Latest Posts

Met Fiek Électrique op Chic

IMG_2758

‘Jumpy’ is de naam van de nieuwe auto van Fieke. Beiden zouden afgelopen week op bezoek komen, maar alleen Fiek kwam aan in Spanje (Catalonië?). Jumpy zat vast in de garage vanwege een defect klepje. Stom, ja, want anders waren we in één klap doorgereden naar Siurana en hadden we die wanden daar plat geklommen. Zo zonder auto was Siurana plotseling wel ver weg.

In de buurt bij de varkensgenocidefabriek in Olot pikte ik haar op. Mijn lieve, blonde, langpotige Fransoos. Ik toonde haar mijn tijdelijke burgerbestaan bij de ouders van Marcel, het witte wijkje, de kat, en vond het eigenlijk wel grappig dat ze daar zo plotseling doorheen liep. Grappig en heel fijn, want nu kon ik haar de oren van het hoofd tetteren. En zij de mijne.

Hoofdsubstitutie van Siurana was het klimmen in Sadernes, dat in eerste instantie niet doorging vanwege het wantrouwen van de Catalanen. Ze weigerden ons op te pikken toen wij bepakt en grijnzend aan de rand van de weg stonden, zodat we ons gedwongen zagen om koffie te drinken bij Adria. We klopten spontaan bij hem aan en namen het leven door alsof het normaal was dat we ons allemaal in Olot vertoefden. De vreemde loop van zaken is altijd het leukst.

IMG_2711

De volgende dag spendeerden we vanwege noodweer in Barcelona. De regen was zo agressief dat een zware tak vlak naast ons van een boom brak. Maar het was heerlijk. Heerlijk om zeiknat van winkel naar winkel te traverseren, gedwongen aan het bier te zitten en met Fiek een soort van op chique te gaan. We pasten satijnen rokken en hingen gouden oorbellen in onze oren. Het was lang geleden dat ik schaamteloos publiek voor de spiegel heb staan draaien, en Fiek draaide gewoon naast me mee. Ik schafte zelfs een witte nepbondjas aan die ik bij thuiskomst voor Marcel verstopte, want ik vrees nog steeds zijn oordeel.

Uiteindelijk belandden we toch in Sadernes. We zetten de tent op een camping en wandelden en klommen drie dagen lang. De wereld was even simpel, ver van satijnen rokken en gouden oorbellen, maar de gesprekken waren diep als vanouds. Boven de dichte bossen van Sadernes klonken onze nieuwe plannen om de wereld te veroveren. Er zouden boeken geschreven worden en cafés geopend en tiny houses gebouwd, en mannen gevonden en bergen beklommen en aarde omgespit. En nog iets met die arme varkens van Olot, het aanschaffen van een elektrische fiets en de kaasverslaving.

Vanmorgen werd ze om 07:10 opgehaald bij het treinstation van Figueres. Hop, Fiek was er. Hop, Fiek is weg. Terug naar de garage waar Jumpy hopelijk is hersteld van het defecte klepje, weg van de ouders van Marcel die zo’n vrolijke Fieke aan de keukentafel wel zagen zitten. Het is misschien prettig voor Jumpy dat zijn verpleegkundige zich spoedig over hem kan ontfermen, maar wij hier in Olot moeten het weer zonder haar doen.

IMG_2776

Nepal

‘Papie’, zegt Marcel. ‘We gaan naar Nepal’.
De vader van Marcel doet een siësta op de bank in de woonkamer. Hij opent zijn ogen en ziet de grijns van zijn zoon op nog geen twintig centimeter van zijn eigen gezicht. ‘We gaan naar Nepal’, herhaalt Marcel.
Hij mompelt wat.

‘En?’ vraag ik als Marcel later mijn kant op komt.
‘Ja.’ Die grijns is er nog. ‘En jij?’

Naar Nepal, heel November, uit het niets, uit de spontaniteit van Marcel, uit het universum van waarom-niet; ga ik mee of blijf ik thuis? Waarom niet ja. Misschien is het geen ideale voorbereiding voor de examens, maar Marcel beloofd me dat we gaan klimmen, dat je sowieso in Nepal kunt klimmen, en anders trekken we ons wel ergens aan op. Dan ren ik een rondje door de Himalaya en doe ik sit-ups in een klooster. Een tocht in het hoog, hoog, hooggebergte zou overigens niet misstaan op de tochtenlijst. ‘Kunnen we met al het materiaal het vliegtuig in?’
‘Ja joh.’

De vader van Marcel is sinds ruim een halfjaar met pensioen en het blijkt best lastig om plotseling zoveel tijd te hebben. Zoveel nadenken. Elke dag een dagprogramma uit de grond stampen. Een leven lang werken bereid je niet specifiek voor op de jaren die daarna komen. Dan zit er niets anders op dan met een zeilboot de wereld over varen, onmisbaar worden in de opvoeding van de kleinkinderen of met je zoon en zijn vriendin een maand in Nepal naar inzichten zoeken (of een hond nemen, toch mama papa, hond, hond, hond? Woef?)

De tickets zijn geboekt. Ik heb zelfs nog een ticket naar Nederland geboekt, vlak voor de gang naar Nepal, zodat ik het thuisfront gedag kan zeggen. Onze lieve kat is helaas naar de hemel vertrokken, maar die reïncarneert ongetwijfeld in een Nepalese berggeit.

De vader van Marcel loopt lichtelijk overdondert door het huis. Naar Nepal, dus. Waarom niet.

De varkens van Olot Meats

De toegang tot elektriciteit, internet en comfort transformeert me in een computerfreak die bijna in staat is een roman af te schrijven, tot ik me realiseer dat de zon schijnt en de dag buiten het digitale spectrum beter is.

Maar als we het dorp uitrijden en de belangrijkste fabriek van Olot passeren, dan is diezelfde dag even pikdonker. Niet voor lang; voor hoogstens een minuut of twee. Want voor de rood geblokte gebouwen staan altijd grote vrachtwagens met horizontale luchtgaten die prijsgeven wie er binnenin het noodlot wacht. Of je ziet de roze billen, of de roze snuiten, en het zijn er veel. Ik weet niet hoeveel precies in zo’n vrachtwagen passen, maar ik weet wel hoeveel er per dag geslacht worden: ‘Handling 10,000 units per day, and with the capacity to increase this to 15,000 in the near future, we are one of the top European companies in the sector.’
Units zijn varkens. Maar dat dacht je misschien al.

Soms laat ik mijn fantasie vieren en stel ik me voor wat er gebeurd met al die varkens zodra de rood geblokte deur achter hen gesloten word. Mijn gedachten zijn in staat tot horror. Als ik daar al van schrik, dan zal de realiteit me verzwelgen. Ik ben bijna zover om Marcel om te laten rijden, waar werkelijk geen varken wat aan zou hebben.

Al jaren zweef ik een beetje tussen flexitarïer en vegetariër in (dit is niet de eerste blog die ik erover schrijf). Maar ondanks die fabriek in de achtertuin kan ik niet eens garanderen dat het nu over is met vlees, want tijd en afstand is het lot van de varkens slecht gezind. Hoe minder ik meekrijg van de vleesindustrie, hoe minder beest er in mijn vlees zit. Nu maakt het me razend, misselijk en sceptisch over de aard van de mens, maar als ik straks in een berghut een stuk worst krijg aangeboden, dan eet ik het. Misschien moet ik vooral sceptisch zijn over mijn eigen aard.

Het is zo’n, zo’n, zó een afschuwelijke aangelegenheid, die varkenssnuiten die straks morsdood in rijen aan een haak hangen, dat ik ze het liefst op mijn hand tatoeëer, op de hand die hun gebraden vlees naar mijn mond beweegt, die schuldige, kwade, gewetenloze hand.
Misschien ben ik eindelijk op het punt dat het werkelijk afgelopen is. Handling 10,000 units per day, dat zinnetje vat voor mij samen waar het misgaat: Zij zien varkens als units, de schurken, en ik zie spekjes als units en ik ben ook een schurk. Klaar daarmee. Ophouden nu. Geen vlees meer.

Olot Meats zal vast een feestje vieren als ze eindelijk die 15.000 per dag de kling over kunnen jagen.

Het skischoenproject

Marcel maakt een skischoen. Niet van papier-maché, hout of fimoklei, maar van carbon. Al zijn we nog niet in het carbonstadium.

Als je het gros van zijn passies en karaktereigenschappen bij elkaar neemt, dan rolt daar vanzelf een soortgelijk project uit. Marcel is boven alles een skitourfanaat. Hij is een (menselijke) variant van Kilian Jornett. Als je hem ’s winters zijn gang laat gaan, dan kom je hem louter tegen in zijn rode skitour-onesie, met zijn vederlichte ski’s en zijn haren warrig. Tegelijkertijd heeft hij een grenzeloze passie voor objecten en de wijze waarop ze functioneren. Materialen. Eigenschappen. In mijn eigen universum groeit alles aan een boom, in het zijne krijgt geen object rust voordat het ontleedt en begrepen is. En het liefst ook verbeterd.

Inmiddels hebben we (ik zeg ‘we’ want de skischoen is min of meer mijn stiefkind) een lang traject achter de rug dat sinds gisteren een griezelig reëel ‘ding’ heeft voortgebracht. Een skischoen.

In het begin was ik sceptisch, want ik dacht dat skischoenen door de kraamvogel in de etalage van winkelketens werden gezet. Net zoals vaatwasmachines, auto’s en alles dat niet met schaar en lijm in elkaar geplakt kan worden. Maar inmiddels weet ik beter. Particulieren zijn tot alles in staat, met name zij die beschikken over een goede internetconnectie. En bij voorkeur een schuur. En, laat ik eerlijk wezen, een hoop nieuwsgierigheid en doorzettingsvermogen.

Een tourskischoen is best een ingewikkelde eenheid. Je wilt hem flexibel hebben voor de weg omhoog, maar rigide voor de weg naar beneden. Het systeem dat die verandering mogelijk maakt, mag vooral niet te ingewikkeld zijn, en de schoen zelf niet te zwaar. Ik moet eerlijk zeggen dat ik nog geen grip heb op Marcel zijn innovatie met betrekking tot dit systeem, maar ik vind het desondanks spannend. Het moment is namelijk bijna daar. We zijn van karton naar gips naar glasvezel (dat in het bed terecht kwam en dodelijk jeukt) naar een 3D-ontwerp gegaan en inmiddels heeft een 3D printer (!!!) zijn schoen uitgeprint.

(Ik herhaal: Een 3D printer heeft zijn schoen uitgeprint. Ik ben er nog getuige van geweest ook. Vind je dat niet eng? Ik vind dat eng.)

Na twee jaar is er dus plotseling een skischoen die alles wegheeft van een skischoen. Marcel is momenteel bezig met het testen van zijn systeem en als dat blijkt te werken, dan is er een kans dat hij van de winter zijn eerste carbon prototype op de piste kan uittesten.

Omdat ik het allemaal van dichtbij heb meegemaakt en ik me nog steeds verwonder over het feit dat dit-dus-kan, vind ik het mega, megacool. Ik hoop met heel mijn hart dat het resultaat correspondeert met de hoeveelheid moeite die Marcel in het project heeft gestopt. Inmiddels geloof ik alles. Als de skischoen op een dag in de etalage van zo’n winkelketen staat, dan ben ik vast nog wel verbaasd, maar vooral trots. Oneindig trots op mijn skischoenproducerende vriendje.

(Op de foto hieronder staat het gelukkige drietal: Marcel, de skischoen en 3D-technicus Aniol, een onmisbaar karakter binnen dit verhaal, die eindeloos veel geholpen heeft en hopelijk voor altijd betrokken blijft).

_DSC8729

Een referendum

De ouders van Marcel staan om vijf uur ’s ochtends bij de crèche op de hoek van de straat. Als wij uit bed komen, zijn zij net even op plaspauze in huis. Een pak koekjes wordt weggegrist en daar gaan ze weer. Als Marcel eenmaal achter de televisie plaatsneemt, beweegt hij zich niet meer. Het nieuws verspreid zich wederom door de vertrekken. Halverwege de ochtend besluit hij een kijkje te nemen bij de crèche op de straathoek. Ik mag eigenlijk niet mee omdat ik niet weet waar mijn paspoort is, en schijnbaar wil je die liever bij de hand hebben. Maar ik ga toch, heel even maar, omdat Marcel in gesprek raakt met zijn buurtgenoten en ik me verveel.

Maar de dag zal nog enerverend worden. In de rest van Catalonië krijgt het geweld langzaamaan vorm en wij kunnen dat allemaal via het beeldscherm volgen. De Spaanse politie drijft een menigte uiteen terwijl een paar Catalanen terug blijft keren naar de plek waar ze niet meer mogen zijn. Een T-shirt scheurt, bloed wordt gefilmd. Goh, denk ik, ze weten dat ze geslagen worden als ze teruggaan, ze gaan terug, ze worden geslagen, laten hun wonden zien (kijk, ze slaan) en keren dan nog eens terug. Wat is dit? Wat gebeurt hier? ‘Passief verzet’, zegt Marcel. Hij is inmiddels boos en reageert ook fel op mijn verwondering. Mijn God, ik weet hier duidelijk niets vanaf.
De scenes worden gewelddadiger. Ik lees de liveblog van de NOS om op de hoogte te blijven, want in tegenstelling tot alles om me heen, begrijp ik dat tenminste.

Het huis is een rommel. Niemand neemt de moeite om iets terug te zetten, want buiten wacht het referendum en vandaag is alleen dat belangrijk. De ouders komen weer binnen, dit keer voor een adempauze. Marcel maakt zich los van het nieuws en vraagt of ik wil helpen met het voorbereiden van een pizza. Terwijl ik een ui sta te snijden deelt moeder Marcel mee dat de Spaanse politie onderweg is naar de crèche. ‘Nu?’, vraagt Marcel. Acuut wordt de oven uitgezet. ‘Oh nee, Ruby blijft thuis.’ De oven wordt weer aangezet. ‘Heus niet, ik ga mee, ik heb mijn paspoort gevonden.’ Ik zet de oven uit.

Het lijkt op een straatfeest. Tafels en klapstoelen. Mensen lopen rond met plastic bordjes en bekertjes. Op de stoeprand zit een rij volwassen met hun smartphones, de rest van de menigte staat in groepjes op straat. De poort van de crèche wordt beheerd door een drietal bejaarden. Het wemelt van de kinderen en honden. Marcel raakt wederom in gesprek met buurtgenoten en neemt plaats op de klapstoeltjes. Daar sta ik dan, in het midden met mijn Nederlandse paspoort in de hand. De Spaanse politie laat het afweten, waardoor ik geen idee heb waar ik eigenlijk naar moet kijken. Ik loop naar huis en maak de pizza’s af.

Als Marcel later thuiskomt raken we verstrikt in een discussie die nergens toe leidt. Hij is veel te opgeladen en ik veel te verward. Is al dat geweld nodig? Waarom staan al die mensen hier? Waarom staan ze hier écht, voor democratie? Onafhankelijkheid? Omdat de buren er ook staan? Fuck the system? Franco? Identiteit? Repressie?
De ouders hebben inmiddels in een ander stemlokaal hun stem uitgebracht, deelt hij mee, want bij de crèche ligt het systeem plat.

De televisie blijft repeteren. De NOS-liveblog houdt me op de hoogte tot ik abrupt mijn scherm sluit en mijn hardloopschoenen aantrek. Voor een zondagavond is het stil in het bos. Paddenstoelen schieten aan alle kanten uit de grond, wat ik graag aan papa Marcel vertel, omdat hij ze plukt en eet. Ik loop een stuk door de stad en passeer twee stembureaus. Bij de crèche is het zo druk dat ik mijn bezwete lichaam door de mensenmassa heen moet wurmen. Ik kan er niets anders van maken: Hier is het gezellig. De ouders van Marcel tref ik in een cirkel van klapstoelen, beschenen door het licht van de lantaarnpaal. Ik vergeet de paddenstoelen te vermelden. Thuis tref ik Rajoy op de televisie, beelden van euforische Catalanen die volle stemboxen in de lucht houden en een herhaling van het geweld van deze zondag. Gelukkig duurt een referendum maar één dag.

Nu lig ik in bed en kakelt die verdomde televisie nog steeds. Ik realiseer me dat, als je wilt, de vraagstukken van vandaag heel diep kunnen gaan. Zo diep als bereid bent om te gaan. Boekenplanken diep. Niet vanavond.
Heeft Marcel eigenlijk gestemd? Ik loop naar beneden en hij bevestigd. Omdat hij daarna stil blijft vraag ik welk vakje hij heeft aangekruist. Zijn antwoord verbaasd me.

De televisie staat vaak aan. Nu zit zelfs Marcel er zo nu en dan achter. Laatst aten we in de keuken en besloot het gezin toch maar met bordjes op schoot voor het scherm te zitten. Ik bleef achter aan de keukentafel en hoorde het Catelaans door de halfopen deur naar binnen komen.

De Catalaanse vlaggen wapperen aan de huizen, maar dat doen ze al zo lang dat het rood en geel vaag is geworden. Toen we gingen wandelen met de vrienden van Marcel, kreeg ik tot ieders hilariteit op de top van de berg zo’n vlag in mijn handen geduwd. Marcel is blij dat hij onherkenbaar op de foto staat.
In het centrum zie je het woord overal opduiken, we zagen er zelfs een dame mee fietsen, op de achterkant van haar rugzak. Graffiti op de stadsmuren herinnert ons aan de democratie. De radio ratelt aan één stuk door over hetzelfde onderwerp.

Tussen vrienden en in huis wordt er veel over gesproken, maar natuurlijk in het Catalaans, dus moet ik het hebben van iets wat ongeduldige samenvattingen in de tijd dat de Catalanen broeien op het volgende wat ze in de discussie gooien.

Marcel had vorig jaar een Spaanse vriend op bezoek die gelijktijdig met Marcel de auto naar de garage bracht voor een controletechniek. De automonteur weigerde hem in het Spaans te helpen. Ik vond dat waanzinnig. Iedereen vond dat waanzinnig.
Halverwege een etentje in diezelfde periode kreeg ik de familiestamboom van een vriendin van Marcel onder mijn neus geduwd. Catalaanser krijg je het niet. Catalaanser dan Olot krijg je het niet. Het dialect is zo zwaar dat ik het met mijn beperkte voelsprieten kan onderscheiden van het Catalaans in Barcelona, waar overigens op wordt neergekeken.

Hier in huis verschillen de meningen. Marcel vind elke landsgrens een grens te veel en ziet vooral de hype die zich heeft ontplooid; hoe iedereen zich laat meeslepen door een problematiek die hen een paar jaar geleden koud liet en hoe de rechtse elite triomfantelijk aan roer staat (maar dit alles genuanceerder). Zijn vader heeft het over identiteit en vooral over Franco, onder wie zijn jeugd zich afspeelde. Ik vroeg hem laatst wanneer hij was begonnen met Yoga (hij is Yogaleraar) en toen zei hij: Na Franco.
De woorden die ik van de televisie oppik, zijn vooral ‘independència’, ‘democràcia’ en ‘Franco’.

Ik vind het best spannend. Soms hangt er een aparte sfeer in de lucht. Laatst zagen we het leger in het natuurgebied Sadernes, dat bekend staat vanwege de sluiproute naar Frankrijk. Mannen in schutkleuren met mitrailleurs. ‘Als ze niet zo belachelijk hadden gereageerd’, zei een vriendin van Marcel, ‘dan zou ik nooit ‘ja’ stemmen. Veel van ons, trouwens.’

Alles draait om morgen. Marcel’s moeder staat normaal gesproken rond achten op, maar verscheen vanmorgen om zeven uur in de keuken. Dat was om vast wat in te komen, want morgen zal ze om zes uur op moeten. Een uur later voegt heel stemmend Olot zich namelijk bij diegene die vannacht al voor het stembureau slapen.
Wat gaat er gebeuren? Denken ze dat er iets zal veranderen?
Ik vraag me af of ik mijn camera mee kan nemen, want hier in Olot zal het hoogstens interessant zijn. 1 Oktober in Barcelona lijkt me misschien niet de dag om eens lekker te gaan fotograferen, of juist wel, maar dat laat ik dan maar aan anderen over. Ze roepen constant op om ‘passief’ te blijven.  Ik weet niet hoe passief een menigte ter grootte van een boos Catalunya blijft.

Sì. Ga je echt nee stemmen? – vraag ik Marcel. Een langdurig verblijf in Olot geeft de indruk dat men unaniem voor afhankelijkheid is. Maar misschien zijn ze unaniem voor stemmen. Misschien pik ik erg weinig op vanwege de taalbarrière; mijn graatmeter is negentig procent visueel. Het merendeel van de huizen heeft geen vlag, ik weet niet wat zich in die kale huizen schuilhoudt. Team ‘no’ heeft in elk geval geen spandoeken laten produceren.

Morgen dus. Een historische dag, zegt de vader van Marcel. We zullen het meemaken.

Een evenement in Olot

‘Vanavond is er een evenement in Olot’, zegt de vader van Marcel. Ik weet niet of er absurd veel evenementen in deze stad plaatsvinden of ik zelf nooit alert ben geweest op de evenementen in mijn voormalige woonplaatsen. Buurtfeesten, concerten, initiatieven, traditionele optochten, er komt geen einde aan. Ik denk dat het hieraan ligt: Olot is groot genoeg voor de organisatie van een hoog aantal evenementen, maar klein genoeg om daarvan ook steevast op de hoogte te zijn. Via de buren. Of de dame achter de kassa van de supermarkt.

Nu is er dus weer een evenement in Olot en word ik zo rond zeven op een fiets gezet. We dalen af naar de andere kant van de stad en zetten onze fietsen langs de rand van een betonnen plein, waar zo’n twintig mensen in kleine groepjes met elkaar in gesprek zijn. Tussen hen door loopt een oud mannetje in een zwart satijnen broek, op gevlochten leren sandalen met zijn grijze haar in stekeltjes op zijn magere hoofd. Hij wordt aan me voorgesteld als de Tai Chi leraar én nog Frans ook, waardoor ik dit keer mee kan praten.

Het plein ligt tussen flats en een drukke weg in. De betonnen tegels zijn roze geverfd. In het kader van het buurtfeest worden een vijftal kermisattracties uitgepakt en voorbereid. Tussen ons, de draaimolen en de springkussens door rennen diepdonkere kinderen. Soms houden ze even stand bij onze cirkel en volgen ze de bewegingen van de Tai Chi leraar, of zitten ze op een rij op een betonnen muur naast ons. Van een afstand kijken hun papa’s en mama’s mee. Ik laat me afleiden door een groep vrouwen in kleurrijke stoffen, hoofddoeken met patronen, lachend op bankjes en bedenk me dan dat ik me moet concentreren op mijn diepe ademhalingen.

Na een les Tai Chi stappen we op de fiets. Dit is de Olot variant van Critical Mass, lees ik op een shirt van een organisator. Achterop zijn fiets zit een stereo-installatie geboden. Ik fietst in een lange sliert door het centrum van Olot met afwisselend oubollige, Catalaanse liederen en overtuigende housemuziek. Op elk plein circuleren we en worden glimlachend aankijken. Ik kan ook niet stoppen met glimlachen, omdat de gemiddelde leeftijd van onze fietsgroep boven de vijftig lijkt te liggen en Marcels vader, met zijn elektrische fiets, op een tevreden, gepensioneerde rebel lijkt. De weg terug naar huis gaat recht omhoog en is geschapen voor die elektrische fiets, waardoor Marcel en ik bezweet aankomen als Marcels vader zijn fiets al veilig heeft opgeborgen.

Vanaf nu ben ik erbij. Nee, geen zucht als Marcel weer een evenement aankondigt waar ik uit fatsoen, vanwege de vergaande vriendelijkheid van zijn ouders, geen nee op kan zeggen. Ik dans mee in de cirkel van oudjes, tijdens het buurtfeest of feest van lichtjes of hét feest van Olot en ik geniet. Zo simpel is het.

Onder de bloementjes op weg naar het Paradijs

Snel spring ik de douche in voor we op pad gaan. In de keuken staat een tas met groenten en koekjes. Marcel zet op de valreep nog wat nieuwe muziek op een stikkie terwijl ik de instrumenten inlaad. En de klimspullen. En boeken en schriften en specifiek Le Code de la Route, want sinds ik voor het theorie-examen sta ingeschreven is er geen ontsnappen meer aan.

Helemaal schoon zit ik daarna in de bus op weg naar Siurana.
SIURANA!
Terug naar het paradijs. Na twee jaar. Waar ik een entree maak in kleren die naar bloemetjes ruiken en haren die in sluike, vetvrije plukken langs mijn schouders vallen.
Wat heb ik hier grenzeloos veel zin in.

De fabelachtige achtertuin

De natuur is fabelachtig. Ik zit al een tijdje in Spanje, in het witte wijkje op de vulkaan nabij Olot. Hier schreef ik over de helderblauwe riviertjes en oranje rotsen terwijl Marcel nog een relatief vreemd projectiel binnen mijn leven was. Toen waren de zonsondergangen nog exotisch, net als zijn ouders en de huizen waarin zijn vrienden wonen. Inmiddels verbaas ik me niet meer om een kip meer of minder. Een doordeweeks diner om elf uur ’s avonds. De klanken van het Catelaans, waar ik overigens nog steeds geen enkele grip op heb, tot mijn schaamte.
Waar ik me echter wel om verbaas is Sadernes, het gebied waar we bijna dagelijks heenrijden om ons sterk te maken voor de klimexamens. Het decor kan ik dromen, of misschien droom ik wel als over de paden loop. Dit is de natuur die ik alleen van Spanje ken en die zoveel verschilt van Nederland en de bergen. En dan bedoel ik niet eens de kunstlijn of de Pyreneeën, die heel mooi kunnen zijn, héél mooi, ik heb het gezien. Maar ik denk toch meer aan Siurana, waar ik ruim twee jaar geleden een maand lang als typische klimbum in de bossen leefde, en Sadernes. De kleuren, de weggetjes en de wanden, hoe het voelt om in dat helderblauwe water te zwemmen. Probeer het klimniveau maar eens heel belangrijk te vinden: Dat lukt je hier niet, want het is veel leuker om zo intens te voelen dat je in leven bent. Het maakt niet uit wat de reden van je komst is, of je als een bezetene aan de rots wil sleuren of door de canyon wilt afdalen, een wandeling of een jointje op de witte rots bij de waterval, hier verander je. Hier wordt je beter.
Ik realiseer me dat je een aantal dingen niet persé uitkiest, wanneer je een relatie aangaat. Je schoonouders, zijn vriendengroep, daar moet je geluk mee hebben. Ik heb daar geluk mee. Maar wat ik echt niet voor mogelijk had gehouden, was de achtertuin die bij deze jongen inbegrepen zit. Elke keer als hij me er doorheen loodst, verbaas ik me, en elke keer als ik terug thuis kom in zo’n wit huisje op de vulkaan, dan wil ik terug.

De cirkel van liederen

‘Zo spiritueel als een spruitje’, schiet het door me heen zodra ik hoor van het evenement waarvoor Marcel via Facebook is uitgenodigd.
‘Gaan we nog naar dat voodooritueel aan zee?’, vraag ik hem in de loop van de middag. ‘Ja.’
‘Hoever is de zee van hier?’ ‘Afhankelijk van met welke auto je gaat, een klein uurtje.’
‘Weet je zeker dat het vanavond is?’ ‘Duna zegt van wel, ja.’
‘Moeten we ons voorbereiden?’ ‘Nee.’
‘Verwachten je ouders ons thuis?’ ‘Ik heb hen niet gezegd dat we op weg zijn.’
‘Is dit niet vaker?’ ‘Niet dat ik weet.’
‘Dus we gaan?’ ‘Ja we gaan.’

Er zijn geen redenen om niet te gaan. Ik had kunnen vragen of ze wel zaten te wachten op ‘het vriendinnetje van’ dat zo spiritueel is als een spruitje, maar ik kende het antwoord al. Tuurlijk. Iedereen is welkom. Wie weet heeft dat vriendinnetje er wel gevoel voor.

Het was niet specifiek een voodooritueel dat we bij zouden wonen, maar wel iets zweverigs. Een vriendin van Marcel (Duna) is drie jaar geleden naar Mexico verhuisd vanwege de spirituele diepgang die je er schijnbaar kunt vinden en haar relatie met een (net zo spirituele) Mexicaan (David). Het tweetal is voor een paar weken terug in Spanje en Marcel wil ze natuurlijk graag zien. En ja, hij is ook nieuwsgierig naar de wijsheid die ze meebrengen.

Zodoende beland ik op een kleedje in een cirkel van zo’n twintig mensen in het zand, op twee meter afstand van de Middellandse zee en op dertig meter afstand van een groep juichende, halfnaakte mannen die toevallig net het water inrennen. Terwijl de groep geleidelijk uit het zicht zwemt, geven Duna en David uitleg over het ritueel dat zich in de cirkel zal afspelen. De grote lijnen vertaald Marcel voor me.
Ik sta niet te springen, geteisterd door de spruitjesgedachte, vooral door de aanwezigheid van het zinnetje zelf.
In het midden van zo’n twintig mensen liggen trommels, appels, vijgen, een gitaar, een viool, een blokfluit, brood, armbandjes, bloemblaadjes en een soort houten beker waarin een klein vuurtje wordt aangewakkerd. Een doekje met een pluk tabak wordt doorgegeven. We moeten er een plukje vanaf plukken en het vervolgens met een ‘intentie’ in het kleine vuurtje leggen. Dan komen deze avond alle intenties samen en weer terug bij ieder individu.
Goed.
Die intentie kan ik niet bedenken en ik weet ook niet met wel gepast gezicht ik de tabak in het vuurtje moet gooien. Ik weet eveneens niet in welke houding ik moet zitten. ‘Relax’, fluistert Marcel. Duna zet een lied in onder begeleiding van een trommel en anderen beginnen mee te zingen, of haasten zich naar het midden van de cirkel en pakken een instrument. Ik ken het lied niet. Ik ga al die liedjes niet kennen. Hoelang gaat dit duren?

Zo spiritueel als een spruitje. Als de geesten zich bij ons voegen, dan gaan ze sowieso doorkrijgen dat ik de boel aan het beduvelen ben. Geesten kun je niet om de tuin leiden. En als er geen geesten zijn, dan voelen Duna en David ongetwijfeld dat mijn gedachten niet op de juiste plek zitten.

Het lied wordt doorgegeven en gaat uiteindelijk de hele cirkel rond. Ik pas met een verlegen glimlach, niet de enige overigens. Maar terwijl ik per lied hoop dat het de laatste is, gaan alle anderen zich meer op hun gemak voelen. Het gezang zwelt aan. Er wordt gelachen, zacht gesproken tussendoor, anekdotes verteld en suggesties gedaan. Sommige liedjes zijn mooi. Sommige niet, gezongen door mensen die de juiste noten niet vinden, maar met een overgave die in deze context geen medelijden opwekt (denk ik dan) maar juist respect (neem ik aan).

Ik hoor hier gewoon niet bij.
Ik draag de juiste kleren niet. Ik ken die fucking liedjes niet. Ik heb niet gereisd. Mijn ouders zijn niet spiritueel. Spruitjes. De boze geest zit in mijn hoofd.

Ik hoop ter plekke dat de blog die ik hierover zal schrijven, afgesloten kan worden met een ‘uiteindelijk voelde ik me toch verbonden, misschien niet vanwege de spirituele invloed maar om het samen zingen met mensen, dat voel je wel’.
Ik voel ongemak tot het avondeten, tot bedtijd, tot de volgende morgen. Wat is je probleem toch? – denk ik de hele tijd. Waarom kun je niet gewoon ervaren? Toekijken?
Dit is geen yoga in H&M-legging in het Vondelpak, misschien is dat de conclusie. Dit is hardcore spiritualiteit. Marcel heeft me laten wennen aan zijn eigen gedachtegoed, maar participeren met zijn geestverwanten gaat momenteel te ver. Ik zie de groei van mijn eigen spiritualiteit niet als uitgangspunt, maar ik zou op zijn minst ontvankelijk willen zijn. Het lijkt alsof ik bij voorbaat al in mezelf teleurgesteld raak. Alsof mijn fysieke en culturele tegenstelling met deze fragile, kleurrijke jongens en meisjes het onmogelijk maakt om geloofwaardig geïnteresseerd te zijn. Een Hollandse Koe heeft geen intenties die ze met tabak in een vuurtje kan leggen. Zij heeft melk, en van melk maak je kaas.

Aanstaande woensdag is er weer een cirkel van liederen. Alhoewel ik er tegenop kijk, wil ik op zijn minst proberen om geïnspireerd te raken. Of nee, niet eens, dat is precies waar het verkeerd gaat.
Ik wil daar zitten en niet aan spruitjes denken. Dat is alles.