Tromgeroffel

Ik sta bij het busstation en de wind trekt aan mijn haren en kleren, de rafels van mijn broek, mijn schoenveters. We eindigen bijna twee haltes verder zonder in de bus te stappen. Het is bitterkoud. Ondanks de zaterdag, de dag waarop mensen komen en gaan en de pistes relatief verlaten zijn, is het druk op straat. Mijn bus laat lang op zich wachten en ik spring en loop heen en weer om warm te blijven.
Een groep bezopen toeristen komt het café uit. Ik laat ze passeren, volg ze met mijn ogen en zie een meisje inzakken. Languit op de stoep totdat mijn bus komt, omringt door iedereen behalve zij met wie ze was, want die plassen tegen de schutting of leunen tegen de lantaarnpaal.

De bussen van de vallei komen te laat als het veel gesneeuwd heeft of er reden is om massaal van de piste af te komen – de sluittijd van het liftstation.
Grote groepen dronken toeristen zijn het dit keer.
Ik stap in en manoeuvreer me tussen de Engelse skiërs en anekdotes. Ver na de bushalte stopt de chauffeur om iemand eruit te gooien, die zodra hij op vaste grond staat alle alcoholische ellende op kotst. Tot euforie van de rest.

Het is half twaalf ’s avonds. De bus rijdt weg van haar laatste halte en ik begin de wandeling van Argentière naar Le Tour. Tussen bomen en huizen, het pikkendonker, de wind in vlagen langs me heen als kleine hapgrage monsters. De bergen zijn zichtbaar door het wit van de sneeuw dat nog net door de nacht verschijnt. Sterren.
De stijging van de weg houdt me warm.
Halverwege heb ik het normale leven achtergelaten en wandel ik door mijn eigen gedachten. Ik ben ook een beetje dronken. Niet als de Engelsen, niet als mijn collega’s, maar het dronken dat ik word van twee biertjes.
Ik ben door het dolle heen.
Het is zo mooi dat ik eindelijk weer kan schrijven. Eindelijk. Razendsnel, elke stap twee regels.
Ik dans, want niemand ziet me toch.
Ik ben in leven, ik kan zingen want mijn stem is niet meer aan gort, ik heb weer genoeg marche om moe te worden.
De wind trekt en trekt alsof het verandering in mijn binnenste teweeg wil brengen. Doe het maar, denk ik, verander maar, dat doe me goed.

Ik ben iemand anders als ik bij het chalet aankom. De Fransen en Spanjaarden zijn allen nog wakker en dronken a mort, met lege flessen wijn en bier op tafel en zijzelf ook, of onder de bank, of uit het raam. Ik krijg shotjes wodka en wordt meegesleurd terug naar Argentière, ik schreeuw dat ik wil schrijven – moet schrijven – maar dat zegt ze niets, naar een verlaten kroeg waar ik een derde biertje met grenadinesiroop drink en een verbazingwekkend diep, Franstalig gesprek met mijn Argentijnse huisgenootje voer. Rond drie uur ’s nachts dwaal ik door de hoofdstraat op zoek naar de Fransen die miraculeus zijn verdwenen. De wind kruipt wederom agressief door mijn kleren en haren.
Maar het heeft iets bizar teders.

De jongen die ons naar huis rijdt kotst vijf minuten later de keuken onder.

Ik staar naar het haardvuur vanaf de bank in de woonkamer en voel me zachtjes terug in de realiteit landen. Met gesloten ogen luister ik naar het gebeuk van de windvlagen die als tromgeroffel door het knisperen van het haardvuur klinken. Drie lichamen liggen uitgeteld om me heen. Ik daal af naar de kelder, kruip in bed en val in slaap.

One Comment

  1. Ruubsje wat ben ik blij dat jou kots eruit komt in verhaalvorm 😀

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

w

Connecting to %s