Latest Posts

De kinderen van Nepal

_DSC8988

Ik heb in Nepal bijna evenveel baby’s als jonge vrouwen gezien. Baby’s maken deel uit van het straatbeeld. Van de samenleving. Je ziet ze en ze zien jou, omdat ze vastgeplakt aan hun moeder gaan waar zij gaat en zien wat zij ziet. Ze kijken niet naar het dak van een kinderwagen maar rechtstreeks de wereld in.

Hun oudere broertjes en zusjes zijn eveneens in grote getalen aanwezig. Waarom? Misschien zijn er meer kinderen in Nepal dan in, laat ik zeggen, Nederland. Misschien vindt een groot deel van het Nepalese leven buitenshuis plaats, op straat, waar de temperatuur aangenaam is. Misschien concentreren Nepalese ouders hun kinderen niet in een crèche.

Het lijkt echter alsof ze alle vervelende, luide, lelijke kinderen in achterkamers verstoppen, ver buiten het oog van toeristen. Want diegene die we wel zien, zijn onwaarachtig schattig, rustig en op hun plek. Natuurlijk is het makkelijk om – als Hollander met een kinderwens –  de exotische koppies met die prachtige bruine ogen en zwarte piekharen te adoreren, maar geloof me, ze hebben bijna iets spiritueels.

Omdat ik gedurende mijn reis versuft gevangen zat in de rol van toerist, heb ik geen idee hoe moeders en vaders achter de schermen met hun kinderen omgaan. Maar dit is wat ik wel gezien heb: De kleintjes zitten in de doek, op schoot, kruipen rond of worden doorgegeven. Diegene die lopen, lopen los. Vrij. Ik heb ze wel zien huilen, maar geen grote mond zien opzetten. Ik heb ze zien vallen en zien opstaan, zonder te kijken of er een mammie was die hen kon troosten. En weet je wat? Kinderen lopen niet zomaar onder een bus. Ze vinden hun weg terug naar huis. Ze kunnen zichzelf en elkaar prima vermaken.

_DSC9068

Ik ben geen moeder en durf mijn bek niet open te trekken over de juiste wijze van opvoeden tot ik zelf met zo’n monster moet dealen. Noch ben ik Nepalexpert (vergeef me als de jeugd van Nepal bewezen en integraal diepongelukkig is). Maar ik heb het vermoeden dat ze in Nepal iets beter begrijpen hoe je een nieuw zieltje aan de wereld voorstelt. Ze worden niet aanbeden van boven hun koninklijke, smetteloze bed op wielen, dat overigens volslagen nutteloos zou zijn gegeven de slechte wegen. Ze zijn meer… zichzelf. Van zichzelf. Op avontuur. Mee op reis met hun papa’s en mama’s – zegt Marcel altijd.

Goed, de samenleving is er ongetwijfeld op ingericht. Een Westerse advocate kan moeilijk met haar kind op de rug een pleidooi in de rechtbank houden of de baby even aan haar zus geven. Een vierjarige kan niet alleen op tocht gaan door Amsterdam, want de buurtbewoners draaien hun leven achter gesloten deuren, waar ze moeilijk kunnen zien welk wondertje de straat oversteekt. Die zou er daadwerlijk alleen voor staan.

En eerlijk gezegd waren het voornamelijk vrouwenhanden die de kinderen doorgaven. Vrouwenogen die ze in de gaten hielden. Moeders, die misschien een heel ander leven in gedachten hadden.

Maar die kinderen hadden iets bijzonders. Hun aanwezigheid op aarde leek al duizend jaar in de planning te liggen, en de ouders leken daar op de een of andere manier naar te handelen. Mijn beeld is ongetwijfeld vertekend, maar mocht ik zelf zo gelukkig zijn om op een dag een prijskonijn op te voeden, dan houd ik de mama’s van Nepal in gedachten.

_DSC9416

_DSC9047

_DSC9073

De Wilde Waterval

Mijn vriendje en ik waren toevallig in de buurt bij de Himalaya en daarom op zoek naar een berg om te beklimmen. Onze klimspullen lagen in het hotel in Pokhara, Marcel liep de trekkingagency’s plat om informatie in te winnen en ik bestudeerde de cocktailkaart van mijn favoriete bar in Lakeside. Ondanks de nabijheid van de Annapurna Conservational Area was het praktisch onmogelijk om vorm te geven aan een mooi alpine plan. In Nepal zijn de bergen heilig, duur en moeilijk te bereiken. Nog voor de hoogte een probleem is, worden de pieken financieel ontoegankelijk voor diegene met een bescheiden spaarrekening. Wij hadden geen geld voor permits, porters en gidsen. Maar Marcel was vastberaden en vond na ruim een week zowel een gratis berg als een Nepalees die zijn plan kon bevestigen.

_DSC0001

So, this one, can we climb this one for free? Without problems?’ Marcel wees naar een plek op het glazen blad van het bureau waaronder de kaart van de Annapurna’s lag uitgestreken en keek hoopvol naar de enige Nepalees die onze intentie – niet betalen – leek te begrijpen. De trekkingsagent boog zich voorover en volgde de vinger van mijn vriendje. ‘Ok. Yes. You can… So listen, when you’re there…’ Hij keek glimlachend op. ‘When you’re there, don’t point to any of the big mountains. Don’t talk about them. Then you can climb your mountain.’

Zolang we de indruk wekten dat we vooral niet op pad waren naar de grote bergen, konden we onze gang gaan. Dit reliëf had noch de interesse van de Goden, noch die van de mens, en lag aan het einde van de Annapurna Sanctuary trek: Een trekking naar het Annapurna Base Camp die toegankelijk was voor iedereen met een beetje wilskracht en een goed paar schoenen. We hadden eindelijk onze berg. Onze stip op de kaart. 5714 meter hoog.

Het plan leek ideaal, maar het ontbrak ons aan tijd om het uit te voeren. Onze vlucht vertrok in tien dagen uit Kathmandu en de trekking kostte de snelle toerist op zijn minst een week. Exclusief reisdagen hadden we drie dagen voor de heenweg, drie voor de terugweg, en twee voor de beklimming. En vooralsnog lagen we met een kokosnoot in een rieten stoel aan het meer van Pokhara, turend naar houten bootjes.

_DSC9780

Doen we het wel of doen we het niet? We overlegden. Marcel werd getrokken door de romantiek van het onbeklommen terrein, de rol van de ontdekkingsreiziger, de eer van het veroveren. Ik had een zwak voor avonturen met een tikkeltje absurde karakters. Maar wilden we onszelf dit aandoen? Het alternatief van een yoga- en meditatiecursus spookte al een tijdje door mijn hoofd.

Heenweg

Waanzin! – realiseerde ik me de volgende dag. Waanzin, waanzin, waanzin! We waren nog geen uur geleden uit de bus gegooid, maar het gewicht van de tas was ons al teveel. Stijgijzers, ijsboren, ijsbijlen, tent, slaapzak, kleding, onzin, teveel, het was te veel. Het pad liep steil omhoog en kwam ons niet tegemoet door te zigzaggen. Hoge treden volgden elkaar op met een genadeloze herhaling. Nadat we onverwacht een hoogtepunt hadden bereikt, gingen we net zo steil weer naar beneden.
Ik had nauwelijks oog voor de dorpen, bomen of Nepalezen onderweg. Al mijn energie verkwistte ik aan het hooghouden van het moreel. Ik zou dit hele avontuur blind ondergaan, geobsedeerd door mijn eigen lijden. Had het dan wil zin? Had het überhaupt zin om een onbekende berg te klimmen?

_DSC9936

Rond vijven werd het donker, maar het krappe tijdsschema dwong ons om door te lopen. Met koplampen joegen we onszelf voort door de jungle van de Himalaya. Pas toen we beiden het gewicht niet meer konden verdragen, streken we neer naast het pad. We zette de tent op en zuchtte van verlichting bij het ontspannen van onze spieren.

De volgende dag hoopte ik sterker te zijn, maar de kracht van het frisse gemoed hield maar een halfuur aan. ‘Kom op, Ruby’, dacht ik, toen al. Het pad liep weer even hard omhoog en de hitte voegde zich bij het middaguur. We ontmoetten toeristen uit alle streken van de wereld, zwerfhonden, vrouwen in Sari’s, waterbuffels, boeren. Meestal liepen we gelijk op met de porters, die rieten manden droegen met daarin het drievoud van onze eigen last. We leerden van hen dat korte pauzes wonderbaarlijk goed hielpen en gooiden vaak de tassen af.
Maar het was zwaar. Het was te zwaar. Het deed gewoonweg pijn. We verplaatsen het gewicht door onze vingers tussen de schouderbanden te steken, of de borstbanden aan te trekken, of de tas vanachter beet te pakken, maar alle spieren waren al aangedaan. Er viel nergens meer verlichting te behalen.

_DSC9944

I need to stop, now’, zei Marcel in Chomrong, het laatste dorp voordat de vallei nauwer en wilder werd. Hij zag het pad weer de diepte in duiken en daarna een zoveelste berg beklimmen. Het aanzicht was de druppel. We lieten ons in de stoelen van een willekeurig terras vallen, sprakeloos, hongerig, en bestelden Dhal Bat en cola.

Het was gewoon niet mogelijk. We bespraken andere opties, zoals de Tent Peak, een reeds beklommen, lagere berg die nauwelijks materiaal vroeg, of misschien alleen de trekking naar het Basecamp, of zelfs een retour naar Pokhara. Maar nadat Marcel zijn rijst, curry en linzen ophad, herrees hij uit zijn plastic stoel en betoogde om nog eventjes door te lopen. Gewoon, om te kijken hoe ver we konden komen. En, zei hij, het lijden zouden we later vergeten, want zo werkte de herinnering. Ik zwichtte en hees de tas weer op mijn rug.

De yoga- en meditatiecursus in Pokhara trok zich weer terug uit de mogelijkheden.

Dag drie werden we wakker met uitzicht op de Machhapuchchhre, een beroemde berg in de vorm van een vissenstaart, hartstikke heilig en verboden. Het pad zakte tot aan de rivier en klom toen, eindelijk, gestaag mee met de oever. We passeerden dorpen als ‘Bamboo’ of ‘Himalaya’, met kleurrijke logementen en assortimenten met Snickers en wc-papier. Hot shower, 24-hour wifi, stond steevast geschreven op de uithangborden. Het ontbijt sloegen we over, maar s’ middags aten we Dal Bhat, Pizza en twee keer Spaghetti met kaas.

_DSC9954

Ik vervloekte nog steeds het gewicht op mijn rug en zag mezelf regelmatig als een gevangene van mijn eigen, ridicule onderneming. En toch werd ik sterker. Fysiek zeker niet, maar ik begon beter te worden in het afwijzen van de gedachtes die doordrenkt waren met zelfmedelijden. Geduld! – vermaande ik mezelf keer op keer. De pijn van het gewicht was tijdelijk. Ik spoorde mijn fantasie aan en slaagde er nu en dan in om de stroom van negatieve impulsen te overspoelen met gedachten aan Chamonix, het interieur van mijn restaurant of de start van een zangcarrière.

Marcel kwam op het idee om zijn gordel aan te trekken en daaraan het klimmateriaal en zijn stijgijzers te hangen, zodat het gewicht deels van zijn schouders naar zijn heupen verplaatst werd. ‘Which mountain?’ – vroegen ze ons onderweg keer op keer. ‘We don’t know yet!’

Welke naam zouden we onze berg geven, mochten we de trekking overleven en de top bereiken?

_DSC9969

Ondertussen doemden de Annapurna’s met veel drama op in de verte en herinnerden ons, enigszins verongelijkt, aan de diepe schoonheid van het pad dat we zo gebogen afliepen. Het werd koud. De bomen bleven achter in de vallei. Dikke wolken achtervolgden ons en dreigden ons in te halen. We naderden het Basecamp, de voet van de reuzen, en bevonden ons inmiddels op 3700 meter.

Tot mijn verbazing bereikten we het einde van de trekking precies op schema. Nog voor het vallen van de avond van de derde dag, zetten we onze tent op naast een van de gasthuizen in het kamp. Omdat het vroor in het restaurant, at ik chowmein vanuit mijn slaapzak. We vroegen om een extra deken die Marcel in zijn slaap over zich heen bleef trekken, zodat ik telkens gewekt werd door de rillingen over mijn rug. Maar we waren er. Nu kon het leuke gedeelte beginnen.

_DSC0014

Beklimming

Of toch niet. De wolken in de vroege ochtend voorspelden slecht weer. Marcel verdween terwijl ik kopjes chocolademelk uit een thermos in bleef schenken. Hij kwam terug met de boodschap dat onze berg achter een diepe kloof verscholen lag. We zouden de tijd niet hebben. We zouden de berg niet beklimmen. Nu was het echt voorbij.

_DSC0024

Ik was niet teleurgesteld. De onbekende berg had mijn hart nooit gestolen. Maar als we hier toch waren, wilde ik graag de Tent Peak op, die er niet waanzinnig spannend uit zag maar ons wel van een soort climax kon voorzien. En een uitzicht.

We herpakten onze tassen en lieten veel gewicht bij het gasthuis achter. Vrolijk van onze vederlichte uitrusting begonnen we aan onze trek richting het eerste basiskamp van de Tent Peak. De zon scheen. We namen de omgeving in ons op alsof we er zojuist in achtergelaten waren, zonder de herinnering aan de trekking of gedachten aan de terugweg. Annapurna I blokkeerde ons uitzicht met een griezelige, duizenden metershoge wand van steen en ijs. Links en rechts schoten andere joekels uit de grond. Ik begreep wel dat er wat heiligen tussen zaten. En ik begreep niet hoe Ueli Steck eens die zuidwand over was gestoken.

De vallei oogde weidt en legendarisch, een feilloos decor voor de alpine held op weg naar zijn angstaanjagende buit of de neuriënde Nepali, slechts aanwezig, nonchalant vergezeld door zijn grenzeloze kracht.

Het was een eer om daar te mogen lopen.

_DSC0051

Tegenover ons, tussen de bergen, die geel aan de voet waren vanwege het hoge gras en wit in het midden vanwege de sneeuw, liep een lange, helderblauwe bevroren waterval.

Wacht even.

Een waterval. Ijs. Ik zag Marcel kijken en wist dat de plannen gewijzigd waren.

We renden terug naar het gasthuis en haalden op wat we plotseling weer nodig hadden: Ijsboren, ijsbijlen, de andere helft van het dubbeltouw. Vluchtig zetten we de tent op, alsof het ijs zou smelten of de waterval toch een illusie zou blijken. Marcel liep vervolgens naar de waterval, waarvan het begin zich verschool in een donkere kloof die zelf inmiddels verborgen lag in een dikke, koude mist. Ik zette voorzichtig een stap op het ijs en gleed meteen uit, voorover, baam, plat. Op stijgijzers voegde ik me bij mijn vriendje, die bezorgd staarde naar de eerste lengte van ons avontuur. Een waterval. Rechts in de kloof liep een dunne reep ijs, maar pal voor ons viel het water, dwars door de vrieskou, in grote hoeveelheden naar beneden. We draaiden een boor in het ijs.  Halverwege raakten we de rots. We twijfelden. Zou het ding kunnen instorten? Bevroren watervallen die reeds omschreven stonden in boekjes, beroofd van hun willekeurigheid en in dienst gesteld van de klimmer, gaven in elk geval de illusie van stabiliteit. Dit was een ongetemde waterval. Een wilde waterval. Misschien moesten we eerst een ritueel uitvoeren om de geest van het kristal gunstig te stemmen. Maar het was inmiddels koud geworden en ik kon niet creatief meer nadenken. De wind joeg ons uit de kloof terug de tent in, waar we de bodem van onze slaapzakken vonden en opgerold op het donker wachtten.

_DSC0062

Die nacht sliepen we niet. Het was te koud. Ik fantaseerde over de strijd tussen onze lichamen en de grond, de grond die ongehinderd opliep tot 8000 meter hoogte, die de Annapurna’s bedekte met gletsjers, hoe die grond zou lachen om de poging van een Catalaanse jongen en een Nederlands meisje om haar kou tegen te houden met de zwakke, verwaarloosbare vuurtjes binnen hun mensenlichamen.

Om negen uur ’s ochtends schoot de zon ons te hulp en vielen we beiden in slaap. Tegen elven schudde Marcel me wakker en vroeg om een tweede poging. Wat? We kropen uit de slaapzakken, schoten terug in onze uitrusting en maakte onze weg naar de waterval. ‘Ik probeer het links’, zei hij. Er was nauwelijks ijs links, maar misschien vond hij een weg over de rotsen. Ik sloeg zijn poging gade, hoorde het geschraap van zijn stijgijzers, zag hem hulpeloze zekeringen leggen, bad dat hij niet weggleed en concludeerde verbaasd dat hij inmiddels vijf meter hoger stond. Hij had het helderblauwe ijs bereikt. Even later manoeuvreerde ik me zelf over de rotsen en arriveerde ook in het ijs. Dik, solide, fantastisch, prachtig, eindeloos, gezegend ijs. We klommen om de beurt een lengte, soms praktisch vlak, soms serieus, en kropen langzaam tegen de waterval op. De Himalaya keek zwijgend toe.

Dit was het zó, verschrikkelijk waard geweest.

_DSC0054

De wolken schoven weer voor de zon en de wind woei door de kloof, waar wij inmiddels zeiknat aan de laatste lengte waren begonnen. Plotseling hadden we haast. Álles was nat; de touwen, handschoenen, onze broeken, slings. We moesten ons een weg uit de kloof banen voordat we het wederom grandioos zouden verliezen van de kou. Het gevoel in mijn vingers en tenen was al weg. We begonnen met abseilen en vonden halverwege een escape naar het besneeuwde, gele gras. Met de ijsbijlen in de bevroren grond baanden we ons een weg over de flank naar beneden, kleine, voorzichtige stapjes om het niet nu, op het laatste moment, nog te verpesten.

En dat was het dan. We bereikten de tent, doorweekt en moe, maar uit één stuk, en beduusd vanwege de beklimming.

We hadden beiden slechts één wens: Afdalen naar een fatsoenlijke temperatuur.

Terugweg

De tassen waren zo mogelijk nog zwaarder vanwege het water in onze spullen en ik had een hekel aan het lopen in het donker, omdat mijn koplamp niet fel genoeg was om op tijd te anticiperen en ik bang was voor de dieren van de Himalaya; alsof die koest bleven wanneer Nepali het pad overzagen, maar toeristen aanvielen wanneer hun menselijke landgenoten sliepen.

_DSC9990

Ik moest denken aan een ingelijste quote die ik op een wc in een hipstercafé in Pokhara had gelezen: ‘…Make your life an aesthetic experience. And not much is needed to make it an aesthetic experience; just an aesthetic conscience is needed, a sensitive soul. Become more sensitive, more sensuous, and you will become more spiritual.’ Nepal was er tot dan toe niet in geslaagd om mijn spirituele kant te voeden, maar deze trekking dwong me ertoe om een mate van esthetisch bewustzijn aan te nemen. Het afzien moest ergens nodig voor zijn, en niet voor iets in het verleden of de toekomst, maar NU, op het moment van afzien zelf. Ik had de esthetische ervaring nodig om het vol te houden. En ik moet zeggen dat het hielp, die quote. Het pad werd er mooier van, en de sterren zichtbaar, en Marcel, mijn liefde, was mijn held in de nacht.

_DSC9992

Na het beklimmen van de waterval hadden we als gekken de afdaling ingezet, gedreven door het idee van een nachtrust zonder rillingen. Die avond liepen we door tot diep in de jungle, waar het groen van tropische planten toegang gaf tot een lange, diepe slaap. De dagen die volgden verschilden nauwelijks van de andere trekkingsdagen, behalve dat Marcel een warmwaterbron vond en zich zielsgelukkig onderdompelde in het warme water. Afzien bleef het thema van ons avontuur. Het pad ging weer onverantwoord steil omhoog en daarna doodleuk naar beneden. Onze knieën konden geen weerstand meer bieden aan de treitering van de hoge treden en huilden. De laatste nacht trakteerden we onszelf op een verblijf in een gasthuis, enigszins gedwongen door het slechte weer dat zich eindelijk aandiende. Een groep Japanse toeristen voorzag ons onbedoeld van entertainment door te veel te drinken en ongepast gedrag te vertonen. De mantra’s van hun porters wekten ons om vijf uur in de morgen, dwars door de zwakke muren van het geïmproviseerde gebouw. We aten pap en kokoskoekjes en begonnen rustig aan de laatste, steile meters naar de bushalte.

_DSC9892

Hoe noemen we hem? – vroeg ik Marcel. We wachtten op een omelet met kaas of de bus, hetgeen het eerste zou komen. Onze tassen stonden te drogen in het zonnetje. Hij haalde zijn schouders op. Ik kon zelf evenmin een toepasselijke naam bedenken en gaf de waterval in gedachten terug de natuur, onbepaald en wild, zoals we haar aantroffen.

Marcel het inderdaad gelijk gehad, bedacht ik me een paar dagen later. Ik had inmiddels een keuze gemaakt uit de cocktaillijst en zat met een Piña Colada aan de rand van het meer, te filosoferen over het vreemde karakter van de herinnering. Die ging namelijk totaal voorbij aan al het afzien gedurende de gehele trekking. Alsof de tas eigenlijk niet zwaar was geweest. En de treden niet hoog. En de hitte niet heet en de kou niet koud. De herinnering had van de trekking een parel gemaakt, een magisch feest, een grote, waterdichte bubbel aan esthetisch bewustzijn.

_DSC9789

Alhoewel ik mezelf tijdens de trekking zo’n honderd keer had voorgenomen nooit, nooit, nooit meer zoiets te ondernemen, zou ik beter georganiseerd, met een stel porters, behoed tegen de kou (zelfs die van de grond), en zonder haast, best een tweede bezoek willen brengen aan die monsters van de Himalaya. Zodat ik minder afhankelijk ben van de herinnering om hun schoonheid te waarderen en ter plekke receptief kan zijn voor de waanzin van hun gestalte. Zodat ik daar ook, ter plekke, dankbaar voor kan zijn.

Maar goed, ik heb veel geleerd over mezelf. Marcel en ik hebben een wilde waterval gepionierd, dat is ook wat waard. Mijn liefde voor hem is weer eens exponentieel gestegen. De verleiding van avonturen met een tikkeltje absurde karakters laat zich altijd naderhand uitleggen en als ik weer een keer toevallig in de buurt ben van de Himalaya, dan vrees ik voor wat komen gaat.

_DSC0088

Een bus naar het centrum

‘You act like a princess’, verweet Marcel me. Onze spullen lagen nog opgeslagen in het hotel waar we met zijn vader verbleven voor ons vertrek naar de onbekende berg. Uitgeput waren we de eerste avond van onze terugkeer neergestreken op het zachte witte bed van een ruime kamer, die zonder sponsering van de pensioenpapa ver boven ons budget zou liggen. Maar vader zelf was inmiddels op yogaretreat en had zijn rupies mee de heuvels ingenomen. Daar gingen we dus, de volgende morgen, op naar een guesthouse in een achterbuurt waar het soort reiziger met dreads en tattoo’s verbleef; diegene die fietsen hadden en wijde broeken droegen die jaren terug in India, Peru of Zuid-Afrika waren gekocht.

Konden we dan ter compensatie eten in het Spaanse tapasrestaurant? Of cake halen bij de German Bakery? Of cappuccino’s drinken bij die gelikte hoektent of cocktails aan het meer, happy hour happy hour? Nee, want chowmein (noodles) kostte 80 cent in het donkere zijstraatje, en momo’s had je al voor vijftig cent vlak buiten Lakeside. Toen liet ik een zucht ontsnappen en werd ik voor prinses uitgemaakt.

In Chamonix kan ik het me niet veroorloven om de prinses te spelen. Daar begint het feest bij dertien euro tachtig voor twee biertjes. In Lakeside kun je daarentegen decadent gedrag vertonen voor een euro of twee. Grijp die kans, dacht mijn consumerend hart.
Maar je komt niet naar Nepal voor de espresso of het softijs, burrito’s of paella, boerenkool of brätwurst.

Na een goede nachtrust tussen de hippies en Nepali van het alternatieve broeinest waarin ons nieuwe onderkomen stond, kon ik de verleiding van het Westerse goed plotseling beter weerstaan. Marcel nam me daarom mee in de bus richting het centrum van Pokhara. Vanwege de spits kwam de bus vast te zitten op het onverharde kruispunt van de kilometre zero. Zijn chauffeur manoeuvreerde zich uit het knooppunt, reed even spook op de driebaansweg en koos toen voor een omleiding door een steeg waar zijn bus te breed voor was. Vervolgens reed hij achteruit terug de snelweg op, blokkeerde verkeer van beide kanten, koos een tweede zijstraat waar hij net aan doorheen paste en zette ons af in het Nepal van de Nepalezen: geen toerist, geen toeristische winkeltjes en vooral geen cappuccino’s.

Hier kwam het vandaan. Dit was het achter de schermen van Pokhara, op nog geen vijf minuten van de filmset zelf. Kachels, lampen, verf, tegels, smartphones, gouden sieraden, golfplaten, manden, stoffen; alles dat we als de bouwstenen van het hedendaagse Nepal hadden leren herkennen, werd hier verkocht of ter plekke, op de stoep, in elkaar gezet. Alles. Dit was de voorraadkast van al die lui die in de hoofdstraat van Lakeside hun prijzen vertienvoudigden.
We snuffelden rond tussen de elektronica, op zoek naar een set zonnepanelen dat Marcel op zijn bus wilde monteren. Ik liet me lokken door een winkel met elke wand vol stoffen, rijen en rijen met prachtige patronen en kleuren, en gaf per ongeluk ruim veertig dollar uit aan een hobby die me niet eigen is (mijn moeder heeft me geleerd hoe ik een naaimachine moet temmen, maar ik nooit echt kleding gemaakt, alhoewel het idee me wel aanstaat). Ondertussen deden de Nepalezen hun ding, kochten en verkochten, ontmoetten elkaar in de buurt van de frituurpan, zaten op hun plastic stoelen voor hun zaak, het gezicht gericht op het drukke verkeer of op de kinderen die losliepen.

Ik voelde me even, voor het eerst, buiten het klassieke rolpatroon van de toerist vallen. Alhoewel we hier als Westerlingen meer afstaken van de Nepali dan in Lakeside, waar iedereen, Nepali of niet, meedraaide in dezelfde machine, werkte ons uitstapje bevrijdend. Alsof we even van het script mochten afwijken. We waren heus niet zo uitzonderlijk in onze dwaling richting het centrum, maar de samenleving was hier in elk geval niet hoofdzakelijk op ons gericht.

Die avond aten we wederom chowmein in het donkere steegje, waar de eigenaar onze naam nog wist en regelmatig bij ons tafeltje bleef treuzelen. Ik ontwierp ondertussen jurken en broekpakken in mijn schrift en fantaseerde over het resultaat, terwijl Marcel ongetwijfeld in gedachten zijn zonnepanelen op het dak van de bus installeerde. Als dessert namen we een masalathee die qua smaak elke cappuccino van Lakeside overtrof. Ik voelde me dankbaar. Dat gekke, gierige vriendje van me had weer eens een wereld voor me geopend.

En toen, de volgende morgen, kneep ik er stiekem tussenuit voor een groot stuk brownie van de German Bakery, dat ik met even groot genoegen naar binnen werkte. De prinses gaat vanaf nu undercover.

 

 

Vliegangst

Als ik door de gate loop, neem ik de gezichten van alle mensen in me op die in het volgende tijdbestek hun leven zullen verliezen. In het vliegtuig word ik even afgeleid doordat we gezamenlijk door een enkel nauw pad geleid worden en we allemaal onze handbagage het liefst boven onze hoofden willen stallen, maar daarna, als ik zit, werp ik een blik door een raampje om te zien welk deel van de vleugel zal afbreken.

Omdat ik niet vaak genoeg vlieg, is elk geluid verdacht. En de absentie van veel geluid is ook verdacht. Elk lampje, aan of uit, is een indicatie van aansnellend noodlot. Ik analyseer het gedrag van mijn reisgenoten en weet zeker dat ze pretenderen rustig te zijn. Het begin van een omroep begint neutraal om af te leiden, the temperature in Barcelona is ladieda, maar daarna zal het zich subtiel ombuigen tot de ware boodschap: We will crash. Please pray.

‘Het is als de bus’, denk ik geforceerd. Gewoon, de bus, die tussen Heemstede en Hoofddorp. De bus maakt ook weleens een bocht. Of rijdt over een hobbel.

Of ik denk ‘dood is dood’. Een dode Ruby kan nergens om rouwen.

Als ik een alpine tocht maak, dan waan ik me pas veilig na de afdaling van de berg, wanneer het grootste risico ligt bij het verstuiken van een enkel. Op een vliegvakantie waan ik me pas veilig als het laatste vliegtuig me afzet bij de arrival van het juiste vliegveld.
Godzijdank hebben ze op lange vluchten een beeldscherm voor elke passagier met Hollywood en Bollywood films. Ik heb Avatar gekeken, en The Holiday, Grease, A Beautifull Mind en een stel films die ik hier niet durf te herhalen. Ondertussen brengen de fabelachtige stewardessen van Quatar Airlines maaltijden en drankjes rond en kan ik me ervan overtuigen dat het noodlot nooit aan de haal zou gaan met zulke perfecte schepsels, het witte satijn van hun blouse of het dieprood van hun lippenstift.

Mijn vliegangst komt deels voort uit mijn ongeloof dat vliegen werkelijk mogelijk is. Het kan niet écht waar zijn dat je in een paar uur tijd op een ander continent afgezet kan worden, en je kan ook geen uitstapjes maken naar het wolkendek, en niemand kan zo snel gaan als een vliegtuig en vliegen zelf is alleen voor vogels en heliumballonnen.

En toen was er een piep. Een piep zo intens en luidt dat het mijn gedachten een moment stopzette. Direct daarna schoot mijn hartslag omhoog. Ik keek verschrikt om me heen en vond de ogen van Marcel. Zo ging dat dus. Dit was het dus. Dus toch. Ik had gelijk, vliegtuigen konden niet vliegen, al mijn medepassagiers kwamen inderdaad te overlijden. Gedachten samengeperst in paniek. De piep bleef aan maar niemand reageerde. De stewardessen bleven het gangpad traversen en passagiers vervolgden hun anekdotes. Wat? Wat ìs dit, een gesprongen kabel in mijn brein? En in dat van Marcel? Pas toen ik de koptelefoon afzette, realiseerde ik waar de piep vandaan kwam. Die kwam voort uit onze elektronica en hield er vervolgens achteloos mee op. Terwijl mijn hart bonkte en het zweet op mijn voorhoofd stond, zakte Marcel weer weg in zijn film. Ik had de rest van de vlucht nodig om te herstellen, nee, ik had de veilige landing nodig om te herstellen.

Ik kom uit een gezin van vliegbangeriken. Maar het is te overzien; ik hoef geen boot te pakken of mijn affectie voor Europa te overdrijven. Ergens is het ook wel amusant. De doodsangst blijkt oppervlakkig genoeg om te vergeten wanneer Jude Law Cameron Diaz kust of een felblauw wezen op een draak langs vliegende bergen vliegt. En elke keer als ik ‘dood is dood’ denk, realiseer ik me eveneens dat ik maar beter een heel leuk leven kan leiden. En als er iets kan helpen bij dat leuke leven, dan zijn het wel de vliegtuigen die – vliegensvlug –  toegang geven tot de rest van de wereld.

Mini-Nepali

Het gekke aan vliegtuigen is dat ze je in een mum van tijd aan de overkant van de wereld afzetten. Ze grijpen je in de kraag in Nepal en laten je achteloos slingeren in Quatar, en dan, opeens, openen ze hun poort naar Barcelona Aeroport.
Ik heb het stof dat door scooters in Kathmandu werd opgeklopt nog in mijn neusharen. Onder mijn schoenen zit het modder van Annapurna en in mijn buik ongetwijfeld momo of lassi, ergens, in onherkenbare vorm. De geur van mijn kleren en haren komt van frituurvet in Thamal, de bruinige waas over mijn hippiebroek van alle banken en trappen waarop ik gezeten heb in de hoofdstraat van de chaos.
Als ik achterin de glimmende auto van de Comamala’s over de spekgladde wegen door het kaarsrechte verkeer rond Barcelona gereden wordt, heb ik het gevoel dat Nepal nog over mijn huid loopt. Alsof minikoeien, kippen en apen en mini-Nepali op scooters en fietsen en te voet allemaal hun drukke wegen banen over mijn armen en benen. Vrouwen in prachtige stoffen die rieten manden verslepen, hun kind ergens weggestopt, mannen die krakende violen aan de man proberen te brengen, dragers met hun 60 mini-kilo zware lasten, jonge jongens met hun speakers en opgeschoren en geverfde haren, meisjes in schooluniform, giechelend, schoolbussen vol prachtige koppen, oma’s en opa’s vastgelopen aan de zijkanten, met hun stok en waterige ogen.
En dan stap ik thuis onder de douche en spoel ik ze allemaal weg. De reis is een voldongen feit. Nepal ligt weer ver weg op de kaart en ik ruik naar biologische, Catalaanse rozen.

_DSC9103

Tijd om naar huis te gaan

Vanavond om half acht vertrekt onze vlucht naar Quatar, waar geluidloze witte treinen door kristallen ruimtes bebaarde sjeiks naar hun vertrekhal vervoeren. Onze wereld staat op het punt te veranderen. Na de lachwekkende controles van medewerkers van vliegveld Kathmandu, die verveeld staren naar een scanner die er volgens mij meer voor de vorm is neergezet, is het afgelopen met Nepal. Dan zijn er slechts nog de foto’s, herinneringen en mijn verweerde opschrijfboekje, dat me zo dierbaar is geworden dat ik erachteraan spring als het uit het vliegtuig waait.

We spenderen onze laatste rupies aan masalathee en nutteloze souverniers. Ik neem mezelf voor om foto’s van Nepalezen te nemen, want na een sessie terugscrollen op de camera ontdek ik dat ik vooral koeien en apen heb vastgelegd, omdat mijn verlegenheid tussen hen en de camera niet opspeelt, terwijl ik de schaamteloze en hardnekkige straatverkopers niet om een foto durf te vragen. Ondertussen heeft internet zijn intrede in onze logementen gemaakt en staan we al met één been thuis. Thuis ja. De laatste bladzijdes van mijn opschrijfboekje zijn gevuld met gedachtes over thuis, dat de afgelopen jaren in een analyseerbaar concept is verandert. Maar teveel energie wil ik er niet aan wijden, zolang het stof van Thamel nog onze longen vult en ik duizend sjaals heb om uit te kiezen. Ze hebben gebedsvlaggetjes en handgemaakt papier met gouden patronen, traditionele maskers, stoffen, zepen van yakmelk, gongs, wierook, vilten olfifantjes en henneptassen en ik heb dat allemaal nodig. Vooral de tijgerbalsem en houten miniviolen. Morgen is de gekte van Kathmandu een verhaal, maar ik kan niet zonder bewijs dat het waargebeurd is het vliegtuig instappen.

_DSC0122

De bootjes op het meer van Pokhara

Terwijl ik nog in Pokhara ben en onze vlucht pas over vier dagen gaat, ben ik al in de fase van het reflecteren beland. Alsof de herinnering te vroeg is ingezet en overlapt met het heden. De Nepalese impulsen onderscheiden zich niet meer van elkaar, ze vallen direct in de grote kist met plakker ‘Nepal’. De camera haalt het buitenlicht niet vandaag. Ik zwerf door de stad en dwaal langs het meer, drink een lassi of een kokosnoot – wat zich als eerste aandient.

Maar misschien, als ik iets minder moe was geweest, dan had ik nog midden in mijn Nepalese verblijf gestaan. Als ik wat minder had moeten overleven afgelopen week, dan had ik de toeters nog gehoord, de frituurlucht nog geroken, de grote bruine ogen van al die kiddo’s gewurmd in een doek op de rug van hun mama nog gezien. Ik ben dood op. Zelfs al sliep ik vannacht tien uur en kijk ik inmiddels een dagdeel loom uit over het water, dan nog ontbreekt de energie om geïnspireerd te raken.

Marcel en ik gooiden het roer om zodra we zijn vader achterlieten bij de Butterfly Inn in Centrum Pokhara voor de beklimming van de onbekende berg. Het eerste halfuur van de Annapurna Sanctuary Trek vormde het gewicht van onze tassen nog een mooie anekdote, maar nadat we het eerste dorp waren gepasseerd, realiseerden we ons wat we onszelf die week zouden aandoen. En we hadden geen tijd. We konden niet rusten. Het pad richting de bergen liep steil omhoog en dan weer steil naar beneden. We gingen door in het donker en zetten onze tent pas op toen we beiden door onze poten zakten. Dag twee maakte ons niet sterker. ‘s Middags was het zo warm dat Marcel het opgaf, alles, maar net toen ik me had neergelegd bij de teloorgang van het grote, belachelijke avontuur hervond hij zijn krachten. Dag drie bracht ons op 3700 meter, waar kachels ontbraken en de vrieskou geen hindernis zag in de extra deken die we van een guesthouse leenden. We hadden het beginpunt van onze beklimming bereikt, maar de onbekende berg lag voorbij een diepe canyon die we nooit snel genoeg zouden overbruggen, gegeven de tijd die we nodig hadden om weer thuis te komen. En één van de grapjes die we onderweg hadden gemaakt werd waarheid: het weer betrok op de dag van aankomst.

Dan maar ‘Tent Peak’, was onze conclusie: Een commerciële expeditietop, 5700m, niet technisch, wel mooi uitzicht, waarschijnlijk zo’n duizend keer beklommen. Dan waren onze tassen voor niets bepakt met al dat materiaal, maar hadden we op z’n minst een hoogtepunt (overigens: we sliepen praktisch naast de Annapurna’s en Mount Fishtail stak prominent achter ons uit; tijdens al dat afzien bevonden we ons tussen de sterren van de Himalaya).

Maar wat vonden we bij verassing links van ons, op weg naar het eerste basiskamp van de Tent Peak? Een bevroren waterval over de lengte van een berg, geperst tussen de wanden van een mistige kloof, dik ijs voor zo’n vierhonderd meter. Ik zag Marcels blik en wist dat onze koers zich weer zou wijzigen.

De beklimming en de terugweg deden qua intensiteit niet onder voor de heenweg. Als ik nu naar mijn lichaam luister, denk ik dat er zelfs sprake is geweest van een optelsom. Ik heb acht dagen aan uitputting te verteren. Misschien, dus, dat Nepal daarom even niet binnenkomt.

Waarschijnlijk, hopelijk, zal ik nooit meer zo’n frats als afgelopen week uithalen. Maar de lassi smaakt wel heel goed vandaag. En al begint de herinnering aan Nepal vroegtijdig: ik waan me in soort gedrogeerde tevredenheid. Een acceptatie die me ongeïnspireerd, maar wel schaapachtig naar de bootjes op het meer laat kijken, die nu geheel volgens de romantische setting van Pokhara, door het weerkaatsende licht van de ondergaande zon varen. Als de komende dagen dezelfde vorm aannemen, dan win ik misschien weinig meer aan diepgang, maar stap ik wel zielsgelukkig het vliegtuig in.

_DSC9805

 

Een hooibaal met een smartphone

Na een halve maand in Nepal heb ik geen idee wat als eerst geschreven moet worden. Ik zit momenteel in het relatieve paradijs van Pokhara, ten Westen van Kathmandu, waar boottochtjes over het meer en pashminasjaals tussen de hipstertentjes het meest relevant zijn. Een cocktail zoals Wiskey Sour kost 285 rps, nog geen drie euro. Angel en Marcel zijn niet te motiveren voor een cocktailavond, maar als ik me niet in kan houden, dan zijn er genoeg reizigers om van de straat te plukken.

Geïnspireerd door Pokhara dwalen mijn gedachten vaak af naar het restaurant dat ik zelf op zou willen zetten. Zolang je niet van de toeristische paden afwijkt is Nepal erop gericht om het verblijf van de toerist zo comfortabel en Westers mogelijk te laten verlopen. Je hoeft hier niet persé te lijden onder een afwijkend idee van hygiëne en kunt rustig je toekomst uitwerken zonder spirituele afleiding of shock vanwege de praktijk in de derdewereld.

Maar als je wilt, is er genoeg om over na te denken dat betrekking heeft op een reis door Nepal. Mijn schrift is bijna vol en als ik, zoals veel reizigers, een Macbook had meegedragen, dan had ik tweedaags blogs kunnen produceren. Waarover? De Himalaya. Nepalezen. Plastic. Een brede ‘dirtroad’ die elke dag wat verder tot het beschermde natuurgebied van Annapurna doordringt en zowel ontwikkeling (ontwikkeling?) als destructie brengt. Reizen met een vermoeide schoonvader. Jonge vrouwen die hooibalen dragen van ogenschijnlijk het dubbele van hun eigen gewicht en ondertussen kwetteren in hun smartphone. Een trekking over Thorung La, een pas op 5416 meter hoogte tussen de giganten van de Himalaya. Hindoeisme, boeddhisme en alle vormen van religie die ze ons, toeristen, in allerlei vormen serveren. Een huilbui vanwege het verliezen van een pluchen pinguin (en de realisatie dat Marcel de man van mijn leven is omdat hij de ernst van de zaak inzag en me troostte). ‘Busrides from hell’. Bloedmooie kindjes. Tibetanen. Stupa’s die zich verstoppen achter selfiemakende Aziaten met glanzende zwarte haren. Het boek While the Gods Were Sleeping van antropologe Elizabeth Enslin over haar onverwachte studie van Nepal door haar huwelijk met een high caste Nepali. Hoogte, droogte, hitte, kou. De mix van authentieke kledij en skinnyjeans. Diarree en hurkwc’s. Wifi. De wetenschap dat armoede zich verstopt in andere valleien en zo niet, zich manifesteert in de gedaante die we al kennen van thuis: de occasionele zwerver. Waanzinnige landschappen. Een straalbezopen receptionist die de kamersleutel verstopt. Kathmandu, waarover ik pas later durf te zeggen dat ik het, als onwetende toerist zonder specifiek doel of leidende interesse, vrij verschrikkelijk vind (stof, vervuiling, chaos, plastic en herhaling van dezelfde winkels voor toeristen; maar goed, zoals gezegd wijken wij niet van de gebaande paden). Apen, jonge koeien en honden die zich gedragen als katten.

Ik zit momenteel in een café met een kop ‘Ruby’ thee en een stuk worteltaart. Een zeldzaam moment alleen. Vanmiddag komen onze alpinetassen aan in Pokhara, met ijsbijlen, stijgijzers en touwen. In een waanzinnig krap tijdsschema trekken Marcel en ik morgen richting het Annapurna basecamp om daar, over een dag of vier, een willekeurige, naamloze berg te beklimmen die onze persoonlijke geschiedenis in zal gaan als Mount Pinguin, mochten we de top bereiken. Angel laten we in Pokhara, waar het comfort en de aanwezigheid van een Spaans tappasrestaurant ons allen geruststelt.

Ik heb zin in de tweede helft van de reis. Maar ik heb ook zin om thuis te komen en mijn indrukken uit te werken, om vervolgens een leven op te pakken waarin ik actief meedraai. De rol van toeschouwer is beperkt houdbaar, zelfs in Nepal.

_DSC9030

 

 

 

 

 

 

 

 

Kikkervrienden

Ik ben in Nederland en ik heb geen jas meegenomen. Ik dacht dat het wel mee zou vallen. De wind, de regen en de grijze luchten; dat is het Kikkerland. Het is eind oktober. Maar ik ging ervan uit dat de wereld overal aan het opwarmen was. De zomer in Chamonix was dikwijls bloedheet en Angel zegt keer op keer dat de herfsthitte in het voorportaal van de Pyreneeën nieuw is.

Het stelt me gerust, die wind. En mijn moeder heeft een jas te leen.

Nederland. Ik weet niet precies uit welk land ik ben vertrokken noch in welk land ik terug zal keren, begin volgende week. Maar of het nu Spanje of Catalonië is: Deze oktober dragen tieners er naveltruitjes en oma’s wijde bloezen met korte mouwen. Hoogstens een fijn wollen vestje over de schouders. Je hebt daar nog even geen jas nodig.

Mijn moeder haalde me gister op van Schiphol en ging mee op zoek naar het Nepalese Consulaat aan de Herengracht. De vrouw die de stempel in mijn paspoort zette was erg leuk. Zo leuk als mijn moeder, maar dan met een Nepalese ketting om.
‘Kijk, mam, mijn eerste visum.’ Trots liet ik haar mijn paspoort zien. Toen we het consulaat uitliepen, regende het zo hard dat we maar zijn gaan rennen. Onder de serre van een café aan het Rembrandtplein vonden we bescherming, soep en een broodje oude kaas.

Het is fijn om terug thuis te zijn. Ik had mijn vader al meer dan jaar niet gezien en trof hem onveranderd aan. Heel erg mijn lieve papa. En Nederland bestaat nog gewoon uit al die Nederlandse dingen. Uit mijn jeugd en herinneringen. Tegen de wind in fietsen met losse haren en koude wangen op een fiets met achteruittraprem, daar kom ik vandaan. Dan lijken mijn Franse en Catapaanse levens uit een roman te komen en mijn échte leven uit die straten waar de wind door waait.

Maar naar Nepal ga ik toch echt met Marcel en Angel. Mijn vriendje en zijn vader.

Het is best wel veel, stiekem, al die landen die plotseling onder mijn paadje zijn gekropen. De schakel tussen Catapanje en Frankrijk maak ik inmiddels wel makkelijk, maar een terugkeer naar Nederland is altijd even een dingetje. Nepal vind ik ook wel een dingetje. Ik had liever nog wat langer in de ogen van mijn papa, mama, broer, broer en zus gekeken en even tegen de wind in gefietst, maar het leven ontbreekt die achteruittraprem. Ik sukkel gewoon door naar Kathmandu. Mijn kikkerland en kikkervrienden worden vervangen door yaks in het 8000 meter hoge yakland.

Maar als de wind er waait, dan weet ik waaraan ik zal denken.

Een ander mens

Over precies een week ga ik met Angel en Marcel naar Nepal. Ongeveer een week geleden hebben we de tickets geboekt. Dit valt wel onder de noemer spontaan. Zelfs ik vind het vrij spontaan. Een vlucht op zich is snel gevonden en de plotselinge wending is mijn leven niet persé vreemd. Maar Nepal? De Himalaya?

Ik hoop dat het vliegtuig niet neerstort. En ik hoop dat Angel het trekt. Hij is 62 en loopt nog fit door huis, maar wat Nepal met zijn tred uithaalt… Kathmandu lijkt me niet ingericht voor Westerse gepensioneerden. Maar er ligt een twinkeling in zijn  bruine ogen, echt waar, een onzekere twinkeling die niet kan ontsnappen.

Ik probeer de gedachten aan Nepal te laten passeren zolang ze niet gaan over het organiseren van mijn visum. Zojuist nam ik een kop lauwe koffie op de veranda aan de achterzijde van het huis en daagde het me plotseling waarom. Ik ga namelijk op een avontuur waarvan ik de grote lijnen hier ter plekke kan uitschrijven. Daarmee bedoel ik niet de logistiek, van de logistiek heb ik geen idee, maar ik doel op de gehele ervaring. Ik ga zien wat ik al heb gezien in documentaires en ruiken wat al tig keer aan me is omschreven als een specifieke mengeling van geuren. Meer van dat.

Wat die hele sloot aan twintigjarige reizigers al heeft uitgeplozen in reisverslagen op het internet wordt de komende maand gecopy-pasted in mijn wezen. Armoede, massatoerisme, authentieke ervaringen met locals, natuur, vrijheid, overvloed aan indrukken, verveling, hectiek, dat het hier toch wel anders werkt, overweldigend, ik als westerling, ik als experiment, ik als emotioneel wezen; één ding staat als een paal boven water en dat is dat ik terug zal komen als een ander mens. Toch? Wat kan ik nog fotograferen dat niet al op Instagram is gepubliceerd? Waar in godsnaam zal ik over kunnen schrijven? Over een ander mens dat iedereen al kent?

Ik vestig al mijn hoop op Angel, de gepensioneerde bankmedewerker, want die staan doorgaans niet op de paklijst. Maar ik vrees de teleurstelling. Ik vrees het moment waarop de pen in mijn hand boven een blocnote zweeft en ik ondanks de intensiteit van mijn eigen Nepalervaring op zoek moet naar originaliteit.

Misschien denk je nu ‘houdt die ervaring dan voor jezelf’ en dat zou inderdaad een oplossing zijn. Dan kan ik ongegeneerd gaan zitten veranderen in een voorspelbare directie en precies datgene denken wat jullie allemaal al eens gedacht hebben onder de invloed van een magistraal andere wereld. Prima. Maar ik ben een schrijfster.

Kom op, Angel, redt me van deze teloorgang.