Blogs
Comments 6

Achterdeur

Drie kinderen liggen voor de deur van mijn bureau op de grond. Hun voetjes steken onder de dekens uit. Om mijn bureau binnen te komen, moet ik ze wakker maken, maar ze zijn nog te jong om te begrijpen dat ze ergens anders moeten gaan liggen zodat ik de deur kan openen. Hun vader wordt wakker van mijn gefluister en tilt ze naar een andere plek op de vloer.

De deur gaat echter niet open. Ik duw hard en voel dat iets de doorgang blokkeert. Op mijn tenen sluip ik weer naar buiten en klop zachtjes op het raam om mijn collega wakker te maken. Ze kijkt verdwaasd op en lijkt zich even niet meer te herinneren dat ze die nacht het centrum had moeten bewaken (nachtelijk brandalarm-dienst) en dus in mijn bureau sliep. Blijkbaar deed de sleutel het niet en had ze het bureau dus niet op slot kunnen draaien. Als meisje alleen in een opvang met wederom 143 vluchtelingen – zo tellen we later – waarvan het overgrote deel jonge mannen, had ze zich niet veilig gevoeld en dus de deur gebarricadeerd.

Terwijl mijn collega haar slaapspullen bij elkaar pakt en zich klaar maakt voor kerk (het is zondagochtend) maak ik een ronde door het gebouw en loop Bakka tegen het lijf, onze hulpmigrant, die blijkbaar eveneens de rol van bewaker op zich neemt en ‘s nachts ‘slaapt’ op de stoel bij de ingang. Daarom weet hij altijd precies te vertellen hoeveel migranten op welk tijdstip binnen zijn gekomen. Dit keer vertelt hij over gevechten met mes. Vijf migranten waren erbij betrokken, hij zou ze kunnen aanwijzen, dezelfde die al veel te lang in het centrum blijven hangen en regelmatig het rookalarm af laten gaan met hun joints. Ik kan zo één-twee-drie niets met de informatie en laat hem alleen achter.

Aan het einde van het couloir ben ik getuige van een wat lugubere scène, omdat het groepje van vijf eveneens een roze knuffelbeer aan de nek heeft opgehangen. Ze hebben haar buik opengesneden met twee messen die er nog steeds in vast zitten en rood sap door de vacht gesmeerd. Vlug haal ik het ding van het touw. Hoe durven die gekken, denk ik woedend, het wemelt hier van de getraumatiseerden. Wat ik daardoor niet zie, is het bloed op de plinten en de onderkant van de muur.

Een van mijn taken is om een goede band te creëren tussen de vrijwilligers in het chalet en de rest van de organisatie. Daarom klop ik bij ze aan – het gros slaapt nog – en praat eventjes met een jongen die sinds een paar maanden behoorlijk onmisbaar is geworden in de keuken.

Hij is het zat, zegt hij: niet alleen was er weer gevochten die nacht en werd hij deze morgen geconfronteerd met bloed op de muur (had ik zelf dus even over het hoofd gezien), maar ook was er stiekem een feest georganiseerd ergens op de bovenste verdieping van het gebouw, veel lawaai gemaakt en verf op de muren geklodderd. Blijkbaar waren de pubers teruggekomen met een monsterlijk anti- plan (anti-wat-dan-ook plan) waar bovendien drie vrijwilligers van het chalet betrokken bij waren geweest. Gek genoeg luister ik niet goed naar hem, misschien omdat ik nog in gedachten bij het opengereten knuffelbeest zit. Een beetje lawaai en wat verf lijkt me geen prioriteit.

Op de terugweg naar mijn bureau grijpt een kleine dame me bij de pols en zegt met grote, waterige ogen dat al hun geld is gestolen die nacht. 700 euro, alles dat ze hebben. Moeder van twee kinderen die om haar heen dreinen. Ze was wakker geworden van geritsel in de kamer en had alleen Arabisch gehoord en een arm van iemand gezien.

Even later zit het hele gezin voor het bureau van mijn collega in de receptie. Niemand van ons heeft een idee hoe we dit moeten oplossen; we kunnen de politie niet bellen, niemand fouilleren en het geld ook niet terugstorten. Tant pis, is het eindoordeel.

Terwijl ik in gedachten toch nog zoek naar oplossingen, loop ik naar de eetzaal om te checken of het ontbijt inmiddels van start is gegaan. Daar kom ik net als veel anderen in een plas water terecht. Met een gloednieuwe vrijwilliger die ik meteen dreig te verliezen, volg ik de stroom en kom uit bij de toiletten, waar zowel water als een hoeveelheid drijvende poep de ruimte vult. WC verstopt. We draaien de deur op slot en besluiten het probleem aan iemand over te dragen – wie dan ook die vandaag niet aanwezig is.

Dan is het eindelijk tijd voor een klein succes, want een collega ontdekt een aantal lege bedden in een kamer waar we de kinderen, die nog steeds voor mijn bureau liggen, eventjes kunnen huisvesten. Ik laat hem de kamer schoonmaken en de familie helpen bij hun verhuizing, sluit mezelf op in mijn bureau en probeer me te concentreren op mijn taak: communicatie tussen en het coördineren van vrijwilligers. Maar ik word al vrij snel onderbroken:

– We mogen een enorme tent van een andere vereniging lenen om tijdelijk vluchtelingen in onder te brengen, maar er is niemand om het ding te halen of op te zetten. Benodigdheden: Vier man en een aanhangwagen. Kan ik dat even organiseren?
– De buurt klaagt want er zijn twee vrijwilligers die parkeren op privéterrein, een grote bek tegen bewoners opzetten en de lokale supermarkt leegjatten. Dat zijn mijn pubers en die zijn godzijdank gistermorgen vertrokken, alhoewel ze blijkbaar deze nacht nog een illegaal afscheidsfeest hebben gevierd.
– Een kwade, gefrustreerde lokale vrijwilliger maakt ieders leven zuur met haar harde commentaren op de groeps-Whatsapp van het centrum, kritisch op onze huidige organisatie (die in haar ogen absent is, wat niet ver van de realiteit ligt). Kan ik haar niet uit de groep gooien?

Nadat ik slechts naar mijn oorspronkelijke To-Do lijst heb gekeken, besluit ik wat te gaan eten en sluit aan in de rij voor een bord rijst met best een lekkere saus (iets met gember). Mijn keukenheldin nodigt me na afloop uit om toch maar even naar de slogans te gaan kijken die participanten van het illegale feest die nacht op een muur hebben geverfd, en samen gaan we op weg naar de bovenste verdieping van het gebouw.

Het slot van de buitendeur is geforceerd. Wanneer ik de ruimte binnenloop, valt mijn bek open. De grond, de muren en het dak zijn volledig onder gekalkt. Een ruimte van zo’n 100 vierkante meter helemaal onder de verf, slogans in allerlei talen en tekeningen die nauwelijks tot me doordringen.

Binnen een drietal secondes word ik bozer dan ik denk ik ooit in mijn leven geweest ben, en ik denk oprecht niet – terwijl ik nu schrijf – dat ik overdrijf. Mijn handen trillen. Ik negeer het advies van mijn keukenheldin en ga direct op zoek naar de vrijwilligers van wie ik heb gehoord dat ze eveneens aanwezig waren. Tegen de eerste die ik tref val ik dusdanig uit dat ik meteen iets rustiger word. Het meisje loopt rood aan, komt niet uit haar woorden en schaamt zich zichtbaar diep. Ze legt me uit hoe de pubers het meesterbrein achter de actie waren geweest en zij erin was meegesleept. Ze hadden de deur opengebroken, eten en drinken (alcohol! In een vluchtelingencentrum waar regelmatig gevechten uitbreken!) en verf meegenomen, migranten uitgenodigd en tot vier uur ’s nachts gekladderd en gefeest.

De andere twee participanten die ik weet op te sporen lijken niet zo van hun daden onder de indruk. Het meisje dat ik die ochtend had wakker gemaakt en vervolgens naar de kerk was gegaan, zegt me dat ze ‘niet had geweten wat ze had moeten doen’ toen ze gedurende haar nachtshift op het tafereel was gestuit. Ik geef haar een suggestie voor de volgende keer: mij bellen.

Ik ben niet eens meer boos, maar zo verdrietig dat ik in huilen uit barst als ik even later Thibault aan de telefoon heb. Met rode ogen bel ik vervolgens de verantwoordelijke van het gebouw, Thomas met de baard, en breng hem wederom slecht nieuws.

Terwijl Thomas vlug naar de Refuge rijdt en in gesprek gaat met de feestgangers, heb ik een afspraak met het schoonmaakteam, die dag bestaande uit één oude vrouw. We concluderen al snel dat urgent een rooster nodig is om degradatie van het gebouw te voorkomen (elke ochtend schoonmaken van de kamers en gangen, enzovoort) maar we niet genoeg vrijwilligers hebben om dat rooster op te vullen. Halverwege zegt ze dat ik er nogal moe uit zie en misschien een einde aan de dag moet breien. Maar ik heb nog niets significants voor elkaar gekregen.

Na het gesprek hoop ik vlug mijn bureau te bereiken om daar met de deur op slot weg te kwijnen, mijn To-Do lijst en ik, maar loop daarentegen rechtstreeks in het web van de boze vrijwilliger van de Whatsapp groep. Ze spreekt over ‘het veranderen van het democratisch leven van de Refuge’ en ‘drie witte, oude mannen die alle beslissingen maken’. Mijn harde schijf heeft op dat moment geen ruimte meer voor drie witte, oude mannen. Ik zeg dat ik erover na zal denken.

Als ik dan toch door het couloir richting mijn bureau loop, inmiddels tegen zessen, nagenoeg klaar om naar huis te gaan en de immense zooi achter me te laten, word ik aangesproken door een vluchteling. Hij wil graag zijn was uit de machine halen. Ik reageer bits met een ‘nu niet’ maar hij geeft niet op. Even later staar ik ongeduldig naar het opengeslagen deurtje van de wasmachine en de natte klodders kleding die in een mand terecht komen. ‘Dit is alles wat hij heeft’, schiet er door me heen. En ik sta hier vol zelfmedelijden. Hij bedankt me vriendelijk, ik glimlach en voel mijn buik samenkrimpen van schaamte wanneer ik het washok op slot draai.

Tien minuten later stop ik mijn To-Do lijst terug in mijn rugzak, trek mijn jas aan, sluit de deur van mijn bureau en loop richting de uitgang, waar op hetzelfde moment een familie met twee kleine meisjes binnenloopt. Ik slik mijn diepe zucht in, begeleid ze naar de zaal en zoek vergeefs naar vrije bedden. Gelukkig komt een van de vrijwilligers die aan het nachtelijke vandalisme heeft geparticipeerd met een oplossing: er is nog plek voor één familie in de kerk, hij zal ze er na het eten afzetten. Ik laat het gezin bij hem achter en loop wederom naar de uitgang. Als ik daar een oude man met een stok zie binnenlopen, maak ik rechtsommekeer en loop via de achterdeur naar buiten.

This entry was posted in: Blogs

6 Comments

  1. Vol bewondering dat je het tot nu al volgehouden hebt. Als je dit aankunt, zul je daarna alles aankunnen (schreef ik ooit in mijn dagboek toen ik voor een heel zware taak stond). Bon courage!

  2. Dick Kral says

    En dan vind je ook nog tijd om te schrijven …
    Ik heb wel de tweede schoen gevonden op de foto 🙂

    Je bent een wondermens Ruby!
    (maar wel op dit moment met een pokkebaan met veel relevantie …)

    • Haha ik werk er stiekem al een maand, dus heb inmiddels wat verhalen geaccumuleerd. Moet ook zeggen dat het momenteel wat rustiger is… (gelukkig maar).
      Die schoenen! Het zijn nog dezelfde ook. Wat een grap. Nu heb ik zin om altijd vreemde situaties in mijn foto’s te hebben. Je inspireert me, Dick!

    • Lieve Scotty en baasje, het is gelukkig nu wat rustiger, dus kan een soort van bijkomen! En het is mede dankzij de steun van mensen om me heen én op mijn blog dat ik het allemaal een plekje kan geven en kan relativeren. Dus, dankjewel!

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s