Latest Posts

Een Hollandse Koe

Er zit een Spaanse familie in de keuken aan het middagmaal. Gazpazzo in tinnen bekers, kaas, een salade van tomaten en olijven waarover ze olijfolie en zout strooien. De stokoude oma zit tevreden tussen haar dochter en kleindochters in, die haar allemaal helpen de groentetuin in orde te houden en daarvan profiteren. Fruit gaat rond, ze lachen, vrolijk Catelaans dat door het raam van het meer dan drie honderd jaar oude huis komt.
Dan komt er een luid ‘hola’ door hetzelfde raam naar binnen. Een mannenstem. De oudste dochter gaat van tafel, loopt de witgeverfde stenen trap af en komt even later boven met een jonge Spanjaard. Hij groet de dames en zegt dan, terwijl hij weer de trap afloopt, ‘wacht, er komt nog iemand’. Er klinkt gestommel en geluid, zijn dat hoeven op de treden? Oma heeft inmiddels veel langs zien komen, maar dit keer vermoed ze dat er iets in aantrede is dat haar eeuwenoude keuken nooit eerder gezien heeft. De jongen verschijnt terug in de ruimte, om zijn hand het uiteinde van een touw. De familie kijkt toe. Het is de kop van een koe die aan het touw zit vastgebonden en als eerst boven het trapgat uit verschijnt. Daarna volgt een groot, zwart wit gevlekt middel en een zwiepende staart op een reusachtig achterwerk. ‘Dit is mijn koe’, zegt de jongen. ‘Ze komt uit Holland, ik heb haar gevonden in Chamonix. Ze is een echte Hollandse koe.’ De Hollandse koe stoot tegen de keukentafel en loopt een stoel omver. Beide dochters proberen de binnenkomst in goede banen te leiden, terwijl oma tevreden aan tafel blijft zitten. Nadat de koe in de ruimte is geparkeerd, wordt een extra stoel voor de jongen aangeschoven en nemen ook beide dochters weer plaats. Het middagmaal wordt voortgezet.

Marcel en ik zijn op bezoek bij een oude vriendin van Marcel in Catalunya. Als we ’s middags spontaan aan huis verschijnen, zitten ze net aan tafel. Ik kus een stokoude dame, een moeder, twee dochters en een Mexicaans vriendje. Natuurlijk eten we mee en komen er direct borden en bekers extra. Willen jullie dit? Willen jullie dat?
De keuken is volledig van steen. De muren zijn wisselend geverfd in dieprood, blauw, azur en geel, al blijft het grootste deel wit. Er hangen simpele schilderijen aan de muur. Er hangen kleden. De weg naar de slaapkamer is slechts een stenen poort. Ook daar die kleuren, schilderijen en kleden. Op elke stenen vlakte behalve die van de vloer liggen kunstobjecten die, denk ik, een spirituele betekenis hebben. De oma is het grootste object van kunst of spiritualiteit. ‘Wij leven hier al negen generaties’, zegt ze een aantal keer. ‘Het huis is eeuwen oud’. Ze is ongetwijfeld al die eeuwen gewoon aanwezig geweest. De stokoude dame heeft niet door dat ik Spaans noch Catelaans spreek. Ik grijns haar aan als een idioot, verlegen, terwijl alle dochters glimlachen. Marcel heeft ze lang niet gezien en praat hen bij terwijl hij nu en dan een olijf of stuk vijgentaart in zijn mond steekt. Ik pik ook voorzichtig wat eten mee, me bewust van mijn grote arm die daarbij gedwongen boven het tafelblad zweeft. Mijn brede postuur dat tussen de frêle dames is gezet. Mijn blonde haren en bolle wangen, mijn bleke huid waarop overal ‘melk’ staat geschreven, mijn sport-bh die twee grote, platgewalste, Nederlandse borsten huisvest. Mijn stem. Mijn manier van bewegen.
Ik sla de dames gade wanneer ze opstaan om de koffie van het fornuis te halen en zie hun lange gekleurde rokken, het haar dat golft tot aan hun slanke middels en de bruine schouderbladen. Het lijkt alsof het huis tegelijkertijd gedecoreerd is met deze vrouwen. De kleuren komen overeen. De geest is hetzelfde. Wat afgelopen drie eeuwen aan historie en schoonheid in de muren is gaan zitten, hebben alle dochters bij de geboorte meegekregen.

‘Dit is geen doorsnee Spaans gezin’, zegt Marcel later, als ik iets wat opgelucht tegenover hem in de bus zit. ‘Dit is een Sjamaanfamilie. Ze hebben allemaal aan de kunstacademie gezeten. Het zijn artiesten.’ Ik weet niet zo goed wat ik met die informatie moet. Voor mij was elk detail van de afgelopen uren het toppunt van alles dat ik in mijn hoofd als Spaans had gecultiveerd. Ik had graag mijn fototoestel willen pakken en een reportage willen maken, al was het maar om mijn rol als buitenstaander vorm te geven. Maar ik was geen buitenstaander; de gastvrijheid liet dat geenszins toe. Ik zou mee-eten, meepraten, meelachen en doen alsof ik een van hen was. En dat heb ik geprobeerd. Maar bij het afscheid van deze verzameling aan onwerkelijk mooie beelden had ik mijn verhaal van de Hollandse Koe al zo’n drie keer in gedachten uitgeschreven.

Het soort schrijver dat ik zou willen zijn (diegene die er rijk van wordt natuurlijk)

Ik heb me willen ontpoppen tot vele soorten schrijvers. Elk mooi boek dat ik gelezen heb is geschreven door iemand wiens stijl ik wel had willen afpakken.
Als mijn moeder zich een breuk lachte om een column, dan wilde ik hilarisch zijn.
Als ik in de krant een boekenrecensie las waarin de schrijver werd geprezen om haar natuurlijke dialogen, dan wilde ik daar ook bekend om staan.
Soms wilde ik kritisch zijn. Soms wilde ik voor jonge kinderen schrijven, dan zou ik mijn zus laten illustreren.
Vaak heb ik de wens gehad om belezen over te komen.
Nog bijna schreef ik me in voor een opleiding journalistiek, tot ik me realiseerde dat ik het afgelopen halfjaar geen krant had opengeslagen en bij mijn broer moest informeren naar de stand van zaken in het Oosten.
Ik moest en zou even reisverhalen schrijven, maar het hoge aantal reisverhalen van Facebookgenoten beroofde me van mijn zelfvertrouwen. Zij waren buiten Europa geweest. Ik niet.
Om financiële redenen wilde ik schrijven zoals JK Rowling.
Eveneens om financiële redenen wilde ik schrijven zoals de modebloggers of lifestylebloggers, al heb ik nooit begrepen hoe ze daar precies van leven. Populariteit doet leven.

Er is echter maar een soort schrijver waar ik werkelijk zo jaloers op ben, dat ik er bijna verdrietig van word. Het is het soort schrijver waarnaast ik me incapabel voel, wiens werk ik om die reden bijna niet open durf te slaan. Deze schrijvers doen me twijfelen aan de manier waarop ik in het leven sta, of ik überhaupt wel in leven ben. Ze maken pijnlijk duidelijk hoe hulpeloos ik sta tegenover mijn eigen emoties. Hoe groot het gat is tussen mij en andere mensen. Hoe ik nooit volledig in staat zal zijn om jou duidelijk te maken, hoeveel ik van je houd. Daar zouden zij me immer bij moeten helpen.

Het soort schrijver dat over de liefde kan schrijven, zo een zou ik willen zijn.

(Met dank aan SUUS, die me afgelopen bezoek in Chamonix de gedichten van Pablo Neruda cadeau gaf).

Tocht 6: Traversée des Aiguilles Rouges d’Arolla

IMGP0831Hé, Evolène, roep ik verbaasd uit. Dat ken ik. Daar heb ik drie zomervakanties doorgebracht en mijn eerste biertje buiten ouderlijk toezicht gedronken (of met verbazing toegekeken hoe mijn zus biertjes dronk, zoiets). Evolène lag in onze lievelingsvallei. De opblaaskrokodil van een campingvriendje, zijn oudere broer en het bijbehorende zwembad lieten ons elk jaar weer terugkomen.

De omliggende dorpen zeggen me echter niets meer. De namen niet, de bergen niet en de weg erheen roept alleen herkenning op wanneer we die gekke torens passeren: Les Pyramides s’Euseigne. Waarschijnlijk heb ik hier in de omgeving zo’n beetje alle wandelingen gemaakt, maar zo diep in mijn fantasie verzonken dat ik er geen enkel heb opgeslagen. Het enige dat ik wel herken: Een vakantiegevoel.

IMGP0837

Het is vanwege een suggestie op de tochtenlijst van de ENSA dat ik zo opeens Evolène inrijdt (dit had iemand me toen eens moeten vertellen: Over x aantal jaar rijdt je hier met je Spaanse vriendje in een oude ambulance/jehuisopwielen de vallei binnen om professioneel klimmer te worden). Uit eigen beweging waren we Zwitserland niet ingereden, gewoon, omdat je in Chamonix alles wel denkt te hebben. Maar wat is het fijn om een frisse neus te halen in een gebied een nieuw soort schapen met heel veel krullen en woeste hoorns, hoge bergen met vreemde vormen en meertjes die anders kleuren. Specifiek Lac Bleu, dat zowel knalbauw als knalgroen is en me even pijnlijk wijst op nog meer geheugenverlies. Krap drie jaar geleden stond ik daar namelijk met Kimberley. Goh, denk ik, dit ken ik. Hier ben ik geweest toen er een meter sneeuw lag, met een vriend van Kimberley die elke stap die meter tot de grond doorzakte en wijn mee had genomen.

Goed, Marcel en ik hadden het plan om de Traversée des Aiguilles Rouges d’Arolla in een hit and run te doen, maar toen herinnerde ik me het Râteau-avontuur en met name wat ik daarna had gezworen (Dit. Nooit. Meer). Daarom lopen we gewoon met matje en slaapzak omhoog naar La Cabana, een hutje op 2821 meter hoogte tussen het gruis onder de Aiguilles, waar we een gezette waard treffen die rustig de laatste zonnestralen meepakt en zichtbaar geniet van de uitgestorven avond. Hoe is het weer morgen? – vraag ik hem. Oh, grand beau!
’s Ochtends om halfzes worden we niet wakker door de wekker, maar door een flinke regenbui. De donzen slaapzak weet net aan te voorkomen dat ons lichaam nat wordt. Vanuit de hoofduitgang tuur ik naar het schouwspel van grote mooie wolken en grote mooie druppels. Om zes uur doe ik dat nog steeds. Zodra we besluiten in La Cabana te schuilen, stopt de regen. Wat nu?

De aantrekkingskracht die van de graat in de verte uitgaat is zo ongeveer nul, en de donkere lucht erachter trekt dat in het negatieve. Wat een vakantiegevoel! De waard van de Cabana slaapt. Er is geen hond, geen vermaak, niet eens zoveel schoonheid. Maar we zijn er nu toch. En dus spreiden we de slaapzakken uit op een rots in hoop op een ander soort grand beau en lopen we richting de gletsjer. Een gapende rimaye dwingt ons over steile rotsen naar loszittende stenen van een sneeuwveld dat er in de topo gewoon nog lag. Eenmaal op de graat zijn we getraumatiseerd. Beiden graven we onze reservevoorraad aan motivatie af, de een vind wat, de ander komt met lege handen terug. Het slechte weer heeft zich vastgebeten in de Matterhorn terwijl wij inmiddels verkeren in een blauwe lucht. De graat die volgt ziet er desondanks spooky uit.

Ik besluit dit verhaal af te sluiten met een cliffhanger (dit was al de cliffhanger). Mocht je nou echt willen weten hoe het afloopt, dan stuur je me maar een mailtje. Hint: Sneeuwpaddestoel.

En ik beloof van mijn volgende toeren fatsoenlijke beschrijvingen te geven, zonder je lastig te vallen met mijn stoelgang of de opblaaskrokodil in het zwembad van Evolène.

IMGP0843 (2)

Van achteloze douche naar douche van ware liefde

En nu ben ik er verdorie klaar mee. Ik wil een douche. Geen douche op fietsafstand van een sporthal aan de andere kant van het dorp, die nu en dan de kleedkamers sluit wegens misbruik door niet-leden. Geen soort-van douche in een idyllisch stroompje ijskoud gletsjerwater. Geen washandje dat met een lading zeep heus het een en ander schoon schrobt.
Ik wil een douche in HUIS, binnen een paar overdekte stappen, dat je aan een knop draait en er zielig veel warm en kraakhelder water uit stort, net zolang als ik durf weg te dromen onder de stroom van bewuste verspilling. Zo’n douche wil ik.

Ik walg van mezelf zodra ik hier weer moeilijk over dreig te doen. Geen douche! Ruby, wat een leed! Je bent vast de enige op deze aardbol die soms geen toegang heeft tot een douche! Nu moet je plakkerig van het zweet je bed in, wat zal je eveneens ongedouchte vriendje daar wel niet van vinden!
Het vriendje is de kunst van dit leven eigen en heeft er hoogstens problemen mee dat ik per zoutlaag afstandelijker word. Stinken doen we overigens niet. Chamonix is erg geciviliseerd. De occasionele licht geurende passant wordt vergeven omdat zijn lycra activewear verraad dat ‘ie net een rondje om de Mont Blanc heeft gerend. Het alpinerende volk mag daarbij best wat wilde trekken vertonen. De echt meurende eventueel dakloze of bezopen bevolking wordt daarentegen systematisch buiten de vallei gehouden – hoe ze het doen weet ik niet, dat vraag ik me al af sinds mijn aankomst in Chamonix. Hoe dan ook, schone kleren, dat washandje met die zeep en een contract met de spuitdeo laat je ongemerkt opgaan in de brandschone toeristenmassa.

Desondanks hunker ik naar een douche. Ik ben zo verschrikkelijk gewend aan de luxe dat ik het, zelf nu ik al grofweg een jaar in een busje woon, nog steeds mis om even snel de ellende van mijn huid te spoelen. Om vlug herboren te worden. Een douche geeft je in een handomdraai een nieuwe start, een frisse gemoedstoestand, en nu moet ik daarvoor, als ik uitgeput ben van een alpine tocht, op de fietst richting de sporthal stappen. Van alles wat in de bus ontbreekt, mis ik de douche het meest. Het gebrek aan opbergruimte, bewegingsvrijheid en zelfs een toilet is overkomelijk in vergelijking met het gemis van dat kleine walhalla aan warm, helder, stromend water.

Nu is Marcel een held. Hij is een knutselaar, nestbouwer, kunstenaar en zoals ik al zei: Hij beheerst dit type leven. In de tijd waarin ik me ernstig en filosofisch afvraag hoe ik in mijn semi primitieve situatie terecht ben gekomen, heeft hij al een gootsteen gekocht. Een solarpanel op het dak gemonteerd. Het opbergsysteem gerenoveerd. Een douche gebouwd.
Gister heb ik het voor elkaar gekregen om hem twee uur lang als zure pruim te vergezellen omdat de douche in de sporthal inderdaad weer eens gesloten was. Toen wees hij me erop dat de bus gewoon een warme douche had. Even wat water op het fornuis zetten, de waterpomp aansluiten en onder de douchekop gaan staan.

Daar stond ik dus, ’s avonds om elf uur in mijn blootje op de parkeerplaats naast de bus, met het haar vol shampoo onder de uitgestrekte arm met douchekop van Marcel. Mijn nestbouwer kon me tegenwoordig ook van een douche voorzien en ik moet zeggen: dat was een van de beste douches die ik ooit heb gehad.

Tocht 7: Traversée des aiguilles Dorées

Ik ben nog nooit weg uit Europa geweest. Geen Azië toen ik achttien was, geen Zuid-Amerika tijdens mijn studie, geen vluchten langer dan… wat zal het zijn, twee uur? Wat trouwens niet nodig is om voet op een ander werelddeel te zetten: Twee vrienden van me fietsen na de winter naar de Himalaya. Daar doen ze wel eventjes over. Een jaar.
Mijn avontuurlijke leeftijdsgenootjes kwamen natuurlijk thuis met waanzinnige verhalen over hun exotische reisbestemmingen, terwijl ik me verplicht zag uit te weiden over een rotsblok of een bergbeek. Wat me echter vooral bijbleef van hun verblijf in het onbekende, waren de poepproblemen. Ofwel het kwam er niet meer uit, ofwel het bleef er niet meer in (vooral die: drukke Indiase bussen die niet stoppen terwijl jij bijna flauwvalt van kramp). Ik vond dat eindeloos fascinerend, het was me immers zo vreemd als die landen zelf. Natuurlijk was ook mijn systeem weleens slachtoffer van een boosaardige inwoner, maar de gevolgen daarvan waren altijd binnen de perken gebleven. Ik heb nooit naar het toilet hoeven rennen. Er was altijd wel een mate van consistentie. Ik dacht dus ook dat ik voor die ervaring op zijn minst een ticket naar een ander continent moest boeken.

Het bleek genoeg om naar de Aiguilles Dorées omhoog te lopen (Zwitserland nota bene, wie had dat gedacht). Op een warme zomeravond afgelopen jaar liepen Marcel en ik nietsvermoedend richting Glacier de Trient, waar de Aiguille Dorées uitgestrekt het einde van de vallei uitmaken. Bepakt met een tent, slaapzak en kookgerei passeerden we Refuge Albert Premier en een waterbron met, ik verraad het maar alvast, zo’n Indiase bacterie maar dan in Franse variant. Alhoewel mijn darmsysteem die nacht vreemd lag te kronkelen begon ik rond drieën opgewekt aan de klim naar de graat van Dorées. Een fascinerend mooie zon kwam ongeveer gelijktijdig op met een noodtoestand in mijn onderstel waar ik werkelijk versteld van stond. Toen had ik nog de illusie dat ik kon winnen, je weet wel, op spierkracht en wilskracht. Twee rotsblokken verder begon ik naar mogelijk subtiele poepplaatsen te zoeken (alhoewel ik de gedachte vernederend vond). Marcel voelde zich eveneens niet helemaal lekker, niets darm gerelateerd overigens, en suggereerde terug te keren. Ik wist niet hoe snel ik daarmee in kon stemmen. Dan hoefde ik ten minste niet op de graat te poepen.

Terwijl de gletsjers afliepen dacht ik meerdere malen: Naah, wat maak ik mee? Wat gebéurd daar? Maar ik wilde koste wat kost wachten op het toilet van Albert Premier. Misschien omdat ik het monster dat zich in mijn onderbuik had genesteld niet wilde vrijlaten in de natuur, bang voor hoe het eruit zou zien, bang voor achtervolging. Of omdat mijn preutsheid nog net aan sterker was dan de kracht die inmiddels door het monster werd uitgeoefend. Als ik niet zo gebukt ging onder de kramp, had ik mezelf gelukkig kunnen prijzen dat ik niet in een Indiase bus zat, maar het enige waar ik aandacht voor had was niet-poepen. De laatste meters over de morenen naar de hut heb ik toch echt wel in sprint afgelegd.

Goed, sindsdien kan ik dus bijdragen aan wilde poepverhalen zonder ooit een stap op een ander continent te hebben gezet. En nog een succes: Afgelopen maandag hebben we de Aiguilles Dorées in alle rust kunnen traverseren.

IMG_20170821_131613

Marcel aan de top van de serie rappels aan het eind van de traverse, die meer tijd heeft ingenomen dan de gehele graat zelf.

 

Acht paar voetjes op de Mont Blanc

Mag ik terug in de tijd? Een week, om precies te zijn?

Is het werkelijk voorbij?

Afgelopen week mocht ik mee met de hoogalpinereis van de NKBV naar Gran Paradiso en Mont Blanc, met als bedoeling daar een verslag over te schrijven dat volgend jaar in de Hoogtelijn verschijnt. Mijn eerste journalistieke opdracht en een week lang in het hooggebergte: Beter krijg ik het bijna niet. Maar hoe zoiets werkelijk uitpakt, daar had ik dan weer geen idee van. Hangt er een beetje van af met wie je bent.

Acht paar voetjes liepen op een zondagmiddag richting Gran Paradiso: Een fotograaf, twee deelnemers, twee Oostenrijkse gidsen, de vader en het zusje van een van hen en ikzelf – in rol van deelnemer en journalist. Dat die vader en dat zusje mee zouden gaan was niet helemaal gepland, maar de Oostenrijkse gezelligheid was een aangename verassing. Voor mij apart had die gids zijn hele familie uitgenodigd. Zijn hele vallei.

Hoe die reis precies is verlopen ga ik natuurlijk nu niet zeggen. Dat lees je wel in de Hoogtelijn.
Maar ik kan best loslaten dat ik intens genoten heb van elke dag die ik met de groep op hoogte heb gezeten. Dat je het moet treffen met je cursusgenoten en de gidsen zal best waar zijn, maar op wonderlijke wijze word ik altijd in de cursus gegooid met een stel helden. Oostenrijkers lijken bij voorbaat een succes (misschien moet ik mijn land van bestemming aanpassen) en het Nederlandse bergvolk was ook dit keer gewoon heel cool. Interessant, avontuurlijk en gezellig genoeg om uren aan loze tijd ongemerkt mee te overbruggen. Hoe belachelijk sentimenteel het ook klinkt, het is altijd een beetje tragisch dat ieder naar afloop een andere richting inloopt. Hoe loopt het nu af met hen? Mag ik dat ook weten?

Ik was dan wel mee in een soort officiële gedaante, maar uiteindelijk heb ik gewoon onprofessioneel veel plezier gehad. In het begin plaatste ik mezelf nu en dan met pen en papier in relatieve afzondering, maar daarna dacht ik: Ga nu maar gewoon ervaren, Ruby. Daar komt het beste verhaal uit voort.
Als dit het begin van mijn journalistieke carrière is, dan had ’t zo mogelijk niet mooier gekund. Met dank aan de NKBV, een stel grenzeloos mooie bergen en met name die zeven paar voetjes waarmee ik zomaar even op de Mont Blanc stond. (Dat succes heb ik vast verraden).

Moeder, Zus en Dare

_DSC8399

_DSC8394Het regent in Chamonix alsof de weergoden een poeltje zoeken om in rond te dobberen. Wie vlak na Les Houches een stuwdam bouwt, heeft morgen een volwaardig stuwmeer. Dan zouden we, als de zon schijnt, met de boot naar de instap van onze routes kunnen.

In deze doornatte omstandigheden laat ik mijn moeder achter bij de bushalte in Chamonix. Ik weet dat, als alles verloopt zoals afgesproken, er straks een bus langsrijdt die haar afzet bij het vliegveld in Genève, waar vervolgens een vliegtuig langs vliegt dat haar afzet in Amsterdam. Maar omdat ik daar allemaal geen getuige van ben, voelt het alsof ze gewoon in een lichtflits (geïnspireerd door al dat onweer) straks weer op de bank tussen mijn vader en de kat zit.
Wie laat zijn moeder nou achter in een bushalte in Chamonix? Met de wetenschap dat ze dadelijk door een Britse transferdriver ontvoerd wordt, weg uit de realiteit waar ik grip op heb, weg uit mijn mogelijkheden?
Was ze er überhaupt wel, of heb ik dat gedroomd?

Het gekke is dat ik mijn zus hier nog naast me heb. Maar die verdwijnt over twee dagen net zo abrupt met een lichtflits; een afgesproken tijdstip en weg. En denk niet dat er dan nog iets achterblijft, noch van mijn moeder noch van mijn zus. Ik kan terug naar de bushalte lopen en wachten tot ik een ons weeg. Die zitten gewoon in Nederland.

Er was zelfs nog zo’n derde figuur dat inmiddels in de lucht hangt, als ik het moet geloven dan, want ik ben er wederom geen getuige van. Suus (de zus) had een vriendinnetje uit Nederland meegenomen. Ik heb het drietal (moeder, Suus en Dare) hier dagenlang in de bergen gehad, door het vreemde Chamonix, aan touwen, in liften, op flanken of de salsa-avond in de Jazzclub, en ze vonden alles leuk. Bij vergissing noemde ik Dare een grote zonnebloem, maar niets bleek minder waar. Die grote zonnebloem die ik gedurende de week op geen negatieve fractie van een emotie heb kunnen betrappen is dus net als moeders de vallei uit geflitst. De vraag is of ze er ooit echt geweest is.

Maar Suus, die heb ik dus nog eventjes. Morgen gaan we samen op de boot in het stuwmeer. Als de Britse transferdriver zelf geen boot heeft dan blijven we net zolang dobberen tot we oud en grijs zijn. Zo erg is al die regen nog niet.

_DSC837620747614_10154931524341538_862932201_o_DSC8387 (2)20684668_10154931518761538_506946956_o_DSC840120727190_10154931522991538_915884376_o_DSC838320707284_10154931525021538_343122018_o_DSC836220707344_10154931534071538_2043285524_o20727109_10154931525821538_248680409_o_DSC8397_DSC8365_DSC8371 (2)

Die dieren spraken heus wel

De wilde dieren op de boot van Yann Martel in zijn beroemde boek Life of Pi kende ik al voor het gelezen te hebben. De zebra, Orang-oetang, hyena, Bengaalse tijger en het Indiase jongetje Pi waren allang geschetst op basis van de flarden aan informatie die zulk soort bekende en verfilmde boeken de wereld in sturen.
Toen had ik het boek voor me en las ik dat de naam van het jongetje kwam van het Franse woord ‘Piscine’: Zwembad in het Nederlands. Ik las dat hij Hindoe, Christen en Moslim tegelijkertijd was en samen met zijn broertje opgroeide in de dierentuin die gerund werd door zijn vader.
Op een zeker moment vond vader het tijd om zijn kinderen de ware aard van de dieren in zijn dierentuin te tonen, en wel via een verschrikkelijke scene. Voor het oog van de jongetjes liet hij een levende geit de kooi van een Bengaalse tijger binnen. Je kunt je wel bedenken wat er met die geit gebeurde.

Niet alleen de jongetjes waren geschokt, maar ik ook. Ik dacht namelijk dat de Bengaalse tijger in het boek Life of Pi niet écht een levende geit zou afslachten (onder het weerzinwekkend gemekker van die geit zelf).
Toen de familie uiteindelijk met dierentuin en al van India naar Canada werd verscheept, zonk het schip en bleef Pi alleen achter op een reddingsboot. Met dus een zebra, Orang-oetang, hyena en Bengaalse tijger (overigens een andere dan die de levende geit op had gegeten). Nu wist ik dat Pi en al die dieren dikke vriendjes zouden worden, want zo moest het wel gaan als ze allemaal op een enkele reddingsboot waren beland.

Nee dus. Diep geschokt was ik toen de hyena plotseling de voet van de gewonde zebra afknabbelde (echt waar). Dat de dieren niet spraken moest ik even verwerken, maar dat ze elkaar opvraten?
Ik had duidelijk niet goed opgelet toen vader ons een Bengaalse tijger toonde die echt wel een levende geit verslond.
De hyena ging vervolgens aan de haal met de Oerang-oetang en de Bengaalse Tijger met de Hyena en Pi, dat jongetje dat naar ‘zwembad’ was vernoemd en drie religies aanhing, met zeeschildpadden.
Gek genoeg dacht ik nog steeds dat de twee overlevende schipbreukelingen een hechte vriendschap zouden opbouwen. Maar Pi moest de godganse tijd dat hij met de tijger op de oceaan dobberde dealen met het levensgevaarlijke, bloeddorstige, beestachtige karakter van zijn bootgenoot. Doodsbang was hij (zou ik ook zijn met een Bengaalse tijger die zich gedraagt als een Bengaalse tijger). Op het einde voelde hij wel een band voor de tijger, maar het beest zelf rende gewoon de jungle in.

Als Pi later zijn verhaal doet (ik zat op een boot met een zebra…), geloven mensen hem niet. Immer, overleven met zulk wild op zo’n kleine oppervlakte voor zoveel dagen is vrijwel onmogelijk. Misschien is alles wel anders gegaan; waren er helemaal geen wilde dieren, is Pi verschrikkelijk in de war. Uiteindelijk geeft Pi een andere mogelijke en vrij gruwelijke verklaringen voor de gebeurtenissen en laat Martel zijn lezers kiezen waarin te geloven.
Ik geloof in een derde, niet door Martel omschreven uitleg: Dat de hyena de wond van de Zebra schoonlikte en Pi er toen zijn shirt om bond, dat de tijger angstig voor het water wegkroop in de armen van de Oerang-oetang en het hele zootje al die dagen op de boot miraculeus overleefde, en toen ze vervolgens een onbewoond (in de zin van geen mensen, maar wel dieren) eiland aandeden leefden ze lang en gelukkig samen, behalve Pi, want die voer door naar de beschaving en vond daar zijn eigen warme nest.

Tocht 8: Nabot Leon & Ozer Josephine

IMGP0796

De routes op de Peigne en Blatière zijn gemakkelijk te bereiken via de plan de l’Aiguille lift en veel van hen kun je ook binnen de openingstijden van de lift afronden, maar een bivak bij Lac Bleu  is altijd, altijd de moeite waard.

The place to be: alle routes op de Blatière. Want ze zijn toegankelijk, overzichtelijk, solide en hartstikke Chamonix Graniet op haar best.
‘Nabot Leon’ en ‘Ozer Josephine’ vormen samen een 400 meter lange klim op de westwand. Nabot Leon geeft de makkelijkste route op de Pillar Rouge en is daarom populair. Zo populair dat we als vijfde touwgroep aankomen en op de hielen gezeten worden door een gids met klanten en een viertal dat het snel opgeeft.

Wachten.

IMGP0804

De buurroute ‘Majorette Tatcher’, daar zat dus maar één touwgroep in, waarschijnlijk vanwege een 6b+ off-width crack die er van boven mega cool uitziet.

We wachten op elke standplaats. We praten met Britten, Fransen en Zweden en wachten. Eén touwgroep ruïneert het voor de rest: Ze waren de eerste en de langzaamste. Links en rechts worden ze ingehaald, maar wij, als vijfde, zijn praktisch kansloos. We wachten zoveel dat het instabiele zomerweer steeds zwaarder in de lucht gaat hangen. Het sfeertje is jolig, want wat kunnen we anders, maar uiteindelijk heeft niemand zin om in onweer rappels in te hangen. En wij willen nog een tweede route in, Oser Josephine. We zouden er immers de tijd voor hebben.

IMGP0803

Ik had weer mega goed het eten voor elkaar: twee croissantjes de man voor de hele dag. Dit was onze laatste.

Rond twee uur ‘s middags begint al het volk op de Blatière massaal terug te keren. We houden het nog wat lengtes vol, maar worden eveneens, nog voor we de top bereiken, te zenuwachtig van al dat gedreig van boven. Gestrest en in rap tempo beginnen we abseils in te hangen. De donder blijft uit, maar regen en wind jagen ons terug naar Plan de Aiguille.

IMGP0809

Slecht weer dus. Daar is  Massief Mont Blanc goed in, de laatste tijd.

Goed, dan maar terugkomen op een zonnige dag en beter tijdstip. Met een aantal grote cams voor de prachtige spleten die we onze spontane abseil zijn tegengekomen, want er valt daar nog veel te ontdekken. We hebben zelfs een blik kunnen werpen op de beruchte Fidel Fiasco (‘fingercrack’ 6c+) over de Pillier Gris, alhoewel we dan nog even ons mentaal naar zelfvertrouwen moeten afgraven.
Dan weet je in elk geval dat je niet in de rij hoeft te staan.

IMGP0811

Schuilen voor de regen terug bij Lac Bleu.

Echt een coole relatie

Toen ik nog geen relaties achter de rug had, moest ik alle mannen uit mijn fantasie aan een tragische dood laten sterven. Want de ware liefdes die ik voor mijn geest haalde konden niet ten onder gaan aan een simpel ‘einde van een relatie’. Als het tijd werd voor een nieuw ideaaltype man, moest het voorgaande type op een romantische (doch dramatische) manier van het toneel geschreven worden, en daar ging alleen de dood voor op. Iets van buitenaf, het lot, zolang de liefde maar niet gewoon ophield.

Er loopt dus een groot aantal mannelijke schimmen door mijn gedachtegangen te dwalen.

Ik heb relaties altijd slechts twee toekomstscenario’s gegeven: Zij die voor altijd doorgaan of zij die eindigen (mislukken) met (in elk geval enkelzijdig) liefdesverdriet. Een relatiebreuk in mijn omgeving was dus bij voorbaat drama. Het kwam niet bij me op om te denken: ‘Ah, die twee hadden nou echt een coole relatie. Wat vet om dat te mogen meemaken’ of blij uit te roepen: ‘Yo, dat was een mooi avontuur hè!?’.
Een relatie kan niet echt succesvol zijn geweest als er een einde aan komt.

Maar jij, lieve jongen? Ik vier de tijd die ik met je heb mogen doorbrengen! Je bent een kunstwerk aan de wand van mijn gedachtegangen en ik voel nog steeds de magie van ons samenzijn als ik voor je sta. Ik dank de wereld dat ik je heb mogen ontmoeten en daarmee basta. Het feit dat we lang niet meer romantisch betrokken zijn veranderd daar werkelijk niets aan. We zijn een succesverhaal van begin tot einde en ik hoop je voor altijd bij me te hebben, harstikke levend en dolgelukkig, niet als mijn vriendje maar als een labelloze en fantastische realiteit waarmee ik een woest mooi verleden deel dat niemand ooit ook maar in vage contouren zal leren kennen.

Toen ik al die perfecte mannen in mijn hoofd vormgaf wist ik nog niet dat ze niet persé voor altijd aan mijn zijde hoefden te blijven. Los van mij, na mij, mogen ze ook best een mooi bestaan leiden. Dat zal niets afdoen aan hun perfectie of de onvoorwaardelijke liefde die ze in hun schepping van mij kregen. Liefde verandert niet in een leugen nadat het leven een andere richting inslaat. Romantiek verrot niet in het verleden. Ik ben misschien meer in aanraking gekomen met het feest van het samenzijn dan met de pijn van het gebroken hart, maar ik hoop dat ik ook na een dergelijke catastrofe op een dag kan uitroepen: ‘Wij hadden nou echt een coole relatie’.

En jij? Lang leve de herinnering en lang leve jou.