Latest Posts

Céüse

Van veraf is het echt niet zo duidelijk, de waanzin van de rotsen van Céüse. Kom maar eens dichterbij. Dan weet je niet meer wat je ziet; niet wat zich boven je uittorent nog wat goud kleurt onder de avondzon in de uitgestrekte vallei achter je.
Waar die klimmers in de lange, gladde overhang een weg naar boven vinden? – daarvoor moet je een ster zijn. En die zie je daar dan ook. Gebruinde Catalaanse sterren met één lange dreadlock langs hun dunne, gespierde rug, lokale Franse sterren uit het nabijgelegen Gap, luide Britse sterren met hun bleke, robuuste lichamen en zelfs een jonge Nederlandse ster die ook gewoon klimt in Klimmuur Centraal.
Super inspirerend.

_DSC0913

’s Avonds komen Marcel en ik aan tussen de busjes op de parkeerplaats. Het gekwebbel van de nederzetting vindt de volgende morgen een weg door ons open raam. Ik stap de schuifdeur uit en de zon in. De buurman mediteert op zijn CrashPad. Daarnaast hebben ze een waslijn uitgehangen, vrolijk gekleurde klimkleren in een glimlach tussen de bomen. In de verte zitten klimmers in een rondje op uitklapstoeltjes. De achterklep van een bus staat open, ik zie twee hoofdjes onder de dekens uitsteken, het ene slaapt nog, het andere leest een boek.
Ze doen hun afwas naast het waterkraantje en wassen daar ook hun kleren, zelfs zichzelf. Het is als een camping voor bijzonder afgetrainde vakantiegangers, al is kamperen verboden en heeft iedereen zijn eigen huis meegenomen.

_DSC0920

Geïnformeerd over de lengte van de aanloop én de lengte van de haakafstanden lopen we in volle middaghitte omhoog naar de rotsen. Een klein paadje dat zigzagt tussen de dikke, lichtgroene begroeiing verhindert ons om de rotsen te zien. Vlinders schieten voor onze voeten uit. Als we na een dik uur aankomen zijn we niet alleen hongerig en moe, maar ook onder de indruk. En misschien een beetje bang.
Met een nog bezwete rug klimmen we routes in een relatief eenvoudige sector. Hier zijn we tussen de stervelingen, de zesjesklimmers en topropers die zich net zo hard frustreren als de sterren in hun magische pogingen. Het is een gezellige bende onderaan de rots, koekjes worden uitgedeeld en contacten gelegd, zo’n zes verschillende talen die soms onverwacht gemeenschappelijk blijken.
Dan bewegen we ons iets naar links en beginnen we voorzichtig aan de zeventjes.
Haakafstanden.
Oh Mijn God.
Ik vind mezelf opeens in een cruxpas met de voetjes meer dan een meter boven de haak. Moet je mij hebben? Ik?
Dat klinkt niet zoveel hè, een meter, maar als je daar niet aan gewend bent dan groeit die meter in je hoofd uit tot zeven meter (maakt een veertienmeter lange val plus touwrek maakt dat je zeker een minuut lang zal vliegen en Céüse in tweeën splitst bij je landing).

_DSC0926

Als de zon op de rug schijnt is het bloedheet, maar zodra die de bocht om verdwijnt is het steenkoud. Plotseling verschijnen de donsjassen en lange broeken, mutsen en zelfs handschoenen. Gelukkig had Fieke ons gewaarschuwd en kunnen wij ook in een donsjas kruipen.
In die donsjas bewegen we ons naar de overhang en slaan we schaamteloos de sterren gade. Hop, daar vallen ze meters uit de lucht, meestal met een schreeuw. Met open mond zie ik ze dan weer een poging wagen en hoe dan plakken zij aan de rots? Wat zit er op die vingertoppen? Ik heb een beetje het gevoel alsof ik het stadium van Ajax in ben gesneakt en stiekem een training bijwoon. Vervolgens land zo’n speler, kan ik er gewoon tegen babbelen en denk ik: Wouw, mijn sport is supercool. Mag ik een handtekening?
De weg naar beneden is niet eens vervelend, want de zonsondergang kleurt de lucht roze en de bergen goud.

_DSC0940

De volgende dag geeft precies hetzelfde ritueel, al is mijn lichaam vermoeider maar mijn geest iets sterker. We vinden een route met fatsoenlijke haakafstanden waarin we vrolijk naar beneden donderen. De gezelligheid wordt voortgezet in de eenvoudige sector, de sterren klimmen weer in de overhang, als de zon wegtrekt is het steenkoud en de zonsondergang is wederom adembenemend.
We nemen afscheid van de kleine samenleving omdat onze vingers inmiddels futloos aan onze handen hangen (en onze handen futloos aan onze armen en onze armen futloos aan ons lichaam).

_DSC0927

De laatste dag lopen we een nabijgelegen berg op en zien we Céüse van een afstandje – maar dichtbij. De klimmertjes zijn te klein om van de kolossale rotsen te onderscheiden, maar wij weten precies wat daar gaande is. Vanaf hier lijkt het nog imposanter, Ceüse is werkelijk waar ongelofelijk mooi, een beetje te groot om waar te zijn.
Maar écht, het bestaat.
En je moet er echt een keertje heen.

_DSC0911_DSC0919

Een Fiekje in het water

Ik ben bij Fieke op bezoek. Het landhuis staat nog steeds midden in een droom, van de jonge koeien die aan de overkant mee koekeloeren tot de houten vloer en de lampenkappen van de woonkamer. Fieke verbaasd me als ze me komt begroeten. Daar nadert een volwassen vrouw. Ik kan er niet eens de vinger op leggen wat er precies veranderd is, zij zegt dat ik ook veranderd ben maar weet niet precies waarom.

In de loop der dagen raak ik meer en meer van haar onder de indruk (gegeven dat ze al jaren geleden mijn held bij uitstek was, zegt dat veel). Haar gloednieuwe rode vervoersmiddel, een retro Jumpy die zo cool is als die Volkswagenbusjes, staat rustig voor het huis, Fiek zit rustig op de Yogamat, de appels en kiwi’s liggen rustig in de fruitmand. Buiten zie ik hoe de eerste groentes boven de oppervlakte van haar groentetuin uitschieten. Ze ratelt Frans alsof ze drie jaar eerder dan ik is geëmigreerd. Alhoewel ze net een nieuwe baan heeft heb ik niet de indruk dat er veel door de war is geschopt, juist het tegenover gestelde, het lijkt op avontuur waarvoor ze al jaren is uitgerust. Verpleegkundige in Frankrijk? – Check.

Trots laat ze mij en Marcel de rotswanden van haar omgeving zien. Ze kent de routes en niet alleen dat, ze klimt de routes, ongeacht haakafstanden of niveaus. Haar korte blonde haar houdt ze uit het gezicht door een Frans hoedje terwijl ze op de kop in de overhang van een 7b hangt. Haar lange dunne benen helpen haar in de spagaat door technische pasjes. Ze is zó sterk. Ik sta verbijsterd.

Ze laat ons pizza’s proeven van de pizzabus die circuleert tussen de dorpen en brengt ons naar het meertje als de zon al achter de bergen is gezakt. Het is inmiddels te koud om te zwemmen. In de bus van Marcel, uit de wind, proberen we sigaretjes te draaien. Alleen Marcel heeft het juiste kunstzinnige verleden om daar succesvol in te zijn.
Ondanks de biertjes die we drinken en deze occasionele sigaretjes leef ik gezonder dan de afgelopen maanden. Het Fiekeregiem, zeg ik de hele tijd, waar ze het geloof ik niet mee eens is. Het natuurlijke bergleven (zonder toegevoegde suikers) is haar gewoon, maar ik blijf onder de indruk.
Dat ze blij is met haar omgeving steekt ze niet onder banken of stoelen. Vol lof spreekt ze over de dagen vol zon, de verschillende valleien, de klimmogelijkheden, de mensen die inmiddels vrienden zijn geworden. Een visje in het water.

We praten en praten en praten. Ik realiseer me hoeveel ik haar mis en hoezeer ik haar dichtbij me in de toekomst wil hebben.
En die mogelijkheid is er gewoon.
Een beetje geduld en een beetje daadkracht, misschien niet dit landhuis maar een ander, met net zulke geinige jonge koeien aan de overkant, is het mogelijk? Ligt het in onze eigen hand?

_DSC0894

Dit zijn dus écht, stuk voor stuk, hele leuke koeien, en het ontbreekt me even aan een recente foto van Fiekje (in het water).

Wie wilt mijn brein?

Ik heb een goed brein dat ik graag even zou willen ruilen. Een beetje zoals Jouw vrouw, mijn vrouw, maar dan wisselen we van geest. Want weet je, ik ben mijn eigen gedachtegangen zat en een boek of creatieve levenswending is even niet afdoende. Ik zou graag een ander schouwspel daarboven willen zien, andere kleuren en dimensies, een nieuw behang, het jouwe. Wat het me ook brengt, licht of duister, diepte of oppervlakte, zolang het maar anders is.
Want weet je, daarna zal ik vast het mijne weer wat meer waarderen.
Zoals die vrouw die je inruilt bij Jouw vrouw, mijn vrouw.
Daar blijk je dan toch, na al die jaren van routine en alle mystiek allang overleden, best goed mee samen te kunnen leven.

Op. Af. Op. Af.

De wegen van Chamonix brengen me geen vrijheid meer, geen ontdekking of avontuur, maar het benauwde idee dat ik hun richting moet volgen. Ik voel het als Marcel me in de bus door de vallei rijdt, en op de fiets, en te voet.
Het is genoeg geweest.
Chamonix verlaat je niet zomaar. De winterplannen liggen al klaar: Zonder twijfel Chamonix, met haar toegankelijke afdalingen en meesterlijke bergen om de hoek. Maar het idee om nog een zomer tussen al die trailrunners en dure zonnebrillen mijn weg te vinden, spreekt me niet aan.

Wat dan wel?
Nog altijd ligt daar het Écrins plan, waar de beesten door de vallei lopen en de mensen Frans spreken, waar ik ben opgegroeid als alpinist en trots met mijn beste vriendinnetjes op de top van de Barre stond, waar hippies en bloemen uit de grond schieten en Marmotten je vriendelijk komen begroeten (lelijke dikzakken die gewend zijn aan de toeristen).

Maar om eerlijk te zijn… trekt Chamonix noch Des Écrins me. Noch de andere alpenlanden, noch Spanje, noch Nederland.
Weet je waar ik zin in heb?
In verandering. In een wervelwind door mijn hersenpan en een stempel in mijn paspoort die me voor het eerst buiten Europa brengt (oh God, denkt mijn moeder nu). Ik wil nieuwe dromen, een nieuw decor voor mijn fantasie, een weg uit mijn zelfobsessie. Ik zou me graag weer eens willen verbazen om de gedachten die opborrelen in mijn hoofd. Ik ben mezelf zat en de uitdaging die mijn dagen brengen net zozeer.

Misschien is het afdoende om een goed boek te lezen.
Misschien moet ik een ticket boeken naar Nepal.

De realiteit is dat ik een deal met mezelf heb gesloten en mijn ratio me verplicht om me voor te bereiden voor het gidsenexamen. Juist dit soort momenten geven betekenis aan het woord commitment (kan ik dat nou echt niet vertalen? You have to commit, schiet het steeds door mijn hoofd).
De kans is daarbij groot dat ik het grote avontuur – reizen, ontdekking – romantiseer. Wie zegt dat ik mijn gedachtenpatroon doorbreek als ik mezelf in Zuid-Amerika neerzet? Het is mijn gedachtenpatroon zelf dat me verleid daarheen te gaan. Zitten onder de palmbomen die al bestaan in mijn fantasie, kijken in de bruine kinderogen die ik ken van Google Afbeeldingen, struinen tussen de voeten van Westerse backpackers die een paar maanden later door het gras van Vondelpark Amsterdam lopen…

Dat is niet waar. Reizen zou veel met me doen, dat weet ik zeker. Gevaarlijk veel.
Juist daarom komt de timing van deze plotselinge drang me slecht uit. Mijn willekeurige en allesomvattende bergliefde komt me doorgaans goed uit, want dat geeft mijn leven betekenis en richting. Ik zit niet te wachten op een bestaanscrisis.

Toch komt dat hele berg-op berg-af me even volledig mijn trot uit.
Op.
Af.
Op.
Af.
Commitment, Ruby. Commitment.

Ik heb om precies te zijn nog dertien tochten te maken, een deel in de rotsen, een deel over graatjes en een deel in sneeuwig terrein. Dat kinkt weinig, maar ze zijn vrij specifiek. Het weer moet meezitten en niet te vergeten het fysiek en het mentaal.
Voordat ik met de Vondelparkvoetjes het vliegtuig instap verplicht ik mezelf deze lijst af te ronden. Nee, dat is geen straf, dat is immers wat ik het liefste doe (echt waar, ik heb alleen nu even een dipje. En vergeleken bij de andere opties, serieuze baan, studie, etc. is het een paradijs).

Ik ben nog steeds een bergmonster en loop nog steeds het risico om als een rotsblok aan de ketens te vergroeien zonder ooit een stap buiten Europa te hebben gezet.
Maar het kriebelt ontegenzeggelijk.
Nu eerst maar eens Chamonix achter me laten, een goed boek uit de kast trekken en zien of dat helpt.

Mag ik de waterpistooltjes houden?

Ik heb helemaal geen zin om op te ruimen. Met name niet om schoon te maken. Het soort schoonmaak dat nog ergens over gaat ook, want Adria en ik zien beide graag onze borg terug.
Het ergste is nog dat ik dingen moet weggooien. Want ik heb nog steeds het stadium in mijn leven niet bereikt waarbij een opbergruimte hoort. Wat in een winkelwagen past, is van mij, de rest is een probleem.

Ik heb het grootste gedeelte van de tijd een dak boven mijn hoofd, maar omdat dat dak zo vaak van gedaante verandert kan ik nooit ergens iets opbergen. Toen ik uit Amsterdam vertrok liet ik een deel van mijn spullen bij mijn ouders achter en nog het meeste op de boerderij van de ouders van Fieke. Mijn hele boekencollectie. Al die dagboeken. Verhuisdozen aan emotionele waarde.
Er staat het een en ander opgeslagen in Marcels oude kamer in Spanje en alles wat ik deze winter heb geaccumuleerd ligt in stapels om me heen.

Wat nu.

Altijd reist de vraag: Wat is nu werkelijk de waarde van dit alles?
Stel dat de ouders van Fieke denken, weg met die dozen. Op een gemoedelijke avond gebruiken ze mijn boeken om de BBQ mee aan te houden. Wat is dan het verlies?
Ik denk dat ik niet eens een tiende van alle boeken daar op hun zolder bij naam zou kunnen noemen.
En al mijn zorgvuldig neergekrabbelde pubergedachten? Die zijn toch te gênant om terug te lezen (niet eens gênant: ronduit saai).

Het is een gevecht tegen mijn hamsternatuur dat ik uit praktische redenen moet zien te winnen. Meer nog is het een keuze: meer vrijheid is minder spullen.

Maar dan: Ik zet niet mijn nieuwe ski’s bij het grofvuil, noch mijn tandenborstel. Sommige dingen heb ik nodig. Sommige spullen zijn het resultaat van een grote investering. Sommige dingen maken me zielsgelukkig (de fluffy Tiroler bergmarmot die jodelt en het cadeau was van mama).
Ik wou dat er ergens in de wereld een plekje bestond dat van mij was. Ik bezit nog geen vierkante centimeter. Zelfs mijn oorbel zou ik niet zorgeloos kunnen opbergen.

Ik droom er wel van, een plekje.
Het is de tijd echter nog niet. Ik zou er teveel voor moeten opgeven.

Dus, wat is mijn zelfverkozen realiteit: Dat ik spullen weg moet gooien en voor de rest een oplossing moet zien te vinden. Ik geloof dat de zwervende alpinist doorgaans kiest voor een busje. Rondtrekken met de ijsbijlen, ski’s en camelots op een rugzak is eenvoudigweg niet mogelijk. Je wil een ruimte op wielen; niet eens om definitief in te wonen, maar vooral om al die stiekem peperdure zooi van een veilig onderkomen te voorzien.
In mijn geval betekend een busje echter een rijbewijs en tevens de aanschaf van het busje zelf. Een investering. Nog één.

Adria en ik hebben een week om het huis in te pakken. Een week om de waterpistooltjes in de prullenbak te gooien. Ik kan voorlopig links en rechts wat dingen kwijt en moet dan toch de realiteit onder ogen zien: Inderdaad dat rijbewijs en die bus, het huren van een opslagruimte of een semi-vast onderkomen.
Een week van ramen lappen en wc’s uitmesten om erover na te denken.

Wanneer komt overigens de tijd dat je spullen op een chippie kunt zetten? Dat ik mijn ski’s even online kan parkeren? Gewoon een mapje op de computer (Tiroler bergmarmot & waterpistooltjes)?

Aiguille d’Argentière

IMGP0692Ik ben er nog niet aan toe. Steepskiing, steil naar beneden skiën, hoe je het ook in het Nederlands noemt, ik vind het doodeng. Die diepte die onder me uit schiet brengt me ter plekke in een nachtmerrie. Uit de gletsjerspleet onderaan de helling steken dikwijls drie agressieve haaienkoppen en de rotsen met hun dodelijke tentakels wachten me bewegingsloos op. Kom jij maar hier, skiertje. Maak de fout maar.

Zondagochtend stond ik op de top van Aiguille d’Argentière te wachten tot de sneeuw zacht zou worden. Als het ijzig bleef ging ik daar niet naar beneden. Niet op ski’s althans. En als het zompiger werd, moesten we het nog maar zien.
Alleen de laatste helling vormt een uitdaging in de tour naar de Argentière. Glacier du Milieu begint dik en vriendelijk vanaf Glacier d’Argentière, slingert tussen de bergen heen en weer zoals ook de naastgelegen gletsjers Chardonnet en Améthystes doen. Plotseling echter wordt het steil en nauw, steil genoeg om niet op de ski’s en skins omhoog te kunnen en te nauw om te kunnen vluchten.
Precies daar was de sneeuw die zondagmorgen hard als een ijsblokje.

IMGP0693

Deze toer is niet zozeer te vergelijken met wat al die steepskiers hier doen, noch met de avonturen die mijn vrienden soms ondernemen. Maar ook hier kun je beter niet vallen, met name niet als het ijzig is. De uitkomst daarvan is vrij simpel. En zinloos.

Ik vraag Marcel vaak ‘yo, denk je dat ik hieraan toe ben?’ Hij kan mijn skiniveau beter inschatten dan ikzelf en heeft al die toeren al gemaakt. Nu zei hij: Dat hangt af van de conditie van de sneeuw en met name van jou mentaal.
Ik had die drie haaien al voor mijn geest zodra ik die morgen de deur van Refuge d’Argentière achter me dichttrok.

IMGP0695

Uiteindelijk ben ik wel naar beneden geskied. Ik durfde bochten te maken waar de zon had toegeslagen en ben het ijzige stuk op de zijkantjes naar beneden gegleden. Hart in mijn keel, gevloek in mijn gedachten en hardop de vraag: Waarom in vredesnaam.
Waarom? Omdat ik op avontuur ben binnen mijn grenzen en zondagmorgen eventjes buiten de deur gespiekt heb. Nieuwsgierigheid – kan ik dit al? Wil ik dit?
IMGP0701
Nee, nog niet.
Misschien dat ik me nooit onder het setje genadeloos coole steepskiërs zal scharen. Het lijkt de natuurlijke gang van zaken dat je steeds steilere wanden afskied, elk seizoen wat graden meer, maar ik weet niet of ik zit te wachten op de thrill van het steile. Eigenlijk heb ik helemaal geen zin om bang te zijn wanneer ik op ski’s sta. Het onheilspeilbare karakter van alpinisme is me meer dan voldoende, laat me gewoon een berg afskiën in een (relatief) comfortabel kader.
Met het zonnetje en mijn vrienden.
Ik kan me voorstellen dat, met de komst van meer ervaring, techniek en zelfvertrouwen, mijn grenzen alsnog verschuiven. Als dat de weg opent naar mooie, lange toeren, dan verheug ik me daarop.
Maar om het steile zelf zal ik het denk ik nooit doen. Want die haaien trekken zich niet terug in de gletsjerspleet en die rotsen hebben ongetwijfeld geduld.

IMGP0697

Gewoon weer de ski’s aan de voetjes: Domes de Miage

Ik was het best zat, dat skiën. Toen kwam er weer een lading sneeuw en dacht ik, shit, nu moet ik weer omhoog. Ik klim liever met blote bast langs een warme wand dan dat ik over een glibberige helling omhoog schuifel.
Een heel skiseizoen is eigenlijk wel genoeg.

Maar het skiseizoen is niet over als de sneeuw uit de vallei is weggetrokken noch wanneer de liften sluiten. Het is pas over als je eind juni in bikini aan de Noordzee ligt zonder motief om terug naar de bergen te keren. En zelfs dan kun je onverhoopt nog de Mont Blanc op.

Nu heb ik een klein probleem: Ik zit nog niet aan mijn tochtenlijst. Daar prijkt een resterend zestal best ingewikkelde toeren dat ik voor Januari volgend jaar er doorheen moet jagen. Op de graspistes van December 2017? Of moet ik van de zomer een ticket boeken naar de Zuid-Amerikaanse winter?
Handigst is toch wel om ze gewoon nu te doen, nu de sneeuw nog op loopafstand is.

Plotseling blijkt mijn probleem echter een gift: Twee dagen geleden maakte ik zomaar de mooiste alpine skitoer ooit. Zeg maar écht bijzonder. Dat ik even moest bijkomen van schoonheid toen we in de vallei aankwamen.

Les Domes de Miage, een drietal sneeuwtoppen boven Contamines, 3600m. Vanuit het dorp overbrug je een hoogteverschil van 2600 meter. Hop, hop, hop, alsof het normaal is.
’s Ochtends om halfzes begonnen we aan het wandelpad richting Refuge Tré La Tête, om zeven uur namen we koers richting de Conscritshut. Waar zijn ze, waar zijn ze, vroeg ik constant aan Marcel. Maar ze waren er nog niet, lagen gniffelend verscholen achter al die meters die we nog te overbruggen hadden.
In principe loop je om ze heen, je maakt een rondje: Door de bossen, dan door de rotsige vallei, dan over de Tré La Tête gletsjer die als een canyon gevangen ligt tussen twee wanden en daarna als een gigant naar de Domes de Miage loopt, een eindeloze witte tong tussen gigantische bergen.
En als je even niet oplet loop je zo tegen de Mont Blanc aan. Maar je slaat linksaf (tegen die tijd ben je bekaf) en loopt dan de nauwe, golvende graat van Les Domes de Miage op.
Om halftwaalf stonden we daar op de top. Tegenover ons lag de Mont Blanc, het hele ding, van arret tot arret, alles haarfijn zichtbaar. We pompten wat water en suiker in onze versleten benen en skiede vervolgens zo naar beneden, door een perfect laagje lentesneeuw. Over de Armancette gletsjer om het rondje te voltooien. Bochtje, bochtje, bochtje, geen wolk aan de lucht, geen enkele druk, niet één gedachte aan de tochtenlijst maar slechts alle zintuigen wijd open.

Die avond zat ik in de Pizzeria met mijn Italiaanse onderbuurman en mijn huisgenootje. De wc zat in de kelder. Ik kwam bijna de trap niet af en daarna bijna niet op. Maar de pizza was op in minder dan vijf minuten en de aperitief en digestief sloegen in als een bom.

Ik was het best zat, dat skiën, maar na deze toer heb ik me weer verenigd met mijn liefde voor het toeren. Gek genoeg lag er gisteren plotseling sneeuw in de vallei, zompig van hitte maar toch. Nu heb ik wel weer zin om mezelf over glibberige pistes omhoog te werken en de bergen door te zoeven. Nu vind ik het weer leuk.

Met 50 km/uur naar de Italiaanse kust

Weg hier, weg uit Chamonix, uit de regen en de stilte die eerst zoveel vrijheid gaf maar ons nu zenuwachtig maakt.
Op naar Finale Ligure. De Italiaanse kust en gigantische ijsjes voor maar drie euro. Drie bolletjes van smaak naar keuze plus slagroom plus chocoladesaus plus smartiedip, misschien niet heel Italiaans maar een monsterlijk feest.

_DSC0756

Zondag stappen we in de bus en nemen we de tunnel onder onze Mont Blanc door. Zodra we daglicht zien heeft Marcel opeens een intuïtie. Hij rijdt de scherpe bocht naar links en brengt ons Val Ferret in. ‘Hier ergens moeten de Grandes Jorasses zijn’, zegt hij. We rijden langs gigantische bergen in de avondschemer, een vallei zo heftig als Chamonix maar geen hond die er rondloopt.
De volgende morgen is de natuur van ons, en ook het uitzicht op de andere kant van het Mont Blanc massief. Alsof we in het geheim even mogen koekeloeren wat er zich achter onze lievelingsbergen afspeelt.

_DSC0782

In de namiddag rennen we op ski’s de tegenovergelegen bergen op. Daarna springen we in de bus op weg naar die kust met die ijsjes. We stranden in een heel klein Italiaans dorp en rijden de volgende dag verder, niet over de snelweg omdat we de tol niet willen betalen, waardoor we nog dertig dorpjes meer te zien krijgen. De bergen zijn anders en daarna is de vlakte anders. De taal is vreemd, de jonge vrouwen kleden zich modern zwart en kijken boos door hun bruine ogen met eyeliner boven en onder. Marcel denkt dat iedereen van de maffia is en sluit voor het eerst de bus af als we op jacht gaan naar ijsjes of een pauze op een bankje in de zon.
De volgende morgen zijn we nog steeds op weg, 50 km per uur omdat we nog steeds de snelweg mijden. We slaan linksaf een bergpas in. Chiusa; ons eerste concrete Italiaanse woord dat iets als ‘gesloten’ moet betekenen. We worden gedwongen over een ieniemienie lokale weg de bergen te doorkruisen, iets wat je als buseigenaar liever aan FWD zonder intern huis overlaat. Kom op, kom op! – moedigen we de bus aan. Ik geef klopjes op het venster en Marcel knijpt in het stuur.

_DSC0818

Een paar uur later trappel ik mijn beentjes in het water van de Italiaanse kust. De middellandse zee is helderblauw maar smaakt zout als de Noordzee. Er staat een wind en de golven zijn best hoog, ik word op en neer geduwd en trappel terug naar de kust.
Met natte haren vol zout kopen we later ijsjes in het centrum van Finale Ligure. De palmbomen schieten boven ons uit. De gebouwen zijn lichtroze, lichtgroen, lichtgeel, en de straten van Mei nog relatief rustig. We slenteren over de boulevard. Langs ons zoeven de scooters.
Voor het vallen van de avond zoeken we naar een klimgebied aan de kust, een van de klassiekers van Finale Ligure, waar je klimt in de zon boven de zee en mooie foto’s voor Instagram kan maken. In plaats van het te vinden duik ik een tweede keer in het water. De lucht is nog warm als ik me afdroog aan mijn trui en de zandkorrels tussen mijn tenen uit probeer te wrijven.

_DSC0863

_DSC0837

We besluiten maar het binnenland in te rijden, op zoek naar een klimgebied met een grot die Marcel inspireert. De kleine slingerweggetjes vormen weer een uitdaging voor de bus, maar deze is er inmiddels tegen opgewassen en gromt onaangedaan omhoog. Links en recht torenen plotseling de rotswanden boven de bossen uit. Geeloranje in contrast met felgroene bladerdekens. Een luid orkest van vogeltjes klinkt als Marcel de motor uitschakelt.
Met het laatste daglicht zoeken we naar de grot. Halverwege de klim naar de rotsen worden we tegengehouden door een vijftal dikke steenbokken die midden op het pad aan de boomblaadjes kluiven. Hun lange horens, bijna tot de helft van hun rug, bewegen mee met hun kaakbewegingen. Ze kijken dwars door ons heen. Gedrogeerd, allemaal, of gewoon zielsgelukkig.
We omzeilen ze en bereiken de grot, een lange donkere en glibberige gang omhoog tot een wonderbaarlijke ruimte vol daglicht, tufa’s en klimmers.

_DSC0849

De volgende ochtend hangen we zelf aan de tufa’s en vooral aan hele scherpe rotsrandjes die zich vastbijten in onze handen en afdrukken achterlaten die ’s avonds nog te zien zijn. De dag daarna moeten we ons verbijten bij elke greep die we vastpakken en de laatste dag is het een kwestie van lijden tot we bij het relais zijn.
Ondertussen blijven de vogels fluiten en zigzaggen we door monumenten, kerken en ruïnes, de kleine weggetjes in Finalborgo, klimwinkels zover als het oog reikt, pizza’s en Focaccia en nog steeds die ijsjes die zich elke nieuwe dag overtreffen in smaak en feestelijkheid.

_DSC0869

Het is een droevig feit dat onze Mont Blanc tunnelpas verloopt. Met 100 km per uur zoeven we terug over de snelweg. Het zout zit nog in onze haren, de ijsjes in mijn buik, onze handen zijn nog beurs en onze hoofden gewend aan het prachtige Finale Ligure. Maar als daar de Mont Blanc oprijst, de top een beetje verscholen achter de wolken, dan is thuiskomen zo droevig nog niet.

_DSC0872

U hoeft niet onder de tietpers

Een jaar geleden stond ik voor de spiegel bij Chambre Neuf. Een grote spiegel in de wc, altijd in vol ornaat omdat het daglicht ongehinderd door het raam schittert en de lamp ’s avonds weinig aan de verbeelding overlaat. We droegen toen strakke, donkerblauwe shirts en omdat ik zelf nog niet uitgeteerd was door het skiseizoen kon ik precies de lijnen van mijn lichaam volgen.
Hé, dacht ik opeens.
Mijn linkerborst is groter dan mijn rechter.
Ik was ervan op de hoogte dat borstmaten konden verschillen maar had tot dan toe gelijke borsten gehad. Na kort onderzoek moest ik concluderen dat er iets in de bovenkant van mijn borst was gekropen.
Vreemd.
Dat moet ik even laten controleren, dacht ik.

Maar goed, dat doe je dan niet, want het leven in het hoogseizoen draait op hoog tempo en knobbels in de borst draaien daar ongehinderd in mee.

Aan het eind van het seizoen werd mijn collegaatje plotseling wakker met een bult vlak bij haar oor. Ze ging naar de dokter en werd direct doorgestuurd naar Sallanches, ingepland op alle mogelijke kankeronderzoeken, als een hoopje emotie kwam ze terug op werk. De sfeer in de bar was grimmig. Zolang de resultaten niet terug waren was het leven van ons allen duister.
Ik heb een knobbel in mijn borst, dacht ik toen. Shit, ik moet ook naar de dokter.
Maar toen bleek het allemaal vals alarm, de bult op het hoofd verdween vanzelf en het vrolijke gefluit van de lente kreeg vrij toegang tot de werkruimtes.
En ik ging door met mijn leven.

Marcel was al die tijd op de hoogte van mijn knobbel, maar raakte er ook aan gewend.
Op een avond lagen we naakt in bed, in gesprek, en plotseling zei hij: Hé, you got another one.
Oh shit.
Aan de zijkant van mijn linkerborst voelde ik een klein bewegelijk knobbeltje, heel anders dan die andere, maar net zo vastbesloten om te blijven. Een maand later zat het er nog.
Ik vloog het internet op en kwam op de site van Pink Ribbon, en nog meer sites, klik, klik, klik. Waarschijnlijk niets maar toch even laten controleren, dat kwam overal uit naar voren.
Ik nam mezelf voor langs de dokter te gaan, een schimmig oud mannetje in een schimmig hokje verstopt in Chamonix waar je zonder afspraak langs kon, maar toen nam het leven weer vaart en bleef ik samen met mijn twee knobbeltjes.

Op een dag vertelde ik het casual aan Ben, kind van twee artsen, en die zei me: Je gaat nu naar de dokter of ik geef je nieuwe ski’s niet meer terug.
Die lagen nog in zijn auto van de skisessie van de vorige dag.
En hij gaf ze echt niet meer terug.
Dus ik sjokte naar de schimmige wachtkamer en wachtte op mijn beurt. Het duurde een eeuwigheid. Ik werd er zenuwachtig van. Ter afleiding appte ik met mijn zus, die op haar beurt mijn moeder op de hoogte stelde en opeens waren mijn knobbeltjes algemeen zorgwekkend goed.

Het schimmige mannetje kwam uit zijn schimmige hokje en zei me in het frans dat ik binnen mocht komen. Ik ging tegenover hem zeggen. J’ai un truc dur dans ma sein, zei ik hem, ervan uitgaande dat sein (borst) een vrouwelijk woord is, wat achteraf niet bleek te zijn. Hij vroeg me hoe oud ik was. Hoelang het er al zat. En fait, ilya deux, er zijn er twee.  Ze zijn verschillend. En zijn ze er altijd? Ja, zei ik, ze zijn er altijd.
Het Franse oude mannetje tussen zijn boeken en papieren, de donkere meubels, het stof en stille daglicht, het vooruitzicht van mij naakt; ik was in een verjaarde film. Turks Fruit. Nog nooit had ik die gezien maar ik wist wel dat er een hoop naakt in voorkwam.

De dokter zei niets. Hij wees naar de plank of het bed of hoe je het ook noemt waarop je plaats neemt bij de dokter en ik nam plaats. Omdat hij niets zei trok ik zelf mijn shirts maar uit.
En toen onderzocht hij mijn borsten.
Hij heeft dit zo vaak gedaan, dacht ik.
Wat zijn het eigenlijk, borsten.
Een borst, twee borsten.

Hij vond mijn knobbeltjes en leek meer geïnteresseerd in de meest recente dan in de oude. En ze verdwijnen niet na je periode?
Nope.
Ik zag aan hoe hij mijn tepels onderzocht, hoe hij vervolgens wegliep, de deur uit en het balkon op, zonder iets te zeggen, hoe hij een sigaret opstak en ik zat daar nog. Ontbloot bovenlijf. Terwijl hij zijn brandende sigaret liet rusten op de balkonrand trok ik mijn shirts weer aan, want ik wist het ook niet. Vervolgens nam hij plaats achter zijn bureau, haalde een stel papieren uit een lade en begon ze in te vullen.
Uiteindelijk zei hij me hetzelfde als de internetsites: Het was waarschijnlijk niets, maar we moesten het toch even laten controleren.

Ik liep de ruimte uit met de vraag in mijn hoofd of hij zich mijn borsten die dag nog zou herinneren.

Een week lang moest ik wachten tot ik uit mijn periode was en mijn borsten in conditie waren voor een échographie et mammographie si nécessaire in Sallanches. Dat gaf mijn ouders de tijd om zich volop zorgen te gaan maken en mij de tijd om uit te zoeken waarom dit alles toch zo surreëel leek. En opeens realiseerde ik het me: Ik was in Chamonix. Hier bestonden echte problemen niet. Dood volgde uit de bergen, fysiek falen was louter het gevolg van ski- of klimongelukken en de conditie van mijn lichaam werd al twee jaar bepaald door mijn eigen trainingsprogramma en de tolerantie van de alpengoden.
Borstkanker?
Daar hadden al die jongens hier geen last van. En ik dus ook niet.

Donderdag om halfvijf moest ik onder de tietpers, zoals mijn zus het over skype noemde.
Mogelijke gevolgen, dacht ik in de auto:
1. Tiet eraf (dan nemen we er een van hout, zei Marcel).
2. Helemaal niets.
3. Kanker.

Het centrum in Sallanches was steriel. De glazen schuifdeuren gaven toegang tot een glimmend, wit bureau dat de gehele lengte van de smetteloze ruimte in beslag nam en werd bezet door een viertal dames, op gelijke afstand van elkaar, elk achter een computer. Ik werd verwezen naar de wachtruimte. Zes verschillende vissen in een kraakhelder aquarium.
The white, riepen ze me om.
Ik werd begeleid naar een hokje waar ik mijn shirts en schoenen moest uittrekken. Even later lag ik om mijn rug te staren naar de echobeelden op het scherm die de dokter van mijn borsten maakte.
Hoe oud ben je?
25.
Oh. Niets aan de hand. Ik zie niets en je bent te jong. Niets aan de hand.

Ik hoefde niet eens onder de tietpers. Goed nieuws, want dat schijnt pijnlijk te zijn.

De volgende dag werd ik gebeld door mijn vader. Ik had de ouders al bericht dat alles goed was, maar hij wilde het nog even checken.
Alsof ik toch even heel goed ben weggekomen, zo voelt het.
Dat ik een dansje van geluk mag doen om zo mijn papa te vertellen dat het allemaal ok is. Met knobbeltjes en al.

Vergeet niet wat je achterlaat

Na het lezen van mijn laatste blog stuurt mijn moeder me een email.
Ze omschrijft die dingen in het leven die ik zou missen als ik er nu per ongeluk uit zou stappen. Liefde, zegt ze, een gezin, een hond.
Ze omschrijft ook die dingen die het leven zou missen als ik er nu per ongeluk uit zou stappen. Mij. Haar dochter. Het geheel van wat ik ben geworden.

Dood is dood, denk ik altijd. Maar nu ze me wijst op hetgeen ik zou achterlaten realiseer ik me dat ik me nog niet in het definitieve van de dood bevind, maar in het potentieel van het leven. Ik zie de groei, ik zie de liefde, ik zie de mogelijkheid om te worden wie ik wil zijn.
En alhoewel dood nog steeds dood is wil ik liever langer leven.
Zo lang mogelijk en zo voorzichtig mogelijk bergen beklimmen.
Zoveel mogelijk van de mensen in mijn leven houden.
Van mijn moeder en vader, zus en broers, vrienden. En die hond.
Ik wil leven en leven en leven en leven en leven en als ik onverhoopt toch moet achterlaten dan zal dat het mooiste wezen dat zo mogelijk kon zijn.

_DSC0714