Latest Posts

In de Gang

WordPress is lastig om uit te vogelen als je geen digitale genen hebt. Blogs en afbeeldingen poppen op in ongekozen thema’s of verdwijnen achter categorieën die opeens in drievoud op de hoofdpagina verschijnen. Het is een labyrint; bereid je voor als je denkt even een blog te beginnen.
Ik mag niet poepen in mijn eigen nest, maar het kan denk ik gemakkelijker. Of ik ben achterlijk.

Mijn eerste blogtitel luidde ‘Paard’ en de blog zelf bevatte louter de zin: ‘In de gang.’ Dat was een hoop creatiever dan de blog die volgde.
‘Heehee’.
‘Poging 30’ als tekst.

Datum van beide: 23 maart 2013.

Vier dagen geleden bestond mijn blog precies drie jaar en als mijn moeder me er niet aan herinnert had (ik had haar op voorhand gevraagd door wat teksten te gaan omdat ik – wederom – van plan was mijn blog groots te promoten) was ik er volledig aan voorbij gegaan.

Ik kan nu op zijn minst zeggen dat ik het systeem van WordPress begrijp, alhoewel in mijn statistieken de pagina ‘belangrijke zaken’ dagelijks meerdere keren wordt aangeklikt en ik nog steeds geen idee heb waar die pagina te vinden is en wat er in godsnaam op staat.

Hoe dan ook, ‘Paard’, dat was de titel van mijn eerste blog en ik vind dat nog steeds een ijzersterk begin van mijn online schrijfcarrière. Daarom heb ik een paard gegoogeld en als afbeelding gekozen. Ik schreef de blog slechts om te zien waar dat paard terecht zou komen en ik ben mezelf dankbaar dat ik het nooit om esthetische redenen verwijdert heb.
Het is echter jammer dat ik de blog nooit afgeschreven heb.
Bij deze:
“jaja, een paard in de gang,
o, o, een paard in de gang,
bij buurvrouw Jansen”
(André van Duin, 1989).

Dus, waar staat het paard?

Ik hoop dat je nu een afbeelding van een paard in de gang bij buurvrouw Jansen in je hoofd hebt (of een stel dronken carnavalsvierders).

Proost, blog.
Op drie jaar bloggen.

Een Oud Schrijfseltje

Dat toch graag gepubliceerd wilde worden.

Je hebt van die momenten dat je boven het leven uitstijgt. Dat het werkelijk voelt alsof je je lichaam achterlaat en weg surft op geluk en energie en potentieel. Daar valt geen analyse aan vast te knopen. Het gebeurt. Een ervaring die zich niet in woorden laat vatten, die iets van elk woord in zich heeft – stel dat woorden het hele leven zouden omvatten.
Maar dat doen ze niet, dat is het hele punt juist.
Excuus.

Een ervaring die zich niet in woorden laat vatten.

Deze poging is dus bij voorbaat kansloos, maar ik wil hem – de ervaring- toch met woorden proberen te benaderen, want hoe meer ik daarin faal, hoe bijzonderder die ervaring blijkt te zijn.

Dus. Een soort super-in-leven zijn. Dat de dood er niet toe doet, en de verre toekomst ook niet, het verleden evenmin, een soort explosie in het nu. Soms is het een klein moment, soms een gigantisch moment.
Ik heb alleen mijn eigen voorbeelden:
Ik zit in de bus richting Chamonix na een ochtend op de piste, naast het raam, waar de bergen langzaam voorbij schuiven, nu helemaal ijzig, nog sprookjesachtiger en duisterder dan van de zomer. Ik leg mijn voeten op een rand voor me en mijn hoofd tegen het raam, luister muziek die op zichzelf al de neiging heeft om dwars door mijn hart te spoelen, en denk- mijn bus, mijn vallei, mijn bergen. Dit heb ik geflikt.
Of, ik zie Fieke haar blije kop opeens in mijn café verschijnen.
Of, het is een uur of elf in de avond en gasten weigeren binnen te komen omdat de laatst vertrekkende gasten alle sfeer hebben meegenomen. We sluiten de deur, zetten onze eigen spotify playlist op, dimmen de lichten en hebben heel de vloer van het restaurant om te dansen.

Zoiets.

Ik heb er nog zo’n duizend en oooh, ik wil niets anders. Kijk, dit is het moment waarop ik in de war raak en moet stoppen met omschrijven, om niet…die hele magie ervan dicht te timmeren.
Hierbij laat ik mijn pogingen, dit was de benadering, ik denk dat je het wel snapt.

Trop de Temps

Hij is er altijd. We hebben huissleutels, maar niemand gebruikt ze omdat, zelfs als alle negen anderen de hort op zijn, hij nog altijd thuis is. Vanaf de eerste dag van het seizoen is hij thuis.

Voor ik mijn gewicht ooit op een ski had gezet en de tien huisgenoten elkaar fatsoenlijk kenden, op een mooie dag met weinig sneeuw maar mogelijkheden om een beetje off-piste te spelen, gingen Millan en Andrés de berg in de achtertuin af. Twee uur later lag Millan in het ziekenhuis met gescheurde kruisbanden.

Ik kan me het moment dat ik hem voor het eerst ontmoette nog heel goed herinneren. Hij is namelijk fascinerend mooi, met een glimlach die de hele breedte van zijn hoofd beslaat, grote groene ogen en donkere dreads die in een magische knot op zijn hoofd rusten. Omdat ik geen Spaans spreek en hij alleen maar Spaans spreekt kon ik nauwelijks met hem communiceren, maar hij had geen woorden nodig om sympathiek over te komen. Hij verdeelde zijn manderijnpartjes onder ons allen, negen huisgenoten, iedere keer als hij één voor zichzelf pelde. Hij gebruikte handen en voeten om iets duidelijk te maken en lachte maar en lachte maar.
Niemand kan zich tegen zijn vriendelijkheid verdedigen.
Misschien zijn de dokters en verzekeringsmaatschappijen daarom zo aardig tegen hem, want naast dat het leven hem op grote schaal tegenzit lijkt het op kleine schaal dingen goed te maken.

Tekening Millan3Millan was van Spanje naar Chamonix gefietst. Hij kwam hier aan in December en had alleen de bezittingen die in zijn fietstas pasten en héél veel zin om de bergen in te trekken. Na het ongeval bedacht hij maar dat het beter was om te revalideren in een omgeving als Chamonix dan thuis in Spanje. Nu zie ik hem vaak uit het raam staren, op momenten dat wij allemaal rondrennen op zoek naar handschoenen of skistokken.
Hij neemt de bergen in zich op, hij lijkt er bijna een geheim pact mee te hebben. Alsof hij en zijn grote groene ogen van dezelfde familie zijn als die schoonheid achter de ramen.
Die jongen is mythisch.
Alhoewel hij net een operatie achter de rug heeft en over twee maanden een tweede operatie moet ondergaan, heb ik hem nooit kunnen betrappen op frustratie of ongeduld. Alhoewel hij sportief is tot in al zijn vezels en gevangen zit in een chalet met negen idioten, blijft hij zo vrolijk dat ik hem af en toe wil slaan om hem wat menselijker te maken.

Sinds de operatie komt er elke dag een verpleegster langs. Een verpleger in het begin, tot grote teleurstelling van het overschot aan mannelijke huisgenoten die al ver op voorhand hun fantasie hadden laten lopen. Maar nu klinkt er een hoog en vrouwelijk Bonjour door het huis en reageren zeven lage stemmen verwachtingsvol.
Ze is er echter voor Millan.

Laatst zag ik hem een tekening maken van de bergen, aaah tu es un artiste, riep ik uit. No, no, no, zei hij, trop de temps… trop de temps.

Het getik van krukken in huis is net zo normaal als het geluid van een kraan of gekraak van de deuren. Zijn aanwezigheid is ons gewoon, dierbaar inmiddels, en we gaan het nog missen zodra hij weer kan doen waarvoor hij gekomen is.
Al is dat alles wat iedereen wilt.
Dat hij weer naar buiten kan.

Tekening Millan

Hangbordtraining en het Zonnetje Buiten

Ik woon in een achterlijk veelbelovende omgeving. Als de zon hier schijnt, wil je ergens opklimmen of vanaf skiën. Sinds drie dagen loopt het gros van Chamonix rond met bruine wangen en een nog bleek voorhoofd, mijn ijdele vriendinnetjes gebruiken gretig de minuten in de skilift om de goggle weg te branden.

We spelen allemaal buiten. Daarom zijn we hier.
Maar ik speel nu en dan verplicht wat uurtjes binnen, want ik ben een trainingsschema begonnen. Het voelt belachelijk om op dagen als deze een hal binnen te gaan. Zelfs de hardcore trainingshal waar ik een abonnement heb genomen, waar mensen net zoveel aan het campusbord hangen als aan de grepen en ik beter naar ze kan verwijzen als gorilla’s – de gorilla’s, de gorillahal -, is leeg rond het middaguur.
Op Ruby na.
Ruby hangt aan het hangbord.
1…2…3…4…5…

Ik volg de climbing training manual, een heel heftig trainingsboek dat zelfs durft te zeggen dat we wat minder moeten gaan hardlopen, want daar worden de benen te gespierd van (je hebt geen fuck aan gespierde benen, loos gewicht die benen, loos die benen).
Nu wil ik een alpiniste worden, dus ik houd ze.
Hoe dan ook, ik heb eerst een maand lang actief met de pet naar de eerste fase van het trainingsprogramma gegooid, omdat het verschrikkelijk saai was en ik dikwijls de verleiding van de gorillahal niet kon weerstaan. Ik had haar net ontdekt en schoot liever als een balletje in een flipperkast langs de routes dan dat ik dertig minuten aan een stukje muur bleef kleven.
Ik heb mezelf het falen van de eerste fase vergeven.

En nu zit ik in de tweede fase, wat zo mogelijk nog saaier is.
Ruby hangt aan het hangbord.
1…2…3…4…5… (en de zon schijnt buiten).
En ik doe het nog ook. Ik zit al aan de vijfde training, tweede week, en nog steeds hang ik daar.

Het is de bedoeling dat ik vooruitgang boek. Zodat, als ik straks buiten speel, ik kan buiten spelen op een niveautje hoger.
Dit is niet de eerste training die ik volg en potentieel faal, en ik ben nog altijd in dubio of ik niet gewoon lekker moet gaan klimmen. Soms vraag ik me af waar de motor om ‘beter’ te worden überhaupt uit bestaat. Kan het niet gewoon zijn zoals het is, zo vermakelijk als het uit zichzelf al is…?
Maar ik ken de voldoening van controle, van het maken van bizarre passen, van de flow, van het ervaren van je eigen kracht, van de mogelijkheid tot het klimmen van daken en spleten en platen, alle routes in een klimgebied, alle mogelijke lijnen, de mogelijkheid, het is de mogelijkheid.
Hoe beter ik word, hoe meer ik kan klimmen.
Hoe harder ik train, hoe beter ik word.
Ruby hangt aan het hangbord.
1…2…3…4…5…

Hangbordtraining gaat om het versterken van de vingers. Hierna mag ik door naar de ‘power phase’, en ik heb stiekem al gezien dat het hangbord van het menu gaat en ik me helemaal aan gort mag boulderen.
In de gorillahal én buiten.
Nog eventjes.
Kom op, nog eventjes…

Bochtjes

Het is mooi weer. Elk begin van de dag knalt een helderblauwe hemel door het kelderraam. De pistes zijn er nog, spierwit als ze aftekenen tegen de lucht, ze zijn er nog, nog wel. Het aantal toeristen lijkt daarentegen gehalveerd, met name in Le Tour. Ik heb de hellingen soms voor me alleen zoals in het begin van het seizoen. Op mijn werk draaien we avond aan avond een absurde omzet, alsof ieder die nog rest in het dorp naar dat kleine bruine hol toetrekt. Maar de pistes zijn rustig. Chamonix is bijna van ons.

Het eind van het seizoen is in zicht en gister remde ik mijn eerste zwarte pistes af. De zon had de hele dag op de sneeuw gestaan en het in zware hopen op de helling achtergelaten. Ik gleed over verijsde hobbels tot ik vaart minderde in zo’n hoop en kon vervolgens bijna fatsoenlijk bochtjes draaien. Ik kwam meteen tot de conclusie dat als ik hier beter in wilde worden, ik sneller moest leren mijn ski’s van links naar rechts te gooien.
Dezelfde conclusie trok ik drie dagen eerder na mijn eerste off piste avontuur op de hellingen achter de pistes van Le Tour. Mijn huisgenootje had bedacht dat ik het wel aankon en ik had bedacht dat ik het zonder zijn motie van vertrouwen nooit zou ondernemen, en dus volgde ik hem ver van de pistes, ver van mijn achtertuin, ver van wat ik kende. Alhoewel dit zijn speelterrein was en hij me niet langs afgronden zou loodsen, vond ik die eerste paar vrije bewegingen een groot avontuur. De sneeuw was goed en ik kon vallen wat ik wilde, maar de hellingen waren veel steiler dan ik gewend was en er waren bomen. Die bomen. Die zaten me dwars.
Af en toe stond ik op het punt een bocht te maken en leek ik te zijn vergeten hoe dat moest. Ik wist dat het een intuïtieve aangelegenheid was, maar om me in het niets te storten zonder begeleiding van mijn ratio…
Dus dan stond ik daar op dezelfde manier als bovenaan de heuvel op mijn eerste blauwe piste. DOE HET. DOE HET. En daar ging ik.

Nu moet ik die bochtjes nog sneller maken. Bochtjes oefenen, daar lijkt dit hele seizoen op aan te komen.

In mijn dromen was ik al drie keer in twintig minuten de Mont Blanc afgeskied. In mijn nachtmerries was ik nog loyaal aan de pizzapunt op de groene piste. Deze tussengelegen situatie stemt me gunstig. Soms voel ik me nog steeds niet thuis in de skiwereld, alsof het woord debutant is getatoeëerd op mijn voorhoofd en mijn ski’s ongepaste extensies aan mijn voeten vormen, omgeven door seizoenarbeiders die me aan alle kanten voorbij skiën en de baby’s van Argentière die me laten realiseren hoe groot mijn achterstand is. Maar dat is een imagodeuk die voor dit hele project al gemaakt was. Het leed van de beginner. Andere keren denk ik: Verdomme, dit heb ik in een seizoen bereikt en niet alleen dat, eigenlijk vooral: Ik heb dit seizoen bereikt; ik leef in Chamonix en ik ben in het proces van leren skiën en dat is hoe mijn bestaan er nu uitziet.
Lekker bezig, Ruby.

Het skiën is nog steeds mijn favoriete nieuwe hobby. Ik kijk uit naar elke dag van de staart van het seizoen en hoop op nog een beetje bonussneeuw zodat ik met mijn vriendjes mee op tocht kan.
Maar het blauw van de lucht en het felle schijnen van de zon maakt me verliefd als een kikker en als de lente eenmaal daar is… tjilp ik luidkeels met de vogeltjes mee.

Lief Lijfje van me

Ik heb een gesprek met mijn lichaam gehad.

Er was op voorhand sprake van miscommunicatie; zij ging er vanuit dat ik bepaalde subtiele signalen wel op zou vangen, ik heb gezegd dat ze sommige dingen nu eenmaal helder moet uitspreken zodat ik kan weten waar ik aan toe ben.
Ik zei haar vrij bot dat het wel mooi was geweest met de malaise en dat ze zich wat weerbaarder moest maken tegen de Chamoniaanse ontberingen.
Toen zei ze: Als jij slaapt en gezond eet, dan heb ik geen reden om moeilijk te doen.
We raakten in een ingewikkelde discussie over wat dan slapen (ik zei, 7 uur per nacht, zij zei, als je moe bent) en gezond eten (hier was ze onuitstaanbaar onduidelijk) was. Uiteindelijk beloofde ik haar op zijn minst mijn best te doen om zoveel mogelijk slaap, groente en fruit tot me te nemen, zoveel als dat mijn bestaansritme hier toe zou laten, en met die laatste opmerking barste de bom.
Jij verkiest altijd het bestaansritme boven mij, zei ze. Dat is dom, zei ze, want zonder mij bestaat dat bestaansritme van jou niet eens!
Daar had ze een punt.
Ik beloofde haar dan maar ook kritisch naar mijn bestaansritme te kijken, maar er knaagde wel iets. Waarom is dat nu opeens zo’n groot probleem? Ik heb wel vaker fratsen uitgehaald – slechte ritmes, alcoholische fases, uitputtingsslagen – maar dat is nooit een reden geweest om me binnen één jaargetijde vier keer onder uit te schoppen. Ze was altijd zo sterk!

Ja, zei ze, en nu een keer niet. Simpel als dat.
(Ik hoorde een beetje een vraag om medelijden weerklinken in haar woorden, maar ik was boos dus ik heb het haar niet gegeven).

En ik had nog zulke grote plannen met haar. Er liggen trainingsschema’s klaar, en bergen, avonturen, alles gebaseerd op haar oude, vertrouwde kracht. Want ze kon het, eens kon ze het.
Ik vroeg haar of we dan konden afspreken dat 1. Zij beter zou door communiceren als haar weerstand begon te zakken, zodat ik haar tijdig rust kon geven (met de belofte dat ik überhaupt wat rustiger zou zijn), en dat 2. Ze haar eigen afweersystemen zou controleren, en met name die rond de keel want die is keer op keer schrikbarend disfunctioneel gebleken.


Oef.
Ik heb haar nooit zo pissig gezien. Ik wist op zich wel dat alles rond die keel een gevoelig puntje was, maar deze reactie was me toch wel absurd.
OK, zei ze, disfunctioneel hé!? Ik zal jou eens laten zien wat disfunctioneel is!!
En toen beroofde ze me van mijn stem.

Einde gesprek.

Ik realiseer me nu, nu ik al twee dagen met niemand kan praten, hoe verdomde afhankelijk ik van haar ben en dat ik geen keuze heb dan me naar haar grillen te voegen. Ik heb haar een brief geschreven en ik hoop dat ze me uiteindelijk vergeeft, misschien wel dusdanig dat ik gezond de lente in kan, al durf ik dat bijna niet hardop uit te spreken. Dit is de brief:

Lichaam,

Na twee erg stille dagen, dagen van reflectie en bezinking, wil ik je iets zeggen dat in ons gesprek van zaterdag niet aan de orde is gekomen, maar wat wel belangrijk is. Ik ben me eigenlijk nu pas bewust hoe belangrijk het is.
Ik heb je nodig, lichaam.
Ik heb je nodig om te praten en voor alle mooie dingen die ik hier kan doen. Ik heb je nodig om te zingen – het was zo mooi om dat weer voor een weekje te kunnen – en om ook maar een fractie van mijn leven hier op de rails te houden. Ik heb je nodig, lichaam, ik heb het nodig je te zien dansen, die voeten op dat ritme, die armen in de lucht. Ik heb je nodig om lief te hebben, maar als ik anderen lief wil hebben moet ik eerst jou lief hebben.
Ik heb je lief, lichaam.
En ik zal me daar naar gedragen.

Liefs, Ruby.

PS Mag ik nu mijn stem terug?

Kimberley Perrin

Chalet Ruby – Amsterdam :   994 km
Casa Kim – Amsterdam:         979 km
Chalet Ruby – Casa Kim:         61.4 km

Dus Ruby is mijn buurmeisje.

We hadden het hier over afstand, nu de tijdseenheid.

Auto:
61.4 km
Als je een auto hebt, kom je er in principe wel
$$$$$$$$$$$

Liften:   
Geluk of niet!

Trein: 
2h 09 minuten
Na achten geen treinen
Sneeuw … treinen komen vast te zitten
$$$

Ski:
½ La Haute Route Chamonix – Zermatt (afslaan in Arolla)
4 dagen skien met overnachtingen in:
Cabane Albert Premier
Cabane de Monfort
Cabane de Dix
Cabane des Vignettes

Fiets:
55.5km
1620m stijging
720m daling

Lopen:
Heel veel mogelijkheden ….

Maar alsnog, Ruby en ik zijn buurmeisjes. Ik kan de Mont Blanc zien als ik in de bergen ben, en dan zie ik Ruby.

Wat doet een afstand van 61.4 km met je…
Een Amsterdammer raakt sowieso in paniek. Met 61.4 km ben je buiten de ring, en dus ergens verdwaald op het platteland.

Vertel je aan een gemiddelde seizoensarbeider uit Chamonix dat je uit Sion komt, dan weet niemand waar je het over hebt. Oké het kan liggen aan het feit dat ze buitenlands zijn. Voor de meeste van de saisonniers houdt de wereld gewoon op na Argentière, want daar stop de bus. Je kunt met de trein naar Vallorcine (en dan verder richting Zwitserland), maar daarvoor moet je betalen en die gaat maar één keer per uur. Voor de meesten is er totaal geen reden om verder te gaan, naast dat je het risico nooit meer terug te kunnen of in het ravijn te vallen, is Chamonix 180 graden de andere kant op. Chamonix Mont-Blanc. Daar gebeurt het. Daar is de Mont Blanc, Les Drus, Aiguille Verte … daar is het geld. In dat dal, vertienvoudigd het bewonersaantal in de winter, van 10.000 naar 100.000. Daar zijn alle toeristen die Ruby dronken voert. Daar moet je zijn.

Als je je aan mij vraagt is Chamonix een andere wereld. Oké je bent al in een ander land met een andere munteenheid. Daarbij komt nog eens dat je 1000 meter hoger bent. Toch is het verschil frappanter dan alleen dit. Alles is chamonix is extremer. Er is méér, hoger, steiler, smaller, bekender, drukker, meer toerisme, meer arbeiders, meer nationaliteiten, meer alcohol, meer vette toeren, méér en nog eens meer.

Ruby zou zich niet kunnen voorstellen om bij mij te komen wonen en ik niet bij haar. Waarom? Ondanks dat de plekkeuze voor ons beider intuitief was, heeft het nu betekenis voor ons. We stellen ons nog steeds wel eens vragen over de verschillende normen en waarden die gelden in elke nieuwe werelden waarin we verzeild raken (en dat zijn er nogal wat), maar de grote vraagtekens zijn al opgelost. We hebben een huis, een baan, en mensen die we langzaam aan zeker vrienden zijn gaan noemen. We stellen ons allebei niet meer vragen over het bus- of treintijden, we weten de supermarkt te vinden, we kennen de namen van de bergen om ons heen, je kan langzaamaan mee praten over col de… pointe de … la longue voie dans la vallée de…l’arête de .. en vooral een hele waslijst aan tochten!!

We zitten allebei goed waar we zijn. Ja in het nu en hier. Wat er gaat komen weten we niet. Ik ben benieuwd. Maar wat ik zeker weet is ‘Buurvrouw la Blanche, ik zie je snel weer!!’

wouss
Wous&ruby

Cheapshots en het Spaceship

Ik heb een nieuwe collega. Hij is aangenomen om ieders gemoed wat vrolijker te maken. Hij lacht namelijk. Heel hard als het heel grappig is en hard als het grappig is.
Ik kende hem van het zomerseizoen. Voornamelijk als de trailrunner en het voedselbeest dat bij de receptie werkte.
Gebruikte borden van het terras of restaurant moeten naar de plonge (het afwashok) gebracht worden en de looproute loopt precies langs het bureau van de receptie. Je voelde altijd zijn blik gericht op de mogelijke resten, op de stukken brownie of vlees of brood die hij vervolgens stiekem in de plonge naar binnen werkte. Ik kon eerst niet geloven dat hij werkelijk aan de haal ging met andermans overblijfselen, maar hij koos ze zorgvuldig en na verloop van tijd vond ik het groteske verspilling dat niemand dat nog goede eten at behalve hij.
Ik begon in die periode ook met trailrunnen en had altijd honger. Dus het was een feestje in de plonge.

Hij heeft met twee vrienden een hut in Argentière gevonden en woont daar op de één of andere manier, in elk geval zonder huur te betalen, en ik kan me herinneren dat ze iets met isolatie hebben gedaan om de winter door te komen. Ik moet dat zien.
Het is geen grotmens, het is een heel fatsoenlijk ogende jongen met een passie voor fotograferen en een talent om net buiten de regeltjes te leven.

Zijn auto is kapot omdat hij ermee in de vangrail van Les Praz is gereden (toen er drie lifters bij hem op de achterbank zaten) en dus komt hij de laatste paar dagen met zijn motor naar werk. Daarom ga ik de laatste paar dagen met de motor naar huis.
Midden in de nacht vliegen we over de besneeuwde slingerweggetjes naar Le Tour. Sneeuwvlokken die als een razendsnel sterrenstelsel langs ons schieten. Ik heb hem gevraagd of zijn motor al een naam heeft, hij zei nee maar ik mocht er één bedenken, en nu heet ze Spaceship.
De kou bijt mijn benen en handen eraf, wankel loop ik ’s nachts over het pad naar het chalet.

Het werkt om een lach achter de bar te hebben. Als het management naar huis is, sneaken we de keuken van het hotel in op zoek naar mandarijnen en snickers, of ijs en chocoladesaus, en hij weet van álles waar het ligt. Eten maakt iedereen blij.
Als de zooi na de après-ski nauwelijks te overzien is lopen wij als een malle op te ruimen en besluit hij een cheapshot te maken (een goedkoop shotje dat je gebruikt om gasten aan je bar te houden) van blauwe liquor en groene kiwisiroop, dat hij met precisie van een scheikundige in elkaar knutselt en met ernst van een professor door ons laat testen. Hij weet niets van alcohol maar wel van kleur, en als er maar genoeg zoete troep in zit vinden we het allemaal fantastisch.

Mijn nieuwe collega.
Ik ben zo blij met hem.

Fortuinlijke Landing

Ik had bezoek hier.
Zij heeft over de amandelcroissantjes geschreven. Nu ga ik over haar schrijven.

Zo’n 22 jaar geleden werd ik bij haar in de wieg gedumpt, dat scheelde mijn ouders een oppas en betekende voor mij een fortuinlijke landing. Rond ons achtste levensjaar beschoten we elkaar met witte, schuimige besjes door ze in plastic pijpen te stoppen en heel hard richting de ander te blazen. We maakten hutten van doeken en tekenden honderden kleine krijten weggetjes op de straat.
Met twaalf fietsen we samen naar het hockeyveld.
In de zesde rende ik vijf minuten voor het scheikunde tentamen door de gangen van het college om haar te vinden voor de uitleg van die ene opgave welk trucje zeker getest zou worden.

Ze is intelligent. Doet de moeilijkste studie in Delft. En met name, ze doet wat ze zelf wil. Dat heeft ze altijd al gedaan en dat heb ik altijd met eindeloze bewondering gade geslagen. Iedereen ontpopt zich uiteindelijk toch in zekere zin als speelbal van alle anderen, maar zij lijkt daar al sinds jongs af aan los van te staan. Van elk van haar ondernemingen, van kopje koffie drinken tot feestjes in Amsterdam, weet je zeker dat zij zelf de uiteindelijke motivatie is geweest.
Ze heeft onvoorwaardelijk zelfvertrouwen, niet de arrogante variant maar de solide. Ze kiest zichzelf.
En ik geloof dat dat de reden is waarom er een fascinerende rust om haar heen hangt. Alsof ze altijd met een boek op de bank zit.
Misschien zou ze hier zelf niet mee instemmen, maar ik schrijf dit verhaal vanuit mijn perspectief en niet het hare.
Jammer dan.

Het was bijzonder haar een week dichtbij te hebben en tegelijkertijd weet ik zeker dat ik haar mijn leven lang dichtbij me zal houden.

Altijd.

Mis je graag

Emigreren is weg zijn. Ver weg zijn. Emigreren is je vrienden en familie niet in je dagelijks leven hebben. Misschien digitaal, maar dat is anders. Dat telt niet, want dat voel ik niet.

Het is niet erg.

Missen heeft iets goeds want het zegt dat er iets van waarde is. Er is een succesverhaal in je leven. Die mensen, als alles misgaat zijn de mensen die je mist nog altijd het succesverhaal van de tijd waarin je bij ze was.
Het is je historie die zegt: Hé, je bent niet alleen (want je bent alleen en je voelt dat).

Missen, missen, ik heb er nu al te veel over nagedacht, twijfel al aan de betekenis ervan. Missen wordt zo erg bepaald door diegene die je mist dat missen als woord alleen bijna leeg is. Het heeft het gezicht en de handen en de lach van diegene die je mist. Je mist niet in het algemeen. Missen zonder iets of iemand, ik weet niet of dat bestaat.

Missen is zo iets charmants en kleins, het is de uberverhalenmaker, de dieptegever op ieniemienie momenten. Je stoot je teen zoals hij ooit zijn teen stootte en dan opeens springt je hele lichaam in de ‘shit ik mis hem’ modus.
Het heeft een eigen ritme, een eigen timing, ik kan iemand voor maanden vergeten en dan opeens popt ze terug in mijn wezen, klabbaam, waar is ze, waarom is ze niet hier.

Waarom is ze niet hier.

Missen zegt tegen me; verdorie Ruby, laat eens wat van je horen.
Ik hou veel van die Nederlanders.
Héél veel.

Het is niet erg.
Ik mis graag.