nemen rijke, slenterende Europeanen en drukke Aziaten het straatbeeld over.

‘Jo Fiek, wat vinden we hiervan?’
Typisch, concluderen we. Het toeristenstadje gedraagt zich naar behoren.
We halen onze fietsen los en gaan vrij willekeurig achter het café omhoog. Ik heb die middag een gesprek bij een bar, Monkey, en draag in mijn tas een spijkerbroek, make-up en armbandjes, tussen kaarten en een waterfles weg gepropt. Ik ben geen voorbijganger, niet slechts een wandelaar, en het bewijs zit in mijn tas.

Na wat gestuntel op te steile wegen binden we de fietsen aan een routebord en gaan te voet verder. Het feit dat mijn enkel in de testfase verkeert maakt de wandeling aangenaam. We vergeten de neiging om uit te vinden hoe slecht onze conditie is geworden en stijgen met een keurige hartslag boven Chamonix uit. Halverwege stop ik en trekt Fieke verder. Ik lees een boek, laat mijn benen verbranden en speel een spelletje staren met de Mont Blanc. Beneden zonnen de huizen van Chamonix.

Twee uur later zitten we weer op een terras, dit maal met bier. In die paar honderd hoogtemeter heeft de berg ons weten te verslaan. Fieke lijkt door haar rug te zijn gegaan. Ik snoes weg. Onderuitgezakt staren we naar dezelfde stroom mensen die voorbij trekt, te moe om te oordelen.

Hé zeg, wie zijn jullie allemaal?

In spijkerbroek en mascara loop ik vervolgens met Fieke en een avondzon naar mijn sollicitatie. De bar ligt op de hoek van een plein in het wijkje tegenover het liftstation van Aiguille de Midi. Het doet me goed om een dergelijke routebeschrijving te hebben, eentje waarin Aiguille voorkomt en die me doet denken aan Kirkpatrick. Buiten staan picknicktafels, een stel alpinisten en een absurd aantal jongens met petjes en lage broeken. Het is een burgerbar met een Taco Tuesday en constante aanwas van skateboards. Lijsten met cocktails en shotjes sieren de muren. Ik stap de bar binnen en vraag een medewerker (met petje) naar de baas. Hij wijst naar een lange man, of jongen, in de hoek van het café. Ik laat mijn gedachten zich niet vormen, onderdruk een kleine ‘help, dit is eng’ en kom met een glimlach en uitgestoken hand aanzetten.

Ik verbaas me. Tegenover me zit een gast van hoogstens dertig, met een petje op een gestroomlijnd hoofd, twee hele blauwe ogen en een timide, bijna ongeïnteresseerd humeur. Is dit een baas? Ik moet met mijn kop bij het gesprek blijven. Een glas bier is mijn houdinggever. Zijn engels is snel. We spreken vooral over het proces van aannemen en plannen een proefdag. Het is een groot probleem dat ik geen vloeiend Frans spreek (later leer ik dat je vooral niet in Chamonix moet wezen als je Frans wilt leren en met name, dat die bar een bijna uitstluitend Britse kolonie met bijpassend drinkgedrag onderbrengt). Daarom maak ik alleen kans als het personeel me dermate leuk vind dat ‘t mijn Franse gestuntel compenseert. Tot zover mijn ongedwongen gedrag.

Chamonix?

Ik drink mijn biertje buiten op het terras en herpak mezelf in aanwezigheid van Fieke, Regien en Dorien. De laatste twee komen terug van een tocht en vormen in verhaal en houding een welkom contrast met de omgeving. Chamonix verdwijnt even naar de achtergrond. Een tweede ‘biertje’ blijkt een pint en een pint is veel meer dan ik kan verteren.

Licht beschonken stappen Fiek en ik op de fiets. Chamonix is eenvoudig navigeren; of de ene kant op, of de andere. Kleine wolken drijven voor de bergen langs. De rakkers waar ik het allemaal voor doe, realiseer ik me.
Wat zijn ze ver weg.

Ik Meen Het

Alles waar ik vandaag aan kan denken, zijn mijn misdaden.

Misschien kan ik een beter mens worden in Frankrijk. Of hoort een beetje sociaal falen bij mij en al die andere mensen. Of blijkt in de praktijk dat ik geen zin heb om mijn gedrag aan te passen.

Het maakt ook niet uit, ik zal zijn wie ik ben met misschien wat meer consideratie, maar voor nu voel ik vooral de behoefte om te zeggen: Sorry.

Sorry, voor wie ik soms ben geweest. Voor de keren dat ik afdwaalde in gesprekken, niet reageerde op contactberichten, teveel met mezelf bezig was en anderen dupeerde vanwege mijn slordigheid of laksheid. Sorry voor mijn wantrouwen als vertrouwen meer op zijn plek was, mijn arrogantie en verlegenheid, mijn pretenties en onzekerheid, mijn vooroordelen en de geringe kans die ik sommigen heb gegeven. Sorry voor mijn lompe opmerkingen, recalcitrante houding, eigenwijsheid, naïviteit, het roddelen en het schreeuwen en het aandacht trekken. Sorry voor mijn desinteresse. Sorry voor de schijn die ik heb opgehouden, het ontwijken, de leugentjes en stiekeme vuile manoeuvres. Sorry voor mijn absentie of aanwezigheid als die ongewenst was en voor alles dat ik had moeten doen wat ik niet heb gedaan. Voor alle signalen die ik niet heb opgepikt of verkeerd heb geïnterpreteerd. Sorry voor het niet serieus nemen.

Sorry voor alles dat nu niet in mij opkomt maar wel een excuus verdient.

De kans is groot dat alleen ik me deze misdaden herinner en alleen ik er het nadeel van ervaar. Sorry, Ruby, dat het je niet lukt om wat beter naar anderen te zijn. Dan hadden ze je leuker gevonden.

Maar dat is niet wat ik wil zeggen. Het gaat niet in eerste instantie om mij, maar om de anderen naar wie ik al een dag lang vage spijt voel. Het uiten doet verzachten.

Dus nog een laatste keer.
Sorry voor wie ik soms ben geweest.

Even op vakantie voor altijd

Het wordt langzaamaan werkelijkheid. Ik heb gewacht op alle typische emoties, en nu komen ze zachtjes een voor een naar boven. Héél zachtjes, vermomd, bijna niet te onderscheiden van dagelijkse emoties en dus bijna irrelevant. Maar ik spoor ze op en wakker ze aan.
Anders blijft het voelen alsof ik alleen even op vakantie ga. Een maand of wat naar de bergen. Ik zeg ‘daag ouders’, zwaai naar mijn vrienden en steek mijn duim op naar de eerstvolgende auto op de oprit van de snelweg. Een vriendinnetje van me zei: Je moet rituelen maken, dat is nodig bij dit soort zaken. Organiseer iets. Anders beseft niemand dat je gaat, laat staan jijzelf.

Soms vraag ik me af of het wel zo anders is, die truc die ik nu uitvoer. Dat gaan. De maanden die ik in Frankrijk doorbracht – had ik niet altijd kunnen besluiten om in Frankrijk te blijven? Kan ik nu niet altijd besluiten om terug naar Nederland te gaan? Het verschil ligt slechts in de afspraak met mijzelf om in Frankrijk een leven op te bouwen. Het verschil ligt in mijn vastberadenheid. Dat is eigenlijk niet zo wezelijk.

Ik volg mijn droom, wist je dat? Het klinkt stupide als wat, maar ik geloof dat ‘t is wat ik aan het doen ben. Mijn droom volgen. Maar ik moet het wel actief als zodanig bestempelen want van zichzelf is het weinig dromerig. Het is meer…organisatorisch. Vreemd. Willekeurig. Iets dat ik aanpas in mijn toekomst zonder nu de verandering te kunnen voelen. Ouders die het niet beseffen, vrienden die afscheid nemen terwijl afscheid alleen betekenis krijgt bij gemis, en zo ver zijn we nog niet.

Het dromerige ligt in de uitwerking. Het dromerige is het potentieel. Maar dat is onzeker, is het niet? Ik heb veel geschreven over het ‘hier’ en ‘daar’ zijn, en soms ben ik bang dat de charme van het ‘daar zijn’ afhankelijk is van het ‘hier zijn’. Het gaan en het terugkomen. Nederland is een klimland maar dan stiekem, want hier heb je kleine kolonies bergverslaafden verdwaald tussen molens en koeien. En als de seizoenen eraan komen gaan ze in één grote trek naar de bergen. Ik hou daarvan. Van de voorbereidingen, het gelul in de hallen, gemekker over standaarden en gebieden en ons kent ons, de identificatie met misplaatste hoogteliefhebbers in hun typische outfits. Straks verdwijn ik tussen de gelijksoortigen en kan ik niet meer schelden op de grijze straten van Amsterdam. Het spanningsveld tussen de rust van de bergen en de hectiek van de stinkstad is me dierbaar, ik hoop minder dierbaar dan het wakker worden, de gordijnen opentrekken en al die bergen zien.

Nu komen de dagen van het daadwerkelijk verlaten. Ik ben benieuwd hoe dat me afgaat.

Dorpsgek

Er zat me iets dwars, de afgelopen tijd. Iets waar ik maar niet de vinger op kon leggen. Maar nu weet ik het.

Ik was de dorpsgek.

Je hoorde me van mijlenver aankomen. Tik, tik, tik, als een tapdanser op krukken. En iedereen keek.
Naar mijn krukken en mijn been.
Het ontging me niet, dat ik interessant was. Ik wist ook dat ik niet werkelijk doordrong tot de breinen achter de blikken. Ze dachten misschien ‘een been’, en zelfs dat niet, want in een stad als Amsterdam moet je een boel gekker doen wil je ze bezig houden.

Het had wel iets. Tik, tik, tik is een geluid dat zich onderscheid van druk verkeer en gebabbel. Mijn aandoening was chronisch noch absurd, niets aan de hand, weinig meer dan tik, tik, tik. Een bushok vol mensen die mijn bewegingen volgden, dan pas wilde ik werkelijk vreemd doen. Alsof de hint van aandacht in die lege blikken een zucht naar méér opwekt. Wegrennen, op mijn gipsen poot. Shit, denken ze dan.
Die loopt er zomaar vandoor.

Ik zat veel op mijn balkon. In Amsterdam Oost ben je dan voltijd in een publieke ruimte. Ik maakte kennis met de gezichten en ritmes van al mijn overburen. Zag ze gaan en terugkomen. En zij, ik weet niet of ze mij zagen zitten, maar ik zag mijn gefixeerde positie wel vanuit hun bewegelijkheid. Dan voel je je wel een beetje opgesloten in je toren, wegens wat, wangedrag?

Positie in de maatschappij: Dorpsgek.

Dat is het punt; ik deed niets. Ik kon niets. Ik droeg niet bij aan het hele gebeuren dat buitenwereld heette. Ik was buiten de rivier gezet en zat daar op de oever een beetje te luieren in het zonnetje, terwijl de rest op snelle boten door het leven spetterde. Ik was buiten functie, of eigenlijk in functie: de Dorpsgek. Laat haar daar maar, want zij kan niets.

Even later kon ik mijn toren verlaten en liep ik mank door Amsterdam. Als een schildpad zwalkend met een fles jenever tussen schild en lichaam. Om de zoveel tijd moest ik zitten, zoals mijn oma vroeger op de zeldzame tripjes naar het winkelcentrum van Schalkwijk. Ik wandelde langs de Celebestraat, naar Oostpoort of Javaplein of Science Park, en mensen die ook aan de zijde van de rivier zaten, herkennen me inmiddels.
Die mankepoot.

Ik probeerde zen te worden: Als ik gelukkig kan zijn met niets doen, dan kan ik altijd gelukkig zijn. Op wat energetische uitbarstingen na ging dat me redelijk goed af, ik en mijn boeken, mijn verhalen, fantasie. De buitenwereld deed zich op mijn wandelingen voor als belachelijk gehaast, bijna lachwekkend. Wat vinden jullie allemaal zo belangrijk? – dacht ik vaak. Strompel, strompel.
Maar mijn toestand kwam wel met een aanzienlijk nadeel: Ik kon niet wegrennen als iets of iemand me zou aanvallen. Panisch ben ik niet, verre van, en toch; mijn overlevingsinstinct was niet blij met mijn gehinkel. ‘Je bent een prooidier, Ruby’, zei het me. ‘Ze kunnen je pakken, alle eenogige monsters uit de donkere diepten van Oost, de sissende slangen die het munten op manke meisjes. Daar ga je’.

Inmiddels kan ik korte stukken doen alsof er niets aan de hand is. Gewoon lopen, zoals andere mensen. Het voelt goed. Ik doe weer een beetje mee, zij het met zwembandjes. En ik ben bijna veilig voor de monsters van Oost.