Latest Posts

Mer de Glace met appelbomen en een autovrij Chamonix

Ik droom ervan om een balletdanser op de top van de Mont Blanc neer te zeggen, want daar geeft de natuur een van haar wonderen en als je dat op de achtergrond zet van ons wonder van de balletdanser, dan heb je ongetwijfeld een wonder in het kwadraat.

Ik droom er eveneens van een kolonie Flamingo’s los te laten op de Mer de Glace, al zou dat een tragisch einde hebben (daarom droom ik ervan en ga ik niet tot actie over).

Ik heb overigens meer gedachtes over de Mer de Glace. Wat nou als je al die oerlelijke grijze bende op de wanden links en rechts, het slagveld dat overblijft nadat de gletjertong zich terugtrekt, volplant met bloemen? Bomvol met talloze kleuren bloemen (en alle bijen en vlinders die daarbij horen)? Marcel had een ander idee: Je kunt er een groentetuin voor de hele vallei planten. De linkerzijde voor de tomaten en de prei, de rechterzijde voor de pompoenen en de pepers en dan in het midden, aan de rivierbeddingen, doe je slakroppen en misschien zelfs fruitbomen en wijntakken.

Misschien evolueert de Mer de Glace uit zichzelf wel in een jungle en lopen daar op een dag gorilla’s en alligators over de vlakte. Paradijsvogels in de lucht, bananen voor het oprapen. Tegen die tijd ben ik er zelf helaas niet meer.

Les Aiguilles Rouges inspireert me altijd tot een ander experiment: Wat als je nu skiliften ontwerpt die zich ’s zomers terugtrekken in de grond? Ik bedoel, technisch gezien is het ongetwijfeld mogelijk, het zal alleen peperduur zijn. Maar dan reserveer je het geld van één seizoen Aiguille de Midi liftpassen (60 euro x 40 (?) mensen per cabine x heel veel keer per dag x juni – aug) en dan heb je ongetwijfeld budget voor die terugtrekkende skiliften. Ze zouden mij president van Compagnie de Mont Blanc moeten maken.
En oké, die Flamingo’s gaan het dus niet worden, maar ik zou wel een fokprogramma voor marmotten opzetten, want ik heb er hier dus gewoon nog nooit eentje gezien. Dan haal je een paar van die dikzakken uit Des Écrins en eigenlijk zit je dan al wel goed.

En als we nu toch bezig zijn: Per januari 2018 maken we Chamonix autovrij. Vanaf Servoz tot Vallorcine is de vallei alleen toegankelijk voor voetgangers en fietsers. Tunnel de Mont Blanc kunnen we dan gebruiken als museum, ‘Chamonix in tijden van uitlaatgassen’, toegangsprijs gelijk aan huidig tunneltarief.  Dan boosten we gelijk de lokale economie van Aosta en verder, misschien dat zij dan ook wel groentetuinen in hun bedorven gletsjers planten.

Onder deze voorwaarden vertrek ik nooit meer uit Chamonix.

Olifant; het roze touw dat geknipt moest worden

Olifant was een dik, roze 70metertouw.
Zo roze was ze, dat ze onmogelijk in de winkel achtergelaten kon worden.
Roze is ze nog steeds.
En dik ook. Maar geen 70 meter meer.
Beide uiteindes waren zo donzig geworden dat een voorklimvalsessie nog wel gehouden kon worden, maar slechts met de gedachte aan het grote offer in de nabije toekomst.

Ze is dus geen 70metertouw meer.
Ik kan niet eens zeggen dat ze een 60metertouw is. Ze is een 66 meter komma weetikveel hoeveel cm touw. Hoe kun je jezelf dan nog serieus nemen? Heb je weleens een 66 meter komma weetikveel hoeveel cm touw in de winkel zien liggen?

Haar geamputeerde, donzige uiteindes liggen stil op de grond.

Toen Shrek aan één uiteinde geknipt moest worden had hij op zijn minst nog Fiona om zich aan op te trekken.
Olifant is alleen.
Maar we houden des temeer van haar.

Tocht 9: Aiguille du Pouce – Voie des Français

De bergen tegenover het Mont Blanc massief heten samen Les Aiguilles Rouges. Ze zijn minder hoog, minder imponerend en ook een beetje minder mooi dan hun overburen, met name omdat het gedierte van de vallei religieus skiliften heeft neergezet, met bijbehorende wegen die misschien niet geasfalteerd zijn, maar wel lelijk. Een Aiguilles Rouges zonder beschaving zou adembenemend zijn. Het uitzicht op de overkant en de eigen golvende natuur, prachtige rotswanden en romantische hoekjes maakt de gedachte aan hoe het ooit geweest moet zijn een beetje pijnlijk.
Maar ’s winters houden we allemaal zielsveel van die liften, dus moeten we maar genieten van wat er ’s zomers overblijft.

Aiguille du Pouce ligt verscholen achter de eerste reeks bergen boven de skiliften van Flégère. De befaamde toegankelijkheid van de routes in de Aiguilles Rouges (met lift) gaat hier even niet op: Om de voet van de route te bereiken moet je een col over en afdalen in het naastgelegen dal, beide kanten bedekt met afschuwelijk puin en tientallen Chamois die ongegeneerd toekijken hoe je wegglijdt. Maar dan heb je ook wat: Le Pouce, een blanke wand met angstaanjagende overhangen, heel erg Chamonix stijl, mega aantrekkelijk en afstotelijk tegelijkertijd.

Ik had spookverhalen op internet gelezen. De lengtes zijn harder dan je denkt (topo schrijft 6a obligatoire) en de afdaling over de graat is serieus. Twee mannen raakten verdwaald in de mist en brachten de nacht door in het gruis. Niemand haalt het liftje terug.
Met die spookverhalen in gedachten zijn Marcel en ik dan maar gewoon begonnen met klimmen. Ook wij hadden mist. 6a obligatoire? – ja. Misschien niet die ene 6a zelf, maar ongetwijfeld de drie 5c+jes die volgden en niet specifiek uitblonken in de mogelijkheid tot protectie. We moesten geregeld even het mentaal uitschakelen, en toch viel het allemaal wel mee. Dit is nu eenmaal wat je krijgt in routes van het kaliber eigen protectie, zij het in het Mont Blanc Massief of de Aiguilles Rouges.

De traverse die een paar meter onder de overhangen doorliep was bloedmooi en het routeverloop ten alle tijden evident en amusant. De afdaling over de graat bleek iets minder evident, maar daar waren we voor gewaarschuwd. De mist draaide ons even een loer en liet ons vervolgens met rust, genoeg om steenmannen te kunnen onderscheiden van het omliggende puin en via wat keutels van de Chamois en een knalroze flamingo onze weg naar Flégère te vinden.
Daar hadden we, met dank aan onze geschrokken voorgangers op het internet, een tas met eten en bivakspullen verstopt, zodat we warm en gemoedelijk met een stel Belgen én een bonte kudde schapen de nacht ingingen. Om de volgende ochtend, dankzij die geniale zet van het dal om de hele Aiguilles Rouges vol met liften te planten, zorgeloos naar beneden getakeld te worden.

Wij hebben zelf geen camera meegenomen (stom stom) maar ik vond zojuist wel deze blog online. Geeft een hoop foto’s en een geinig inkijkje in de lengtes. 

Gecultiveerde vleugels

Toen ik veertien jaar was, droomde ik ervan het vriendinnetje van Pharrell Williams te zijn. Hij was tweeëndertig en ik zou doorbreken als zangeres dankzij hem, omdat hij bij toeval (ik weet niet meer in welke vorm ik het goot) mijn talent zou ontdekken. Mijn fantasie overbrugde leeftijdsverschil en de reële kans dat dit alles zou gebeuren sneller dan het licht, moeiteloos zoals dat gaat in het hoofd van een kind.
Het is jammer dat ik al mijn fantasieën niet heb opgeschreven in mijn dagboeken, want die waren kleurrijker en lachwekkender dan alle verwarring en zorgen uit het echte leven van een veertienjarige. Ik was er ontzettend goed in; in mijn hoofd stond een soort boekenkast waar ik naar gelang mijn humeur altijd eentje kon uitpakken. Die van Pharrell, of die van de Nederlandse hockeyselectie, of die van het veertienjarige meisje dat een bestseller schreef en miljonair werd.

Ze stierven allemaal omdat, wie zal het zeggen, mijn interesses veranderden of ik ze simpelweg te vaak had afgedraaid. Dan gaven ze geen energie meer, letterlijk uitgewerkt, en dan begon ik een nieuwe of trok een uit de kast die me nog wel kon beroeren.

Ik ben zeker niet gestopt met fantaseren, maar de fantasieën zelf zijn een stuk bescheidener geworden. Saaier zelfs. Er zit geen Pharrell Williams meer in, noch de capaciteit om gedachten te kunnen lezen of vleugels te groeien, noch wereldroem. De grote finale van mijn fantasieën ligt veel dichter bij mogelijkheden in de echte wereld. Ik fantaseer over het passeren van het ski-examen, over het hebben en inrichten van een huis of van kindjes die vrolijk om me heen dartelen. Ik fantaseer over een belletje van de uitgeverij ‘je maakt veel fouten, Ruby, maar we zien wel wat in je’, over het oprichten van een bescheiden folky band of over een groot zomers dansfeest waarvoor ik me mateloos kan uitdossen (mijn nieuwe favoriet, ik mis denk ik wat civilisatie in mijn leven). En oké, vooruit, ik heb een stiekem scenario dat de National Geographic plotseling hypergeïnteresseerd in me raakt en een ander waarin een stinkend rijke bejaarde me uit willekeurige naastenliefde besluit te sponsoren. Met een miljoen ofzo.

Het punt is dat ik me een beetje zorgen maak. Ik juich voor de mensen die denken in mogelijkheden, maar als ik kijk naar de evolutie van mijn fantasieën, dan zie ik dat mijn denken door steeds smallere schachtjes stroomt. Waarom wil ik niet meer vliegen? Waarom wil ik geen relatie met Keanu Reeves meer? In dit tempo fantaseer ik straks over het niet-aanbranden van een appeltaart of het vinden van een nieuw hardlooprondje.
Het is waar dat ik elf jaar minder levenstegoed heb dan toen ik veertien was, maar de kans dat ik de wereld van haar ondergang red is nog steeds even groot. Ik ben een beetje laat voor de hockeycarrière, maar Keanu Reeves zou ik nog steeds aan de haak kunnen slaan. En wie weet groeien er op een dag vleugels op mijn rug, het heeft weinig zin om ervanuit te gaan dat zoiets niet gebeurt.

Sterker nog, als ik tachtig ben zou ik nog steeds willen fantaseren over een relatie met een (dan achtennegentig jaar oude) Pharrell Williams. Gewoon omdat ik denk dat het goed voor me is om mijn leven lang de mogelijkheden wat dichterbij te houden. Zodat het altijd interessant blijft in mijn eigen brein. Zodat ik nooit een chagrijnige kikker word die inmiddels wel door heeft dat al dat gefantaseer in het hoofd opgesloten blijft. Zodat ik niet blind word voor de mogelijkheden die zich onverwacht voordoen. Een ding is zeker: Als ik die vleugels niet in mijn brein cultiveer, dan zullen ze nooit in het echt verschijnen.

(Overigens, als die geslaagde appeltaart en loslopende kindjes het hoogtepunt van mijn leven zijn, dan hoor je mij niet klagen. Ik weet immers ook niet hoe het werkelijk is om een miljoen en Keanu en Pharrel en vleugels te hebben.)

Tocht 10: Aiguille du Moine – Contamine, Labrunie

IMGP0755.JPG

Om tien uur ’s avonds kwamen Marcel en ik terug bij het treinstation van Montenvers. Ruim twaalf uur daarvoor had ik ons nog in het treintje naar beneden zien tuffen, maar dat treintje was lang, lang vertrokken. Vijf uur te laat voor het treintje, wat een catastrofe.
Maar, ik moet zeggen dat we, zodra we achter op schema raakten dan ook maar de tijd namen. Het treintje tufte toch wel zonder ons en de zon scheen nog voor uren achtereen.

De Contamine – Labrunie route loopt over de oostzijde van Le Moine en begint met twee 6atjes die, vanwege het gewicht van de tas of gewoon omdat ze van die typische Chamonix (Contamine, Rebuffat enz.) lengtes zijn, voelen als 6b of 6c.
Over dat gewicht in van die tas gesproken: Ik heb Pezl Lynx stijgijzers, La Sportiva Nepal schoenen die onzichtbare betonnen plateauzoolen onder zich dragen en een tas die zelf aanvoelt alsof ‘ie de afgelopen zes jaar al het zweet van mijn rug heeft opgeslagen (bah). Zwaar.

IMGP0756

Alle fotocredits voor Marcel want ik had even geen passie voor de camera meer.

De eerste vertraging liepen we op nog voor die eerste twee lengtes, omdat een stel Fransozen bibberend en excuserend de spleten bezet hield. Gelukkig hervonden ze ergens hun zelfvertrouwen en gingen we als viertal gelijk op.
En toen was het gezellig. De Fransen zekerden pratend, klommen pratend en hielden lange en bijna geëmotioneerde discussies over de richting waarin ze zouden klimmen.

‘Corde tendue’ stond in de topo bij het bovenste gedeelte van de route. Ja, dáág. Een Contamine 5c aan lopend touw, zijn jullie helemaal gek geworden.
Achteraf denk ik dat we het op zijn minst hadden kunnen proberen, het is ook gewoon een kwestie van zelfvertrouwen, maar goed. Wonderbaarlijk genoeg zaten we nog binnen de limieten van de gidsjestijd, ook al hebben we lengte na lengte uit lopen zekeren. Dat betekende niet dat we dat stomme treintje zouden halen: Dan moet je snél omhoog en ook snél naar beneden.

IMGP0757

De omschrijving van de terugweg luidde een soort van als volgt: Vind de zuidzijde van Le Moine en volg de steenmannen naar beneden. In principe hoefde je geen rappels in te hangen, maar het naar beneden klauteren van een eindeloos aantal drietjes werd ons toch nu en dan te ingewikkeld. Net zoals het vinden van die steenmannen en de snelste route naar beneden. Even afdalen van de Moine zit er niet bij; niet als je de afdaling niet kent en met name niet als je eigenlijk al gewoon best moe bent (en het treintje toch wel vertrekt zonder je).
Het was een zegen om eindelijk bij de hut aan te komen.

Goed, toen zijn we op pad gegaan naar Montenvers en kwamen we rond tienen aan. Ze hebben het station van Montevers gerenoveerd (lang leve Compagnie de Mont Blanc) en zo ongeveer het enige originele element dat de renovatie heeft overleefd is dat rode treintje. Maar die was dus al vijf uur geleden vertrokken. (Er is nu wel genoeg ruimte om types als ons en de grote stroom aan andersoortige toeristen rap te voorzien van koffies en luxebroodjes mét uitzicht op de Dru vanachter een uitgestrekte muur van glas. Olé. Ik ben blij dat ik daar jaarlijks bijna 1000 euro aan bijdraag).

IMGP0761

Even terug naar de route: Die is dus wel gewoon heel mooi. De moeilijke lengtes klimmen écht en vanaf die granieten wand heb je constant fabelachtig uitzicht, zij het op de Jorasses of de Mont Blanc, de Aiguilles de Chamonix of de Mer de Glace. De Refuge Couvercle vergt wat tijd om te bereiken maar dan heb je ook wat: Het is een feest van bijzondere bergen. Een feest karakteristiek voor Chamonix.
We gingen dus met mooie herinneringen die tweede nacht in, naast de glazen wand van het nieuwe Montenvers, diep in onze slaapzakken.

IMGP0764

Ik kijk hier niet zo blij maar we hadden geen eten voor die onverwachte bivak. Eigenlijk waren we ook een lunch vergeten, ik had ons per ongeluk gerantsoeneerd op twee snickers de man voor de hele beklimming (en afdaling). 

Wat ook karakteristiek voor Chamonix werd genoemd, waren de schoenen die ik de dag daarna aanschafte. Scarpa Rebel GTX, de aller lichtste van allemaal en ook wel de minst solide van allemaal. ‘Er zijn twee typen alpinisten’, zei de verkoper van Snellsports me. ‘Degene die klimmen in Chamonix, en de rest. Hier maakt het niet uit als je schoenen kapotgaan, want hier ben je in de namiddag toch wel weer in het dal, met je biertje en verhalen en de zool die eraf ligt.’ Fragile schoenen lopen als een trein in Chamonix, misschien ook omdat de alpinisten geld genoeg hebben om regelmatig in een nieuwe schoen te investeren.
Goed, ik heb helemaal dat geld niet en ben ook niet in de namiddag terug in het dal (welk type alpinist maakt mij dat?), maar ik heb wel die schoenen gekocht. Om maar even, voor zolang als die schoenzool het houdt, met minder gewicht omhoog te kunnen.

Met vleugeltjes op naar tocht #9.

IMGP0767

De vlinder en puntkomma die eeuwig werden op een regenachtige dag in Gap

_DSC1133

Het regende in La Grave. Ondertussen regende het ook in Briançon, Gap, La Berarde en zelfs in Chamonix. En in het Zuiden, daar regende het ook.
(En in Nederland ongetwijfeld ook)
We waren zo verplicht om binnen te blijven als vroeger, op de knutseldagen. Ik kreeg een excuus om weer met bus en al bij Fieke op bezoek te gaan, Roel deed zaken, Marcel kon verder aan zijn skischoenproject en Fieke zelf vond het heerlijk om voor het eerst in maanden weer te huismussen, want al die zon had haar dag in dag het huis uit gejaagd (of verleid).

En dus zaten we allemaal achter onze boeken, laptops, gitaren en skischoen. Ik schreef aan een liedje met Fieke terwijl zij vorderde in haar boek en Marcel maakte hoog bovenin de hooischuur progressie met chemicaliën. Naast het huis graasden de babykoeien onder een hemel zwaar van wolken en donkere kleuren.

Op het hoogtepunt van creativiteit besloten we naar Gap te rijden om daar een tatoeage te laten zetten. Was het minder willekeurig geweest, dan had ik hier nooit met een vlinder op mijn arm gezeten.

_DSC1123
Het idee achter de tatoeage: Toen ik in Amsterdam studeerde zat ik vaak in de trein. Naar mijn ouders, denk ik toch, of misschien een stukje verder naar Suus of Jaap. Eens kwam er een vrouw drie hokjes verder zitten, in een supervolle trein met heel veel andere vrouwen en mannen en kinderen. Ik weet niet waarom ze zo ongelofelijk cool was, maar ze zag er precies zo uit als ik eruit wilde zien. Zoals ik niet eens wist dat ik eruit wilde zien, zo overdonderend exact zag zij eruit zoals ik eruit wilde zien.

_DSC1136
De kleren, de haren, de manier van bewegen: Niet heel hippie maar toch stiekem hippie, alles heel ongekunsteld, natuurlijk en toch zo verschrikkelijk stijlvol.

Ik heb haar toen een tijdje gadegeslagen (door de drukte was dat geen probleem) en op een gegeven moment zag ik ook de tatoeage die zij op haar arm had. Een vlinder, gewoon bovenop haar onderarm. In blokjes. Een blokjesvlinder.

_DSC1149
Ik heb nooit gedacht dat het nemen van die tatoeage de voorwaarde was om net zo cool als de vrouw te worden, maar ben die vrouw noch de tatoeage ooit vergeten.

Later heb ik hem nog eens op een groot kartonnen bord geverfd en op mijn kamer gehangen.

Om zeven uur ’s avonds zat ik voor een bendeleider die het vak in de gevangenis had geleerd en nu een vlindertje op mijn arm zou graveren. Er vooral niet te veel over nadenken.

Marcel had de vlinder een paar maanden geleden geschetst op basis van mijn herinnering en zijn eerste doodle ervan was perfect. Die doodle zal dus altijd op mijn arm blijven, dacht ik zonder te voelen (alles wat ik voelde wat dat prikkende geknabbel aan mijn arm).

Altijd, dus op al mijn sollicitaties, verjaardagen, begrafenissen en bevallingen.

_DSC1168
Fieke wilde een puntkomma laten zetten. Ze hoefde de symboliek erachter niet uit te leggen, niet eens de functie van een puntkomma in een zin, maar nadat de bendeleider willekeurige patronen op haar enkel had getekend moest ze toch wel even omschrijven hoe een puntkomma er dan precies uitzag. Toen tekende hij een puntkomma met de staart de verkeerde kant op. Het ging goed toen Fieke haar smartphone met een foto van een puntkomma naast haar enkel legde. In de gevangenis hadden ze geleerd hoe ze elkaar met casettebandjes en naalden vol konden tekenen, buiten deze praktijk om hadden ze misschien niet zoveel tijd over gehad om te lezen of te schrijven. (Ik moet oppassen met dit soort opmerkingen want gegarandeerd zitten er taalfouten in dit stuk. Die puntkomma interesseert die man geen zier, maar mij wel.)

Een vlinder en puntkomma rijker kwamen we ’s avonds terug in het huis, nog steeds onder die zware wolkenhemel, en toen ging het leven gewoon door. We aten taco’s met de vlinder en puntkomma, keken daarna een film met de vlinder en puntkomma en vielen ’s nachts in slaap met de vlinder en puntkomma.

Driemaal raden wat er de volgende morgen nog steeds op ons lichaam stond getatoeëerd.

_DSC1164

Tocht 11: Traversée de Râteau

Camp-to-camp houdt zich vrij stil over deze traverse en in het best climbs topogidsje staat ‘ie niet eens omschreven. Tijdens mijn C3 cursus beklommen we beide toppen van de Râteau en ik kan me vaag herinneren dat de gids zei dat de traverse tussen de toppen uiterst ongemakkelijk was (en eigenlijk alleen werd gedaan door mensen die de lijst willen aftikken).
Had ik maar geluisterd.
In een waas van verstandsverbijstering besloten Marcel en ik om 11 uur ’s avonds omhoog te lopen. Vanuit La Grave (1450) naar de top van het liftstation onder Glacier de la Girose (3200, 04:00), naar de west-top (3750, 06:00), naar de oost-top (3800, 12:00), via de graat naar beneden naar de Glacier de la Selle (3100, 02:00) en weer naar boven naar de Col de la Girose (3500, 16:00) om het laatste liftje te zien vertrekken terug bij het liftstation (3200, tijd om fysiek en mentaal het loodje te leggen).

Vlak boven de col op de heenweg, toen de zon langzaam op kwam en we het grootste hoogteverschil hadden overbrugd, zakten we stap voor stap een halve meter in de sneeuw. De uitputtingsslag was voor beide plotseling zo groot dat we ons alleen nog even naar de top zouden slepen. Daarna naar beneden. Liftje en thuis. Maar toen stonden we daar op top Oost, perfect op schema, een zon die echt pas net kwam kijken, de graat die zo binnen handbereik lag, dat we dachten, tsjah, die uitputting.

Het duurde niet lang voordat we begrepen waarom deze graat niet jubelend in de boekjes staat. Ik moest af en toe denken aan voetjes van de vloer, van vaste rots naar vaste rots en dan maar hopen dat die dan wel écht vast zaten. Formaat magnetron trapten we per ongeluk naar beneden. Niet zelden dacht ik: als ik van deze graat kom dan heb ik geluk.
De graat is niet lang (en toch langer dan je denkt) maar op internet wordt er desondanks zes à zeven uur voor gegeven. Hoezo – dacht ik op voorhand. Maar je moet dus elk stukje rost dat je gewicht zal dragen héél zorgvuldig controleren. Alles waar je op staat en alles wat je met je hand vastpakt. Alles.
En daarbij verdwaal je ongeveer elke gendarme omdat er dertig meer zijn dan omschreven. We hebben uiteindelijk de omschrijving naast ons neergelegd en voortdurend gezocht naar de makkelijkste weg. Dan koekeloer je om het hoekje, zie je dat het niet daar is en koekeloer je weer om een ander hoekje. Op zich is dat best leuk, als die vervloekte rotsen vast hadden gezeten.

Ik geloof dat de vermoeidheid op top Oost meer het gevolg was van de voortdurende blootstelling dan van de 2450 hoogtemeters die we inmiddels hadden afgelegd.

IMGP0751

De Oost-zijde van mijn billen en de West-top van de Râteau

Toen stond plotseling alles in het teken van liftje-halen. De graat na top Oost was veel langer dan ik me herinnerde van de C3-cursus en de graat in de afdaling naar de gletsjer was ik integraal vergeten. Het leek bijna niet waar dat we ook nog een sneeuwcouloir omhoog moesten buffelen, ik dacht niet dat we daartoe nog in staat waren. Toch stonden we om 1700 uur bij het liftstation. Nat van de zompige sneeuw. Ik was zo moe dat ik niet eens kon janken om de vertrokken laatste lift (al denk ik dat ik, als ik eenmaal was begonnen, nooit meer zou hebben gestopt).
We vonden een houten hutje. Dat er een bed of iets van comfort ontbrak deerde niet, naar beneden lopen was geen optie meer. De vermoeidheid was toegelaten en nagelde ons aan de grond.

‘De croissantjes in het dal zijn goed’, zei de liftmevrouw ons de volgende ochtend. Uitgelaten zagen de wereld omhoog glijden. De ochtend in het dal van La grave was te warm voor onze donsjassen en bergschoenen. In thermokleding stonden we vervolgens croissantjes te bestellen.

Nu ik ben bijgeslapen heb ik een soort van lelijkerts-onder-de-graatjes-mogen-er-ook-wezen-complex. We hebben veel geleerd en ladieda en de dag was mooi. Maar eigenlijk is het gewoon niet zo cool als alles los zit. Als dat de hoofdmoot van de uitdaging is, dan teken ik er liever niet voor, dat is gewoon echt een stomme manier om het te verpesten.
Ik denk dat ik ook niet meer zo heel snel even vanuit het dal omhoogloop, maar ik heb het idee dat je nu en dan zo’n frats moet uithalen om het weer voor een tijdje naast je neer te leggen. Misschien (hopelijk) denk ik pas volgende zomer weer, ‘goh, waarom beginnen we niet gewoon vanavond?’

IMGP0749

Deze graat ziet er niet heftig uit. Maar dat is ‘ie wel. 

Tocht 12: Arête de Sialouze

IMGP0737 (2)

Tocht twaalf verliep zo vlekkeloos dat ik geen idee heb hoe ik jullie aandacht bij dit verslag houd of verleidt om dezelfde route in te stappen. Als je denkt aan een héle mooie graat, niet te lang, die prima af te zekeren valt en (zoals het hoort) goud kleurt in het zonnetje, dan zit je wel op de Sialouze (en die naam, Siiaaloouuuze, zo aantrekkelijk).

Mijn moeder suggereerde een keertje dat ik absurde voorvallen door mijn verslagen kon weven. Halverwege een abseil van 25 meter zag ik dat de breche tussen de eerste en de tweede gendarme vol knalrode krabben lag. Gelukkig konden we via een hoger gelegen rotsblok alsnog de tweede gendarme bereiken. De huttenwaard zei ons later dat half juli die krabben normaal gesproken wel naar de zee vertrekken. Ik had op camp-to-camp echter gelezen dat ze eind mei al weg zouden zijn, maar goed, ze liggen daar nog gewoon, tussen R7 en R8, er schijnt overigens ook de optie te zijn om rechts langs ze te traverseren (maar daar liggen soms kwallen).

De bergen zijn onvoorspelbaar.

IMGP0739
IMGP0734 (2)

Twaalf tochten

Als je in Frankrijk een berggids wilt worden en deel wilt nemen aan het toelatingsexamen, dan moet je eerst een lijst van veertig tochten voltooien. Die gaan op ski’s, of over graatjes, rots of ijs. Midden januari lever je de lijst in en dan buigen zich daar een aantal ernstige alpinisten over.
Twee maanden later zit je tegenover hen en zeggen ze: Goh, vertel eens, hoe ben jij precies 13 februari 2015 van die berg afgedaald? – of zoiets.
Als ze na een ondervraging van dertig minuten hebben vastgesteld dat je een alpinist bent die weet waar die mee bezig is (of dat in elk geval zo kan laten overkomen), dan mag je de volgende dag naar het ski-examen.

Dus is het hoog tijd om die lijst in elkaar te knutselen. Omdat ik er stiekem vorig jaar al mee bezig was, staan me deze zomer nog twaalf tochten te wachten. Ze zijn wel specifiek; het liefst willen ze dat je een beetje verdwaalt op lange graten en een beetje angstzweet in moeilijk af te zekeren passages.
Komende weken zal ik me tussen Oisans, Chamonix en de Pyreneeën bewegen om tocht voor tocht af te strepen, te beginnen met tocht 12: Arête de Sialouze en tocht 11: Traversée de Râteau.
En daarna, daarna beginnen we aan het normale leven.

Totdat de eerste sneeuw valt en ik moet leren skiën.

Deze kikker begrijpt er helemaal niets van

_DSC1024

Ik vroeg God om een licht zieltje gisteravond en hij heeft me er een gegeven. Zo licht dat ik er niet eens moeilijk over hoef te doen dat het God was die me heeft geholpen, want ik denk nog steeds niet dat hij bestaat.
Ik opende mijn ogen en voelde het meteen. ‘Slaap er maar een nachtje over’ had alles verandert. Plotseling stond de bus naast de rivier geparkeerd en schitterde de zon in het wilde water. Het gebrul van de stroming werd nu en dan zachtjes overstemd door vogelgefluit en krekelgetjirp. Op de houten tafel stonden de bloemen die ik gister had geplukt en in een jampot in het water van de rivier had gestoken. Het lange gras danste in de wind, en de takken van de dennenbomen, en de bloemen in de jampot en mijn haren. Zelfs de stenen bergen dansten een beetje op hun achtergrond.
Het kampvuur van gister lag er stil bij. Zo levendig als de vlammen zware gedachten bij me hadden aangewakkerd, zo dood was het nu.
Vlak voor het naar bed gaan had ik de angst gehad om ’s ochtends gewoon weer verder te denken waar ik was gebleven. Daarom zei ik hardop, godverdorie, kan het niet wat lichter allemaal. Eens was ik de koningin van het huppelen door de alpenweide, nu was ik de chagrijnige kikker die maar niet in een prins kon veranderen en daar ook helemaal niets van begreep. Daarom zei ik hardop, mijn God, kunt u deze kikker niet weer zo’n licht zieltje geven?
Slaap er maar een nachtje over, zei ik vervolgens tegen me zelf.
En kijk eens waar ik wakker ben geworden.

_DSC1004
_DSC0977
_DSC1054