Latest Posts

Het gevaar van Chamonix

Een zucht. Ze heeft het overleefd.

Afgelopen week viel een goed vriendinnetje van mij van een steile wand vlak naast Les Courtes. Ze schoot zo de brede gletsjerspleet over, hoor ik diezelfde dag nog van haar vrienden. Honderden meters aan verticale razernij. Ze vlogen haar naar het ziekenhuis waar ze de nacht moest doorbrengen, slechts als controle, want er bleek weinig aan de hand. Alleen een knie die een flinke tik had gekregen.

Wat was er gebeurt?

Chamonix praat. Ik hoor veel varianten van het verhaal voor ik mijn vriendinnetje zelf te spreken krijg. Ze was gaan skitouren met een vriend en ergens bovenaan de wand tijdens de afdaling gevallen. Te steil, te snel, ze had daar niet moeten zijn, hoor ik keer op keer.

Welkom in Chamonix.

Als ik haar dan uiteindelijk voor me heb zitten ben ik alleen maar blij dat ze uit één stuk bestaat. Ze begint te vertellen, beide aan de koffie, beide nog in leven.
De tour was puur steepskiïng geweest. Ze was er met een vriend en dichtbij de top wilde hij door en zij niet. Het terrein was ijzig en eng en eigenlijk had ze nog nooit iets serieus met haar stijgijzers hoeven doen. Ze was bang. Het was een aller-retour, ze moest hier ook over naar beneden skiën. Maar een paar dagen geleden hadden ze een andere toppoging afgeblazen omdat een vriend van hen de uitdaging niet meer overzag, en zij wilde niet zelf diegene zijn die niet durfde en het daardoor verpeste voor de anderen. En dus zei ze niets en ging door.

Bovenaan de col bleek ze laag in energie – ze had niet goed geslapen – en at wat suiker, nam de rust om de afdaling aan te kunnen, maar dat veranderde niets aan haar gemoedstoestand. Ze was nog steeds bang. Haar partner ging vast naar beneden om te zien of het allemaal wel te skiën viel en zij vroeg zich af wat ze hier in godsnaam aan het doen was. Dit was fout, hier moest zij niet zijn. Ze stapte de helling naar beneden met haar ijsbijl in haar hand. Als ik hier val, ben ik dood. Ik moet voorbij het ijzige stuk komen – dat was haar focus. Het lukte haar om bij het acceptabele gedeelte te komen en te overleven, ze had het overleefd, nu was ze ok. Nu hoefde ze alleen maar naar beneden te skiën en dat kon ze.

Ze maakte twee bochten en een fout, viel omver en liet één ski achter, de ander bleef de hele weg lang aan haar voet. 80 km/uur schatte haar partner later in. Ze kon niet stoppen en was zich bewust van de gletsjerspleet die haar beneden opwachtte. Maar daar schoot ze overheen, want ze had engeltjes op haar schouder, en toen ze eindelijk tot stilstand kwam hadden gletsjertoeristen de helikopter al gebeld.
Ik was zo boos op mezelf – zei ze me. Ik wilde terug omhoog om mijn ski’s te halen. Mijn partner moest me met geweld stilhouden totdat ik gered werd. In shock.

Mijn vriendinnetje concludeerde meteen dat ze nooit verder had moeten gaan toen ze bang was. Dat was een gigantische fout geweest. Maar er was meer aan de hand. Meer fouten, meer lessen om te leren.

En dat vindt Chamonix ook, want het dorp valt over haar heen. Ze krijgt commentaar van alle kanten, vaak ongevraagd, en omdat ze niet zo stevig in haar schoenen staat komt elke opmerking aan als een bom.

Ik heb het gevoel dat ze zelf al de juiste conclusies trekt, zonder daar al die aandacht voor nodig te hebben. Ze zegt me dat ze al een tijd lang niet omhoogging voor het plezier, maar om de anderen bij te benen. Omdat steepskiing ‘hetgeen is wat je doet in Chamonix’. Haar competitieve aard bracht haar op de verkeerde plek en eigenlijk had ze de pech dat haar directe omgeving haar bleef uitnodigen: Een groep ambitieuze skiërs die de eigen grenzen wilde verleggen en eigenlijk geen ruimte had voor iemand als zij, voor iemand die alles nog moest leren.

Het is eigenlijk gek dat ze, zelfs zij die haar keer op keer meenamen, zeggen: Dit stond op het punt te gebeuren. We zagen het aankomen.

Waarom gebeurt het dan toch?

Nadat ik haar heb uitgezwaaid ga ik naar werk. Terwijl ik wacht op gasten die nooit zullen komen, vraag ik me plotseling af of alle aandacht die ze te verduren heeft gekregen ermee te maken heeft dat ze een jong meisje is. Ik vermoed dat jongens in het begin van hun carrière de hele tijd veel te steile dingen instappen, maar dan heeft het de jongensachtige air van kattenkwaad en lef. Misschien hebben meisjes überhaupt niet zo veel te zoeken op zulke steile wanden. En als ze dan wel gaan, tsjah, dan moeten we daar wel wat van zeggen.
Maar misschien heb ik het verkeerd.

Ik leg het voor aan mijn oud-collegaatje. Met luide stem, vol verontwaardiging, en waarom blíjven ze maar over dat arme schaap praten? Ze heeft het moeilijk genoeg met haar eigen verwerking.
Hij gaat niet in op het jongens-meisjes vraagstuk, maar zegt: Ruubs, het is goed dat ze erover praten, want op deze manier leert iedereen haar les. Dit is de manier waarop we met zijn alle groeien. Dit soort dingen moeten doorsproken worden.

Ik twijfel. Als ik later thuis is mijn bed lig en door mijn facebook scroll, zie ik plotseling een post van mijn vriendinnetje op facebook. En daarna nog één. Over haar ongeluk, over pech, over het feit dat ze sterker terug zal komen. Neeeeeeeee, denk ik. Stom kind, doe dit nou niet. Zo houden ze nooit over je op.

De volgende morgen realiseer ik me opeens iets geks. Als je de bergen intrekt kies je zelf voor het risico dat ze met zich meebrengen. Je bepaald ter plekke de waarde die het leven op dat moment voor je heeft. Een persoonlijke kwestie waar geen hond iets mee te maken heeft.

Meteen daarna weet ik al wat er misgaat: Mijn vriendinnetje heeft die keuze nooit bewust gemaakt en ik denk dat Chamonix dat aanvoelt. Ze riskeert onbewust en voor een vrij lelijke reden: Status. Aanzien. En dat is natuurlijk erg interessant om over te roddelen.
Maar goed, dat is het effect van Chamonix. De coolste mensen zijn de mensen die de gekste dingen doen. Iedereen in je omgeving, van de afwasser tot de vent die je willekeurig in de bus tegenkomt, doet grote dingen. Facebook staat vol met saltomakende steepskiers die over nauwe graadjes lopen alsof ze op weg zijn naar de supermarkt. Bijna-ongelukken of zelf ongelukken worden afgedraaid als: Yo, kijk dit, dit is leip.

Die middag nog stap ik met Ben op de Noordwand van de kleine Dru. We slapen op een randje midden in een lengte en worden de volgende dag met de helikopter uit de Niche opgehaald. Ik ben moe en koud.
We waren te langzaam geweest en hadden de optie om met rappels via een andere route af te dalen, maar ik overzag het niet. Een tiental rappels op standplaatsen van onbekende conditie, een 500 meter lange val in geval van falen, in gedachten had ik alleen maar mijn eigen ongeluk. Drie jaar geleden, een verkeerd gebouwde standplaats met een agressieve val als gevolg, zo’n twintig engeltjes op mijn eigen schouders toen ik op een sneeuwbrug in de randspleet belandde.

Het voelde daarzo hoog in de Niche als de ultieme faal om de helikopter te bellen. We zaten in de zon en hadden nog uren aan licht, beiden fysiek in fatsoenlijke staat, maar ik had plotseling een gruwelijke haat aan de mogelijk verkeerde afloop. Ik wilde niet meer verder want ik wilde me niet hoeven beroepen op de engeltjes. Liever beschaamd naar beneden vliegen, liever de opmerkingen in het dal dan de blootstelling aan nog meer risico.

Het leven in het dal is kalm en warm. We worden afgezet bij Les Praz en zitten verward op een bankje. De plotselinge absentie van risico, blootstelling, angst is ronduit bizarre. Het hele vraagstuk is een grote moes in mijn hoofd.

Als ik de volgende dag weer een beetje kan denken, concludeer ik dat mijn eigen val een van de belangrijkste lessen in mijn alpine carrière is geweest. Die confrontatie met verkeerde gevolgen had ik nodig om werkelijk de keuze voor het risico te kunnen maken. Risico als concept is leuk om over na te denken, maar de concrete inhoud ervan is onmogelijk zomaar aan te voelen. Er moet een hoop tegenover de mogelijke horror van de verkeerde afloop staan, dat is me nu duidelijk.

Status is niet afdoende.

Daarop vraag ik me meteeen af of ik mijn eigen motieven voor beklimmingen en afdalingen wel kan ontleden. Of dat me lukt elke keer dat ik een route instap. Want het geval van het vriendinnetje is zo interessant omdat we ons allemaal blootstellen aan hetzelfde gevaar: onze competitieve aard, onze onzekerheid, status, naam.
Liefde voor de bergen, voor het buitenzijn, fysieke uitdaging, adrenaline, dat is de grote andere kant.

En ja, het risico zelf kan zelfs een reden zijn om keer op keer maar de hoogte in te trekken. Het forceert je om de waarde van je leven in te schatten. Het geeft je controle over je leven. Juist als je dood als optie accepteert, dan wordt de inhoud van het leven een stuk lichter. Het relativerende vermogen van de bergen ligt niet alleen in hun grote, fysieke gestalte maar juist ook in het feit dat ze je van het leven kunnen beroven. Dat maakt ons ultieme levensgenieters. Ons geluk direct tegenover onze dood.
En wat dan als we doodgaan? Hoe groot is het verlies dan werkelijk? Hoe groot is het verlies van een leven dat alleen maar het eigen geluk achtervolgde? Al die seizoenarbeiders die lang leven de lol door het bestaan schieten, wat als er eentje op een dag niet meer is?

De dagen na de Dru staan in het teken van herstel en voor mij persoonlijk van reflectie. Ik val Ben keer op keer lastig met een nieuwe vraag, waarom, hoe, wat, mijn vriendinnetje, Chamonix. Hij komt met een interessant concept dat me forceert om er weer anders over na te denken. Wat als je bovenaan een afdaling in een morbide spelshow terecht komt en een man (de duivel) met een gigantisch geweer mededeelt dat je alleen in de afdaling mag als je meedoet aan Russische Roulette. De kans is een op vijftig dat je het spel niet overleefd. Zodra je gespeeld hebt zal de afdaling gegarandeerd zonder ongelukken verlopen, want de man heeft contact met de engeltjes. Je hebt de mogelijkheid om aan de andere kant van de top naar beneden te lopen en veilig terug te keren. Wat doe je dan?
Doe je de afdaling?

Wat als de man voor de ingang van Chamonix staat, begin december, en zegt: Je mag alleen dit winterseizoen draaien als je meedoet aan mijn Russische Roulette. Kans een op vijftig dat ik er met je leven vandoor ga. Als je overleefd geef ik je de garantie dat je het hele seizoen zonder een schrammetje overleefd. Begin je dan aan het winterseizoen?

De hele week lang ben ik geobsedeerd door risico. Mijn vriendinnetje is inmiddels thuis, bij haar ouders, ver van de bergen en de man van de Russische Roulette. Ik staar voor me uit terwijl de zomer haar intrede maakt. Fluitende vogels, een briesje, zon op de huid. De bergen torenen als giganten boven me uit en ik denk: Wat is dit toch voor een uitzonderlijk vreemde plaats. Wat zijn we gigantisch ver verwijderd van de realiteit en tegelijkertijd, dit is de realiteit hoe we haar zelf in elkaar flansen.
Chamonix is een gevaarlijk stadje. De bergen zelf, maar vooral de bergen in combinatie met een samenleving die de bergsport als hoogste ideaal heeft. Ik heb geen idee wat nu de conclusie is, behalve dat het goed is om er af en toe over na te denken. Om misschien wat vaker met elkaar te praten, met types als mijn vriendinnetje, zodat we achteraf onze mond kunnen houden en er gewoon voor haar kunnen zijn.

Nieuwe schoenen en nieuwe ski’s

Al bijna een maand geleden maakte ik een testrondje op een paar Ubac ski’s van ZAG, een lokaal merk waarmee schijnbaar een hoop alpinisten het probatoire proberen. Mijn smalle en lichte skitrap ski’s bleven thuis tegen de muur leunen terwijl ik op deze twee blauwe monsters dwars door de mogels sneed.

Holyshit deze skiën uit zichzelf. Wat een verschil.

Maar ik kon ze niet kopen voordat ik ook een fatsoenlijk paar schoenen had. En dat is ingewikkelder dan je denkt: je wil ze licht voor naar boven en stevig voor naar beneden. De magische schoen die ook nog eens aan je voet past, specifiek jouw voet. Ik heb elke winkel in Chamonix geraadpleegd, rondjes gerend op hun tapijt, skibewegingen nagebootst en wist het na een maand nog niet. Die schoen die is er wel, maar ik ben het probleem. Ik heb namelijk geen idee.

De aanschaf van het juiste materiaal vereist net zoveel ervaring als het naar beneden skiën zelf. Dit is (nog steeds) nog maar mijn tweede seizoen en mijn ervaring op verschillende soorten ski’s en in verschillende soorten schoenen is nihil. Mijn hele lichte skietjes waren mijn favoriet omdat ik aan ze gewend was, maar iedereen bleef maar zeggen: Ruby, als je jezelf serieus neemt heb je een ander paar ski’s nodig.

Oké oké oké.
En die schoenen, Ruby?
Jaja, ik weet het, die schoenen deugen niet.

Ik ben niet goed genoeg voor slecht materiaal. Ik kan alle technische hulp gebruiken, ook al moet ik daarvoor zes knaagdieren in mijn bankrekening loslaten.

Maar wat dan, welke dan? Ik heb me volledig laten leiden door de kennis en ervaring van vrienden en uiteindelijk een paar Vulcans van Dynafit gekocht (in de uitverkoop goddank). Een beetje hulp van het lot werd gewaardeerd; ik paste ze als het glazen muiltje. Stijf genoeg voor naar beneden en soepel genoeg voor omhoog, groen als een stel draken, zelfs de kok van Chambre Neuf vond ze mooi en die heeft een bloedhekel aan alles dat met wintersport te maken heeft.

Nu heeft het plotseling gesneeuwd, staat Facebook vol met poëtische winterlente kreten en krijg ik onverwacht de kans om mijn nieuwe onderstel uit te testen in een bak poedersneeuw. Woesh, over de pistes van Grand Montets, alsof het diep winter is en we nog maanden te gaan hebben. Ik ben stabiel. Voor het eerst voel ik mijn scheenbenen tegen de rand van mijn skischoenen. Ik heb controle op snelheid en in oneffen terrein, zomaar uit het niets, als een cadeautje.
Het is het eindeloze gemekker in winkels en de ongelofelijke investering waard geweest.

Daarheen vliegt de vogel

Het skiseizoen heeft me geleefd. Ik was de bar, de piste, de mensen waarmee ik omging.

Begin December kwam ik aan in Chamonix met het verlangen om weer even bepaald te worden. Maandenlang had ik de tijd gehad om na te denken en alles te zijn wat ik wilde. Nu had ik behoefte aan een identiteit als bartender, een vast gezelschap dat me waardeerde, een rooster dat mijn ritme bepaalde, een groot doel als alpinisme en leren skiën, Ruby de vrolijke stuiterbal, ik had behoefte aan het gedachteloos rondrennen en overleven van het dagelijks leven.
En nu?

Nu sta ik weer op het punt om vrijgelaten te worden. Een vogeltje waarvan de kooi is geopend. Vlieg, vogel.
Waarheen?

Ik moet eerst in mijn hersenpan duiken en een grote schoonmaak houden. Als je bepaald word door je omgeving levert dat een hoop onzinnige gedachten en verlangens op. Nee, ik hoef geen superalpiniste te worden en grote bergen te beklimmen, ik hoef niet de grootste horecatijger te zijn en ik hoef ook niet modieus en mooi door Chamonix te paraderen.
Je kan dan wel een vogel zijn, maar als je eigen brein beperkt word door een stel onzinnige concepten kun je net zo goed terug je kooi in.

Goed, wat dan? Waarheen vliegt deze vogel?

Naar huis.

De bergen, de bomen, de bloemen, de wind, de zon, het water.
Wakker worden in de fluitende buitenlucht of naakt aan een riviertje in Spanje, handen en voeten aan de rotsen en het hele lichaam weer van mijzelf, mijn lichaam niet in dienst van een ander of een willekeurig einddoel, een geest die alle hokjes afbreekt en weer kan ontdekken, kan dichten, kan creëren, daarheen wil ik gaan.

Daarheen vliegt de vogel.

Jaap de Witte

Chedde. Arrêt sur demande 

Sneeuw! Er ligt sneeuw! Als een kind die een gloednieuw Legowagentje in de Bart Smitgids ziet, schreeuw ik het uit. Het rode treintje is net een wegsmeltend sneeuwveldje gepasseerd. Door de invallende nacht is het een nauwelijks te onderscheiden wittige vlek. Arnold en mam kijken verrast op. Vanuit het TGV-raam hadden we urenlang gekeken naar erg zonnig, maar vooral leeg Frankrijk. We concludeerden uiteindelijk dat er alleen in Parijs mensen woonden. De rest was een eindeloze groenige vlakte die hier en daar abrupt werd onderbroken door een onverstoorbaar setje Franse fauna.

Servoz
We turen uit het raam. Buiten is het pikzwart. De trein had net zo goed zojuist de Akropolis kunnen passeren; enig gevoel van locatie ontbrak. Was dat lichtje daar in de verte een bergdorp? Een lantaarnpaal? Een ufo? Een geit met een zaklamp? We weten het niet. Mam probeert inmiddels te ontfutselen wat er in het Frans op een bozig bordje staat in de hal van de coupé. Arnold staart naar buiten en kijkt geïntrigeerd naar de stationsopzichter met een grote baard en een klassiek seinbordje. Een stationsopzichter; ik betwijfel of we dat überhaupt nog hebben op Amsterdam Centraal. Hier staat de beste meneer met een superieure blik naast zijn modelbaanstationnetje.

Vaudagne. Arrêt sur demande

 

Sneeuw! Weer sneeuw! Zowaar ontwaren we naast de contouren van een tankstation een rafelige sneeuwlaag. Een heel voorzichtig wintersportgevoel maakt van ons meester – het eerste wintersportgevoel dat Arnold en ik ooit hebben ervaren. De conducteur kijkt ons bijna meelijwekkend aan.

Viaduc Ste Marie. Arrêt sur demande 

De sneeuw is weer weg. Een zwart vlak heeft zich meester gemaakt van het raam. Hier en daar verschijnen en verdwijnen lichtpuntjes als Sint-Maartenlampionnetjes in een regenachtige novembernacht. De verwarming van de trein heeft inmiddels mijn enkels gaargekookt.

Les Houches

De trein stopt piepend op wat een heus ski-oord lijkt. Met enthousiasme kijken we naar de neonverlichting die allerlei hotelgemak aanprijst. Op het perron schuifelt een soort bedwelmde Yeti met een snowboard. Twee andere Yeti’s volgen hem. Mam vertelt smakelijk dat het lopen op skischoenen een niet te onderschatten vaardigheid is. We aanschouwen de kudde fluoricerende Yeti’s en ons wintersportgevoel stijgt met de minuut.

Taconnaz. Arrêt sur demande

Hoeveel stations nog? Mam kijkt ongeduldig naar de haltes boven de treindeur. Vier! Vier haltes zijn verwijderd tussen ons en Ruby. Ruby, onze eigen berggeit in haar natuurlijke habitat. Maandenlang zaten er honderden kilometers tussen het thuisfront en De Smurf. Vier haltes tot een hereniging. Vier haltes tot de start van een fantastische week.

Les Bossons

We turen naar buiten en zien het grote niets. Arnold vraagt zich af of de bergen zelf op vakantie zijn. De Mont Blanc die even aan het watertrappelen is aan de Côte d’Azur. Je zult het net zien.

 

Les Pélerins. Arrêt sur demande 

Les Moussoux. Arrêt sur demande 

De stations volgen zich in rap tempo op. Buiten heeft het zwart plaatsgemaakt voor een vrolijk tafereel van chalets en skiwinkels. Mam staat al een paar haltes bepakt voor de treindeur met haar vinger op de deurknop. Arnold – die er een gezonde sport van heeft gemaakt om juist tot op het allerlaatste moment te blijven zitten – kijkt het vermakelijk aan. Ik kies de veilige middenweg en sta schuddend in het gangpad. Nog één station tot Rups, nog één station tot de eerste wintersport.

Aiguille du Midi. Arrêt sur demande 

Mijn moeder – inmiddels er heilig van overtuigd dat de trein zodadelijk maar drie seconden stopt en daarna non-stop doorrijdt naar Milaan – kijkt strak naar de deur. Het moment is bijna daar. De spanning neemt toe, de sneeuwveldjes vermenigvuldigen zich. De Franse omroeper schreeuwt iets in onze oren. Een paar keer valt de naam Chamonix als een soort magische toverformule.

Chamonix-Mont-Blanc. Terminus

We zijn er! Als een set Hollandse koeien die voor het eerst de wei in mag, stormen we de trein uit. Een deken van kou slaat om ons heen. We kijken recht in de ogen van een ander universum. Grote groepen Yeti’s lopen vrolijk rond. Overal klinkt muziek en lichten sprankelende etalages op. Op grote hoogte zien we de schimmige contouren van één van de reuzen van deze wereld. De Mont Blanc heet ons bijna verlegen welkom. We lopen naar Chambre Neuf. Daar staat Smurf met een grote glimlach, onze eigen Smurf in haar Alpine koninkrijk. Het grote avontuur start, laat het eeuwig duren.

32949242402_99557206fc_o32978603151_00529669c3_o
32949244992_8c536171ea_o33105759235_c0c43fd4d2_o

Voor alle foto’s kijk op: https://www.flickr.com/photos/persijnenburg/sets/72157680648458066/with/32949242402/

Flamingo’s op de laatste Après-Ski

_DSC0657

Mijn badpak is achter de klerenkast gevallen. Ik kom er pas na lang en gericht zoeken achter. Goed, het bakpak is terecht, wat doen we nu? Haar los, oorbellen, niet zoveel make-up want ik geloof dat meisjes uit Hawaii van die natuurlijke schoonheid bezitten. Toch? Is dat Hawaii? Prachtige lichamen en wapperende haren?
Hoe fix je dat voor een themafeestje in Chamonix? Ik lijk meer op het bleke rotsblok dan de meisjes die erop aan het water zitten.
Goed, bloemen, ik heb bloemen in mijn haar nodig. Ze beginnen net een beetje uit te komen in Chamonix. De winter heeft officieel opgegeven en trekt zich terug de hoogte in. Het gejoel klinkt al boven Gailland uit, BBQlucht in de straten van Les Bossons, trailrunners waarvan je de billen en buik ziet.
Ik stop de camera in mijn rugzak en fiets naar Chambre Neuf, waar het druk is voor het seizoen omdat we onze laatste Après Ski vieren. Afgelopen weken kon ik ongehinderd kauwgom van de vloer schrapen omdat er urenlang niemand overheen liep. Nu staan er grote opgeblazen Flamingo’s en badjes met water. Mijn collega’s zijn uitgedost, niet zozeer natuurlijke schoonheid maar een hoop bloemen, glitters en lippenstift. Hun benen hebben nog geen zonlicht gezien, maar dat weerhoudt ze er niet van om in korte rokjes en broekjes door de tent te hollen.

Mijn eerste dag in badpak in Chamonix en mijn laatste Après-ski ooit. Het zal een beestenbende worden, want de seizoenarbeiders laten deze laatste evenementen niet stilletjes voorbijgaan. Er zal gedronken worden, geschreeuwd, gesloopt, gepist, gekotst, gezoend en gevochten. En dat allemaal in Hawaiioutfit.
Ik hou van dit werk. Dat realiseer ik me weer eens wanneer de drukte een hoogtepunt bereikt en ik eigenlijk geen tijd heb om na te denken. Ik hou van het contact en de gekte, van het spel van de bestelling, vijf gin-tonics, een amaretto cola, zes pitchers, een witte wijn en rode wijn en oh ja, een sodawater met als kan wat limoensiroop. Dansen met de collega’s, wie als laatste bij de kassa is kan wachten en pas op dat je het bier niet uit mijn handen slaat, want de bar is maar klein en we willen allemaal hetzelfde.

Als de drukte afneemt probeer ik bewust wat te voelen. Verdriet, misschien, of blijdschap wegens mijn naderende vrijheid. Maar ik kijk voor me uit en denk alleen: wat een gekkenhuis.

Iedereen danst en zingt mee met de band. Het is zo warm dat overal bikini’s en speedo’s tevoorschijn komen. Er valt een opgeblazen papagaai uit de lucht. We verkopen waterpistooltjes met wodka en worden zelf natgespoten. Iemand probeert een palmboom naar binnen te krijgen. Na afloop loopt de zaal massaal leeg en blijven wij achter met gebroken glas, een pislucht in de gang, een twintigtal laveloze lichamen, leeggelopen zwembadjes en pelikanen en een lange avond om schoon te maken.
Ik ga naar de wc en realiseer me dat ik me volledig moet uitkleden omdat ik een badpak draag.
Om twee uur ’s nachts stop ik de laatste opbrengt van de Après-Ski in de kluis en stap ik op mijn fiets naar huis. Daar neem ik plaats op de sofa en scroll ik door de foto’s die ik ondanks de dikke damp in Chambre Neuf heb proberen te maken. De sfeer en gekte hebben zich niet in beeld kunnen vertalen.
Dan heb ik alleen mijn herinnering.
Gelukkig zal ik die nooit verliezen.

_DSC0668
_DSC0647_DSC0669_DSC0671_DSC0667

Mont Blanc Poging I

Is het echt gebeurt? – vraag ik aan Alex. Waren we er echt?
Ja, zegt hij terwijl hij een gepoleerd wijnglas aan het rek boven de bar hangt.
We waren er echt.

_DSC0423

Twaalf uur eerder. We stonden misschien niet op de top van de Mont Blanc, maar wel tussen de sterren. Midden in onze dromen en nachtmerries. Een plek waar we niet mochten zijn van Mont Blanc zelf en we ons toch trachtten te handhaven. Ergens waar onze collega’s nooit zouden komen, een realiteit totaal afgescheiden van Chamonix, de lange nacht die elk verband tussen de berg en het normale leven heeft verdampt.

_DSC0387

Mont Blanc. Sinds ik in Chamonix woon hebben misschien wel duizend mensen op de top gestaan, maar ik niet. In de zomer noch in de winter, niet op ski’s of op stijgijzers. De Mont Blanc is zo’n berg die voor iedereen in Chamonix wel iets betekend, zoals ze daar als hoogste boven de anderen uitsteekt, die grote witte hoop historie. Een eitje om te beklimmen, zeggen ze.
En toch was ik een beetje nerveus toen ik met Marcel door het liftje naar Plan d’Aiguille werd gebracht. Een romantisch uitje naar de top van de Mont Blanc, bij toeval gevolgd door een groep bevriende Britten waaronder mijn barmaatje Alex. Alles leek eenvoudig, rustig, zoals de zon op ons scheen toen we richting Glacier des Bossons traverseerden. Toch voelde ik iets gigantisch in mijn toekomst. Ik moet met respect aan haar denken – dacht ik. Anders kickt ze ons eraf.

De route naar de hut was eenvoudig. Een spoor dat geleidelijk langs de bergflank aan de noordkant van de vallei liep, nu en dan om wat spleten kronkelde en pas op het einde wat hoogtemeters oppikte. Rond het middaguur lagen Marcel en ik languit op het dak van Grand Mulet. We sliepen, aten, lazen en verdeden onze tijd in een monumentaal decor. De ondergaande zon die speelde met de skisporen van onze voorgangers, mijn goede vrienden lachend in het oranje licht en mijn vriendje naast me, starend naar Mont Blanc.

_DSC0413De normaalroute naar Mont Blanc via Grand Mulet geeft twee mogelijkheden: Of je neemt de afslag over de gletsjer en passeert een aantal actieve seracs of je volgt de momenteel verijsde graat op de Dome. In onze gedachten rezen de seracs als boosaardige giganten boven het pad uit, in de houding om aan te vallen, grommend voor wat verse alpinisten. De ijzige graat leek aantrekkelijker, minder duister en gevaarlijk, maar ongetwijfeld langer. We wisten het niet.

_DSC0559

’s Avonds in bed kreeg ik hoofdpijn. Hoogte. Ik dronk water en probeerde te slapen. Het hele lager probeerde te slapen, gewoel en gezucht domineerde het gesnurk. Mijn ademhaling obsedeerde me. Slaap, Ruby, slaap.
0100, de eerste lichting stond op, nu begon het. Het felle licht van koplampen stuiterende door de kamer, geluid van ritsen en tassen, de deur die open en dicht ging.
Marcel en ik aten stil ons ontbijt, pakten stil onze tas, liepen stil naar onze ski’s en begonnen, nadat iedereen al vertrokken was, aan onze eerste hoogtemeters richting Mont Blanc.
Het was donker, maar niet koud. Nog niet. We maakten de beslissing tussen de seracs of de graat precies waar het pad splitste, ik zei ‘Marcel wat doen we, links of rechts’, we keken rechts en zagen een lange rij lichtjes stilstaan voor de schim van de graat. Linksaf. Op naar de seracs.

_DSC0584

Het pad liep direct steil omhoog en de kickturns putte me genadeloos uit. Ik ben fit, dacht ik steeds, maar elke keer dat ik mijn ski door de lucht zwiepte werd ik vermoeider. Concentreer je, Ruby, zei Marcel als ik mijn ski niet plat genoeg op de sneeuw legde. Dit gaat je uitputten. Ja maar jongen, dacht ik, ik ben in conditie en ik kan dit. Jij was er deze winter niet en ik heb dit hele skirando ondertussen geleerd.
En toch.
Eindelijk vlakte het pad af en kon ik in mijn beklimming komen. Een ritme, zwijgend achter de lichtjes aan. Het donker vormde echter een bedreiging die mijn hele lichaam in beslag nam en de beklimming veranderde in een sinistere, onbegrijpelijke onderneming. Gaan we nu verdwalen? Met zijn allen? De alpinisten voor ons hoopten op en zochten het spoor. Ik vervloekte de beslissing om via de seracs te gaan, want nu zouden we de weg verliezen of terug moeten keren. Maar we vonden het spoor terug en zetten de beklimming voort, zo vlug dat we voorbij de seracs waren voordat ik ze gezien had.

_DSC0629En toen begon het koud te worden. De wind had ons nog niet gevonden maar de hoogte kreeg ons langzaam in haar greep. Ik moest wisselen van handschoenen, twee donzen bokshandschoenen, en voelde mijn tenen veranderen in ijs. En opeens was ik uitgeput. Heel even maar volledig aan gort, wat is dit nu – dacht ik. Ik kan niet meer. Laat me slapen, laat me hier liggen, het is goed zo. Marcel kwam eraan en bracht me terug in de realiteit.
Dat is gek, toch? Daar kon de dood me dus even helemaal niets meer schelen en had ik me liever in de sneeuw gegraven.

_DSC0593Alhoewel ik mezelf herpakte vroeg ik mezelf af wat ik daar in godsnaam aan het doen was. Het was donker en koud en vermoeiend en eindeloos.

Tegen de tijd dat de nacht begon te kleuren zagen we Vallot, het hutje voor de Bossonsgraat. De wind werd eindelijk vrijgelaten en blies me bijna omver, vlagen van brute kracht. De kou kroop langs mijn bezwete rug omhoog maar ik dacht dat het wel goed kwam. Mijn gevoelloze voeten voelde ik niet, ik was in een blinde spurt omhoog. Omdat de laatste stijging voor Vallot volledig verijsd was wisselde Marcel van ski’s naar stijgijzers, maar het kwam niet in me op om hetzelfde te doen. Mijn vingers kon ik niet meer bewegen. En opeens, net zo opeens als daarvoor, was ik wederom uitgeput. Ik kon niets meer. Marcel liep naar me toe en dwong me mijn stijgijzers aan te trekken, en ik reageerde niet door mijn stijgijzers te pakken maar door te zeggen dat het te koud was. Hij klikte mijn rugzak af, haalde mijn stijgijzers eruit en verwisselde ze voor mijn ski’s. In een droom of een nachtmerrie liep ik naar het hutje, waar slechts vier mannen ons voor waren. We bleken in recordtijd omhooggelopen en ik was verloren. Ik rilde zo erg dat ik geen handelingen kon uitvoeren, mijn handen die weg probeerden te vliegen. Marcel haalde mijn schoenen van mijn voeten en probeerde mijn voeten te ontdooien door ze tegen zijn buik te leggen. De hut stroomde langzaam vol en nu en dan vroeg iemand – een gids, een klant, allemaal mannen – of het wel goed ging. Ja, ja, ja, dacht ik, ga weg. Nog steeds kon ik niets behalve het aanschouwen van mijn eigen hulpeloosheid.
Ik ga overgeven, nu, riep ik plotseling uit. Uit alle macht probeerde ik mijn stelsel te controleren terwijl Marcel naar iets opzoek ging dat mijn hoogteziekte kon opvangen. Ik kon het net aan binnenhouden.
Ik ben er zo slecht aan toe, Marcel, zei ik.

_DSC0615 (2)Ondertussen klonk het woeste beuken van de wind tegen Vallot. Er werd gediscussieerd tussen de alpinisten, wel of geen poging wagen, de top van de Mont Blanc in zicht en gevoelsmatig dichtbij. Ik had Marcel al duidelijk gemaakt dat ik met geen mogelijkheid omhoog kon. Ik was verslagen. De wind versloeg iedereen, een vijftal Oostenrijkers deed een poging en kwam direct terug. Een uur later had ik nog steeds mijn voeten niet terug, maar wel een deel van mijn realiteitszin. We bereidde ons voor op de afdaling, wat min of meer betekende dat Marcel al mijn spullen bij elkaar pakte en ik probeerde wat warmte in mijn lijf vast te houden. Myrtille noemde hij me nu. Mijn lippen waren blauw. Kom op, Myrtille, pak je tas. Rits je jas dicht. Zet je helm recht.
Myrtille en Marcel skiede de helling af toen de Britten eraan begonnen. Ik weet het niet, jongens, zei ik tegen de uitgeputte gestaltes die wegens de kou onherkenbaar verstopt in hun kleren omhoog bewogen. Het waait veel te hard en ik ben hoogteziek, misschien gaat de wind liggen en kunnen jullie wel naar de top, zei ik tegen ze. En daarna skiede ik er vandoor.

_DSC0586Ik zag de Mont Blanc toen ik achteromkeek. Een witte bol die van ons werd gescheiden door een sneeuwgraat en een onmenselijke wind. Heel dichtbij en heel aanwezig, een gigant die zich niet liet beklimmen, die ons geen aandacht schonk, zo zorgeloos, zo tijdloos.

De zon scheen inmiddels volle bak op de route die we die nacht hadden gevolgd. Licht, weids, overzichtelijk. Vriendelijk, zo kwam de beklimming plotseling over. Was dit het enge duister van de nacht? Deze stille vallei met haar vrolijke skisporen en de gestage zigzag omhoog?  Waren dit de monsterlijke seracs, met hun klauwen en tanden en vechtlust? Deze bewegingsloze, kunstzinnige en onbegrijpelijk mooie formaties die hier gewoon naast ons staan? Heb ik mezelf hierop uitgeput?
Hoe lager we skieden, hoe meer de nacht in een mythe veranderde. Ik was er nog steeds slecht aan toe, maar dat was het enige dat me in de realiteit van de beklimming deed geloven. Iets had me van al het leven in me beroofd. Dat kon alleen de Mont Blanc zijn geweest.

_DSC0622Nooit weer, concludeerde ik toen we plaatsnamen op de vloer van het liftje. Of in elk geval voorlopig niet.

Die avond kon ik alleen maar grijnzen toen Alex binnenliep om samen onze shift te beginnen. Is het echt gebeurt? Waren we er echt? De Britten hadden eveneens de top niet gehaald, niemand, maar de herinnering drogeerde ons. Vermoeid en gelukkig. Wij kennen een wereld die niemand kent, wij waren zojuist bij de Mont Blanc, hier heeft u uw biertje.
De lijdensweg verdampt zo snel in de intensiteit en diepte van de ervaring dat het me slechts één nacht kostte om die wederom te willen afleggen. Wat bijblijft zijn de bergen en de vrijheid, het kleuren van de horizon, de glimlach van vrienden, het samenzijn met Marcel, het felle licht van de sneeuw en de lange afdaling.
En het verlangen om wél bij de top te komen.

Een tweede poging ligt al in de planning.

_DSC0574

_DSC0445

_DSC0461_DSC0595_DSC0494

Wederom een einde van een seizoen

Je mag ze geen staff prize geven hoor, waarschuwt mijn manager me. Ze heeft het over mijn ex-collegaatjes, diegenen die als eerste het seizoen uitstappen en in de zon op het terras zitten. In plaats van drie euro betalen ze nu 5,50.
Als de manager niet oplet geven we ze alsnog de staff prize.

Het einde. Iedereen wil stoppen met werken maar toch ook ergens dat het seizoen nog niet over is. Gaat het zo snel? Ja, we zitten bijna in April. De après-ski’s vinden plaats in het licht, met ruimte op de dansvloer. Ik heb de tijd om met een cola tegen de bar aan te leunen en de band te zien spelen. Na de après-ski moet ik bijna fysiek geweld gebruiken om mijn collega’s aan te sporen om schoon te maken, want die interesseert het geen donder meer. De een vertrekt morgen, de ander over een week.
De zon en het terras.
Verbrandde hoofden en wilde plannen om uit te gaan, want dat doe je aan het eind van een seizoen. Ik hou van iedereen een beetje meer omdat de druk van het hoogseizoen ook van mij af is. Nu hoef ik ze niet te laten functioneren, nu kan ik gewoon met ze omgaan.
En zij houden van elkaar een beetje meer omdat ze zich binnen enkele weken als een bol vuurwerk over de aardbol verspreiden.

De vallei van Chamonix is sneeuwvrij, maar daarboven valt nu en dan nog wat. Het einde van het ski-seizoen voor diegene met tourski’s en skins is nog niet in zicht. Ik zal nog heel wat uren op de flank spenderen, en eveneens nog een dikke maand in Chambre Neuf, waar mijn contract pas eind april eindigt. Lange, lege avonden, geklier in de plonge.

Nu wil ik alleen maar heel erg in het nu leven. Dat is de tendens en daar doe ik graag aan mee. De zon en het terras. Iets teveel bier en iets teveel gekte totdat iedereen Chamonix heeft verlaten.

De Superhond, Mont Buet en tsjah, ikzelf

Het is een kwestie van geduld. Gewoon passen blijven maken, dan kom ik er vanzelf. Niet nadenken, niet over afstand of hoe ik me voel.
Wat voel ik me slecht. Ik zou mijn ogen kunnen sluiten en in slaap vallen, gewoon, lopend. Het is niets meer dan geduld, aanzien hoe de wereld aan me passeert, blijven lopen. Mijn huid brand, ik voel mijn hoofd kloppen. Mijn benen doen zeer, vanaf mijn knieën naar beneden. Zou ik hier gewoon kunnen gaan liggen? Even slapen? Ik heb dorst en moet plassen. Hoe heb ik mijzelf toch in deze situatie gekregen. Wat is er mis met me.

22 uur eerder.

Ik hoor Adria rommelen en schiet meteen omhoog, dronken het bed uit na nog geen vier uur slaap. We eten, drinken koffie en verzamelen onze skispullen. De bus gaat om 0707. Ik leun met mijn hoofd tegen het glas en zie mijn gedachten achter de bus aanhollen. In Chamonix Sud worden we opgehaald door Linnea en haar hond Ronja, een zwarte rakker van negen jaar. We proppen ons allen plus ski’s in haar auto en rijden naar Le Buet. Als ik achterom kijk zie ik Ronja in slaap op de schoot van Adria. Wacht maar, hond, jou staat heel wat te wachten.
In Buet realiseren we ons dat we geen zonnebrand hebben. Ik vraag een oude Franse passant of hij par hazard misschien wat crème solaire bij zich draagt. Nee, en in het nabijgelegen hotel ook niet. Moeten we dan niet wat kopen?
Ach, we overleven het wel.

We beginnen de tocht door de bossen achter Buet, een klein ijzig pad omhoog dat door skiërs is omgetoverd tot een bobsleebaan. Ronja is nog nooit mee geweest op een skitocht, maar beweegt zich gemakkelijker over het ijs dan wij. Vier pootjes die vrolijke pasjes omhoog maken, een staart die heen en weer zwiept. Hierna ga jij sowieso een hond nemen, Ruby, zegt Adria.
We passeren de waterval en volgen de rivier naar Vallon de Berard, mijn lievelingsvallei van Chamonix. Weids, wit, rustig. Alsof er toch niet zo heel veel mensen komen. Ronja sprint links en rechts over de vlakte, pakt takken op en sleept ze mee, voegt zich weer bij ons of doet een plasje.
Recht van ons ligt Mont Buet.
Kijk Linnea, die beklimmen we vandaag. Het ziet er niet eens zo ver uit; die 1780 hoogtemeter lijken te overbruggen in een paar uur.

We lopen tot het eind van de vallei en beginnen de klim rechts omhoog. Precies wanneer het steil wordt verlaten we de schaduw, het zweet breekt ons direct uit, de zon grijpt ons vast en laat ons niet meer los. Ronja krijgt moeite met lopen omdat de sneeuw zacht is en haar poten in het geheel wegzakken. Linnea heeft ook moeite, haar gloednieuwe ski’s zijn toch iets zwaarder dan ze dacht. Samen met haar hond buffelt ze zich omhoog.
Ik ga zo lekker dat ik niet eet of drink. Al het water gaat überhaupt op aan die arme Ronja, die elke honderd meter trager wordt. We moedigen haar aan, onze harige held die we ongevraagd een berg op dwingen. Kom op, Ronja! Superhond! Je kunt dit!

Mont Buet heeft zo’n top die zich telkens weer verschuild achter een heuvel of bocht. Dat je denkt dat je er bent en er nog tien keer niet helemaal bent. Ik maak me een beetje zorgen om Ronja en Linnea, maar beide denken er niet aan om op te geven.
Op de graat naar de top voegt de wind zich bij ons en kunnen we een beetje afkoelen. Het uitzicht op de overkant is adembenemend. We ziet alle Aiguilles Rouges en daarachter het hele Mont Blanc massief, elke bergtop in volle glorie aanwezig met die reus van een Mont Blanc aan de rechterkant. Ik wist niet dat het zó mooi zou zijn, zeg ik tegen mijn vrienden. We staan op de top en staren voor ons uit. Ronja vind zichzelf terug en kwispelt vrolijk om ons heen. Mijn God. Wat bijzonder.

Nu moeten we die hond nog beneden krijgen. We klikken onze ski’s terug in en glijden naar beneden. Ronja hobbelt erachteraan.
De sneeuw is wonderbaarlijk goed en geeft ons de illusie dat we gewichtsloos zijn. Joelend vliegen we naar beneden, zonder grenzen of obstakels, zo vrij als drie skiërtjes in Chamonix. Maar na elke vijftig meter moeten we wachten op Ronja, die nog dieper in de sneeuw wegzakt dan voorheen en het soms gewoon even opgeeft. We moedigen haar aan, geven haar de tijd om te herstellen, laten haar rustig door de sneeuw rollen als ze verkoeling zoekt en skiën dan weer vijftig meter verder. Nog even, Ronja, we zijn bijna beneden. Je bent een superhond. Een echte.
Apentrots rollen we Vallon de Berard in. De rest van de afdaling filosoferen we over hondenskies, of hondenbackpacks, of een slee die Ronja zelf zou kunnen besturen. Ongeduldig van verlangen naar Panaché skiën we de bobsleebaan naar beneden, totdat Ronja een andere afslag neemt en we haar kwijt zijn.
Ronja.
Ronja!
Ronja, hier, nu!
Linea klikt haar gloednieuwe ski’s uit en neemt aanstalten om terug te lopen. En dan gaat ook haar ski ervandoor, zo de helling af naar de rivier, het water in en dan – godzijdank – vast achter de rotsen. Terwijl Linnea haar ski redt gaan Adria en ik op zoek naar Ronja. We lopen de bobsleebaan terug naar boven en zien haar nergens. Kom op, Ronja. Kom terug.

Precies wanneer Linnea haar ski uit het water weet te vissen zien we het gekwispel van Ronja op de flank boven ons. Stom beest, zegt Linnea.

Dolgelukkig drinken we onze Panachés op het terras van Hotel Le Buet. Adria heeft een knalrood gezicht en verbrandde armen. Ik vraag hem of ik er net zo slecht aan toe ben als hij, hij zegt dat ik wat meer bruin zie dan rood. Goed, denk ik, dat heb ik overleeft.
Ronja doet alsof er niets aan de hand is en zoekt naar nieuwe takken. Linnea zit uitgeteld aan tafel. Geen van ons vier wil weg, maar ik moet, want ik word om vijf uur bij Chambre Neuf verwacht.

We rijden terug naar Chamonix. Terwijl Linnea de tijd vrolijk aan elkaar babbelt moet ik moeite doen om niet in gedachten te verzinken, om überhaupt mijn ogen open te houden. Ze parkeert ons vlak bij het hotel en gaat voor een tweede biertje met Adria, terwijl ik de personeelskamer binnenloop en wat eten naar binnenwerk. HOLYSHIT RUBY, zegt de eerste collega die ik tegenkom. Jij bent verbrand.
Ik beweeg mezelf voor een spiegel en schrik me rot. Mijn kop is integraal rood. Mijn nek staat in brand. Ik ben de grootste idioot die ik in tijden heb aangestaard.
Als een bezetene smeer ik mezelf in met elke soort crème die ik in het hotel tegenkom. Zodra mijn shift begint ben ik niet meer aanwezig. Ik stort in zonder de mogelijkheid te hebben, volledig uitgeput en gedehydrateerd, een zonnesteek van hier tot ginder. Ik weet mijn werk te doen op een vage basis van routine en vraag me ondertussen af of ik de dag tot een goed einde kan brengen.
Iedereen die me ziet maakt een opmerking.
Succes, wensen Adria en Linnea me als zij op weg gaan naar huis. Naar bed. Ik zie Ronja vrolijk de deur uit kwispelen.

Mijn collegaatje dwingt me om pitcher na pitcher met water te drinken. Ze hebben door dat ik er slecht aan toe ben en zijn lief voor me. Op wonderbaarlijke wijze passeert de tijd, voor ik het weet zit ik met het geld op tafel en tracht ik de omzet van de avond in kaart te brengen. Ben, je moet me helpen hier. Ik kan dit niet meer. Het geld dwarrelt voor mijn ogen en ik kan alleen maar denken aan de weg terug naar huis, aan mijn bed, het einde van deze dag.
Ik stap in mijn schoenen voor de onvermijdelijke wandeling terug naar huis en vervloek mezelf uit de grond van mijn hart. Hoe kan ik zo stom zijn. Hoe kan ik niet eten en niet drinken en geen zonnebrand op mijn kop smeren, hoe kan ik denken dat ik zo’n toer voor een werkdag kan maken, hoe kan ik mezelf zo overschatten. Ik ben nog nooit zo moe geweest.

Het is een kwestie van geduld. Gewoon passen blijven maken, dan kom ik er vanzelf.

Om twee uur ’s nachts lig ik in bed. De volgende morgen word ik wakker met een hoofd dat angstaanjagend is opgezwollen, twee uitgestoken lippen en een dikke nek. Ik kijk even in de spiegel en duik dan meteen weer mijn bed in.
’s Middags word ik wederom wakker. Mijn hoofd is wat geslonken maar de kleur is afschuwelijk. Ik pak mijn verslagenboek erbij, schrijf Mont Buet op, de datum en dan:
Een van de mooiste toeren die ik dit seizoen heb gemaakt. Ronja is een superheld, ik wil een hond en beloof mijzelf nooit meer het daglicht in te gaan zonder mijn gezicht te hebben ondergedompeld in zonnebrand. Elke vijftig meter die ik loop drink ik een liter water en op werkdagen houd ik me in.
Ik ben niet in staat om voor mijzelf te zorgen, maar wat houd ik toch veel van de bergen.

Een telefoongesprek met Marcel

Donderdag heb ik Couloir de la Table gepland, een afdaling die ik per ongeluk eens geklommen heb. In de zomer, toen het zoveel had gesneeuwd dat elke toerist op l’Aiguille du Tour zijn of haar route verloor en we allen zwierven over de flanken. Waarom deze? Omdat het zo’n willekeurige route is die me niet meer los heeft gelaten sinds ik wist van haar bestaan. En omdat ik er officieel nog niet toe in staat ben. En omdat ze in conditie schijnt te zijn én omdat Ben eenvoudigweg het voorstel heeft gedaan (zou ik het kunnen?).

Het is na middennacht. Ik wandel naar huis en bel Marcel, die normaal gesproken nog op is omdat ook hij tot onorthodoxe tijden aan het werk is. We rammelen wat aan over onze respectievelijke realiteiten en dan zeg ik hem, een beetje beschaamd omdat ik weet dat hij zal oordelen, dat ik van plan ben om donderdag Couloir de la Table te skiën. Hij kent het couloir en duikt meteen op camp-to-camp om bewijsmateriaal bij elkaar te scharrelen. Conclusie: Hier ben jij nog niet aan toe, Ruby.
Ik zeg hem dat het ding in conditie is.
Ja, zegt hij, in Chamonix is alles dikwijls in conditie, want het gros van de voorbijgangers is een briljant skiër of dan op zijn minst gek in het hoofd. Dan ski je zo’n couloir wel door, ook al ligt er een klein reepje ijs en wordt de rest gemarkeerd door een cliffjump.
Ja maar, zeg ik, ik ga het alleen maar proberen. Als het te steil is wandel ik naar beneden. Desnoods word ik de hele weg naar beneden gezekerd.
Wil je het doen omdat het TBSA is (Trés bon skieur Alpiniste)? – vraagt hij me.
Ja, dat is een deel ervan, antwoord ik. Voor de tochtenlijst van het Probatoire moet ik zes van die monsters skiën en momenteel ontbreekt het me aan alle zes.
Waarom concentreer je je niet eerst op je skiën en vang je dan pas dit soort avonturen aan? Als je zeker weet dat je het kunt? – vraagt hij dan.
Omdat hij nu in conditie is! En ik de mogelijkheid heb! En ik het wil proberen!

We hebben dit soort discussies vaak. Marcel was diegene die me vanaf mijn eerste tocht heeft gegidst. Hij kent de bergen als zijn broekzak en was vorig jaar haarfijn op de hoogte van mijn ontwikkeling in het skiën. Hij wist precies waar ik aan toe was en bepaalde waar we heen gingen. Alhoewel hij me probeerde aan te zetten tot zelfstandig nadenken – lawinegevaar, condities, materiaal, inschatten van eigen niveau – leunde ik op zijn oordeel. En nu?
Het is goed dat hij in Zwitserland zit want nu word ik pas echt gedwongen om zelf na te denken. Maar ondanks mijn pogingen dingen op een rijtje te krijgen, gaat heel veel gepaard met een God zegene de greep. Want eigenlijk heb ik geen idee. Ik heb de theorie van het lawinegevaar wel in mijn achterhoofd, maar zodra ik zelf voor zo’n berg sta denk ik: Tsjah. Condities eveneens. Wat ik wel of niet kan skiën is me een raadsel. Ik mis het gehele spectrum aan ervaring. Mijn voelsprieten zijn nog niet afgesteld op de bergen in de winter en het enige wat ik kan doen is stapje voor stapje wijzer worden.

Ik ben best voorzichtig en onzeker genoeg om mezelf niet in al te penibele situaties te brengen. Maar nu klinkt dat Couloir de la Table en denk ik: Shit, ik wil dat gewoon proberen.

Ok, zeg ik tegen Marcel, ik kan me eerst concentreren op het skiën. Moet ik dan niet eindelijk een skileraar nemen? Een prof, iemand die is opgeleid om andere op te leiden, idealiter iemand die zich bemoeid met het Probatoire?
Dat is duur, Ruby, zegt hij.
Ja, maar ik moet wat? Ik kan toch niet werkelijk denken dat ik mezelf met één enkele skiles in de opleiding kan bluffen?
Je zou ook eerst je uitrusting kunnen verbeteren, zegt hij. Goede schoenen en ski’s, want die heb je niet. En verdiep je eerst eens zelf in de theorie van het skiën. Heb je dat al gedaan?
Nee.
Dat heb ik nog niet gedaan, nee.
Soms wou ik dat ik me kon inschrijven voor de studie Alp en gewoon een vakkenpakket kreeg. Maandagochtend, ijsklimmen. Dinsdagmiddag, steep skiïng. Met een uitgedacht traject, testmomenten, mentoren en een cijferlijst. Een literatuurlijst met verplicht materiaal. Een diploma met mijn naam in krulletters.

Marcel, zeg ik als ik bijna thuis ben, ik zal erover nadenken. Over alles. Over lawines, condities, materiaal, mijn eigen skiniveau, het wel of niet nemen van skilessen, over geduld versus geld versus enthousiasme. Over donderdag.
Je weet hoe een schijterd ik ben bovenaan de afdaling, dus maak je geen zorgen. Ik stort mezelf niet in het duister.
De Spaanse wijze mompelt bedenkelijk, een ‘wees voorzichtig’ en een ‘het komt wel’ en wenst me dan een goede nachtrust.

M6 Solar

Ik leun tegen de achterzijde van de bar en zie de gasten op de tafels dansen. Het loopt tegen het einde van de après-ski en het was weer druk. Nadat de meeste feestgangers dampend van het zweet de deur uit zijn gelopen en de jongens ritueel het bier van de vloer dweilen, loopt Ben de bar binnen. Kijk, deze gaan we morgen doen. Hij wijst naar een route in een topoboek, M6 Solar op Pointe Lachenal, een mixed lijn van tweehonderd meter waar ik helemaal niets van afweet. Ok, zeg ik, wat heb ik nodig?
Na het afsluiten van de bar wandel ik naar huis, veertig minuten lang, met de route open op mijn mobiel. In mijn hoofd vormt zich een vage paklijst en vooral het besef dat over vier uur mijn wekker gaat. Thuis schop ik mijn werkschoenen uit en kruip direct mijn bed in, even later worstel ik me in alpine kleren en verzamel ik mijn materiaal.

Met een honderdtal Vallée Blanche toeristen, een paar ski’s en een ongeorganiseerde alpinetas sta ik in de rij voor de lift van Aiguille de Midi. Ik heb dit nog niet écht gedaan, zeg ik tegen Ben terwijl we langzaam naar voren schuifelen. Niet zo hard, althans. Mixed terrein kom je in routes wel tegen, maar mixed vanwege het mixed is wederom een nieuwe wereld.
Met een beetje duwen, trekken en valsspelen weten Ben en ik snel een plek omhoog te veroveren, waardoor we nog voor tienen van de sneeuwgraad bij Aiguille de Midi afskiën – ik eventjes onderuit omdat het een tijdje geleden is dat ik met zware rugzak skiede.
En daar is ze: M6 Solar, een lange, ogenschijnlijk droge weg omhoog, een beetje duister maar toch niet zo angstaanjagend, best wel ok eigenlijk. Dit overzie ik.

Ik leid de eerste pitch onder een knalblauwe hemel, zwetend van de tragische hitte van Maart, en kom er direct achter dat het toch even iets anders is. Go go gadget Ruby, of eerder die meisjes van Totally Spice die allerlei hulpmiddelen tevoorschijn toveren om de slechte jongens mee te verslaan. Mijn bijlen kunnen in spleten en achter rotsen, of in het ijs, maar ik kan ook met mijn handen klimmen, of met mijn hele lichaam, ik vergeet bijna mijn protectie door al dat gemanoeuvreer omhoog, de cams en nuts, het minuscule puntje van mijn stijgijzer op een richeltje aan de linkerzijde van de schoorsteen en mijn volledige gewicht tegen de rechterzijde. Lukt dit?

We wisselen de lengtes af. Soms ben ik even stil van spanning, maar telkens wanneer ik weer kan ademen ben ik superblij. Wat is dit leuk zeg. Een puzzel bijna, nauwkeurig en traag veroveren van terrein, meter bij meter, gadget per gadget.

17353033_10212184738075773_180129150_n

Ben klimt de crux. Een grijze, ijsloze spleet in een schoorsteen. Twee pitons en dan louter eigen creativiteit en een sterk functionerend mentaal. Hij klimt zonder piepen. Ik verlies hem uit zicht en hoor het geschraap van zijn stijgijzers en zijn gemompel. Well, no protection here, zegt hij. Time to be a big boy. De zon blijft precies twee meter onder mijn standplaats steken, waardoor ik de hitte uit mijn vingertoppen voel stromen en de rillingen over mijn rug lopen. Kom op Ben, denk ik. Kom op, zon. Één van de twee.
Als ik hem volg liggen mijn vingers eraf, en wanneer het gevoel terug komt heb ik twee van de meest intense hot eggs ooit. Alhoewel ik me vaag realiseer dat ik een hele mooie pitch aan het klimmen ben, kan ik alleen maar overleven en schelden. Precies wanneer ik bij de standplaats aankom is de pijn weg. En ben ik weer heel blij. Well done, Ben. Wow.

Wat is nu mixed klimmen? Hoe doe je zo’n M6 Solar? Toch wel een beetje op ervaring, denk ik. Je moet leren inschatten wat de meest efficiënte manier is om je voort te bewegen. Per hoogtemeter. Hoe maak je het jezelf het gemakkelijkst, door je bijl in een spleet te draaien of je met je handen af te zetten tegen de rots? Kun je dit minirandje gebruiken voor je stijgijzers? Ja. Kun je dit ijs vertrouwen? Hm, nee. Heelhook? Tsjah, waarom niet?
Kortom, ik kan nog wel wat M6 Solars in mijn toekomst gebruiken.

17360730_10212184741075848_106507268_n

We klimmen de route uit en komen aan in de volle zon en diepe sneeuw. Op de gletsjer ontmoeten we Bens vrienden die juist hun eigen route achter de rug hebben, en als groep skiën we het wonder van de Vallée Blanche af. De sneeuw is lentesneeuw en de sfeer is zomersfeer. Ik moet een beetje moeite doen met de zware tas, maar kom ongedeerd aan bij het treintje van Montenvers. We delen de plekjes van de trein met de horde Vallée Blanche toeristen, een aantal burgers in outfit, een drietal honden en een hele beroemde freeride skiër. En ik val in slaap.

Ik zit in de zon van het terras van de bar en drink twee Panachés. Skischoenen nog aan mijn voeten, mijn ongeorganiseerde alpinetas half uitgepakt naast me. Ben en ik zijn beide superblij. Ik heb nog een uur. Met grote tegenzin gooi ik uiteindelijk mijn alpinekleding af en kruip weer terug in mijn werkoutfit, de geur van zon nog op mijn huid, mijn armen zwaar en de herinnering aan de beklimming dominant in mijn gedachten. Een voor een help ik de gasten aan hun drank, boos dat ze interfereren met mijn gelukzalige roes en zich niet realiseren dat ik moe ben. Zet de knop om, Ruby, denk ik. Als de gasten weer op de tafels dansen grinnik ik. Wat een dag.
De wandeling terug naar huis is bijna niet te overzien. Ik open de route weer op mijn telefoon en zie dat de klimmertjes zich vrolijk over heel veel ijs bewegen. Wij hadden nauwelijks ijs, maar wel een afsluitende skisessie in T-shirt.
Veertig minuten later lig ik in bed, om drie uur ’s nachts, direct van de aardbodem.

(PS. Ben, next time I’ll make sure to have photo’s of you climbing hard crux pitches)

17352811_10212184733715664_1154119512_n