Latest Posts

Misschien was het wel een draak

Squeeze komt uit een advertentie op het internet. We hebben hem opgehaald in het Zuiden, vlakbij de kust, bij een vriendelijke dame die op diezelfde dag nog naar balletles zou gaan. Ze had een tuin met lampionnen en vlaggetjes, spirituele zinnen geschreven op het tuinhuis. De pup, een wollige bol die passievol door het gras struikelde, ‘deed al zijn poepjes en plasjes’ en was naar haar mening ‘helemaal in orde’. Vader was naar verluid een blakende Border Collie (min of meer) en moeder liep voor onze voeten: een rasechte Berger Australiën, die overigens niets meer van haar laatst overgebleven pup moest hebben en hem agressief van haar tepels weerde.

Ondanks de geruststellende woorden van de verkoopster brachten we Squeeze naar de lokale dierenarts, om toch maar even te verifiëren of onze pup wel echt vier poten, twee ogen en geen dure medische verassingen met zich meebracht. ‘Maar uw hond bestaat niet’, zei de receptioniste me. Ik keek achterom, waar de bibberende bol wol ontegenzeggelijk op de schoot van mijn moeder zat. ‘Wanneer is hij geboren?’ Ik was de datum vergeten. ‘Wie is de eigenaresse van de moeder?’ Ik kende alleen haar voornaam. ‘Wist u dat bij verkoop van een pup verplicht een gezondheidscertificaat geleverd moet worden?’

De verkoop van Squeeze verliep duidelijk niet volgens het boekje, maar na een hoop fronzen en getik op de computer mocht hij toch op consult. Hij woog 4,1 kilo, onderging zijn vaccinatie stilletjes, bleek kerngezond en verkreeg, na twee maanden officieus door het tuintje van een dorpeling gebanjerd te hebben, tevens zijn recht op bestaan (via een paspoort).

Een dag later liep het beestje twijfelend, trillend en piepend door de grassprieten om het huis in La Vachette, nooit een meter verwijderd van onze voeten, diep onder de indruk van wat bewoog of niet bewoog.

Maar goed, alles went. Inmiddels rent hij licht gestoord van obstakel naar obstakel, kluift op alles dat binnen zijn kleine kaakjes past, vecht grommend met het knuffelvarken én mijn kuiten, eet wat op de vloer ligt (een scan van zijn ingewanden zou zorgwekkende objecten weergeven) en valt dan uitgeput op de grond, om het geheel een uur later weer te herhalen. Wat niet mag, is het allerleukst. Daarom vraag ik me soms toch af wie die vader nu eigenlijk precies was. Ik bedoel, we hebben hem nooit gezien. De verkoopster zei misschien ‘het is een Border Collie’ maar misschien was het wel een draak. Die had immers niet misstaan in haar tuin. Soms denk ik al rookwolkjes tussen die kleine kaakjes vandaan te zien komen. Misschien heeft de dierenarts zijn vleugeltjes wel over het hoofd gezien, onder al dat wol, en vinden we Squeeze straks terug bovenop de koelkast.

Ik zal toch de lengte van zijn staart in de gaten blijven houden.

Traumaverwerking

Drie jaar geleden beklom ik een sneeuwcouloir met vier tochtenmaatjes. Twee daarvan zou ik verliezen, die vielen voor mijn ogen de diepte in.

Ik had zelf natuurlijk net zo gemakkelijk meegenomen kunnen worden door de steenlawine die het hele couloir die middag in beslag had genomen, wat de hele tijd maar niet leek te gebeuren en uiteindelijk ook niet zou gebeuren. Daardoor ging ik dus niet dood.   

Niet doodgaan is iets waarmee ik nooit eerder heb moeten leren omgaan. Een confrontatie met andermans vroegtijdige dood evenmin. Twee jonge vrouwen met een toekomst zo kleurrijk en vanzelfsprekend als het mijne en dan plotseling twee lichamen, twee families om het aan uit te leggen, twee begrafenissen, twee keer de vraag waarom zij wel en ik niet.  

En dan was er ook nog de verwarring die volgde toen mijn grote droom van een bestaan in en met de bergen tot zo’n groot gedeeld drama had geleid.

Afgelopen drie jaar waren bij vlagen heel ingewikkeld. Waar het leven enerzijds gewoon doorgaat, heb ik nog steeds het gevoel dat hetgeen dat binnenin mij in verandering is gezet op de dag van het ongeluk, nog steeds aan de gang is, en dat ik dus nog steeds diegene aan het worden ben die vooral niet meer diegene is die ik voor het ongeluk was. Misschien zie ik het wel onterecht als proces waar een einde aan zit. Het omgaan met die reële maar moeilijke, oneerlijke, irrationele en eindige kant van het leven, zal misschien voor altijd een wending blijven geven aan wat ik doe en wie ik word.

Wat ik echter nu pas heb geleerd en ervaren, is dat een deel van de impact en lading van het ongeluk voor mijzelf, met behulp van therapie, toch een stuk gewicht heeft kunnen verliezen. Die therapie ben ik twee maanden geleden begonnen specifiek voor mijn toekomst als berggids, om te kijken of ik om zou kunnen leren gaan met angsten in de bergen die ik sinds het ongeluk had. Met mijn psycholoog heb ik inmiddels de traumaverwerking (EMDR) afgerond en hoewel ik nog niet heb getest hoe ik in het hooggebergte functioneer, voelt het alsof er een enorme donderswolk uit het landschap van mijn dagelijks leven is verdreven.

De bergen lijken eindelijk weer, dankzij de therapie (vraag me niet hoe het kan), op de giganten waar ik in mijn jeugd verliefd op werd, waar tussen ik me zo sterk en zo natuurlijk had gevoeld. Mijn puzzelstukje valt weer op zijn plaats.

Ik heb natuurlijk eerder over therapie geschreven, maar deed er nogal lang over om werkelijk het initiatief te nemen tot het vinden van een psycholoog waarbij ik me goed voelde. Ik dacht het misschien toch zelf op te kunnen lossen (verre van), had als overlever het gevoel dat ik ook eigenlijk niet moest zeuren (ik had immers al mogen doorleven), had als alpinist bovendien de keuze voor het risico bewust gemaakt (waardoor ik ook in staat zou moeten zijn geweest om met de gevolgen van die keuze om te gaan) en was er in alpine context van overtuigd dat ik, zoals alle klimangsten, door gewoon maar ‘te doen’, eroverheen zou komen.

Misschien zag ik vooral, denk ik inmiddels, heel erg op tegen een duik terug in het moeilijkste stukje van mijn verleden.

Uiteindelijk gaven naasten me een cruciaal zetje in de rug. Daar ben ik bijzonder dankbaar voor. Zonder de therapie was ik zowel in mijn gewone als professionele leven op belangrijke vlakken gestagneerd.

Het schrijven van een soort van optimistisch verhaal over de tijd na het ongeluk komt natuurlijk altijd met het besef dat beide meisjes die tijd in zijn geheel niet meer hebben kunnen meemaken. Wat zij zelf de afgelopen drie jaar hadden kunnen doen, wie zij hadden kunnen worden, geeft duizend paden aan gedachten die moeilijk en verdrietig zijn om af te lopen. Hun familie en vrienden moeten bovendien al drie jaar lang zonder hen voort en ik geloof niet dat het gemis er makkelijker op wordt.

Ik wil deze blog daarom graag afsluiten met een gedachte aan de tijd die ze wél met ons hebben kunnen doorbrengen. Een moment voor Céline en Elise.

Te veel gedronken

Thibaults peetoom kwam op bezoek en wilde ons graag mee uit eten nemen. Omdat pizza’s in Italië vaak goedkoper en lekkerder zijn (want Italiaans), opperde Thibault om een restaurant over de grens te zoeken. Die ligt op een kwartiertje van ons dorp.

Samen met de vrouw van de peetoom stapten we in een nette rode familieauto, Thibault en ik als kinderen op de achterbank. Zo reden we de berg op en de grens over. Daar zag ik iemand vlak naast de berm met een verrekijker en tikte Thibault aan. De man richtte het apparaat op de bergflanken van de vallei van Montgenèvre, de bossen en kunstmatig ondergesneeuwde pistes in het schemerdonker. Als hij bergschoenen aan had gehad, een beige broek en een hoed, dan hadden we kunnen geloven dat hij zocht naar marmotten, een wolvenroedel of een verloren schaap. Als het mijn vader was geweest, dan had hij misschien ondanks het donker nog de lagen in het gesteente willen onderscheiden. Maar de man droeg een donkerblauwe broek en een donkerblauwe jas en zocht naar vluchtelingen.

Het was dinsdagavond en laat in het skiseizoen. De Italiaanse dorpen lagen er stil bij en pittoreske restaurantjes leken vooral te zijn opgericht in Thibaults waanbeeld van de naburige valleien in Italië. Daarom reden we door en door, tot we enigszins verward Sestrière binnenrolden, een skistation dat als een verzameling vervallen, grotendeels potdichte, verbazingwekkend lelijke appartementencomplexen op ruim 2000 meter hoogte uit de grond stak. Sneeuw lag alleen op de pistes, ook hier had de winter het afgelaten.

Zo snel als hij kon keerde de peetoom zijn auto en reden we terug langs dezelfde reeksen stille huizen, tot we een groep mannen ogenschijnlijk vastbesloten een dorp in zagen lopen en de auto vlug parkeerden. Zodoende vonden we een restaurant.  

Het was toch een goed idee van Thibault geweest, want pizza in Italië, en dan vooral de verse mozzarella, en de tomatensaus, en het deeg, en de tiramisu na afloop, bleek een kleine gemotoriseerde dwaling door het buurland meer dan waard. Zelfs een uitzondering op kersverse principes.

Omdat de Italianen onze Aperol Spritzen leken te hebben gevuld met alleen Aperol en Prosecco, en zowel de vrouw van de peetoom als Thibault de eigen niet op hadden kunnen krijgen, zat ik vrolijk toch zeer slaperig achterin de auto en zag donkere bergen gestaag voorbijglijden. Vlak voor de grens deelde mijn vriendje zijn standaardgrap met zijn peetoom: ‘geen zorgen, we zijn allemaal blank. En’, voegde hij eraan toe, ‘we zitten vanavond ook nog eens in een keurige auto.’  

De keurige auto werd toch tot stilstand gemaand. Net op dat moment sprong de radio op vrij luidde techno waardoor Thibault en ik naar voren moesten buigen om de agent te verstaan.
Hij vroeg aan de peetoom wat we in Italië hadden gedaan.
‘We zijn er gaan eten’, antwoordde de peetoom. Thibault voegde eraan toe dat het eten in Italië lekkerder en goedkoper was. Daar moest de agent om lachen. Ik zag vluchtig de mozzarella voor me, hoe het zachte hart bij het opensnijden naar buiten was gestroomd.  
‘Hebben jullie iemand op de route gezien?’ vroeg de agent.
‘Nee’, zei de peetoom.
‘En jullie kofferbak is leeg?’
‘Ja’, zei de peetoom.

We mochten doorrijden. Ik vroeg me af hoeveel vluchtelingen je in een kofferbak zou kunnen laden. Dat hing ongetwijfeld af van hun leeftijd.

Misschien was de agent vooral op zoek geweest naar smokkelwaar of drugs, maar daar hadden we blijkbaar ook niet echt het profiel naar gehad.

‘Of we iemand op de route hadden gezien’, herhaalde ik een half uur later naast Thibault in bed. Ze refereerden dus toch naar vluchtelingen als mensen, maar dan wel mensen die ons hadden moeten opvallen. Ze hadden vast niet gewild dat we die avond alle bleke Italiaanse passanten bij hen rapporteerden, of Fransen zoals wij, die hadden gezocht naar pizza. Op welk antwoord hadden ze dan wel gehoopt?
“Ja meneer, twintig stuks.”
“Hoe zagen ze eruit?”
“Als Syriërs, meneer. Afghaans. Diep donker zwart. Fit, hoogzwanger, oud, op de schouders van papa. Gek gekleed. Bang, moe. Op slippers. Met tassen. Op zoek. Op de vlucht. Vanavond voor jullie, daarom verstoppen ze zich achter de derde prullenbak links.”

En toen stroomde alle Aperol Spritz plotseling in krokodillentranen over mijn wangen. ‘Wat is er?’, vroeg Thibault.
‘Te veel gedronken.’
En acht uur later begon een nieuwe dag.

Het uitklimmen van een 8a


Klimmen is fantastisch. Ik vind het de allerleukste sport die bestaat (naast alle andere allerleukste sporten zoals skiën, bergbeklimmen en breien).

Mijn intrinsieke motivatie is dus enorm.

Wat me echter opvalt is dat ik afgelopen jaren nauwelijks vooruit ben gegaan wat betreft mijn sportklimniveau. Ik ben beter gaan klimmen (want dat krijg je nu eenmaal met meer ervaring) maar stagneer toch in de zeventjes.

Dit jaar gaat dat veranderen. Want ik heb zin om de nadruk op het sportklimmen te leggen; zin om mijn spierbundels, discipline en doorzettingsvermogen te testen, nieuwe bewegingen en technieken te leren en mijn angstige brein uit te stoffen (nieuwsgierig naar de monsters die zich daar onder het bed verschuilen).

Hoe doe ik dat? Door een absurd hoog doel te stellen en mijn externe motivatie te vergroten.

Het doel is het uitklimmen van een 8a voordat de eerste sneeuw valt.

De externe motivatie komt in vorm van een beloningssysteem dat ik bewust met jullie deel (sociale druk) en er als volgt uit zal zien:

Na het klimmen van een … krijg ik van mezelf:

7a :        Skylovers bolletjes wol van We Are Knitters om een trui te breien
7a+ :      Een bosje bloemen
7b :        Een tatoeage op mijn rechter bovenarm (van een piraat, ILOVEMAMA of een doodshoofd, ik twijfel nog).
7b+ :      Een mooie bos bloemen
7c :         Een concert in Turijn met vriendjelief
7c+ :      Een enorme bos bloemen
8a :        Een jurk van Reformation

Hoofdprijs

De vraag is nu natuurlijk welke concrete tactiek (gevoed door mijn externe motivatie) ik precies ga hanteren om in niveau te stijgen. Ik denk zoiets: met werkelijke regelmaat klimmen, mezelf vastbijten in projecten, analyseren waar het fysiek en mentaal stokt en proberen daar oplossingen voor te vinden.

Misschien ontdek ik zodoende waar mijn limiet ligt en waarom het moeilijk is om daar bovenuit te klimmen. Of misschien ontdek ik dat een jurk van Reformation fabuleus samengaat met twee absurd gespierde schouders.

Natuurlijk zal ik jullie op de hoogte houden van mijn progressie en stagnatie.

Lijkt het op een jacht?

Heb ik jullie wel eens verteld hoe vluchtelingen hier in Briançon aankomen?

Ik heb het nu natuurlijk over de vluchtelingen met een kleurtje, want de anderen pakken gewoon de bus of de trein en worden dan met open armen ontvangen in Nederlandse gezinnen en de kinderen mogen naar school en dat komt allemaal in de krant.

De vluchtelingen hier moeten de bergen over. Ze zijn al maanden of jaren onderweg en komen dan aan bij de grens tussen Italië en Frankrijk. Tussen de laatste bushalte in Italië en Briançon ligt een col. Daarover loopt een geasfalteerde weg en, iets daarnaast in de bossen, een onverhard pad van een meter of twee breed. Het wemelt er van de politie (met warmtecamera’s).

De vluchtelingen reizen ’s nachts, want dan vallen ze minder op, en ze nemen de weg noch het pad. Hoe hoger ze namelijk de bergen intrekken, hoe meer kans ze hebben om ongezien in Frankrijk aan te komen. En hoe gevaarlijker het is, want de rotswanden zijn steil en het donker is precies zo zwart als een nacht in het bos voor ons zou zijn.

Mannen, vrouwen en kinderen dwalen hier tussen zonsondergang en zonsopkomst door de bergen, op kwetsbaar schoensel, slecht uitgerust, al hun bezittingen in een tas, waarvan een deel verhalen meedraagt die ons met ’t juiste beeldmateriaal zou doen huilen voor de televisie. Ook bruine ogen in paniek zijn aangrijpend.

Is er wel eens een vluchteling hier in de bergen doodgegaan? Ja.
Verstopt de politie zich achter de bomen? Ja.
Wordt er achter vluchtelingen aangerend? Ja.
Lijkt het op een jacht? Ja.
Lijken de vluchtelingen hier op beesten? Nee, ze lijken op mensen.

Het is fantastisch dat Europa bereid is om op zulke grote schaal Oekraïners in nood op te vangen, en burgers die vluchtelingen in hun huis opnemen hebben naar mijn mening een groot hart. Ik heb er zelf geen in mijn logeerkamer.

En toch voel ik de drang om aan te geven dat de jacht op de anderen ondertussen gewoon doorgaat.

Shampooblokje

Een paar maanden terug stond mijn badkamer vol met plastic flessen die ik eens in de zoveel tijd weggooide om er nieuwe voor in de plaats aan te schaffen. Ook lagen er scheermesjes, wattenstaafjes, deodorantbussen, tandpastatubes en toiletpapier in verpakking.

Het is alweer (of pas, hoe je het ook wil bekijken) anderhalf jaar geleden dat ik een minder-afval avontuur startte en in bulk alle grote etenswaren (rijst, pasta, koffie, etc.) begon in te kopen. Tot mijn grote plezier mocht ik daar van mezelf allerlei mooie bokalen voor aanschaffen, die nog steeds op het keukenblad trots hun functie vervullen. Mijn afvalproductie nam toen af, maar nog steeds loop ik regelmatig met een volle afvalzak naar de container. De analyse van mijn prullenbak zal ik met liefde een keer op mijn blog uitvoeren (ik ben stiekem wel nieuwsgierig, jullie misschien niet zozeer). In elk geval sloeg ik toentertijd mijn badkamer grotendeels over omdat ik er gewoon niet echt aan had gedacht. Toen Fieke me laatst enthousiast vertelde dat ze haar eigen badkamer bijna afvalvrij had gemaakt, realiseerde ik me dat ik nog een lange weg te gaan had.

Hier in de vallei hebben we ontzettend geluk met een biologische winkel genaamd Biocoop die het ‘in bulk’ en afvalvrij kopen zowel gemakkelijk als verleidelijk maakt. Zo kan ik toiletpapier rol per rol in mijn karretje leggen, zijn vrijwel alle schoonmaakproducten uit een kraantje in het eigen flesje te tappen, verkopen ze tandenborstels met een vervangbare kop en deodorant in compostbare tubes, kan ik kiezen uit verschillende kleuren afwasbare wattenstaafjes (het idee vind ik een beetje vies, maar daar zal ik me vast overheen zetten) en ziet het er alles bij elkaar heel mooi uit. Het is ‘t land van levensgrote gevulde bokalen, ik zal er eens foto’s van maken.

Wat betreft shampoo was ik echter sceptisch. Alle biologische shampoos en conditioners die ik tot dan toe had geprobeerd vond ik niet ‘prettig’ (ik ben een verwend luxebeest wat betreft mijn haar). Toen Fieke sprak over een solide shampoo besloot ik direct dat ik die maar over zou laten voor een volgend ecologisch verantwoord leven. Maar toen kende ik de wereld van de shampooblokjes nog niet. En zeker niet het Enge Internet. Die schoof me plotseling allerlei reclames voor afvalvrije badkameropties onder de neus zonder dat ik er specifiek naar gezocht had (nogmaals, internet is eng) en wees me op allerlei prachtig gekleurde blokjes met alleen maar natuurlijke ingrediënten en miraculeuze uitwerkingen die twee keer langer mee zouden gaan én zonder plastic verpakking geleverd konden worden.

Ik ben de eerste om toe te geven dat je met een blok Savon de Marseille vast net zo goed je haar kunt ontvetten en de aankoop van welk lekker geurend veel belovend net iets te duur maar afvalvrij product technisch gezien overbodig is en bijdraagt aan de voetafdruk. Maar wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: een shampooblokje is leuk. Kijk nou die kleuren.



Ik heb ze natuurlijk ook getest en ze werken goed. Het ruikt lekker en ik vind ’t allemaal zo leuk dat ik zin heb om drie keer vaker en tien minuten langer mijn haar te wassen en me erg moet inhouden wanneer ik voor andere schoonmaakprojecten (het wassen van mijn oksels) onder de douche sta, oog in oog met al dat kleurrijke goed.

Maar wat ik vooral wil zeggen is dat de uitdaging om minder afval te creëren leuke kanten heeft, zoals mooie bokalen, kleurrijke zeepjes, zelf goed worden in dingen maken (humus, deodorant), het immense plezier van het poken in de compostbak om te zien hoe ver de bananenschil heen is (ik ben een compostvoyeur), minder ruzie over wie het afval wegbrengt en een algeheel licht gevoel, veroorzaakt deels door kilo’s afval minder per maand, deels door opluchting wanneer ze weer eens schrijven over plastic in zee of andere soort onheil.

Mijn badkamer is inmiddels afvalvrij, op een tube zonnebrand en het scheermesje na. Want epileren vind ik pijnlijk en ik ben er nog net niet aan toe om mijn ware harige zelf aan de wereld te tonen, zelfs al is ‘t voor het klimaat.

19 maart is het trouwens Digital Cleanup Day. Om zeg maar van de belastende rotzooi in onze mailbox en laptop en dergelijke af te komen. Neem vooral een kijkje (het is een mooi initiatief en heeft – in mijn geval – hoog wakkerschuddend vermogen) !

Instagram II



Voor de tweede keer in mijn leven opende ik afgelopen week een Instagram account. Ik wilde namelijk meer aandacht trekken voor mijn blogs en had bovendien last van een onrustig hart dat haar mooie en minder mooie ontdekkingen graag wilde delen.

(Na dagenlang hevig fotoshoppen voelde ik daarbij een sterke drang om mijn nieuwe billen en borsten in zeer krappe bikini aan de wereld te tonen. Die borsten en billen zijn natuurlijk van gerecycled plastic, 100% vegan en kunnen na afloop bij het compost.)

Ik heb inmiddels drie publicaties en voel ik me ongeveer zo cool als een knutselwerkje aan de waslijn in de kleuterklas. En toch zet ik door. Ik heb namelijk gekozen voor het Thema Groen en ben nieuwsgierig of dat uiteindelijk leuk uitpakt.

Het blijft een platform waar ik voorzichtig mee moet zijn, net zoals Facebook. Gedachteloos ronddwalen over accounts met alle mooie dingen uit andermans leven inspireert me niet, maar maakt me (zoals blijkbaar wel meer mensen) ongelukkig. En mijn eigen account mag alleen maar blijven voortbestaan zolang mijn eigenwaarde er niet mee verstrengeld raakt.

Dat lijkt voorlopig nog niet het geval.

Dus hier komt het: willen jullie me volgen? Dit is mijn Instagram: https://www.instagram.com/rubyelizabethdewitte/?hl=fr

Een klein huis


‘Over dat het ook anders kan’, daar denk ik aan als ik het project wil samenvatten dat Fieke, mijn beste vriendinnetje, deze week begint.

Wat is ‘het’, in dit geval?

Misschien een alternatieve uitstippeling van de toekomst van een 30-jarige? Of precies wat het is: een klein huis.

Een Tiny House, zeggen ze ook hier in Frankrijk, maar wij Nederlanders moeten over het voortbestaan van onze taal waken en dus zeg ik toch ‘een klein huis’.

Mensen die het concept kennen, hebben ze vast al in verschillende soorten en maten langs zien komen. Kijk maar eens op YouTube.

Een klein huis is de hippe variant van een woonwagen, met veel aandacht voor praktische details, vaak bijzonder stilistisch. De inperking van woonruimte maakt deel uit van de beweegredenen om zo’n huis in elkaar te zetten: kleinbouwers willen het doorgaans met minder doen. Geen onnodige spullen. Het hele ding staat op wielen en wordt het liefst voor lange tijd geparkeerd op een terrein in een natuurlijke omgeving. Buitenleven is immers ook deel van de motivatie. Hoe minder ruimte je binnen hebt, hoe meer je naar buiten toetrekt voor een werksessie op de picknicktafel of een thee in de zon in het gras.

Sommige kleinbouwers maken er een modern paleis van met geïntegreerde Macbooks en het bed dat via een knop uit het plafon komt dalen, anderen concentreren zich vooral op een autonoom bestaat: onafhankelijk van het water- en elektriciteitsnet, met een composttoilet, zonnepanelen, biogas en een ton voor het opvangen van regenwater. Kortom, een kleinere voetafdruk.

Wat natuurlijk ook meespeelt is het feit dat, alhoewel een behoorlijke investering, het kleine huis in deze tijden van huizencrisis een mooie optie is voor mensen die op de normale woningmarkt niet meer terecht kunnen.

(Al moeten gemeentes wel bereid zijn om de kleine huizen in hun landschap te tolereren. Zelfs op eigen bebouwbaar terrein zijn kleinbouwers niet altijd welkom omdat hun prachtige kleine woningen niet voldoen aan de bouweisen van de regio (puntdak, hout, juist georiënteerd).)

 
Nogmaals, om een idee te krijgen van een klein huis en hoe mooi die dingen kunnen worden, nodig ik jullie wederom uit op YouTube.

Nu, over Fieke. Die is niet weggelegd voor het padje dat de meeste mensen aflopen, daar krijgt ze verschrikkelijke kriebel van. Leven in een steeds groter huis met meer en meer spullen om daar heel hard voor te werken, klinkt voor haar allesbehalve aantrekkelijk.

Af en toe moet het in haar leven gewoon weer even anders. Ergens anders, een nieuwe uitdaging, iets dat beter past bij haar binnenwerkje, dat constant in ontwikkeling is. Toch wil ze inmiddels best graag een eigen nest (denk daarbij niet persé aan kinderen, dat kan net zo goed een eenpersoonsnest voor een prachtige autonome vogel zijn), en zie hier de oplossing: een klein huis op wielen, dat ze helemaal zelf in elkaar zal zetten. Met respect voor het klimaat en de belofte van een kleine voetafdruk in de toekomst, want daar maakt ze zich zorgen over.

De uitdaging is overigens echt heel groot, omdat Fieke geen huizenbouwer van beroep is en er nu toch echt eentje gaat bouwen.

Omdat ik haar aanstaand avontuur heel bijzonder vind, wil ik de verschillende etappes graag met jullie delen. Natuurlijk hoop ik dat ook zij de tijd vindt om af en toe een stukje te schrijven, en ik heb al een suggestie voor een titel van haar eerste verslag: Ik heb blijkbaar besloten om een klein huis te bouwen en sta nu in een loods in de Drôme voor een enorme stapel hout.

In alle eerlijkheid is Fieke al maanden aan het tekenen, zien haar plannen er onfatsoenlijk professioneel uit, zijn de juiste materialen al gewoon besteld en staat ze er bovendien niet helemaal alleen voor. Meer inzicht in deze eerste fase van de constructie van het kleine huis volgen binnenkort.

Maar nu eerst: lieve Fieke, succes! 

Website Fieke met een eerste update :
https://fiekedegoede.wordpress.com/

Al dertig jaar

Tijdens het studeren ‘s ochtends probeer ik vast te stellen wat ik zou doen als ik hem tegen het lijf zou lopen. Als hij net als Covid plotseling op de stoep zou staan en aan zou kloppen. Goedemiddag, hier ben ik, met een hoge doses totaal vermijdelijke misère omdat ik nu eenmaal een heel enge, vervelende man ben.

De naam Poetin lijkt in het Frans naar mijn mening erg op putain en ik gebruik dat laatste woord af en toe per ongeluk als scheldwoord. Poetin, putain, poetain, poet, poet, poet, zeg ik in de auto op weg naar werk.

Mijn bek valt open als ik die middag op het terras aankom. De buitenbar staat vol met champagneflessen van meer dan honderd euro per stuk. Daarachter zie ik mijn bazen in joviale stemming. Serre Chevalier is dit jaar 80 jaar geworden en die avond komt The Avener optreden. Er wordt uitgegaan van een mannetje of 8000 en vooral heel veel geld in het laadje.

‘Het is oorlog’, zeiden kranten en media die morgen nog, bronnen die ik gewend ben serieus te nemen. Maar alhoewel de bommen dit keer vallen op ons eigen continent gaat het leven natuurlijk nog steeds gewoon door en ren ik als een bezetene in de rondte om zoveel mogelijk worstenbroodjes en bier te verkopen. Mijn collega’s zijn ontzettend gestrest. Tegen elf uur ’s avonds zijn de klanten stomdronken. Allemaal tieners, jonge twintigers. Misschien hebben ze gelijk en moet ik ook maar een biertje achteroverslaan. Toch voelt het alsof hun toekomst meer op het spel staat dan de mijne en zij eigenlijk zenuwachtiger zouden moeten zijn dan ik. Ik heb er al dertig vredige jaren opzitten.

Op weg terug naar huis heb ik zin om me aan die vrede vast te klampen, er volledig mee vervlochten te raken, mijn hele lichaam en mijn hele geest.

En toch is het mijn oorlog (nog) niet. Ik hoef niet naar een metrostation om te schuilen voor bommen die op mijn stad vallen, of te vluchten, of in dienst, of te denken aan mijn vrienden en familie die eventueel ook onder schot staan. Ik heb wederom, vooralsnog, de luxe om slechts mee te voelen met de mensen die dat wel allemaal moeten.

Dus dat doe ik dan maar.

Zakjes met Urine


De eerste zin van de eerste mail die ik maandag 4 oktober opende, luidde als volgt: “Je vous informe que des clients ont laissé des sachets d’urines et d’autres détritus ce matin à bord de l’autocar assurant le départ de 9h de Briançon gare “

Heel vrij vertaald: ik stel u op de hoogte van het feit dat klanten vanmorgen zakjes urine en ander afval achtergelaten hebben in de bus, vertrokken van station Briançon om negen uur.

Die klanten waren migranten, legde de communicatiemedewerker van het busbedrijf iets verder in de mail aan ons uit.

Fronsend keek ik naar mijn scherm. Wat vervelend voor die buschauffeur dat hij na zijn lange werkdag zakjes plas moest oppakken en weggooien. Maar wat moest ik daarmee? Of Refuge Solidaire?

Migranten in Briançon zijn meestal makkelijk te herkennen: ze dragen gekke kledingcombinaties, spreken (vaak) geen Frans en hebben een kleurtje. Wij werken met dit soort migranten, maar dat betekent niet dat alle migranten bij ons langskomen. We kunnen al moeilijk de verantwoordelijkheid dragen voor het gedrag van de migranten die in het gebouw overnachten, laat staan voor diegenen die we nooit hebben gezien of er alleen maar op lijken.

Maar goed, natuurlijk was de kans natuurlijk groot dat het ‘onze’ migranten waren geweest. Daarom voelden we ons vanaf die dag genoodzaakt om tegen elke vertrekkende migrant te zeggen dat ze niet in de bus in plastic zakjes mochten plassen en vroegen we ze vlak voor vertrek, alsof het kinderen van vijf waren, of ze niet eerst even wilden plassen voor de grote reis.

Het deed me denken aan een ander incident van een paar weken daarvoor. Een vrouw belde ons op met de mededeling dat haar beide mountainbikes waren gestolen. Ze had de daders op de foto genomen en bovendien ‘gezien dat het migranten waren’. Even later kregen we de foto’s binnen via de mail: twee jonge jongens op twee mountainbikes. Herkende wij ze? Hadden wij de fietsen gezien?

De vrouw leek in eerste instantie alleen op zoek naar haar fietsen en dat was begrijpelijk. Dus liepen we een rondje om het gebouw. Maar de gezichten op de foto’s herkenden we eigenlijk al niet: ze waren donkergekleurd en zoveel donkergekleurde migranten hadden we op dat moment niet. Een van ons zou ze vrij direct herkend moeten hebben en dat was niet het geval; we waren er dus vrij zeker van dat het niet ‘onze’ migranten waren geweest (of überhaupt geen migranten, in dit geval best plausibel).

Toen er geen spoor van de fietsen te vinden bleek, werd de mevrouw toch boos op ons en vroeg wat we eraan gingen doen.

Niets. We konden er niets aan doen. Vervelend voor haar fietsen.

Het zijn relatief kleine incidenten die ik tegelijkertijd op honderd manieren verschrikkelijk complex vind. De aannames die mensen maken, het gemak waarmee ze incidenten op Refuge Solidaire afschuiven (het blijkt vaker te gebeuren), de eventuele last van de migrantenproblematiek voor een klein bergstadje als Briançon, het begin en einde van de verantwoordelijkheid van Refuge Solidaire, onze (dubieuze) uitdaging om de wisselende migrantenpopulatie zo onzichtbaar mogelijk te maken, honderden vredige migranten die precies vanwege hun stille aanwezigheid nauwelijks in beeld komen, het feit dat er in dergelijk grote groepen mensen nu eenmaal altijd een paar zitten die het niet helemaal of helemaal niet begrepen hebben, maar dat het onaangepaste of criminele gedrag van de één (gekleurd, komt van ver, op zoek naar een beter leven) niets zegt over de aard of het potentieel van de andere duizend (gekleurde mensen die van ver komen en zoeken naar een beter leven), de uitdaging om migranten als individuele mensen te zien of te laten zien en ga zo maar door.

Ik vind ’t allemaal bij elkaar zo lastig dat ik niet eens meer goed en wel kan vaststellen hoeveel medelijden ik nou met die buschauffeur moet hebben. Zolang het misschien bij zakjes plas blijft…