Dorpsgek

Er zat me iets dwars, de afgelopen tijd. Iets waar ik maar niet de vinger op kon leggen. Maar nu weet ik het.

Ik was de dorpsgek.

Je hoorde me van mijlenver aankomen. Tik, tik, tik, als een tapdanser op krukken. En iedereen keek.
Naar mijn krukken en mijn been.
Het ontging me niet, dat ik interessant was. Ik wist ook dat ik niet werkelijk doordrong tot de breinen achter de blikken. Ze dachten misschien ‘een been’, en zelfs dat niet, want in een stad als Amsterdam moet je een boel gekker doen wil je ze bezig houden.

Het had wel iets. Tik, tik, tik is een geluid dat zich onderscheid van druk verkeer en gebabbel. Mijn aandoening was chronisch noch absurd, niets aan de hand, weinig meer dan tik, tik, tik. Een bushok vol mensen die mijn bewegingen volgden, dan pas wilde ik werkelijk vreemd doen. Alsof de hint van aandacht in die lege blikken een zucht naar méér opwekt. Wegrennen, op mijn gipsen poot. Shit, denken ze dan.
Die loopt er zomaar vandoor.

Ik zat veel op mijn balkon. In Amsterdam Oost ben je dan voltijd in een publieke ruimte. Ik maakte kennis met de gezichten en ritmes van al mijn overburen. Zag ze gaan en terugkomen. En zij, ik weet niet of ze mij zagen zitten, maar ik zag mijn gefixeerde positie wel vanuit hun bewegelijkheid. Dan voel je je wel een beetje opgesloten in je toren, wegens wat, wangedrag?

Positie in de maatschappij: Dorpsgek.

Dat is het punt; ik deed niets. Ik kon niets. Ik droeg niet bij aan het hele gebeuren dat buitenwereld heette. Ik was buiten de rivier gezet en zat daar op de oever een beetje te luieren in het zonnetje, terwijl de rest op snelle boten door het leven spetterde. Ik was buiten functie, of eigenlijk in functie: de Dorpsgek. Laat haar daar maar, want zij kan niets.

Even later kon ik mijn toren verlaten en liep ik mank door Amsterdam. Als een schildpad zwalkend met een fles jenever tussen schild en lichaam. Om de zoveel tijd moest ik zitten, zoals mijn oma vroeger op de zeldzame tripjes naar het winkelcentrum van Schalkwijk. Ik wandelde langs de Celebestraat, naar Oostpoort of Javaplein of Science Park, en mensen die ook aan de zijde van de rivier zaten, herkennen me inmiddels.
Die mankepoot.

Ik probeerde zen te worden: Als ik gelukkig kan zijn met niets doen, dan kan ik altijd gelukkig zijn. Op wat energetische uitbarstingen na ging dat me redelijk goed af, ik en mijn boeken, mijn verhalen, fantasie. De buitenwereld deed zich op mijn wandelingen voor als belachelijk gehaast, bijna lachwekkend. Wat vinden jullie allemaal zo belangrijk? – dacht ik vaak. Strompel, strompel.
Maar mijn toestand kwam wel met een aanzienlijk nadeel: Ik kon niet wegrennen als iets of iemand me zou aanvallen. Panisch ben ik niet, verre van, en toch; mijn overlevingsinstinct was niet blij met mijn gehinkel. ‘Je bent een prooidier, Ruby’, zei het me. ‘Ze kunnen je pakken, alle eenogige monsters uit de donkere diepten van Oost, de sissende slangen die het munten op manke meisjes. Daar ga je’.

Inmiddels kan ik korte stukken doen alsof er niets aan de hand is. Gewoon lopen, zoals andere mensen. Het voelt goed. Ik doe weer een beetje mee, zij het met zwembandjes. En ik ben bijna veilig voor de monsters van Oost.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s