Latest Posts

Het drama van de dertigjarige vrouw


Al vanaf mijn veertiende brengen verjaardagen de crisis van het ouder worden. Sinds mijn denken enigszins op gang is, ben ik me tergend bewust van de voordelen van onwetendheid, roekeloosheid en onverantwoordelijkheid. Ik wil niet terug, maar alles dat me dichter bij het drama van de dertigjarige vrouw brengt maakt me dieptreurig. Ik ga mijn creativiteit vastbinden met ductape. Eenieder die zich waagt aan mijn vertrouwen en optimisme stuur ik mee naar Spanje. Ik heb back-up van honderd zwarte pieten, elke verjaardag, hoe oud ik ook word.

Ik vind het mooi om te zien hoe mijn vrienden steeds noemenswaardiger worden. De tijd brengt ons persoonlijkheden. Toch, vanuit een duistere invalshoek, brengt de tijd me dit jaar eenentwintig niet uitgevonden eieren. Een ei per jaar. Ik had een tophockeyende soulartiest met Braziliaanse kinderen, bestsellers en een grote gekleurde pappagaai kunnen zijn.

De eerste pepernoten herinneren me eraan, maanden voordat ik jarig ben. Wanneer de Albert Heijn vol kinderschoenen staat weet ik dat Sinterklaas is gearriveerd, met de crisis van het ouder worden in de juten zak van zijn zwarte pieten.

Maar dit jaar heb ik wél een ei uitgevonden. En dat is het ei der besef van daadkracht. Ik word geen treurige dertiger wanneer ik geen treurige dertiger wil worden. Ik word gewoon heel blij, altijd, ongeacht hoe vaak ik Sinterklaas al aan wal heb zien stappen. Dus nu ga ik pepernoten eten en een feestje vieren op de beat van de zwarte pietenrap.

Ik heb het niet kunnen vermijden: vandaag ben ik dertig geworden. Daar stel ik mijn 22-jarige zelf natuurlijk bijzonder mee teleur.

Ik vind het zelf wel leuk.
Zo leuk dat ik zelfs een feestje heb gevierd (met allemaal andere treurige dertigers).

Liever word ik ouder. Het bevalt me wel. Ik ben dankbaar, blij en nieuwsgierig.

Op naar het drama van de veertigjarige vrouw.

De enige juiste manier om jarig te zijn: met Fiek in de sneeuw.

De Franse Jatpiet



Rommelpiet had de hele klas overhoopgehaald. Stoeltjes waren omvergelopen, de grond lag bezaaid met legoblokjes en Zondag volgde gek genoeg op Dinsdag. Het was 18 november en ik bracht een ochtend door tussen zestien uitgelaten kleuters onder de hoede van mijn moeder, in groep 1/2 van een basisschool in Hoofddorp. En het wás nogal een ochtend. Disco-sinterklaasmuziek klonk al door de aula om een uurtje of acht. Rommelpiet had ook de tafels op de kop achtergelaten en zelfs per ongeluk alle schoentjes verstopt, maar tot ieders opluchting was het tevens in hem opgekomen om in elk schoentje een chocoladesinterklaas te stoppen.

Hoe leg je dit nou uit aan je Franse vrienden? Ze weten vaak niet eens dat Sinterklaas bestaat (en wij in Nederland grotesk zijn verjaardag vieren). Meestal pak ik al gauw de kerstman erbij, waar hij nu eenmaal erg op lijkt, en laat de stoomboot, roetveegpiet en wortels voor het paard min of meer achterwege zodra ik merk dat de interesse van mijn Franse gesprekspartner nu ook weer niet reikt tot Diewertje Blok van het Sinterklaasjournaal.

Maar omdat ik nu eenmaal vlak voor vijf december in Nederland was en via de kleuters razendsnel besmet raakte met het Sinterklaasvirus, vond ik het bijzonder leuk om stiekem mijn tas vol chocoladeletters, pepernoten en marsepein te laden en het geheel naar Frankrijk te schepen (met de Flixbus). Tot drie keer toe ben ik op mijn vaders achteruittrapremfiets naar de winkel gereden om alle juiste letters bij elkaar te verzamelen.

Nu ben ik zelf denk ik nét iets georganiseerder dan rommelpiet, maar toch moest ik tijdens het reizen terug naar Frankrijk behoorlijk op mijn spullen letten om niet alle chocoladeletters per ongeluk in het toilet van de bus achter te laten. Daarom bestempelde ik één groene rugtas tot belangrijke-dingen-tas die ik niet uit het oog zou verliezen. Daarin zat: mijn laptop, spiegelreflexcamera, portemonnee, telefoon, paspoort, etui met lievelingspen, dagboek en meditatieboek (om kalm te blijven wanneer ik toch zou ontdekken dat ik de chocoladeletters in het toilet van de bus had achtergelaten).

Halverwege de busreis kwam ik erachter dat ik de allermooiste chocoladeletters, de T van Thibault en de F van Fieke, gekocht in een echte chocoladewinkel in Haarlem, bij mijn ouders vergeten was. Mijn moeder, die het belang van dit soort zaken natuurlijk direct juist inschat, had de letters gelukkig al lang in een kartonnen doos op de post gedaan. Na een flinke reis, en met een redelijk gevoel van succes, kwam ik die middag aan bij de ouders van Thibault in Grenoble en liet behoorlijk trots al het snoepgoed aan mijn vriendje zien. Daarna stopte ik de chocoladeletters wijselijk terug in mijn bagage, want ik had al eens eerder meegemaakt wat er gebeurt als je Thibault en Hollands Snoepgoed zonder surveillance in dezelfde ruimte achterlaat.

We deelden natuurlijk wel een zakje truffelpepernoten.

De volgende avond zouden we mijn reis terug naar Briançon met de auto voortzetten. Daarom besteedde ik verder geen aandacht meer aan mijn organisatie en veranderde gedachteloos de inhoud van de belangrijke-dingen-tas. Daarin zat nu: al het snoepgoed en nog steeds het etui met mijn lievelingspen, mijn paspoort, dagboek en meditatieboek. We maakten van de gelegenheid gebruik om met wat vrienden uit Grenoble falafelbroodjes te eten en parkeerden de volgeladen auto in het centrum van de stad (daar hadden we misschien iets langer over moeten nadenken). Toen we een uurtje later terugkwamen zei ik verbaasd tegen Thibault: ‘Kijk dit nou, het slot in de deur van de bestuurder is er niet meer’. Een gapend gat zat op de plek waar ik de sleutel wilde steken. ‘Oh’, zei hij, ‘dat is me nog niet eerder opgevallen. Mis je iets?’ Ik wierp vlug een blik op het binnenkantje van de auto, maar omdat Thibault nog een stuk rommeliger is dan rommelpiet en hij de auto twee weken lang voor zichzelf had gehad, zag ik zo één twee drie niets ontbreken. Mijn portemonnee lag gewoon in het handschoenenvak, de spiegelreflexcamera weggestopt achter een laag tassen op de achterbank en mijn laptop in mijn reistas in de koffer.

De volgende morgen werd ik vrolijk wakker, want ik zou de hele dag lang voor cadeaupiet spelen en mijn Franse vrienden ongevraagd een klein beetje ons grote Sinterklaasfeest mee laten vieren. Tien minuten later constateerde ik met verdriet het bestaan van de Franse jatpiet: de belangrijke-dingen-tas was natuurlijk nergens meer te bekennen.

Die tas blonk uit in wat er allemaal in had kunnen zitten maar er nu bij toeval niet meer inzat: mijn laptop, spiegelreflexcamera, portemonnee, telefoon en de twee allermooiste chocoladeletters die een paar dagen later via de post zouden aankomen.

Helaas laat een dagboek vol reflecties op twee bijzondere jaren zich toch ook niet zo makkelijk vervangen en kun je een lievelingspen niet zomaar weer aanschaffen. Mijn paspoort voelt daarbij bijzonder waardeloos in handen van een Franse jatpiet maar o-zo-praktisch in de mijne en dat meditatieboek had ik best wel acuut kunnen gebruiken om het zojuist geleden verlies te relativeren.

Uiteraard had ik die bende van Franse jatpieten ook liever niet willen belonen met een tas vol snoepgoed. Waar ik dan stiekem toch wel een klein beetje om kan lachen: hun buit was waarschijnlijk uiterst onverwacht. Ik zie ze voor me in hun kamer, hoopvol de tas openritsen en met verbazing al die chocoladeletters tevoorschijn halen. Geen cent rijker maar dan toch plotseling smikkelend in een hoekje van de kamer, de ogen groot van al de suiker, flink wat chocolade rond hun mond, de grond bezaaid met pepernoten, marsepein en lege letterdozen, waarop de eerste letters van de namen van mijn Franse vrienden tegen die tijd bijzonder betekenisloos staan afgebeeld.

Ik hoop dat ze er dan toch maar van genieten, dat Sinterklaasfeest van ons.

(Ik had in dezelfde tas ook appelstroop, stroopwafels en verschillende soorten hagelslag gestopt, waaronder krokodillenhagelslag voor Thibault. Het stemt me nog steeds triest dat ik hem daar nu niet meer mee kan verassen. Voordeel is dat ik ongetwijfeld binnenkort naar Nederland moet voor een nieuw paspoort; dan koop ik vijf van die pakjes krokodillenhagelslag, stop er in elke tas één en doe er meteen maar eentje op de post. Dat lijkt me nog de veiligste route.)

(En ik hoop natuurlijk stiekem dat de Franse jatpiet door het Franse broertje (of achterneefje of iets dergelijks) van Sinterklaas wordt aangesproken op zijn gedrag en onder dreiging van een enkeltje Spanje mijn dagboek, paspoort en pen terug komt brengen, desnoods vol roetvegen. Dan zal ik nooit meer een auto vol chocoladeletters in Grenoble parkeren, want ik snap best dat je ze daarmee in de verleiding brengt.)

Partytent

De eigenaren van Les Terrasses Solidaires besloten een week voor het einde van mijn contract om het gebouw te sluiten voor al haar huurders, een dag na de inauguratie van de nieuwe locatie, omdat ze erachter waren gekomen dat de situatie vrijwel onhoudbaar was (de migranten lagen weer eens in bosjes in het couloir). Het was eindelijk tijd voor de overheid om haar verantwoordelijkheid nemen. We zouden pas heropenen als zij ons beloofde zich te ontfermen over de migranten die wij volgens de norm van het gebouw geen plek meer konden bieden (nummer 81, 82, 83 etc.)

De migranten worden nu al een week lang ondergebracht in een zaal naast de kerk, en de overheid wil niet onderhandelen (die vindt het misschien wel prettig dat we moesten sluiten). De kerk ligt onderaan Briançon en Les Terrasses bovenaan; we slepen al het eten, de dekens en de vrijwilligers dus heen en weer tussen beide locaties.

Inmiddels is er geen plek meer over in de kerkzaal en hebben we een extra tent moeten opzetten. Van veraf lijkt het op een witte partytent die ook op een bruiloft had kunnen staan, en soms hangt er inderdaad iets feestelijks in de lucht, wanneer de jongens voetballen of in de rij voor het buffet staan (immer rijst met saus). Maar vanmorgen begon het te sneeuwen en vannacht wordt min twaalf voorspeld. We hebben onder andere twee families met kinderen op waggelleeftijd. Het geeft een mooi plaatje, hun koppies omringt door dikke sneeuwvlokken, waar je zomaar ’s nachts wakker van zou kunnen liggen.

Ik doe ondertussen aan fulltime vrijwilligerswerk. Daarom heb ik nog geen tijd gehad om na te denken. Niet over die sneeuw of de combinatie van sneeuw en migranten, noch over de groteske aankondiging van de winter (het sneeuwt hard), de bergen en dat andere leven dat ik eens leidde. Een paar dagen geleden viel een cursusgenootje van de CRET van een berg in Nepal, daar heb ik ook nog niet over nagedacht. Ik voel dat alle reflecties en emoties in de wacht staan (ze popelen om toegang).

Er staan ook veel onafgemaakte verhalen in de wacht. Over Afghaanse kindjes die kiezelstenen naar voorbijrijdende auto’s gooien en de vooruit van de buurman breken, over zakjes urine in een bus, over een migrant die zijn laatste 10 euro besteedt aan het vervoer van een andere migrant en daardoor mijn receptioniste in huilen doet uitbarsten, over een vrijwilliger met OCD die te midden van de ergste crisis nog steeds kledinghangers op kleur, materiaal en dikte sorteert en over het vreemde fenomeen van de politie die blijkbaar regelmatig met ons meeluistert, waardoor ik me constant afvraag welke amusementswaarde mijn dagelijks leven heeft voor de meneer of mevrouw aan de andere kant van de lijn (Thibault ik heb honger jij kookt vanavond, nee, de kat is bang voor de hond en trouwens er is geen toiletpapier meer).

Die komen er dus aan. Eind deze week ontmoet ik mijn kersversje nieuwe maatje Abel in Zwitserland, daarna pak ik de trein naar Nederland en daar vind ik vast de woorden. In elk geval de nodige afstand en misschien zelfs de rust om chocola van het geheel te maken.

Moeilijke mannen



Op de ochtend van mijn eerste werkdag in het vluchtelingencentrum, vroeg een collega me of ik haar wilde helpen bij de ronde langs de kamers, want haar Engels was zo slecht. Achter de eerste deur die we openden, om half tien ’s ochtends, lagen zo’n tien mannen op veldbedjes te slapen. We spraken luid om ze wakker te maken, vroegen naar hun naam en legden ze uit dat er die middag een auto naar Lyon zou rijden met vier vrije plekken. Of ze naar Lyon wilden.

Het gros besloot ons te negeren, zij die zich naar ons omdraaiden keken boos, een enkeling sloeg demonstratief de deken over het hoofd. Mijn collega liet zich niet negeren en bleef zichzelf herhalen in haar Franse Engels (Franglais zeggen ze hier), ik probeerde met een man te communiceren die zich inmiddels half had opgericht en met opgetrokken wenkbrauw naar me keek. Hij sprak redelijk Frans. Ja, ja, ja, zei hij, het is goed, het is goed. Ja, ik kom mezelf melden, ja, ik ga weg. Ik zag aan hem dat hij wachtte tot ìk weg zou gaan, om door te gaan met slapen. Daarom zei ik dat ik hier was om hem te helpen. Daar moest hij breed om glimlachen (ik realiseer me nu hoe vaak hij dat al gehoord moet hebben). Wat is je naam – vroeg ik. Zijn antwoord maakte mannen aan het lachen waarvan ik niet eens wist dat ze naar ons geluisterd hadden. Ik werd voor de gek gehouden.

Uiteindelijk dropen we af.

Die interactie zette de toon voor hoe ik vervolgens met deze man en zijn vrienden zou omgaan. Ze maakten deel uit van een groep die al veel te lang was gebleven en nog veel te lang zou blijven, ’s nachts dronk en overdag de roes uitsliep, betrokken was bij steekpartijen en drugshandel, meermaals werd verdacht van stelen en rondliep door het gebouw alsof ze er de baas was – wat ze in zekere zin ook was. Ze hingen vaak in de ruimte bij de achteruitgang en knipten of schoren elkaars haar voor vijf of tien euro (afhankelijk van hoezeer ze je waardeerden), lagen onderuitgezakt op een bank die we uiteindelijk maar hebben weggehaald en rookten, soms buiten, soms uit het raam, soms binnen. Dan zei ik op luide, kwade toon dat ze niet binnen mochten roken en reageerden zij met ‘ja, ja, ja (oui madame)’, geduldig wachtend op mijn afgang om hun gedoofde sigaret weer aan te steken.

We noemden ze de maffia of de bende van de kapper. De kapper met zijn scheerapparaat en zijn vermoedelijke handeltje verdiende waarschijnlijk drie keer meer dan ik per dag. Iemand vroeg me gister nog: zouden ze zo ver zijn gegaan als mensen voor bedden laten betalen?

(Wat ze tevens deden is het volgende: zoeken naar de mooiste kleding in het kledinghok en die verkopen in Briançon. Wat een handige bliksems.)

Hoe meer incidenten, hoe bozer ik op ze allemaal werd. Alhoewel ik nooit echt tegen ze uitviel, was ik kortaf of negeerde ze vanaf het moment dat ik ’s ochtends binnenkwam. Ik nam me niet voor om onaardig te zijn, zag ook wel in dat hun situatie uitzichtloos was en waarschijnlijk altijd was geweest, maar het was alsof ik geen andere houding in mijn assortiment had liggen. Straatjongens uit Maghreb zonder toekomst in Frankrijk; niets in mijn leven had me op interactie met hen kunnen voorbereiden.

Het vervelendste was nog dat ik niet helemaal wist wie ongein uithaalde en wie, bijvoorbeeld, hielp in de keuken. Niet elke jongen begeleid door rapmuziek uit zijn telefoon, die onder een capuchon wijdbeens door het couloir liep, zette het ’s nachts op een drinken. Niet elke vriend van de kapper was geneigd om het mes te trekken. Niet elke Afghaan sprak de waarheid over hun rol in het conflict tussen verschillende groepen, sommige Maghrebanen speelden een cruciale rol in het behouden van de vrede. Ik reageerde gespannen op hen allemaal.

De kapper

Op een nacht raakte de kapper in gevecht en brak een aantal van zijn ribben, die dermate op zijn long drukte dat hij bijna niet meer kon ademhalen. De piepende, dubbelgeklapte man bracht ik de volgende morgen met spoed naar het ziekenhuis, in mijn auto, een enorme gestalte die er zo slecht aan toe was dat ik tijdens de rit hoopte dat hij bij bewustzijn zou blijven. Gelukkig was het ziekenhuis niet ver. Hij steunde vrijwel volledig op me toen we naar de ingang liepen, ik rook het wasmiddel van de refuge.

Een dag later kwam hij terug uit het ziekenhuis. De vrijwilligers lieten hem een aantal nachten uitrusten in het chalet, en telkens als ik langskwam richtte hij zich een klein beetje op (meer kon hij niet) om me te bedanken.

Ik merkte dat mijn houding als gevolg iets zachter werd, de interactie tussen de moeilijke mannen en mij misschien iets soepeler. Soms moest ik om ze lachen, soms zelfs met ze. Op relatief kalme toon vroeg ik ze hun sigaret te doven en legde uit waarom ze buiten moesten roken. Ik wist dat ze achter mijn rug gewoon doorrookten en me precies zo serieus namen als voorheen, maar ik voelde me in elk geval een stukje beter wanneer ik door de gangen liep.

Een paar weken later kroop de kapper terug op zijn troon, nog steeds wat krom. Hij wist een kamer voor zichzelf en zijn vrienden in te richten en ging door met het knippen en scheren van vluchtelingen. Al snel begon hij bekend te staan als de man die gemakkelijk zijn mes trok ’s nachts (hij ontkende) en leek bevelen uit te delen aan anderen. Mijn collega Lisa van de receptie sprak regelmatig met hem. ‘Ik bedoel, we weten allemaal dat hij weg moet. Maar die jongen is nog steeds geblesseerd en volledig in de war. Hij huilde vanmorgen, lijkt doodsbang om buiten te leven. Verslaafd, dat ook nog eens. Hij heeft écht hulp nodig.’

Het duurde niet lang voordat hij alleen nog kromliep binnen ons zicht. Wanneer hij onder vrienden verkeerde en niet doorhad dat we keken, had hij weinig last meer van zijn blessure.

Protocol

Het kostte mijn collega’s vele bijeenkomsten om tot een gezamenlijke beslissing te komen over onze aanpak van deze jongeren. Sommige wilden na elk gesprek de hele groep de volgende dag nog op straat gooien, sommige zochten naar oplossingen per geval. De messentrekkers en drugsdealers moesten eruit, daar waren we het allemaal wel over eens, maar wie precies, en hoe? Het gebouw was groot, er waren vier ingangen die vanwege brandveiligheid niet op slot konden en we hadden in het meest optimistische geval één nachtwaker voor drie nachten per week.

Samen met die nachtwaker ontwierpen we uiteindelijk een protocol en kregen direct de kans om het te testen. Wanneer iemand ’s nachts daadwerkelijk een bedreiging zou vormen en/of het mes zou trekken, zouden we wanneer nodig de politie bellen, en zo niet hem er ’s ochtends per direct uitgooien, en de dag erna weer, en de dag erna weer, en als het even kon zouden we hem hoogstpersoonlijk op de bus naar de stad zetten. De nachtwaker identificeerde die nacht drie jongens. Met een team van vier wekten we hen ’s morgensvroeg, hielpen hen bij het rapen van hun spullen (een tas met wat kleding, een telefoonlader en een tandenborstel) en begeleidden hen naar buiten.

Het was een ramp. De jongens zeiden sorry en we zullen het nooit meer doen en geef ons nog een kans. Buiten was het nog bitterkoud, de vroege morgen van Briançon. Wat zagen ze er plotseling jong uit.

Tegen het middaguur zaten ze beduusd in het zonnetje op ons terras, hun tas naast hen op de grond. We herhaalden dat ze hier absoluut niet welkom meer waren. Een van hen, een magere jongen in een okergele trui, leek in stukjes uiteen te breken. Spiertjes in zijn gezicht trilden, hij frummelde ongemakkelijk met zijn handen en keek ons niet aan. Zijn adem rook nog steeds naar alcohol. Via een vriend die was komen vertalen, zei hij dat hij zich niets meer herinnerde van de nacht en dat hij had gedronken omdat hij zulke grote problemen had, wat niet geheel onvoorstelbaar was (ik drink ook als ik in de shit zit, fluisterde Lisa in mijn oor).  ‘Mogen we op zijn minst een slaapzak meenemen, voor in het bos?’ Ik kwam terug met een drietal slaapzakken.

‘Geloofde je hem?’ vroeg ik Lisa achteraf. Haar antwoord: ‘Ik kies ervoor hem te geloven’.

Die avond voor het slapengaan dachten we allemaal aan het drietal buiten, maar de volgende morgen troffen we ze aan in het couloir van de refuge. Gelukkig maar, dacht ik. We betaalden hun ticket naar de stad en zagen ze die dag nog naar Marseille vertrekken.

Leerproces

De nachtwaker heeft afgelopen weekend zijn ontslag ingediend en komt dus niet meer terug. De nachten lijken desondanks rustig te verlopen. Wat er precies gebeurt wanneer werknemers en vrijwilligers het gebouw verlaten, weten we echter niet. De kapper heeft inmiddels zijn weg voortgezet, maar een nieuwe kapper is direct op het toneel verschenen. Nieuwe moeilijke mannen misschien ook, oude kunnen zomaar nog in Briançon rondhangen.

We constateren, improviseren, experimenteren en leren veel. Ik ben diep onder de indruk van mijn collega’s en vrijwilligers en heb er daarom eigenlijk best vertrouwen in, ondanks het feit dat het ons aan de kennis en ervaring ontbreekt om met dit soort problematiek om te gaan en we eigenlijk nog steeds niet helemaal met genoeg zijn. Twee nieuwe nachtwakers staan gelukkig in de planning, plus een drietal andere medewerkers. Maar we moeten wel genoeg tijd krijgen. Dat houdt vooral in dat het ’s nachts niet moet escaleren voordat we alles op pootjes hebben staan: geen zwaargewonden of erger.

Wat ik zelf inmiddels heb geleerd is dat het nooit helemaal perfect zal worden, en dat een zekere mate van chaos en improvisatie er nu eenmaal bij hoort. Wie er precies bij ons komt binnenwandelen, is elke dag weer een verassing, zowel wat betreft de vrijwilligers als de migranten. Laatst hadden we een volledig doorgedraaide Afghaan die met zijn gelach en geschreeuw binnen een halve dag de hele boel op zijn kop wist te zetten; daar valt geen protocol op los te laten. En omdat we een noodopvang zijn, nauwelijks getolereerd in Briançon, zullen we nooit de middelen hebben die het soort moeilijke mannen werkelijk nodig heeft: psychologische, psychiatrische of sociale hulp en het kleinste beetje begeleiding voor de jongeren, die echt nog niet zo verloren zouden hoeven zijn. (Wat er precies gedaan moet worden voor diegene die willens en wetens crimineel gedrag vertonen, dat weet ik oprecht niet. Confrontaties met hen stemmen me behoorlijk hopeloos.)

Ik heb tevens geleerd hoe verschrikkelijk moeilijk het is om mensen op straat te zetten en aan hun lot over te laten, al is het om bestwil van alle anderen. In een noodopvang kun je echter niet anders, het is het mindere kwaad.

En wat betreft mijn omgang met de moeilijke mannen: ik sta nog steeds aan het begin van mijn leerproces. Momenteel probeer ik vooral niet naar mijn eerste oordeel van iemand te handelen en ze allemaal een eerlijke kans te geven. Lisa is een groot voorbeeld voor me, die dat haast van nature lijkt te doen. Ik ben echter nog lang niet in staat om ‘tot ze door te dringen’, word regelmatig bespeeld, ga soms toch mee in mijn (voor!)oordeel en merk dat ik nog steeds contact met de moeilijksten vermijd, maar zoiets leer je geloof ik niet in zes weken. Daartegenover staan de mooie interacties die een open houding me soms oplevert, en die zijn behoorlijk wat waard.

Moeilijke mannen in het centrum.

Vogeltjes

De migranten hadden een nestje gemaakt in mijn hoofd en vlogen in en uit. Tijdens mijn werk, na mijn werk, in mijn dromen en mijn weekenden. Soms waren het de twee peuters in de wasmand, soms de kwajongens met hun opgeschoren koppen, soms de zielen die op de grond sliepen, soms alle migranten bij elkaar, de onze, de anderen, zelfs zij die nog moesten migreren om het eventueel beter te krijgen.

In hun aanwezigheid leken veel andere dingen futiel. Zoals de dingen die ik deed voordat ik het tijdelijke contract ondertekende: klimmen, eten, muziek maken, luisteren naar verhalen van vrienden die niet in relatie stonden met verdwaalde migrantenfamilies in de bossen van Montgenèvre.

Ik kon er niets tegen doen en wilde er ook niets tegen doen, want dit was mìjn grote confrontatie met ongelijkheid.

Gisteren had ik voor het eerst die dag waarvan ik wist dat ‘ie zou komen: geen vogel vloog in of uit. Met een groep vrienden was ik gaan klimmen in Plampinet, op de gele rotsen boven ons favoriete dorpje, in de aangename warmte van de herfstzon, en plotseling ervaarde ik vrede met het feit dat ik iets deed wat niets met vluchtelingen te maken had, met de gedachten die ik niet aan hen besteedde, met mijn eigen plezier.

Mijn contract loopt over drie weken af. Het idee dat ik straks ga skiën en eventueel een contract teken bij een bar, waar ik als vanouds glazen bier voor dronken toeristen neer zal zetten, geld zal aannemen dat nog steeds wanhopig ontbreekt bij de Refuge, voelt vreemd. Het zal ongetwijfeld niet lang duren voordat ik terugval in mijn oude rolpatroon, en toch heb ik het gevoel dat ik nooit meer helemaal diegene kan worden die ik voorheen was.

Of dat ik nooit meer diegene wíl worden.

Misschien zit het nestje niet in mijn hoofd, maar in mijn hart.

Abel

To-Do lijst Abel
1. Reizen door Sterrenstelsel (check)
2. Groeien in een buik (check)
3. Geboren worden (check: 7 oktober 2021)
4. Een giraffe ontmoeten
5. Worteltaart bakken

Ps. Bravo Caméléon & Hippocampe

Roze stift




Kebba (onze hulpmigrant) legt de families die ’s nachts aankomen vaak in de ruimte voor mijn bureau, waarschijnlijk omdat hij daar zelf vaak slaapt of waakt en zodoende een oogje in het zeil kan houden. Daarom beginnen mijn dagen bijna altijd met gesluip tussen slapende kinderen door.

Die kinderen worden natuurlijk op een gegeven moment wakker en doen dan (gelukkig) precies waar ze goed in zijn: kind zijn. Op pad met het knuffelbeest, aandacht vragen van de ouders, met rollerskates door het couloir denderen, ruziemaken, huilen en dan toch weer in slaap vallen.

Omdat het afgelopen week iets rustiger was in het centrum (100 migranten in plaats van 160 vanwege een probleem met het openbaar vervoer in Italië) nodigde ik twee Afghaanse zusjes uit in mijn bureau om aan de andere kant van mijn werktafel te komen waterverven. Dat was erg gezellig. Na tien minuten begonnen ze zichzelf onder te verven en na twintig minuten voelden ze zich voldoende op hun gemak om van hun stoel af te komen en het bureau ‘te ontdekken’. Ik heb die avond moeten inhalen wat ik die ochtend niet aan administratie heb kunnen afronden (niets).


Desondanks nodigde ik de volgende dag wederom zo’n setje guppen uit in mijn bureau – ze zijn nu eenmaal zo leuk. Ditmaal een Afghaans drietal, waarvan de jongste zo’n anderhalf jaar. Ik dacht dat stiften misschien makkelijker in gebruik waren dan waterverf (water is nogal vloeibaar), maar kwam er al snel achter wat een felroze stift in de hand van een peuter kan aanrichten. Haar eigen kleding, onze muren, onze stoelen, onze grond: Niets ontkwam aan haar meedogenloze krasdrift. En telkens wanneer ik de stift uit haar knuistje probeerde te futselen, dreigde ze in huilen uit te barsten.

Die middag keek ik uit het raam en zag beide families buiten op het terras, de kinderen die achter elkaar aanrenden en de vaders in gesprek. De zon scheen, er leek bijna niets aan de hand.  

Schurft

Afgelopen zondag vroeg een collega me of ik wilde helpen met het leeghalen van een kamer. Er waren twee families met in totaal zes jonge kinderen die een kamer zochten, maar veel van onze kamers waren bezet met jonge mannen. Het kostte ons ruim twee uur om de mokkende mannen van hun bed te lichten en de puinhoop op te ruimen die ze achterlieten. Stapels afwas, afval en een hoeveelheid beddengoed die me boos maakte; er heerste immers al twee dagen een groot tekort aan dekens, waardoor veel vluchtelingen op de grond sliepen zonder ergens onder te kunnen kruipen. Deze jongens hadden op een viertal dekens geslapen om het veldbed comfortabeler te maken.

Nog voor ik de helft van de kamer gedweild had, bracht een wat paniekerige vrijwilliger me een jonge, verlegen man met schurft. Hij kwam net van de medische post en had medicatie gekregen. De vrijwilliger duwde een plastic zak in mijn hand en legde me uit dat de man direct geïsoleerd moest worden. De volgende morgen zou hij zijn huidige besmette kleding én schoenen in de zak moeten stoppen, die vier dagen lang dichtgeknoopt moeten houden en dan pas het geheel moeten wassen. Ik keek naar de man zijn kleding: een zwart lange-mouwenshirt, een zwarte skinnyjeans, twee zwarte gympen in goede staat en een zilveren ketting om de hals. De missie was bij voorbaat kansloos. Kledingstukken die wij in ruil voor zijn relatief modieuze outfit konden aanbieden waren hoogstwaarschijnlijk belachelijk, te groot of klein en het tijdelijk dragen ervan absoluut de genezing van schurft niet waard.

Terwijl ik met handen en voeten begon uit te leggen dat hij uit onze collectie een outfit moest kiezen om daar minstens vier dagen in rond te lopen, onderbrak een andere collega me. Noodgeval, vluchteling geblesseerd, ziekenhuis. Ik zei tegen haar dat ik die vluchteling best naar het ziekenhuis kon brengen, maar allereerst de man met schurft moest uitleggen dat hij zijn gehele outfit tot onderbroek aan toe de volgende morgen in een zak moest stoppen. De man had echter van de onderbreking gebruik gemaakt en was weggeglipt. Ik duwde de zak in de hand van mijn collega en liep naar mijn auto voor een rit naar het ziekenhuis.

Toen ik terugkwam, vluchteling opgenomen, besloten we nog een kamer leeg te halen. Ook daar had men geslapen op en onder talloze dekens, die ik in een grote woedende bundel naar het washok bracht. Onderweg werd ik resoluut tegengehouden door een andere vrijwilliger die me met grote ogen aankeek en zei: Ruby pas op, er is schurft in het gebouw. Daar stond ik dan, in een enorme knuffel met vuil beddengoed van god mocht weten wie. Snel liep ik naar het washok en gooide de bundel op een enorme stapel vuile was, die in mijn verbeelding vrij plotseling leek op een twee meter hoog fort van miljoenen inwonende beestjes. ‘Ik stop mijn kleding vier dagen lang in de vriezer, elke dag dat ik hier ben geweest’, vervolgde de vrijwilliger, die achter me aan was gelopen. ‘En dan was ik het pas. Dan zijn de bedwantsen ook gedood.’

Bedwantsen?

De rest van de dag had ik kriebel. Toen ik ’s avonds thuiskwam, sprong ik meteen onder de douche en legde voor het eerst van mijn leven mijn kleding in een zak in de vriezer. Google toonde me uitvergrootte bedwantsen en schurftmijten en met nog meer kriebel ging ik slapen.

De volgende morgen liep ik met een gave huid in schone kleding door de Refuge. Het duurde niet lang voordat ik mijn verlegen schurftman tegen het lijf liep. Hij droeg zijn zwarte skinnyjeans en T-shirt, ik onderdrukte acuut de neiging om hem eigenhandig van zijn kleding te ontdoen. Er viel niets aan te doen. Hij zou met schurft doorreizen en ik zou mezelf hullen in een vreemd blauw pak, de volgende keer dat ik een stel mannen uit een kamer zou verdrijven en met beddengoed in contact zou komen. En daaronder zou ik precies de kleding dragen die ik zelf die morgen met zorg had uitgekozen. 


Achterdeur

Drie kinderen liggen voor de deur van mijn bureau op de grond. Hun voetjes steken onder de dekens uit. Om mijn bureau binnen te komen, moet ik ze wakker maken, maar ze zijn nog te jong om te begrijpen dat ze ergens anders moeten gaan liggen zodat ik de deur kan openen. Hun vader wordt wakker van mijn gefluister en tilt ze naar een andere plek op de vloer.

De deur gaat echter niet open. Ik duw hard en voel dat iets de doorgang blokkeert. Op mijn tenen sluip ik weer naar buiten en klop zachtjes op het raam om mijn collega wakker te maken. Ze kijkt verdwaasd op en lijkt zich even niet meer te herinneren dat ze die nacht het centrum had moeten bewaken (nachtelijk brandalarm-dienst) en dus in mijn bureau sliep. Blijkbaar deed de sleutel het niet en had ze het bureau dus niet op slot kunnen draaien. Als meisje alleen in een opvang met wederom 143 vluchtelingen – zo tellen we later – waarvan het overgrote deel jonge mannen, had ze zich niet veilig gevoeld en dus de deur gebarricadeerd.

Terwijl mijn collega haar slaapspullen bij elkaar pakt en zich klaar maakt voor kerk (het is zondagochtend) maak ik een ronde door het gebouw en loop Bakka tegen het lijf, onze hulpmigrant, die blijkbaar eveneens de rol van bewaker op zich neemt en ‘s nachts ‘slaapt’ op de stoel bij de ingang. Daarom weet hij altijd precies te vertellen hoeveel migranten op welk tijdstip binnen zijn gekomen. Dit keer vertelt hij over gevechten met mes. Vijf migranten waren erbij betrokken, hij zou ze kunnen aanwijzen, dezelfde die al veel te lang in het centrum blijven hangen en regelmatig het rookalarm af laten gaan met hun joints. Ik kan zo één-twee-drie niets met de informatie en laat hem alleen achter.

Aan het einde van het couloir ben ik getuige van een wat lugubere scène, omdat het groepje van vijf eveneens een roze knuffelbeer aan de nek heeft opgehangen. Ze hebben haar buik opengesneden met twee messen die er nog steeds in vast zitten en rood sap door de vacht gesmeerd. Vlug haal ik het ding van het touw. Hoe durven die gekken, denk ik woedend, het wemelt hier van de getraumatiseerden. Wat ik daardoor niet zie, is het bloed op de plinten en de onderkant van de muur.

Een van mijn taken is om een goede band te creëren tussen de vrijwilligers in het chalet en de rest van de organisatie. Daarom klop ik bij ze aan – het gros slaapt nog – en praat eventjes met een jongen die sinds een paar maanden behoorlijk onmisbaar is geworden in de keuken.

Hij is het zat, zegt hij: niet alleen was er weer gevochten die nacht en werd hij deze morgen geconfronteerd met bloed op de muur (had ik zelf dus even over het hoofd gezien), maar ook was er stiekem een feest georganiseerd ergens op de bovenste verdieping van het gebouw, veel lawaai gemaakt en verf op de muren geklodderd. Blijkbaar waren de pubers teruggekomen met een monsterlijk anti- plan (anti-wat-dan-ook plan) waar bovendien drie vrijwilligers van het chalet betrokken bij waren geweest. Gek genoeg luister ik niet goed naar hem, misschien omdat ik nog in gedachten bij het opengereten knuffelbeest zit. Een beetje lawaai en wat verf lijkt me geen prioriteit.

Op de terugweg naar mijn bureau grijpt een kleine dame me bij de pols en zegt met grote, waterige ogen dat al hun geld is gestolen die nacht. 700 euro, alles dat ze hebben. Moeder van twee kinderen die om haar heen dreinen. Ze was wakker geworden van geritsel in de kamer en had alleen Arabisch gehoord en een arm van iemand gezien.

Even later zit het hele gezin voor het bureau van mijn collega in de receptie. Niemand van ons heeft een idee hoe we dit moeten oplossen; we kunnen de politie niet bellen, niemand fouilleren en het geld ook niet terugstorten. Tant pis, is het eindoordeel.

Terwijl ik in gedachten toch nog zoek naar oplossingen, loop ik naar de eetzaal om te checken of het ontbijt inmiddels van start is gegaan. Daar kom ik net als veel anderen in een plas water terecht. Met een gloednieuwe vrijwilliger die ik meteen dreig te verliezen, volg ik de stroom en kom uit bij de toiletten, waar zowel water als een hoeveelheid drijvende poep de ruimte vult. WC verstopt. We draaien de deur op slot en besluiten het probleem aan iemand over te dragen – wie dan ook die vandaag niet aanwezig is.

Dan is het eindelijk tijd voor een klein succes, want een collega ontdekt een aantal lege bedden in een kamer waar we de kinderen, die nog steeds voor mijn bureau liggen, eventjes kunnen huisvesten. Ik laat hem de kamer schoonmaken en de familie helpen bij hun verhuizing, sluit mezelf op in mijn bureau en probeer me te concentreren op mijn taak: communicatie tussen en het coördineren van vrijwilligers. Maar ik word al vrij snel onderbroken:

– We mogen een enorme tent van een andere vereniging lenen om tijdelijk vluchtelingen in onder te brengen, maar er is niemand om het ding te halen of op te zetten. Benodigdheden: Vier man en een aanhangwagen. Kan ik dat even organiseren?
– De buurt klaagt want er zijn twee vrijwilligers die parkeren op privéterrein, een grote bek tegen bewoners opzetten en de lokale supermarkt leegjatten. Dat zijn mijn pubers en die zijn godzijdank gistermorgen vertrokken, alhoewel ze blijkbaar deze nacht nog een illegaal afscheidsfeest hebben gevierd.
– Een kwade, gefrustreerde lokale vrijwilliger maakt ieders leven zuur met haar harde commentaren op de groeps-Whatsapp van het centrum, kritisch op onze huidige organisatie (die in haar ogen absent is, wat niet ver van de realiteit ligt). Kan ik haar niet uit de groep gooien?

Nadat ik slechts naar mijn oorspronkelijke To-Do lijst heb gekeken, besluit ik wat te gaan eten en sluit aan in de rij voor een bord rijst met best een lekkere saus (iets met gember). Mijn keukenheldin nodigt me na afloop uit om toch maar even naar de slogans te gaan kijken die participanten van het illegale feest die nacht op een muur hebben geverfd, en samen gaan we op weg naar de bovenste verdieping van het gebouw.

Het slot van de buitendeur is geforceerd. Wanneer ik de ruimte binnenloop, valt mijn bek open. De grond, de muren en het dak zijn volledig onder gekalkt. Een ruimte van zo’n 100 vierkante meter helemaal onder de verf, slogans in allerlei talen en tekeningen die nauwelijks tot me doordringen.

Binnen een drietal secondes word ik bozer dan ik denk ik ooit in mijn leven geweest ben, en ik denk oprecht niet – terwijl ik nu schrijf – dat ik overdrijf. Mijn handen trillen. Ik negeer het advies van mijn keukenheldin en ga direct op zoek naar de vrijwilligers van wie ik heb gehoord dat ze eveneens aanwezig waren. Tegen de eerste die ik tref val ik dusdanig uit dat ik meteen iets rustiger word. Het meisje loopt rood aan, komt niet uit haar woorden en schaamt zich zichtbaar diep. Ze legt me uit hoe de pubers het meesterbrein achter de actie waren geweest en zij erin was meegesleept. Ze hadden de deur opengebroken, eten en drinken (alcohol! In een vluchtelingencentrum waar regelmatig gevechten uitbreken!) en verf meegenomen, migranten uitgenodigd en tot vier uur ’s nachts gekladderd en gefeest.

De andere twee participanten die ik weet op te sporen lijken niet zo van hun daden onder de indruk. Het meisje dat ik die ochtend had wakker gemaakt en vervolgens naar de kerk was gegaan, zegt me dat ze ‘niet had geweten wat ze had moeten doen’ toen ze gedurende haar nachtshift op het tafereel was gestuit. Ik geef haar een suggestie voor de volgende keer: mij bellen.

Ik ben niet eens meer boos, maar zo verdrietig dat ik in huilen uit barst als ik even later Thibault aan de telefoon heb. Met rode ogen bel ik vervolgens de verantwoordelijke van het gebouw, Thomas met de baard, en breng hem wederom slecht nieuws.

Terwijl Thomas vlug naar de Refuge rijdt en in gesprek gaat met de feestgangers, heb ik een afspraak met het schoonmaakteam, die dag bestaande uit één oude vrouw. We concluderen al snel dat urgent een rooster nodig is om degradatie van het gebouw te voorkomen (elke ochtend schoonmaken van de kamers en gangen, enzovoort) maar we niet genoeg vrijwilligers hebben om dat rooster op te vullen. Halverwege zegt ze dat ik er nogal moe uit zie en misschien een einde aan de dag moet breien. Maar ik heb nog niets significants voor elkaar gekregen.

Na het gesprek hoop ik vlug mijn bureau te bereiken om daar met de deur op slot weg te kwijnen, mijn To-Do lijst en ik, maar loop daarentegen rechtstreeks in het web van de boze vrijwilliger van de Whatsapp groep. Ze spreekt over ‘het veranderen van het democratisch leven van de Refuge’ en ‘drie witte, oude mannen die alle beslissingen maken’. Mijn harde schijf heeft op dat moment geen ruimte meer voor drie witte, oude mannen. Ik zeg dat ik erover na zal denken.

Als ik dan toch door het couloir richting mijn bureau loop, inmiddels tegen zessen, nagenoeg klaar om naar huis te gaan en de immense zooi achter me te laten, word ik aangesproken door een vluchteling. Hij wil graag zijn was uit de machine halen. Ik reageer bits met een ‘nu niet’ maar hij geeft niet op. Even later staar ik ongeduldig naar het opengeslagen deurtje van de wasmachine en de natte klodders kleding die in een mand terecht komen. ‘Dit is alles wat hij heeft’, schiet er door me heen. En ik sta hier vol zelfmedelijden. Hij bedankt me vriendelijk, ik glimlach en voel mijn buik samenkrimpen van schaamte wanneer ik het washok op slot draai.

Tien minuten later stop ik mijn To-Do lijst terug in mijn rugzak, trek mijn jas aan, sluit de deur van mijn bureau en loop richting de uitgang, waar op hetzelfde moment een familie met twee kleine meisjes binnenloopt. Ik slik mijn diepe zucht in, begeleid ze naar de zaal en zoek vergeefs naar vrije bedden. Gelukkig komt een van de vrijwilligers die aan het nachtelijke vandalisme heeft geparticipeerd met een oplossing: er is nog plek voor één familie in de kerk, hij zal ze er na het eten afzetten. Ik laat het gezin bij hem achter en loop wederom naar de uitgang. Als ik daar een oude man met een stok zie binnenlopen, maak ik rechtsommekeer en loop via de achterdeur naar buiten.

Gezellig meereismeisje


Op feestjes ben ik zelden een leuke gesprekspartner. Ik kan me moeilijk op het gesprek concentreren vanwege het lawaai en de drukte, weet geen gezellige balans te vinden tussen oppervlakkig gepraat (smalltalk) en de diepte (waar ik nu eenmaal onaangepast door word aangetrokken), denk altijd dat de ander stiekem op zoek is naar een leukere gesprekspartner dan hij of zij nu voor zich heeft en vrees al na een enkele zin het moment waarop het gesprek doodvalt, waardoor ik het geforceerd op gang probeer te houden, wat sowieso opgemerkt wordt, met als hoogtepunt het moment waarop ik voel dat de gesprekspartner hetzelfde doet en we allebei hopen op een onderbreking van buitenaf – iemand die spontaan ons gesprek “verstoord” of natuurlijk het brandalarm.

In autogesprekken ben ik een stuk beter. En dan doel ik specifiek op Bla Bla Car. Afgelopen jaren heb ik veel gebruik gemaakt van hun website voor korte reisjes door de alpen. Gebruikers komen uit alle lagen van de samenleving en lijken steevast vriendelijk, gemotiveerd en bij voorbaat op zoek naar het soort gesprek waar ik zelf wat beter mee uit de voeten kan. Ik hoef geen enkele moeite te doen om me op de ander te concentreren, want er gebeurt weinig rondom de passagiersstoel, en zolang er onder die stoel geen gezelliger iemand verstopt zit, ben ik zelf de allergezelligste om mee te praten.

Mijn Bla Bla Car account is me daarom vrij dierbaar, vol met leuke ontmoetingen uit het verleden, positieve commentaren op gedeelde ritten (die ik maar even door moet lezen de volgende keer als ik weer eens vol nijpend ongemak terugkom van een feestje) en potentiële ontmoetingen voor de toekomst.

Afgelopen weekend vroeg een vrijwilliger van de receptie van het centrum of ik zo’n Bla Bla Car account had. Ze kon niet meer inloggen op haar eigen en had twee vluchtelingen tegenover haar die naar Lyon moesten. Omdat een reis met de trein over het algemeen te veel risico met zich meebrengt (daar vragen ze nog wel eens om een paspoort) en de bussen vol zaten, bleef alleen Bla Bla Car over als vervoersmiddel.

Hoe dan? – vroeg ik. Mijn Bla Bla Car account is immers gekoppeld aan mijn foto en paspoort, wat het tevens onmogelijk maakt voor de vluchtelingen om een eigen account aan te maken (geen paspoort). Het idee was dat ik mijzelf zou inschrijven op een rit naar Lyon en aan de bestuurder zou uitleggen dat het ging om twee ‘familievrienden’ die in plaats van mijzelf zouden meereizen, betaald natuurlijk. Met tegenzin opende ik mijn account op mijn telefoon, vond inderdaad een rit naar Lyon en aarzelde.

Moest ik tegen de bestuurder zeggen dat mijn twee ‘familievrienden’ alleen Perzisch spraken, uit Afghanistan gevlucht waren en door hem illegaal naar Lyon gebracht zouden worden? Moest ik het eventueel dramatische familieverhaal er dan meteen maar bij vertellen, wat ik overigens niet kende omdat ik geen Perzisch spreek? Of zou ik het gewoon maar houden bij ‘twee familievrienden’, zodat de bestuurder er ter plekke wel achter zou komen dat zijn passagiers niet erg Frans of Nederlands zijn? Wat als mijn bestuurder uit de rechtse hoek van de samenleving zou komen? Wat als mijn bestuurder uit de linkse hoek zou komen, maar het toch wel heftig zou vinden om deze twee zonder paspoort te transporteren? En wat als de bestuurder zou instemmen en de auto gestopt zou worden door de politie?

Tot zo ver mijn bereidheid om vluchtelingen te helpen.

Mijn protest kwam nogal ongegeneerd voort uit angst om mijn Bla Bla Car account met deze rit om zeep te helpen. Ik wilde niet dat mensen erop zouden schrijven dat ik eventueel gepaard ging met een set vluchtelingen en zodoende mijn eigen mogelijkheid vergooien om er zo fijn mee rond te reizen. Het beeld van het correcte, gezellige meereismeisje Ruby hield ik liever in stand. Daarom zei ik tegen de vrijwilliger dat het mij ook niet lukte om in mijn account te komen en liet ik haar alleen achter bij de receptie, de twee vluchtelingen nog steeds aan haar bureau.

Even later bedacht ik me dat ik de bestuurder van de Bla Bla Car toch ook wel écht in een lastig parket had kunnen brengen.

Nog wat later bedacht ik me dat het belangrijk was dat Bla Bla Car goed zou blijven functioneren en gebruikers niet voor het soort verassingen zouden moeten komen te staan waarvoor ik die morgen was weggelopen.

Maar ik ging me er niet echt beter over voelen.

Het probleem van het werk in een vluchtelingencentrum is dat je nooit voldoende kan geven, of eigenlijk, dat je altijd op een gegeven moment gewoon naar huis gaat en kiest voor het eigen comfort. Na een paar dagen raakte ik gewend aan de transitie tussen hun ellende en mijn eigen luxe, maar nog steeds word ik soms bij verassing geconfronteerd met mijn gebrek aan bereidheid om dingen op te geven voor mensen die niets hebben en de hele dag vlak voor mijn neus staan. Mijn Bla Bla Car account bijvoorbeeld; een nogal futiel geheel aan goede herinneringen, zelfverheerlijking en reismogelijkheden. Ik zal er relatief weinig onder lijden wanneer ik het account in de toekomst niet meer zal kunnen gebruiken (behalve dat ik misschien beter in feestjespraat moet worden om mijn zelfbeeld op peil te houden), en toch houd ik het bij hen weg.

Waar een aantal van de vrijwilligers zich minder aantrekken van de regels van de samenleving en hoe ons werk op anderen zou kunnen overkomen (bijvoorbeeld de bestuurder van Bla Bla Car), vind ik het daarbij spannend om die regels aan mijn laars te lappen voor een vluchteling. Ik loop graag binnen de lijntjes en geef ook dát niet graag voor ze op, wat overigens niet betekend dat ik het overal mee eens ben. Maar ik ben nu eenmaal niet zo activistisch, vermijd confrontaties en zou het liefst niemand willen generen met de kansarmen uit het centrum of daarbuiten, wat ik absoluut niet voor me vind spreken.

Want de manier waarop deze vluchtelingen aan hun lot worden overgelaten is mensonterend en mijn wens is ontegenzeggelijk dat ze allemaal zo snel mogelijk op hun pootjes terecht komen. Het zal me niet verbazen als mijn limieten deze herfst wat komen te verschuiven, want zo’n hoge dagelijkse dosis uitgeputte mannen, vrouwen en kinderen op veldbedjes of de grond zorgt voor onrust in mijn hart. Ik ben benieuwd.