Latest Posts

Gestoofde Hersenpan

Dan had je ook nog dat verhaal van die vleermuis in Wuhan die een significant deel van de wereldbevolking wist te besmetten met een eng virus. Een maand geleden liep iedereen er hier in de vallei mee rond, ook mijn vriendje. Na vijf zelftesten en drie bij de apotheek begon ik toch te geloven dat ik genoot van een oerhollandse polderweerstand waar de Covidvariant van Briançon simpelweg niet tegen opgewassen was. Daardoor werd ik natuurlijk nummer één op zijn lijstje urgente slachtoffers: afgelopen zaterdag begon het te kriebelen in mijn keel. Jammer, die fabel van mijn eigen superieure resistentie.

Na drie nachten en drie dagen lang rillen, zweten en slapen was ik blij dat mijn doorgestoofde hersenpan het vandaag aankon om een film te kijken (Julia Roberts), een blog te schrijven en twee pakketjes te openen die het vriendje voor me uit de brievenbus viste. Eentje verborg het boek Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline, en het andere Het Huwelijk van Christine van den Hove. Over dat eerste boek spreekt Thibault zo vaak en zo veel dat ik me ben gaan verschuilen achter het feit dat Franse literatuur nog steeds iets te moeilijk voor me is, eventueel uit gebrek aan empathie voor wat ik zoal (overigens van Thibault zelf) over de schrijver meekrijg, maar vooral uit kinderlijke recalcitrantie. Hij heeft ’t toen als een podcast opgezet (hielp niet) en is uiteindelijk zo slim geweest om de vertaalde versie op te sporen en te bestellen. Goede timing. Ik ben immers momenteel iets te stationair om er ongezien lang te lopen.

Maar allereerst grijp ik natuurlijk naar (het vorige maand uitgegeven!) Het Huwelijk, want voor die schrijfster loop ik juist over van genegenheid en ik heb er bovendien al een tijdje op moeten wachten. Daar wil ik dus graag nog een dagje voor op de bank liggen.

Nog een wit wijntje

Het is 31 december 2021 en buiten op het terras staat een bar met een biertap en een tank warme wijn. We verwachten negentig Polen, een DJ zet zijn draaitafel klaar. De zon zakte ruim een uur geleden achter de berg. Alleen mijn bazen drinken een biertje in de schaduw van het verlaten skistation, in hun gezichtsveld spring ik heen en weer om warm te blijven. Zodra de eerste Pool op het toneel verschijnt, biedt mijn verantwoordelijke Max aan om de bezetting van de buitenbar over te nemen en voeg ik me bij een collega achter de binnenbar.

De Polen weten de sfeer op het terras binnen tien minuten om te draaien. Alle negentig dansen en drinken op de tafels. Binnen hoor ik alleen het trillen van de beat en het gegil van dames. Af en toe komen er mensen binnen voor wodka-redbulls of wiskey-coca’s, de rest vindt genoeg alcohol in het bier en de warme wijn en blijkbaar ook in Genepi, want eens in de zoveel tijd stormt Max binnen met een lege fles en neemt een nieuwe mee naar buiten.

Een alleenstaande moeder en haar zoontje van zeven komen binnen achter de bar zitten. Het zoontje krijgt een cola en zij drinkt witte wijn. Ze vertelt over haar bar in Marseille. Telkens als ze voor een wijntje betaalt, trekt ze haar eigen kaart uit de machine en scheurt onzer beider tickets af. ‘Gewoonte’, verschuldigd ze.

Even later komt er een ouder stel naast zitten. Max informeert me dat het vrienden van hem zijn en ze niets hoeven betalen. Hun zonen, zo begin twintig, en een bevriend meisje van dezelfde leeftijd, duiken bovenop Jägerbombs en shots en mixdrankjes. Ze raken aan de praat met moeder en zoontje en spenderen een groot deel van de laatste avond van 2021 tezamen.

Rond een uurtje of zeven is moeder flink aangeschoten. ‘Niet nog een wijn’, zegt het zoontje wanneer ze wederom mijn aandacht trekt. ‘We zouden naar huis gaan.’ De jongeren vinden het grappig en vragen of het kind hun drankje wil proberen, dat vervolgens een heel klein slokje uit een wiskey-cola neemt en als een echte zevenjarige een heel vies gezicht trekt. Met een lichte spanning in mijn buik schenk ik nog een wijn in en vraag me af waar mijn verantwoordelijk ligt. Het kind begint meer en meer te zeuren dat het naar huis wil en moeder, na wederom een wijn te dronken om haar moederlijk geduld te bewaren, zet haar stem op. Met opluchting zie ik ze uiteindelijk vertrekken, waarheen weet ik niet. Hopelijk niet met de auto naar het appartement.

Tegen het vallen van de avond vind ik mezelf terug met alleen de jongeren nog aan de bar en het gedril en geschreeuw van de manifestatie buiten. Max staat nog steeds achter de tap en ook mijn collega heeft zich onder de Polen gemengd. Ik begin de voorraad frisdranken aan te vullen en wacht op klokslag negen, het tijdstip waarop we vanwege (dankzij) Covid verplicht zijn om de bar te sluiten en ik me bij Thibault kan voegen om te vertellen over die dame aan de bar en haar zeven jaar oude zoontje. Maar al om acht uur wordt het feest abrupt afgebroken omdat de politie er lucht van heeft gekregen en al het dansen op de tafels niet helemaal binnen de maatregelen blijkt te vallen. De muziek stopt en de Polen druipen af, mijn collega en verantwoordelijke zijn beiden vrij plotseling stomdronken. Blijkbaar was de Genepi niet slechts voor de gasten bedoeld.

Ik was de glazen, haal een lapje over de bar, maak de koffiemachine schoon en zie in mijn ooghoek hoe mijn verantwoordelijke wodka direct serveert in de open mond van het meisje aan de bar. Even later zeg ik hem dat ik naar mijn mening genoeg schoongemaakt heb en ga ervandoor.

De volgende middag om drie uur, 1 januari 2022, open ik de bar. De vloer kleeft, de glazen kleven, op de klevende tafels ligt sigarettenas. ‘Heb je gehoord wat er gister is gebeurd?’ – vraagt mijn collega van die middag. Ik heb een vaag idee. ‘Ze hebben op de camera’s gezien dat Max met de gasten cocaïne snoof op het blad van de bar.’ Verbaasd kijk ik om me heen, want van camera’s weet ik niets. Ze wijst naar verschillende hoeken van de bar en daar zie ik ze, witte bolletjes met elk een zwart oog, blijkbaar een aantal dagen geleden geïnstalleerd. Was Max (verantwoordelijke) zoals ik niet op de hoogte geweest van het feit dat er camera’s hingen of had ’t hem niets kunnen schelen dat de bazen eventueel met zijn consumptie mee gluurden? Beide opties klinken absurd.
‘Toen zijn de bazen hier gekomen en konden ze Max niet vinden. Die bleek in slaap te zijn gevallen in de kelder. Lag daar op de grond.’

Thibault zei me eens in een reactie op mijn werk dat het goed is om met verschillende lagen en bubbels van de samenleving in contact te blijven, zodat je een reëel beeld houdt van de manier waarop andere mensen leven. Ik heb al eerder binnen de bubbel van het barwezen gefunctioneerd, maar moet zeggen dat ik me elke dag weer verbaas over de scènes die zich voor mijn neus afspelen.

Warme voetzolen

Fotocredits: Menno Visser

Tijdens elke lange alpine tocht denk ik minstens één keer aan een grote heliumballon die het gewicht van mijn rugzak overneemt. Het lijkt me zo’n leuk gezicht, een rijtje alpinisten met allen een eigen kleur ballon. Het bergbeklimmen zou er in elk geval makkelijker van worden, misschien dat sommigen het als valsspelen zouden zien.

Soms denk ik ook aan een speciale bril die de juiste route op de rotswand doet oplichten, zodat je nooit de verkeerde kant op klimt. Of een paar intelligente schoenen dat gaat piepen als ze niet stevig staan, of een live-verbinding met een klimcoach die de hele tocht voorkauwt (stop nu de gele camelot in de spleet boven je neus) en met de helikopter komt aanvliegen wanneer je toch een foutje maakt, of drones die op bestelling eten en warme dekentjes komen brengen (noordwand, derde goot links).

Nog steeds moet ik wennen aan het gebruik van GPS in de bergen. Dan denk ik aan mijn vader, zijn kaarten en kompas, en vind ik al die technologie maar lui en misplaatst. Maar als ik zelf verdwaal in het donker, dan ben ik blij met mijn volgeladen telefoon en de applicatie die me veilig thuisbrengen.

Fotocredits: Menno Visser


Laatst zei Thibault vrolijk dat hij verwarmbare schoenzolen voor me had gekocht, voor het ijsklimmen. Met tegenzin wurmde ik ze in de diepte van mijn schoenen, frummelde de batterij in de rand van mijn sok en klom vervolgens een dag lang in een bevroren waterval zonder daarbij ook mijn tenen te bevriezen. In Frankrijk heb je een woordje dat de pijn omschrijft wanneer vingers en tenen opwarmen na heel koud te zijn geweest: ‘l’onglée’ (de Engelsen zeggen screaming barfies). Zo’n onglée doet zoveel pijn dat je minutenlang uit alle macht uit je eigen lichaam probeert te vluchten. Normaal gesproken heb ik er tijdens het ijsklimmen minstens twee of drie voor elke voet en hand (slechte circulatie), waardoor ijs- en winterklimmen meestal uitdraait op een forse mentale beproeving en de eigen belofte dat ik mezelf dit dus nooit meer aandoe. Dankzij die batterijen zag ik eindelijk weer eens hoe mooi zo’n waterval eigenlijk was, want die viel in bevroren, heldere golven van de rotswand en ìk mocht daar met warme tenen overheen klimmen.

Toch voelt het alsof ik de natuur met die batterijen een loer draai. Alsof ze me tevens energie geven bij het klimmen zelf en ik straks hoekig naar boven zal bewegen onder het uitslaan van mechanisch gepiep. Dan denk ik weer aan die heliumballon: wat als je daar gewoon nét iets meer helium indoet zodat ook de helft van je lichaamsgewicht wordt opgeheven? En als je dan eigenlijk te moe bent, dan vlieg je gewoon naar boven, en voor het gemak ook naar beneden.

Juul in de waterval. Fotocredits: Menno Visser



Het alpinisme van tegenwoordig lijkt natuurlijk in niets meer op het alpinisme van de pioniers, met de fanfare aan materiaal die we in onze lichtgewicht tasjes stoppen. Ik maak constant gretig gebruik van technologie (donsjas, ski’s, camptocamp met recente verslagen enzovoort) en was zonder enige twijfel niet hard genoeg geweest om in de vroege jaren van het alpinisme mee te draaien (zoals ik momenteel mét supermateriaal ook niet in staat ben om met de grote alpinisten mee te draaien). Te zwaar, te gevaarlijk.

Wat had ik wel gedaan? Gewandeld. Daarom vind ik wandelen zo leuk. Met slechts een paar schoenen, een degelijke onderbroek en stijlvol petje gaat er al een wereld voor je open.

Het gebruik van technologie in de bergen is misschien niets meer dan een kwestie van voorkeur. Je hebt ski-station haters die het liefst alleen met een tentje op de rug verdwalen in de krochten van de Pyreneeën, mensen die koffie komen drinken in het bovenstation van Aiguille de Midi terwijl ze selfies maken met het fabuleuze uitzicht en alpinisten (zoals ik) die alleen kunnen profiteren van het ijslimmen met een tweetal verwarmde voetzolen, maar zich daar wel een klein beetje stom over voelen. Alsof het duel met de hoogte en die prachtige natuur toch zo ‘naakt’ mogelijk uitgespeelt zou moeten worden: een naakte berg tegen een naakte mens.

En je moet natuurlijk ook wel een beetje afzien om het biertje na afloop te verdienen (gelukkig heb ik nog steeds twee tot drie onglées per hand).

Maar ook weer niet teveel (mocht je bij elke ijsklimsessie eveneens minstens twee tenen riskeren, dan raad ik die zooltjes zeker aan).

Met dank aan het fantastische duo Menno en Julius die ik hier een weekje op bezoek heb mogen hebben, het was een feest!

Kijk mij nou intens genieten van mijn warme tenen.

Vette veganistische koekjes



‘Welke luxe zou je jezelf veroorloven als je plotseling miljardair zou worden?’ Die vraag wordt nou nooit aan me gesteld, net als de vraag in welk dier ik zou willen reïncarneren, met welke beroemdheid ik het liefst zou willen trouwen en hoe ik mijn leven zou organiseren als ik wist dat ik gezond en wel 200 jaar oud zou worden. Daarom gooi ik ze zelf maar af en toe in de groep, om direct popelend af te wachten tot ze terugkaatsen en ik fronsend mag nadenken over een huwelijk met Aurora of de kwaliteit van leven van een nijlpaard (misschien zou ik wel reïncarneren als giraffe en de hele dag in de spiegel kijken).

Hoe dan ook, mocht ik over een schatkist struikelen waarin een miljard blijkt te zitten, dan zou ik een kok permanent in dienst nemen. Want ik eet tegenwoordig (grotendeels) veganistisch en heb regelmatig last van mijn gebrek aan motivatie, talent of tijd voor koken. Geen melkproducten consumeren – voorlopig mijn halve variant van het veganisme – verandert voor mij persoonlijk bijna elke maaltijd die ik voorheen at en vraagt dus om een hoop nieuwe recepten en keukenkunsten. Maar voordat ik inga op de uitdaging van mijn nieuwe regiem, wil ik het eerst graag even hebben over de leuke kanten van de plotselinge wens om koe en kalf met rust te laten.

De leuke kanten van het veganistisch dieet

Nog geen vijf minuten voordat ik besloot (grotendeels) veganist te worden, vond ik veganisten rare mensen en dacht ik nooit, maar dan ook nooit, kaas, melk en yoghurt uit mijn dieet te kunnen schrappen. Het gekke is dat ik al die dingen dus niet mis. Hoe dat precies werkt is me een raadsel, maar het voelt nog het meest alsof iemand een lampje heeft aangeknipt dat voor mij de link tussen melkproducten en koeien(leed) zichtbaar maakt, waardoor kaas-en-zo veel van zijn vroegere aantrekkingskracht heeft verloren.  

Met oprecht plezier heb ik me op verschillende plantaardige melken gestort (favorieten: soja en havermout), kookboeken aangeschaft (zelfs voor een niet-koker is dat leuk), Seitan ontdekt, Tufo eindelijk een keer echt leren bereiden en op internet een grote gemeenschap van veganistische bloggers en vloggers gevonden (waarmee ik eenzijdig vriendschap heb gesloten) die goede tips geven en tegelijkertijd het gevoel opwekken dat ik echt niet zo raar doe. Telkens als ik een product ontdek dat veganistisch blijkt te zijn of een melkvariant vervangt (veganistische chocopasta, chocolade, croissantjes) ben ik natuurlijk heel blij en telkens als ik een veganistisch recept tot een succesvol einde breng nog blijer.

Best wel handig, zo’n boek. Staan echt veel goede tips in. Bovendien geen dieetcultuur in te bekennen.


Maar wat me vooral gunstig stemt is het feit dat het echt een stuk makkelijker is dan ik had verwacht. Ik verbaas me over de snelheid waarmee ik mijn gewoontes heb kunnen aanpassen en dat is zeker niet omdat ik zo gedisciplineerd ben (want dat ben ik niet). Het verschil tussen mijn verwachting en de realiteit ligt denk ik in het gegeven dat ik voorheen vooral dacht aan alles wat veganisten niet konden eten, en ik zelf als veganist eigenlijk alleen maar op zoek ben naar wat ik wel kan eten, en dat aanbod is tegenwoordig gigantisch en de ontdekking ervan best interessant.

Ik moet daarbij vermelden dat ik vooralsnog flexibel ben. Als ik bij mijn schoonouders of vrienden op bezoek ben die mijn keuze niet zo goed begrijpen, dan eet ik wat de pot schaft (op vlees na, maar dat is inmiddels in sociale context makkelijker om te weigeren). De vegetarische burger met aubergine, pesto en Parmezaanse kaas van ons chaotische en goedkope lievelingsrestaurantje Kazdal in Briançon ligt nog geregeld voor me op mijn bord en als ik buitenshuis geen enkele veganistische optie vind en zelf niets heb meegenomen, dan kies ik bij de bakker (als een echte rebel) nog steeds voor het vegetarische broodje met feta of geitenkaas.

Over honing denk ik overigens nog eventjes niet na en de eieren van de buurkippen (maar echt alleen de buurtkippen) eet ik gewoon.

De lastige kanten van het veganistische dieet

Binnenshuis leef ik met een niet-kokende vleeseter die al zijn liefde voor mij moet inzetten om een klein beetje begrip op te brengen voor mijn keuze. Van hem verwacht ik dus geen leuke nieuwe veganistische maaltijden (gelukkig is er die steun vanuit de onlinegemeenschap).

Als ik daarbij in deze oerconservatieve vallei een restaurant, snackbar of bakker om iets plantaardigs vraag, weten ze vaak oprecht niet waar ik het over heb (‘ik heb kaasstengels voor je in de frituur gegooid!’), laat staan dat er op een bakje frietjes na werkelijk iets veganistisch op het menu staat. Ik ken slechts één restaurant dat een veganistische salade aanbiedt voor 14 euro, waarin je op een paar noten na lang kan zoeken naar een echte calorie (dankjewel dieetcultuur).

Het allerlastigste aan mijn nieuwe veganistische regiem vind ik daarom bij uitstek dat ik veel meer zelf aan de slag moet in de keuken, vaker mijn maaltijden op voorhand moet bereiden en bovendien moet nadenken over alles wat mijn lichaam nodig heeft. Dat is niet heel erg als ik veel tijd heb en toevallig gemotiveerd ben om mijn week qua eten uit te plannen (is me nog nooit overkomen) of verleid wordt door een nieuw recept, maar wel uitdagend wanneer ik heen en weer ren tussen activiteiten. Het resultaat is toch wel dat ik minder eet, en wat ik eet is vaak nu eenmaal wat minder calorierijk. Daarom moet ik momenteel niet alleen actief op zoek naar proteïne en B12, maar vaak ook naar bulk. Vet. Pindakaas. En een persoonlijke chefkok.

(Wat overigens ook meespeelt is het feit dat ik hiervoor veel calorieën haalde uit koekjes, chocoladebroodjes en ander soort prefab ongein dat normaal gesproken in huis rondslingert. Zoveel plantaardige snaaidingen zijn er echter nu eenmaal niet, en de Gerblé koekjes die ik nu maar in huis haal zijn lang niet zo zoet en vet. Klinkt misschien als iets goeds, maar in een koude winter vol training draai ik er best veel calorieën doorheen en kom ik niet ver op een lege tank. Daarom moet ik eens in de zoveel tijd ook maar de moeite nemen om een baal vette veganistische koekjes te bakken om die in een glazen pot op het aanrecht te stallen. En dan maar hopen dat Thibault er van af blijft.)

Wat betreft het prijskaartje van het veganisme: uiteindelijk maakt het wat betreft uitgaven in mijn geval niet zo heel veel uit of ik nou plantaardig eet of niet. Mijn eerste bezoekje aan de Biocoop was nogal alarmerend, omdat ik producten zoals Seitan, Agar Agar, pindakaas en plantaardige yoghurt voor het eerst in grote kwantiteit aanschafte en nog niet zo goed wist wat ik lekker vond of waar ik het goedkoper kon halen. Vooral de kant-en-klare vleesvervangers en proteïnebronnen ervaar ik als duur. Hoe meer eenvoudige recepten ik leer maken en hoe beter ik leer koken, hoe goedkoper ik (vermoed ik) zal uitkomen. Daarbij eet ik minder buitenshuis en koop natuurlijk geen kaas meer, dat hier in de vallei stinkend duur is.

De verpakkingen zitten me overigens wel dwars. Tufo en alle nepburgers (die ik dan maar zelf moet maken) hebben vaak een dikke plastic verpakking plus nog een karton. Alle melken komen natuurlijk in pak (maar ook dat schijn ik zelf te kunnen maken) en de yoghurtjes ook (en zelfs dat valt zelf te maken?). Hier moet ik dus nog eventjes iets op vinden (nog meer koken dus).


Kortom…?

Het is een blijver, dat veganisme. Of ik in de toekomst strikter word, kan ik nog niet zo goed inschatten, maar voorlopig voelt ‘t goed. Terug naar het niet-weten of beseffen kan toch niet, en ik moet ook zeggen dat ik het idee dat het klimaat zodoende wat minder last van me heeft ook behoorlijk prettig vind.

Het gegeven dat ik geforceerd word om een stuk meer te koken is daarbij misschien zo slecht nog niet, en eigenlijk ben ik er gewoon al wel (bijna) aan gewend. Nog steeds voel ik me in sociale context dikwijls een rare vogel en heb de neiging om mezelf te excuseren (‘sorry de rare hippie doet weer moeilijk’), maar ik begin te leren dat ik mezelf niet persé hoef uit te leggen en ook gewoon voor mijn keuze zou kunnen staan.

En als laatste wil ik nog even benadrukken dat de hele onderneming behoorlijk wordt gefaciliteerd door het aanbod in de winkels van Briançon en het feit dat ik de tijd heb om uit te vogelen hoe ik mijn levensstijl binnen mijn budget kan aanpassen. Ik besef me dat dit niet voor iedereen overal hetzelfde is.

Hieronder mijn misbaksels.

Nog nooit zo’n loodzware hartige cake gemaakt. Zeer middelmatig resultaat.
Het leukste aan Seitan is dat het lijkt op hersenen. Dit was mijn derde poging en ‘t werd eindelijk een keer best lekker!
En dit was een enorme kat in de lokale kroeg die er niet vandoor ging met de pizza maar met het breiwerkje.

Niet genoeg

‘Kijk’, zeggen Thibault en ik telkens voor de grap. ‘Ook daar zijn ze de sneeuw vergeten’.

De rotswanden op het zuiden zijn droog. Zelfs voor de pistes van Serre Chevalier halen we onze steenski’s tevoorschijn, oude latten die wel kapot mogen. Regelmatig word ik overvallen door een lentegevoel en hoop ik dat de bloemetjes niet hetzelfde overkomt. Het zou zo zonde zijn als ze nu al hun kop uit de aarde steken.

Het is mijn allereerste winter zonder het fameuze ski-examen dat me midden maart steevast met gespreide kaken opwacht. Een winter waarin ik zinloos en zorgeloos mag dwalen door de absurde, magische besneeuwde wereld die ik met zoveel verwondering ontdekte toen ik berggids besloot te willen worden. Maar er ligt geen sneeuw. Niet genoeg, althans.

Als ik triest ben voor mijzelf en het uitstel van mijn geplande dwalingen, dan ben ik nog veel triester voor de winter. Een paar weken geleden regende het keihard. Als het die paar dagen koud genoeg was geweest, dan had de winter nu met miljarden ijskristallen geschitterd in het zonnetje van de Hautes-Alpes.

‘Is dit nou klimaatopwarming?’, vraag ik aan Thibault, aan mijn vriendinnetje dat voor Natura2000 werkt, aan het internet. Het weer is complex en lokaal karig besneeuwde winters zijn er wel vaker geweest, maar dat het regelmatig zo warm is kan wel degelijk het gevolg zijn van klimaatverandering. Zoiets.

De verleiding om de auto te pakken naar Italië of Chamonix is groot, want bij hen ligt er wel sneeuw en ik droom inmiddels van eindeloze witte afdalingen en die magie, die ongelofelijke magie waar ik het altijd over heb en waar ik dit jaar meer dan ooit naar hunker. Maar tegelijkertijd ben ik boos. Op alle dikke auto’s. Op alle stomme toeristen die hierheen komen vliegen. Op mijzelf en mijn werk in een bar. Op het domme gegeven dat ik in deze tijd geboren ben of skiën zo laat heb ontdekt. Op het feit dat ik kinderen wil en die ook wil laten skiën en dat het toch absoluut niet om mij gaat, maar om de winter en de hoop dat die bloemetjes hun koppen niet vroegtijdig uit de aarde steken, want dat zou zo zonde zijn.

Dit was de enige échte lading sneeuw die we hebben gehad. Twee weken geleden viel er nog zo’n twintig centimeter bij. Komende twee weken is het ‘grand beau’, maar gelukkig niet zo warm.

Helper


Paulo is een lange, stevige, diepdonkere man. Hij slaapt in de wachtruimte op een stoel, direct na de hoofdingang van het centrum, met zijn nek in de knik van een slapende man op een stoel. Als migranten ’s nachts aankloppen, schrikt hij wakker (denk ik, ik ben er ’s nachts niet bij, misschien wordt hij zachtjes wakker van hun voetstappen buiten). Dan brengt hij ze naar een vrije hoek in het gebouw, geeft ze te eten en wat dekens en gaat weer terug naar zijn stoel.

Soms maakt hij schoon. Dan komt onze keukenheldin ’s ochtends aan en is de hele keuken spic en span. Of het hele trapgat.

Omdat de spanningen tussen de Afghanen en Margebanen vaak s’ nachts tot uiting komen, is hij dikwijls getuige van gevechten en weet ons dan ’s ochtends aan te wijzen wie als eerste het mes trok. Laatst werd hij zelf met de dood bedreigt. Waarom? Omdat hij onze helper is, omdat hij tussen beide probeerde te komen, omdat hij misschien niet alles even tactisch oplost. Ze zeggen daarbij dat mensen van zijn kleur gediscrimineerd worden in Noord-Afrika en dus ook in ons centrum.

Wanneer het brandalarm gaat, rent hij zo vlug mogelijk naar de receptie om korte metten te maken met de verschrikkelijke herrie. Daarna gaat hij weer terug naar zijn stoel, een van de redenen waarom we ’s nachts toch een nachtwaker nodig hebben. Men rookt nog steeds binnen, de nooduitgangen liggen vanaf tien uur ’s avonds geblokkeerd met slapende migranten en de bezetting van het gebouw is vier keer groter dan de norm. De verantwoordelijkheid voor de brandveiligheid kan niet alleen bij Paulo liggen, en toch is hij dikwijls de enige die ’s nachts de boel – enigszins – in de gaten houdt.

Hij helpt ons daarbij al maanden, maar we kunnen hem niet in dienst nemen, want hij heeft geen papieren. We geven hem eten en een eigen kamer, en een handvol vrijwilligers financiert hem van tijd tot tijd. Hij heeft vrienden in de vallei, praat en lacht veel met andere migranten, lijkt op grote incidenten na zijn ‘werk’ niet vervelend te vinden en wil niet weg.

Sommige van ons zijn tegen, die vinden zijn werkzaamheden ‘naar slavernij ruiken’. Anderen zeggen dat hetzelfde soort constructie bij anderen in het verleden tot goede dingen heeft geleid, zoals huizing, opleiding en uiteindelijk papieren. Maar de sfeer in het centrum is gespannen en tijd om Paulo anderszins op weg te helpen heeft niemand. Hoe meer migranten en hoe groter onze stress, hoe meer we ook nog eens van zijn hulp afhankelijk worden.

Dus blijft Paulo voorlopig helper bij Refuge Solidaire.

De vraag is natuurlijk of dat wel oké is.  

Dit verhaal schreef ik grotendeels in oktober 2021. Inmiddels maakt de sneeuw en de enorme politiebezetting op de grens het lastig om Briançon binnen te komen. Daarom zijn er momenteel in het centrum zo tussen de 15 en 40 migranten, geen gezinnen, alleen maar jonge mannen, die alle ruimte voor zichzelf hebben (in vergelijking met de 180 van voorheen). Het is er dus rustig, alhoewel de reden voor die rust natuurlijk vragen oproept: waar zijn ze nu, wanneer komen ze wel? Vrijwilligers vermoeden dat de opkomst komende lente net zo extreem wordt als de herfst, alhoewel afhankelijk van de inzet van de grenspolitie.

Ik vermoed dus dat Paulo’s leven in het centrum momenteel relatief prettig is en vragen over zijn status als helper daarom minder urgent. Het is dus afwachten wat de lente hem (en het centrum) zal brengen.

Er zijn momenteel een stuk meer knuffelberen dan kinderen.

Voor de harige vierpoten



Zo’n tien jaar geleden zag ik een felgroen boek in de kast bij Fieke staan. ‘Gaat over de impact van de vleesindustrie op het klimaat’, zei ze. Het heette Dieren Eten en was geschreven door Jonathan Safran Foer. Na het lezen schrapte ik vlees grotendeels uit mijn dieet.

In de jaren daarna was ik soms strikt en soms flexibel vegetariër, tot dat er in 2020 een vrachtwagen vol varkens omviel in Drenthe en ik het dermate jammer vond dat al die knorrige beesten niet massaal hun vrijheid tegemoet renden dat ik mijn eigen occasionele vleesconsumptie een beetje gek begon te vinden. In diezelfde tijd adopteerde ik bovendien Tigrou (overtuigd carnivoor), een chagrijnige harige vierpoot die me verschrikkelijk ongerust kon maken. Ik voelde me direct enorm verantwoordelijk voor zijn welzijn en wist dat ik me op precies dezelfde wijze zou ontfermen over welke andere harige vierpoot dan ook die onder mijn verantwoordelijkheid zou vallen. Als ik dan langs een stel koeien liep, was ik blij hen te kunnen vermelden dat ik hun zusters heus nooit meer zou opeten.

Ik werd dus tevens vegetariër omdat ik niet wilde dat dieren voor mij leden of omgelegd werden.

Nu gebeurde er laatst iets heel onpraktisch. Ik kreeg een mailtje van de Correspondent (online journalistiek platform) over het verschijnen van een podcast van De Rudi & Freddie Show. Die ging over ‘de lessen van 3 maanden vaderschap’, een onderwerp dat me nieuwsgierig maakte omdat er momenteel nogal wat baby’s geboren worden.

Nu vond ik Rudi en Freddie wel gezellig. Daarom luisterde ik er nog wat podcasts bij; eentje over bitcoins waar ik helemaal niets van begreep, een aantal over de Nederlandse politiek en – toen ging het mis – een aantal over de zuivelindustrie.

Wat ik me nu (pas) werkelijk besef, is dat ik weg moet blijven van melkproducten als ik niet wil dat er kalven voor mijn consumptie bij de koe worden weggehaald (vindt koe noch kalf leuk), om vervolgens te worden vetgemest voor de slacht, mits ze zelf niet als melkkoe kunnen dienen (omdat ze bijvoorbeeld een mannetje zijn). Daar had ik natuurlijk eerder over na kunnen denken, maar dat heb ik niet gedaan. Sindsdien zit ik met de gebakken veganistische peren.

Er is daarbij überhaupt veel mis met de zuivelindustrie en de impact van die industrie op het klimaat geeft op zichzelf al een solide motivatie om wat minder zuivel te consumeren. Mochten jullie geïnteresseerd zijn, luister dan naar deze podcast, of juist niet, want het kan onpraktische gevolgen hebben.

Want ik kan er zelf nauwelijks meer omheen: mijn consumptie van melkproducten strookt niet met mijn wens om een zo min mogelijk negatieve impact te hebben op dierenwelzijn (en het klimaat). En dat vind ik best heftig. Een veganistisch dieet volgen is überhaupt vrij ingrijpend, laat staan in een Franse vallei waar het volk ’s winters prat gaat op alle vlees- en kaasgerechten en al moeite heeft met vegetariërs. Daarbij zit ik zelf nog boordevol vooroordelen over veganisten en wil ik absoluut niet ‘die ene zijn die moeilijk doet’. Maar ik kan niet inconsequent mijn voedingskeuzes meer maken. Het houdt gewoon een beetje op.

Dus heb ik twee veganistische kookboeken gekocht en probeer ik het maar.

Hoe het me precies afgaat?

Daar zal ik vast nog wel een aantal blogs aan wijden.

De reden waarom ik er überhaupt over schrijf, is natuurlijk niet (persé) om jullie te overtuigen van de noodzaak om veganist te worden, om reclame te maken voor de Rudi & Freddie Show of om aan te tonen dat ik zo’n verschrikkelijk goed mens ben. Ik doe nog genoeg kwaad (voor details, stuur me een mail) en Rudi en Freddie ken ik verder niet. Natuurlijk vind ik het een interessant avontuur, maar ik denk dat ik al schrijvende vooral de behoefte voel om mijn ingewikkelde, vermoeiende, sociaal-niet-wenselijke keuze uit te leggen.

En nogmaals: voor het hele verhaal en elk mogelijk argument dat ik zelf eventueel zou kunnen hebben (gestolen van mensen die intelligent overkomen), luister deze podcast.

(Credits vooral aan Roanne van Voorst, auteur van het boek Ooit aten we dieren. Zij is het immers die me gedurende de podcast heeft overtuigd en was ook nog eens op een blauwe maandag mijn werkgroepdocent. Dat vind ik dan wel weer leuk. Al vond ik haar doodeng en moest ik allemaal doodenge presentaties geven die me nog steeds achtervolgen in mijn ergste nachtmerries.)

Ik vind dit beest dus onfatsoenlijk schattig. Daar kun je ook vraagtekens bij zetten.

Aan de bar

Het is eerste kerstavond. Op de hoek van de bar is een jongen komen zitten. Omdat het binnen koud is, zo’n 15 graden, heeft hij zijn jas nog aan en reikt zijn muts tot over zijn oren.

Hij is onze enige gast. Ik ga met tegenzin het gesprek aan, want ik ben murw van verveling sinds Covid de Grote Stilte naar onze bar bracht (de klandizie is voornamelijk Brits), kamp mede daarom al dagen met een lek in mijn tank van sociaal enthousiasme voor vreemden en kan toch niet veel anders. Mijn collega is verdwenen in de keuken, de bar is absurd schoon voor het soort vermaak dat wij bieden, de koelkasten puilen uit, we hebben genoeg limoentjes gesneden om cocktails te maken voor de hele vallei.

Na gesproken te hebben over mijn herkomst (Amsterdam) en de zijne (vergeten), begint hij over zijn beste vriendin, die de feestdagen in Briançon doorbrengt en tevens haar ex bezoekt. Die ex is toevallig ook de huisgenoot van de gast aan de bar, en de huisgenoot probeert haar blijkbaar deze eerste kerstavond te heroveren. Ik moet er even over nadenken. Met name omdat ik vermoed dat de ex in kwestie precies dezelfde dame is die volgens getuigenissen afgelopen nacht bovenop mijn verantwoordelijke heeft doorgebracht. Dat zeg ik niet tegen mijn gast.

Techno klinkt luid door de speakers. Mijn collega houdt enorm van techno. Hij komt aanzetten met gefrituurde kip, falafel en ketchup. Ik duw af en toe een falafelbol in de ketchup en buig mezelf over de bar om mijn enige gast te kunnen verstaan.

Die begint enthousiast een inschatting te maken van de kansen van zijn huisgenoot om zijn ex terug te winnen, maar wordt onderbroken door de komst van vier jongens. Ik heb ze al eerder gezien, ze zijn elk een jaar of dertig oud met keurig gekapt haar, dure winterschoenen en een aanwezigheid die me op de een of andere manier tegenstaat. Ik ben in een matig humeur, zij spelen biljard. Na een tijdje zijn ze dronken en vind ik ze eigenlijk wel gezellig. Eentje heeft toevallig een jaar in Maastricht gestudeerd, iets met human rights. Even popel ik om hem te vertellen over de migrantenproblematiek van Briançon waar ik zo verschrikkelijk bij betrokken was, maar dan wantrouw ik mijn motieven en houd mijn mond.  

‘Het zijn rijkeluisjongens’, zegt de gast aan de bar, knikkend naar het gierende viertal. ‘Hoe weet je dat?’, vraag ik hem toch een beetje nieuwsgierig. Hij zegt iets over vijftigbiljetten, ik versta hem slecht omdat de techno hard door de ruimte dreunt of ik zelf ondertussen doof ben geworden. Daarna kijk ik voor lange tijd wezenloos op mijn telefoon, hij ook, mijn collega ook, en spelen de jongens hun biljard.

Even later merk ik dat een van de jongens contact legt met de gast aan de bar. En weer, en weer, en weer. Hij strijkt door zijn blonde lokken, schuift een barkruk aan en gaat op een gegeven moment zo dicht bij de gast zitten dat ik me afvraag of ze flirten. Tot mijn verbazing richt de gast zijn aandacht tot mij en vraagt om een papiertje. ‘Wat voor een papiertje?’ ‘Gewoon, een papiertje.’ Mijn collega is me te snel af en geeft de jongen een blaadje van het notitieblok. Die komt van zijn kruk af en gaat direct naar de WC.

Vragend kijk ik mijn collega aan.
‘Cocaïne’, fluistert hij.
‘Oh’, antwoord ik.

Natuurlijk. Dat had ik kunnen weten. Cocaïne en kerstmis gaan namelijk prima samen.

Een uur later zijn de jongens verdwenen maar zit de gast nog aan de bar, inmiddels omringt door zijn vrienden. Die hebben de nacht ervoor zo hard gefeest dat ze lijden onder hun kater, een reden om limiet onbeleefd te zijn. Ik kan interesse noch sympathie voor ze opbrengen en kijk elke vijf minuten naar de klok op mijn telefoon. Die brengt me gestaag naar mijn verlossing.

Om tien uur zit ik in de auto, om half elf kruip ik bij Thibault in bed. Ik sla mijn armen om hem heen en fluister in zijn slapende oor dat ik volgend jaar toch eigenlijk wel kerstmis wil vieren.



(Misschien schets ik een nogal grim plaatje van mijn werk in een bar, dit was absoluut niet de beste avond. Er zitten goede bij.)

Kiezels


Les Terrasses is de naam van het voormalige bejaardentehuis waar Refuge Solidaire de eerste drie verdiepingen huurt. Zowel de tweede als derde verdieping geeft toegang tot een drietal terrassen waar migranten ’s winters hun sigaret roken en ’s zomers in de zon zitten.

Het terras op de derde verdieping is zo groot als een basketbalveld en ligt vol met kiezels. Misschien was dat prettig of mooi voor de bejaarden, maar migranten hebben er niet zoveel aan (je kan er nu eenmaal niet zo goed op basketballen). Toch hebben de kiezels tot een vorm van amusement geleid.

Drie Afghaanse broertjes tussen de vier en zeven jaar oud verveelden zich op een willekeurige herfstdag in het vluchtelingencentrum en stuitten toen op een terras vol kiezels. Ze vulden elk een handje, liepen naar de rand van het terras, zetten hun voetjes op de onderkant van de stalen balustrade en probeerden een voor een verschillende objecten te raken. De weg lag daar zo’n vijf meter onder. Blijkbaar mikten ze vooral op geparkeerde auto’s van de buurtbewoners, en (godzijdank) niet op voetgangers, fietsers of ander langsrijdend verkeer.

Wij werden van hun spel op de hoogte gebracht door een tweetal buren dat plotseling in de receptie verscheen en getuigde van een wonderlijke kiezelregen. Ze hadden hun auto’s met urgentie moeten verplaatsen. Geen schade. Wij grepen natuurlijk direct de kinderen in de kraag en brachten ze naar hun ouders, wat lang niet zo leuk bleek als het gooien van kiezels op objecten.

Even later stond er daarom nog een buurman op de stoep. In de voorruit van zijn auto zat een enorme barst. Boos was hij niet, verre van. Verlegen misschien zelfs. ‘Ik begrijp dat jullie er niets aan hebben kunnen doen, maar ik ga toch langs de politie, want mijn ruit moet nu eenmaal vergoed worden. Ik heb mijn auto elke dag nodig maar zit financieel ook weer niet zo ruim. Het spijt me op recht.’

Onze verzekering dekte ons niet, waardoor we meer dan 600 euro voor de ruit moesten neerleggen. Aan de kiezels konden we inderdaad weinig veranderen, want geld om het terras te vervangen hadden we niet en als we ze gewoon weg zouden halen, dan zou blijkbaar het gebouw onderlopen bij de eerstvolgende regenval. We konden evenmin de kinderen in de gaten houden, omdat we al nauwelijks de mankracht hadden om het dagelijks leven op correcte wijze te organiseren. Alleen de komst van de winter en een flinke lading sneeuw zou ons kunnen helpen, en die kwam zoals afgesproken zo’n maand later.

Tot onze verassing stond er toen ook iemand anders voor de deur: de buurman. In zijn handen hield hij zijn CV. ‘Ik kom vrijwilligerswerk voor jullie doen. Ter waarde van 600 euro, plan me maar in.’ Hij had er niet van kunnen slapen, zei hij, want Refuge Solidaire had die 600 euro ongetwijfeld zelf nodig gehad, en hij toch ook wel, maar wij misschien nog meer, maar hij ook écht, en de enige manier voor hem om zich er goed over te voelen, was om ons te helpen.

De eerstvolgende keer dat ik hem zag, stond hij in onze keuken boven een enorme pan met groentesaus.

Vandaag denk ik aan duizenden kiezelsteentjes onder een laag sneeuw, de fantastische buurman van Refuge Solidaire en drie Afghaanse broertjes die misschien wel ergens in Europa een klein beetje dat gekke kerstfeest van ons vieren.   

Een deur en een kompas


Sinds ‘het contract’, dat na mijn laatste werkdag bij Refuge Solidaire zo is gaan heten, heb ik moeite met schrijven. Zodra ik achter mijn laptop ga zitten, voelt het alsof ik op het punt sta om een deur te openen naar een gigantische storm met windstoten die me stuk voor stuk op zullen pakken, mee zullen nemen, heen en weer zullen schudden en me uiteindelijk als lapje voor het scherm zullen achterlaten.

Daarom eindig ik meestal op een nieuwssite, of iemands anders blog.

Mijn theorie was aanvankelijk om de deur telkens op een kiertje te zetten en kleine vraagstukjes door te laten. Maar zonder de storm waar ze vandaan komen en deel van uit maken, lijken ze nauwelijks kracht of betekenis te hebben. Wat ik nu denk is dat ik gewoon aan de storm moet wennen (of de deur voor altijd gesloten moet laten, een verleidelijke optie).

Wat is die storm dan? Ik vermoed chaos. Het niet werkelijk begrijpen van ongelijkheid, mijn eigen positie en rol daarin en wat die impliceren voor mijn dagelijks leven, mijn verantwoordelijkheden en het soort persoonlijke toekomst waar ik me zelf goed genoeg over moet voelen.

Ik zeg vaak tegen Thibault: het voelt alsof mijn morele kompas op hol is geslagen. De manier waarop ik gewend ben om te leven en te denken ligt niet meer in lijn met mijn gevoelsmatige polen van goed en kwaad. Daarom kan ik die deur naar die storm (mijn excuses voor al die metaforen, ik kan even niet anders) niet zo lang meer gesloten houden, het is immers best vreemd om toch de hele tijd een beetje te voelen dat er iets niet helemaal meer klopt.

Wat ik misschien even moet vermelden is dat ik sinds het contract mijn ‘oude’ leven weer heb opgepakt. In grote lijnen: ik werk in een bar, studeer, ski en klim. Daarbij werk ik één dag in de week vrijwillig voor Refuge Solidaire, en word ik dus tegenwoordig vergezeld door één gesloten deur naar een gigantische storm en één op hol geslagen moreel kompas.

Natuurlijk piept die deur af en toe open, met alle gevolgen van dien. Wat ik me in de dagen daarna altijd grondig besef is mijn gebrek aan kennis, misschien wel mijn gebrek aan een filosofische basis (is dat nodig?) en in elk geval een groot gebrek aan gereedschap om een soort van positie voor mezelf uit houwen in die grote chaos van een wereld. Het lukt me zelfs nauwelijks om een mening te vormen, nu ik een klein beetje heb ervaren hoe ingewikkeld, chaotisch, oneerlijk en schrijnend het allemaal is.

Voorlopig moet ik het daarom doen met andermans analyses en meningen.

Je zou ook kunnen zeggen dat ik gewoon een beetje in de war ben. Deze gehele blog had ik misschien als volgt kunnen schrijven: Momenteel schrijf ik wat minder want ik ben een beetje in de war.

Verder gaat het overigens wel gewoon goed. Zolang ik kan klimmen en skiën, ben ik nu eenmaal dikwijls blij als een kind. In hoeverre mijn huidige leven echter ‘houdbaar’ is, wanneer de wijzers van mijn morele kompas zich eindelijk zullen kalmeren en vooral in welke stand ze stil komen te staan, wat de werkelijke impact is van het eventueel ‘openen van de deur’, in hoeverre deze metaforen werkelijk staan voor de verwarring die ik voel, dat alles weet ik niet. Het enige wat ik hoop, is dat het me toch lukt om erover te schrijven (met eventuele gevolgen van dien), omdat zelfs een chaotisch verhaal als het bovenstaande me enigszins helderheid geeft in wat er gaande is en toch ook wel een interessante periode weergeeft.

(Metaforen waar ik ook nog aan heb gedacht: de struisvogel en de kop in het zand, het leven in een bubbel en natuurlijk het wel of niet de kop uit de bubbel steken (of de bubbel die spontaan uit elkaar spat)).