Latest Posts

Skihuiswerk

Skitheorie

Ik had in mijn vorige blog gezegd dat ik mijn verbeterpunten zou publiceren en beken meteen maar dat ik geen idee heb hoe ik deze in een logische volgorde kan weergeven, omdat elk punt totaal afhankelijk is (of deel uitmaakt) van de andere punten en ik ze dus eigenlijk niet afzonderlijk kan omschrijven. Daarbij zijn ze in het Frans naar me gecommuniceerd en spreek ik de Nederlandse skitaal niet, dus vergeef me mijn vreemde woordkeuzes. Ik vrees dat deze blog meer verhelderende waarde zal hebben voor mijzelf dan amusementswaarde voor haar lezers.

1. De bocht

Ik begin bij de bocht omdat je voor rechtdoor skiën niet zozeer opgeleid hoeft te worden. De termen die mijn Franse leraren graag gebruiken in relatie tot de bocht zijn dérapage (slippen), pivoter (draaien), engagement (inzet, betrokkenheid, waar-is-mijn-woordenboek), appui progressif (progressieve ondersteuning, steun, gewichtsplaatsing) en carf ( ‘beeldhouwwerk’  luidt de vertaling vanuit het Engels).

Nu, een ‘goede’ bocht heeft drie fases (voor de amateuristische paint-tekening, zie hierboven):

Fase I: Van haaks op de piste naar recht naar beneden
Fase II: Heel super eventjes rechtdoor
Fase III: Terug naar haaks op de piste (andere kant op)

De bedoeling van de goede ENSA-bocht is in principe dat ‘ie mooi rond is. Je laat je als het ware vallen in het verlengde van de piste (pivoter, fase I), doormaakt een moment van engagement (rechtdoor, fase II) en beland dan in de carf: je maakt de bocht af naar gelang de vorm van de ski’s en de mate waarin je de randen van je ski’s in de piste duwt (appui progressief).

Wat we moeten vermijden, met name in de derde fase, is die slippende, remmende beweging die de bocht scherp maakt. Dat vinden ze namelijk niet mooi.

2. De houding

Om een ronde bocht te realiseren, moet je allerlei fratsen uithalen die te maken hebben met – wat anders – je houding.

Allereerst heb je de basishouding: zie eveneens de amateuristische paint-tekening hierboven. De schenen zitten netjes tegen de voorkant van de skischoen, de knieën zijn redelijk gebogen, de billen steken niet overdreven naar achteren, de rug is enigszins bol, kop omhoog en de armen vooral niet wijdt in de lucht (ik heb de neiging om als een gespannen bolletje mens naar beneden te duikelen).

Fase I van de bocht vergt een actieve voorbereiding die begint met het ‘planten’ van de skistok (die begraaf je in zijn geheel in de sneeuw, dan groeit er twee dagen later een skistokboom uit). Vervolgens doe je twee dingen min of meer tegelijkertijd: Je maakt jezelf lichter (door je voeten in de sneeuw te duwen / een hopje te maken) en draait je schouders haaks op de piste. Direct daarna volgt het engagement: je duikt als het ware de diepte in, met je gewicht naar voren, totdat je rechtdoor naar beneden skiet (op steile stukken is dat vrij heftig, fase II). Door de voorbereiding – superbelangrijk – maakt die eerste helft van de bocht zich redelijk vanzelf. Als je de bocht forceert creëer je te veel dérapage (geslipper) en verlies je de ronde vorm. Pas in Fase III van de bocht heb je het recht om af te remmen en het liefst, indien mogelijk, netjes in een carf. Dit betekent dat je progressief op (vooral) je buitenste ski duwt en de binnenste randen van de ski’s in de sneeuw duwt door je enkels én je knieën naar binnen te bewegen. Je bovenlichaam houdt je daarentegen redelijk recht omhoog, waardoor je – van voren gezien – een soort triangulation (triangulatie) creëert. Je zwaartepunt hangt op dit punt naast je ski’s. Wat omschrijf ik dit toch helder.

Triangulation is een gedeeld favoriet woordje van de vier leraren. Ze houden ook veel van dissociation (dissociatie) van het bovenlichaam en het onderlichaam, die andere bewegingspatronen behoren te volgen. Tijdens de voorbereiding van fase I (stiekem nog fase III van de voorgaande bocht) draait de borst naar het dal terwijl de ski’s nog haaks op de piste staan. In fase II staren ski’s en borst dezelfde kant op, maar aan het eind van fase III draait de borst weer het dal in.

In kleine bochten betekend dit in feite dat de borst altijd op het dal gericht blijft, en de benen eronder van links naar rechts bewegen. Gedurende een grotere bocht is er een moment waarop je meedraait met je carf en de borst in de richting van je ski’s hebt staan. Zodra je echter de volgende bocht voorbereid, bewegen de twee weer afzonderlijk.

Snap je het? Ik wel hoor.

Één van mijn zwakke punten is mijn jeu vertical (verticale spel): het moment waarop je je uitstrekt, met name op de off-piste. Ik blijf hangen in dat gespannen bolletje mens en put mezelf volledig uit na een bocht of drie. Op die manier ben ik namelijk totaal onderworpen aan het reliëf van de piste en vang ik klap op klap op klap. De grap is dat je jezelf daadwerkelijk ontspant in de voorbereiding van je bocht, op dat hop-moment, wanneer je je lichter maakt om de draaiing in te zetten.

Het zit helaas nog niet in mijn systeem. Daarom hoor je tegenwoordig hop, hop, hop als ik langskom.

Een ander zwak punt is mijn neiging om, met name in geval van stress, mijn voeten ver uit elkaar te zetten, op zoek naar een beetje stabiliteit. In de carf is dat prima, maar daar buitenom is het een beginnersfout van pizzapunt-categorie. Mijn ene ski volgt dikwijls een iets ander pad dan mijn andere, waardoor ik juist uit balans raak.

3. De blik

Mijn grootste zwakte volgens mijn leraren is mijn regard, mijn blik. Zodra ik op moeilijk terrein kom, word ik opgegeten door de piste. Ik kijk niet ver genoeg, in principe niet verder dan de bocht die ik op dat moment maak, waardoor ik systematisch te laat ben om mijn volgende bocht netjes voor te bereiden. Dat is deels een simpel gebrek aan controle (de bocht zelf vraagt nog even te veel aandacht), deels een gebrek aan zelfvertrouwen (ik word volledig in beslag genomen door de horror van de bocht die ik nog aan het maken ben – kom ik nog op terug) en deels een slechte gewoonte (ik moet een groter blikveld creëer en actief het terrein leren inschatten).

4. De stokken

Waar je precies de stokken plant is hyperbelangrijk, omdat ze je bochten initiëren en… waarom ook alweer nog meer? Omdat het er niet uitziet wanneer je ze naast je oren hebt vliegen. Ze verraadden meedogenloos elk moment van disbalans en verstoren zelfs je balans wanneer je ze op een vreemde plek houdt.

Het stokkenverhaal is nog een beetje moeilijk voor mij. Phillipe, mijn lievelingsleraar (want hij heeft een oorbel en lijkt op een zachtaardige piraat en heeft schijnbaar zijn huis zelf uit hout gebouwd), zei me het volgende (in iets andere woorden): Ruby, zodra jij je stokken leert gebruiken, zal je begrijpen hoe waanzinnig ze je kunnen bedienen.

In die fase zit ik nog niet.

5. Zelfvertrouwen

Dit laatste puntje komt niet helemaal van hen, maar voeg ik er zelf aan toe. Een groot probleem is mijn gebrek zelfvertrouwen. Ik heb me redelijk neergelegd bij het feit dat ik de zwakste schakel ben en mijn vrienden, vriendje of de CRET-groep regelmatig onderaan de piste op me moeten wachten. Mijn Ego huilt al sinds mijn eerste dag op ski’s en zal daar voorlopig niet mee ophouden. Ik realiseer me echter hoe ontzettend zinloos het is om mezelf in te schalen naast al die snelle gasten, om daar vervolgens hopeloos van te worden. Mijn waarde als mens hangt godzijdank niet af van mijn skikwaliteiten.

Wat wél een probleem is, een heel wezenlijk, terugkomend probleem, is mijn zelfvertrouwen ten opzichte van mijn skicapaciteiten wanneer ik geconfronteerd wordt met een eng stuk afdaling. Ik denk direct ‘dit kan ik niet’ en ‘waar kan ik remmen’.  Ik creëer ongetwijfeld liters stresshormoon, schiet in verdedigende houding, vergeet elk technisch aspect van skiën, leun naar achter, rem wanneer dat absoluut niet de bedoeling is en ski als een idioot naar beneden totdat ik val (en dan denk ik: zie je wel, dit kan ik niet).

De ontwikkeling van mijn lef loopt achter op de gang van mijn skicarrière. Van nature ben ik nu eenmaal geen monster. Mijn debuterende hart kan de afdalingen waarmee ik momenteel geconfronteerd word nog helemaal niet aan, terwijl mijn fysiek het er redelijk van af zou brengen. Du moment dat ik vergeet na te denken gaan de ijzige bosafdalingen best prima. Het verbaast me keer op keer dat ik niet gewoon ter plekke tegen mezelf kan zeggen: Je kan dit wel. In plaats daarvan moet ik de afdalingen en hun engheid met onvrijwillige heldhaftigheid normaal zien te maken. Confrontatie naar confrontatie totdat een sprong van drie meter niets meer is dan een neutrale handeling.

Er zijn ongetwijfeld belangrijke aspecten van het skiën die ik hier niet noem omdat ze simpelweg langs me heen gaan. De leraren zeggen zoveel. Ik weet ongeveer waar ik momenteel op moet letten, maar heb nog lang geen grip op de stof.

Misschien leer ik volgende week wel zoveel bij, dat ik een vervolg op deze blog kan schrijven, inclusief nieuwe tekening én een extra bijlage over het planten van skistokken.

Skistokboom

De eerste CRET-week

Gisteren rondde Marcel, drieëntwintig andere aspirantgidsen en ik de eerste week van de CRET af. Vijf dagen achter elkaar hebben we ons verstopt in skipakken en geskied van de vroege morgen tot aan zonsondergang.

Nu zijn we moe. Vijfentwintig paar benen van hout. Dit weekend wordt er bijgeslapen, gegeten en veel water gedronken.

Het skiprogramma van de CRET is vormgegeven door drie oude mannen met vriendelijke gerimpelde ogen en een wat jongere, door Salomon gesponseerde legende. Vriendelijk, geduldig, gepassioneerd, didactisch ijzersterk en zelf briljante skiërs: ze begeleiden ons in stijl langs de obstakels op weg naar de perfecte afdaling. Ik zou ze het liefst allemaal houden.

Omdat we specifiek voor het probatoire worden opgeleid, leren ze ons skiën volgens de regels van de ENSA, wat wil zeggen: Technisch foutloos. Voor de start van de CRET wist ik niet eens hoe een goede skiër er precies uitzag. Ik keek vanuit de lift naar de poppetjes op de piste en oordeelde naar gelang een schimmig, esthetisch waanbeeld. Nu weet ik hoe nauw het luistert. Skiën is maar tot zoverre intuïtief (of wat zal ik zeggen: de ENSA heeft niet zoveel op met intuïtie).

Ze leren ons de technieken op de piste en brengen ons vervolgens naar weerzinwekkend moeilijk terrein waar alles op snelheid moet worden geïmplementeerd. Diepe, zware sneeuw op steile wanden, ijzige moguls, lange beenvretende afdalingen, bomen, nauwe paadjes, mist, ze weten altijd wel iets gruwelijks te vinden.

En ik bungel onderaan de groep. Tachtig procent van mijn energie gaat op aan overleven terwijl ik de jongens en een drietal meisjes probeer bij te houden. Mijn medeleerlingen skiën misschien nog niet perfect, maar hebben op zijn minst genoeg ervaring om door elk soort terrein te walsen zonder op te kijken van een boom meer of minder. Ik overkom plichtmatig angst op angst en begrijp nog steeds niet waar ze het vermogen vandaan halen om ogenschijnlijk onbevangen af te dalen over zulk moorddadig terrein.

Woensdagmiddag stond ik zowel fysiek als mentaal op het randje, op het punt om op te geven, er heilig van overtuigd dat ik simpelweg het niveau niet had. Maar iedereen die aan mijn lunchtafel zat zei er niet beter aan toe te zijn. Ze waren lief. Dat helpt zoveel. En er is altijd nog het verhaal van Carlitos: Een lange, prachtige Argentijn met een indrukwekkende tochtenlijst die een jaar eerder net als ik de CRET inging met een minimaal skiverleden. Hij begon als het drama van de groep maar passeerde vervolgens tot ieders verbazing het skigedeelte van het probatoire. En ook Judith, het Franse meisje, skiede nog geen drie jaar voordat ze de ski-examens haalde. Dingen zijn mogelijk.

Nu, afgelopen week was zogenaamd nog een rustige week waarin de nadruk lag op techniek. We zijn het weekend ingegaan met een waslijst aan verbeterpunten die voor de start van de examenperiode via ons hoofd naar het lichaam moet worden gecommuniceerd. Hoe dat precies werkt, die connecties, de datatransfer, dat is het grote raadsel dat door elk van ons persoonlijk moet worden opgelost. Ik zal mijn lijstje bloggen.

Volgende week zetten ze in op kwantiteit en brengen ze ons onder andere naar de eindeloze afdalingen van La Grave. À mort. Diegene die vrijdag nog been overheeft, is gemaakt van staal. Ze geven ons die laatste namiddag een ‘proba blanc’, een afdaling gelijk aan het echte examen, inclusief beklimming (1400 hoogtemeter?), examinatoren, rugnummers en eindoordeel. Schijnbaar is de opzet zo ‘echt’ dat iedereen bibberend op zijn ski’s staat.

En dat is mijn enige voordeel: Ik sta tegen die tijd al zo consequent te bibberen dat ik het op het moment suprême waarschijnlijk niet eens meer doorheb.

De Kluizenaar van Coupeau

Vriendjes maken in Chamonix is best moeilijk. Seizoenarbeiders komen en gaan en komen nooit meer terug. Als bartender in een après-skitent worden de kameraden je in de schoot geworpen, maar wat blijft daar na een jaar van over? Facebookvrienden. Zweden in Zweden, Britten in Engeland en Spanjaarden in Spanje. Helaas ligt de valleitrouwe Chamoniard ver van het type dat je met open armen in de klimhal opwacht. Na drie jaar en een hoop gemeenschappelijke uren in dezelfde verstikkende ruimte, kijken ze je nog steeds aan alsof je hun privéfeestje crasht.

Slechts een klein, onlogisch netwerk doorstaat de wisseling van seizoenen; mensen waarvan je vergat dat je ze eens begroette, contacten die nieuw leven ingeblazen kunnen worden of vrienden die onverwacht tevoorschijn springen uit de krochten van hun eigen Chamonix. Maar bij gebrek aan zelfinitiatief, loopt de kluizenaar van Coupeau enigszins het risico haar dagen in eenzaamheid te slijten.

Soms denk ik dat ik toch contactgestoord genoeg ben om uiteindelijk ongeschikt voor het seizoenleven te blijken. Een mobiel die in de gletsjerspleet valt is namelijk een prettig excuus om dan maar van de aardbodem te verdwijnen. Ik ben graag alleen. Ik hou van boeken, stille skisessies en ongestoord dagdromen. Het ontmoeten van vreemden blijft een onderneming. Na zesentwintig jaar lijk ik toch nog niet geheel aan de andere mens gewend. In retrospectief had ik beter mijn nest trouw kunnen blijven, waar mijn oude kroegbaas me, vlak voor mijn emigratie, nog voor gewaarschuwd had ook. Die vriendengroep die je nu hebt, Ruby, die ga je nooit meer ergens anders vinden.

Ik schrijf dit verhaal omdat ik twee weken geleden een Frans (!) meisje heb ontmoet dat zich direct als een terriër in me heeft vastgebeten, en ik verbaas me daar nog steeds om. We liepen beiden – in ons eentje – op ski’s langs de pistes van Les Houches omhoog en raakten bovenin aan de praat. Toen ze erachter kwam dat ik me net als haar aan het voorbereiden was voor het gidsenexamen, veranderde ik ter plekke in een zeldzaam potentieel: Een vriendin die klom. Die losliep. Die het stugge karakter van Chamonix kende. Die muziek maakte. Die moeder wilde worden. Die het alpinisme niet als hoogste levensdoel koesterde maar wel verdomde graag de opleiding binnen wilde komen.

De kluizenaar van Coupeau klapt sindsdien ongecontroleerd in haar handjes.

Ik weet niet wat fijner is: De mogelijke vriendschap met haar of de wetenschap dat ogenschijnlijk sociaal functionerende meisjes net als ik moeite hebben om in (de mannenwereld van?) Chamonix te aarden. Misschien ben ik dan toch niet zo individueel ingesteld als ik dacht, of komt de vallei me eindelijk eens tegemoet door iemand pontificaal op mijn pad neer te zetten die mij net zo graag ontmoet als ik haar.

Misschien, realiseer ik me nu, mis ik vriendinnen meer dan vrienden. Vrouwfiguren die mijn queeste naar badschuim begrijpen en toch het touw dragen. Laten we in godsnaam niet voorbijgaan aan Marcel, Adria en Millan, die zo’n constante factor vormen dat ik ze klakkeloos onderwaardeer.

Dan, om af te sluiten een tip van mijn vriendinpotentieel: Als je nieuw bent in Chamonix en wil dat de Chamoniard naar je lacht, klim dan 8a. Dat schijnt behoorlijk te helpen.

_DSC3673Egzon

Fotocredits: Sam de Goede

Een warme storm

De regen probeert de sneeuw uit de vallei te spoelen en de wind blaast het poeder van de hooggelegen flanken. De bossen ogen donker, kaal en triest. Chalets druipen en krimpen met een meter, hun houten geraamte is plotseling weer zichtbaar. Een warme storm stopt onze lange, witte winter terug in de ladekast van onze hoop. Wat zijn we toch miezerig en afhankelijk.

Gisteren nog daalden Marcel en ik af door een laag poeder zo hoog als ons onderstel. Hij nam me mee door het bos boven Lavancher, door de steile, diepe sneeuw van een ogenschijnlijk succesvolle winter, langs bomen die niet voor ons opzij gingen en mijn lef bevroren. Gedurende die ene afdaling verloor ik al het zelfvertrouwen dat ik de afgelopen maand moeizaam bij elkaar had gesprokkeld. Daar stond ik weer, met mijn vreemde ski’s aan mijn onwennige voeten.

Alles dat resteert vandaag is het geluid van miljoenen druppels op de naakte grond en een vergelijkbare hoeveelheid onzekerheid. Wat doe ik in een smeltende wereld? En wat in een besneeuwde wereld die te hoog voor me gegrepen is? Hoe lang ga ik mezelf nog zoet houden met deze onvoorwaardelijke illusie?

_DSC3690Egzon

Fotocredits: Sam de Goede

Stroopwafelmaskers van de HEMA

 


Vlak voordat ze op bezoek kwam, stond Suus in de HEMA om handige inkopen te doen. Ze belde me op met de vraag of ik glitternagelak wilde en ik zei ‘ja, natuurlijk’. Ze kocht ook roze elastiekjes en drie zelf-verhittende stroopwafelmaskers.

Nu leest ze een boek op de schommeltuinstoel die we een paar dagen eerder van het balkon hebben gehaald. Mama zit op de bank en leest ook een boek. De skischoenen van gister staan nog onder de verwarming. We hebben kopjes koffie op de bijzettafel en zitten zelf onder de dekens. Buiten is het weer ‘verschrikkelijk’, zegt mama, want het sneeuwt, waait en is mistig. De sneeuwleverancier heeft niet altijd serene bedoelingen.

Ik dacht dat ik mijn moeder niet dag in, dag uit de ijzige Route du Coupeau op kon jagen, maar was duidelijk vergeten dat ze een onverwoestbare vrouw is die zo’n onverbiddelijke, terugkerende klim naar het chalet zonder klagen ondergaat.

En over liften (auto-stop) doet ze ook niet moeilijk.

IMG_3046

Suus en mama kwamen met zo’n tien boeken voor vijf dagen. Omdat het skiën voor beiden een passie is gebleken, zijn ze nog steeds bezig in het eerste boek dat ze hier in de vallei opensloegen. Ik grijp mijn kans om ook weer eens boven de Nederlandse literatuur te hangen en zodoende zitten we stil bij elkaar, ieder met zijn eigen vermoeide benen opgekruld in een verhaal.

Onze nagels glitteren al sinds de eerste avond dat ik mama en suus hier in Coupeau heb. Het duurt echter even voor we het lef vinden om een dagje welzijn met stroopwafelmaskers te organiseren, niet alleen vanwege de eventuele thuiskomst van Adria, maar vooral vanwege het spul zelf. We leggen nu eindelijk onze boeken met de rug naar boven op tafel, scheuren alle drie een stroopwafelvormig zakje open en smeren het goedje uit over onze gezichten, die meteen beginnen te geuren en gloeien als warme stroopwafels.

Het is lang, vijftien minuten met warme stroopwafel. ‘Mijn huid is zacht’, zegt mama als ze met een afgedroogd gezicht de badkamer uit komt, terwijl de stoopwafel via de gootsteen het chalet uitgestroomd. Suus weet het nog zo net niet. Mijn huid voelt nog droogjes.

Ik vrees dat de vrouwelijke kant van Familie de Witte hier vaker met stroopwafelmaskers op bezoek moet komen om een gegrond oordeel over ze te geven.

 

 

 

Het blonde gezelschap en Jumpy

IMG_3089

IMG_3042
Mijn kluizenaarsbestaan hier op de berg ligt ergens tussen nagenoeg perfect en volstrekt onwerkelijk. Ik word wakker met het besneeuwde Mont Blanc massief aan de overkant, twee ongeduldige ski’s en een pruttelende koffiemachine. Het enige dat ontbreekt is het gezelschap waarmee ik mijn geluk deel. Als Adria niet thuis is, praat ik tegen mijn onzichtbare huisdier en de sympathieke muren van het chalet. Mijn vriendje zit in Spanje, mijn vrienden God mag weten waar en mijn familie in Nederland.

IMG_3084
Echter, net als de dagen eentonig dreigen te worden, kloppen Fieke en haar broer aan. Sam is een fotograaf en komt met camera’s, twee stuks, zo’n oude vierkante en een geavanceerde met een lens die pontificaal mooi en duur op de camera is geschroefd. Fieke komt met Jumpy, het rode busje dat moeite heeft met de besneeuwde helling richting Coupeau maar zich heel stoer naar boven ploegt. Ik ben blij met de schuur onder het huis, waar Jumpy even afgeschermd van de sneeuw haar motor kan rusten en koplampen kan sluiten. Voel ik me ook weer een goede gastvrouw.

_DSC3750Egzon

IMG_3087

Sam en Fieke willen skiën. Ik breng ze naar Les Houches – Jumpy brengt ze naar Les Houches – waar we bijna het eerste skiliftje hebben en ongetwijfeld het laatste. Ik volg in hun carfcirkels, spring, lach, duik, val, geniet. De zon zakt achter de bergen en Sam maakt foto’s.

Goedkope kerstmuziek kraakt uit een laptop, kaarsjes branden. De champagne van de avond schiet gelijk naar mijn hoofd, waardoor ik met gloeiende wangen luister naar de gesprekken tussen Adria, Sam en Fieke. Mijn plastic discosneeuwpop kleurt roze, groen en blauw in een hoek van de kamer. Het Mont Blanc massief ligt onverstoorbaar achter de ramen. De muren zwijgen.

IMG_3100IMG_3023
De volgende morgen rijdt Jumpy ons Col de Montets op, waar de weg vakkundig uit de sneeuw is gehakt en de wereld nog witter is dan thuis. Ze zet ons af bij Le Buet en wacht geduldig op de parkeerplaats tot we terugkomen van een skitour. We binden de skins onder en volgen een nauw paadje door de vallei richting Col de Berarde. Soms stoppen we om op adem te komen of de bergen en elkaar op de foto te zetten. De dennenbomen druppen van de dooi, maar bovenin de Aiguilles Rouges ligt genoeg poeder voor een zwevende afdaling. Sam carft zijn stilistische halvemanen en Fiek giebelt erachteraan. Ik kan het weer! – schreeuwt ze.

Tot mijn grote teleurstelling serveren ze geen kaasfondue in Hotel Buet. We nemen genoegen met een croute, een prijzige toast met een gesmolten kaas. En een biertje.

IMG_3050

IMG_3009

Als ik de volgende dag op de piste van Les Houches sta, zoek ik verwildert naar het blonde gezelschap van de de Goedes. Ik kijk onder de sneeuw, in de bomen, achter de liftjes. Maar ze zijn er niet. Verslagen en verdrietig plof ik neer in de sneeuw. Jumpy. Die heeft ze meegenomen naar Villard Trottier. Dat vervloekte rode busje. Ik mijmer over de afgelopen dagen en staar naar de bergen, tot er plotseling een dikke sneeuwbal op mijn hoofd uiteen spat. Wat was dat? Ik kijk op en zie de staart van mijn onzichtbare huisdier op een meter of vier uit de sneeuw steken.

Hé jij! Kom hier jij!

(Sam’s foto’s komen in het portfolio, credits voor de blogfoto’s aan de Fiekert)

IMG_3068IMG_3013

Busrides from Hell

Fieke en ik reisden van Olot naar Barcelona in een touringcar. We zaten achterin en giechelden als meisjes op schoolreis. Na een stilte zei ze op serieuze toon: Geniet er maar van, deze bus. In Nepal is het anders.

Busverhalen. Marcel had er nog wel een paar liggen. Oude, volgestampte, hete bussen die rijden over onvoorstelbaar slechte wegen in trajecten van tien, twintig uur.

In een lounge in Kathmandu bladerde ik door de Lonely Planet, het boek dat mijn bijbel zou worden in absentie van andere literatuur. Ze schreven over Busrides from Hell naar mijn volgende bestemming in Nepal.

Oké, dacht ik, kom maar op.

De dag van de reis tussen Kathmandu en Besisahar werd ik misselijk wakker. Angel, Marcel en ik namen de taxi richting het busstation en werden bij aankomst direct aangesproken door drie mannen die ons met volharding en ongeduld in hun bussen wilde krijgen. Marcel wimpelde ze af en vond het ticketoffice, aan de rand van een stoffig, grijs terrein waar de contouren van de bussen opdoemden in het vroege ochtendlicht. We betaalden en werden begeleid naar een bus.

Daar zaten we dan. We wachtten, ieder op zijn eigen tweemans bank, die voor de brede botten van de westerling gold als eenman bank. Ik keek naar het dak, versierd met gouden lijnen en bordeauxrode krullen, lichtblauwe vlakken onder de bagageruimte, krullen zelfs in het hout van de constructie zelf. Voorin hingen kralenkettingen en feloranje slingers. Plastic bloemen bungelden boven de voorruit. Een beeldje met gevallen bloemblaadjes stond naast de pook, of, realiseerde ik me later, moest daar zijn vastgetimmerd. De stoelen waren bedekt met patronen van glimmend draad, onzichtbaar op de verweerde plekken. Aan hun achterkant zat een plastic handgreep voor de passagier in de volgende stoel.

Ik wist tegen die tijd dat ik zou gaan overgeven, wat in principe niet zoveel met de busreis te maken had, maar wel een soort tactiek impliceerde. Ik zocht naar een plastic tas en vond er een in het vuilnis op straat. Ongeveer een uur later reed de bus van het terrein en begon onze helse busreis.

De deur van de bus bleef open. De busjongen klom in en uit om overal waar potentiele passagiers rondliepen, in elke drukke straat, elk dorp, elke eetgelegenheid, mensen op te pikken. De bus werd voller en voller, precies zoals ik het verwacht had; zolang er nog een ziel in het gangpad geperst kon worden, bleef de busjongen schreeuwen om passagiers. Ondertussen wurmde hij zich een weg tussen de mensen om hun geld te innen, dat hij als georganiseerde stapel telkens terug in zijn vest stak.

Het wegdek was absent. We werden heen en weer geslingerd en verloren regelmatig het contact met het zitvlak. Het is onvoorstelbaar hoe die logge bus zich voort kon bewegen. Ik dacht aan rodeorijders en middeleeuwse koetsen en mijn maaginhoud. Ondertussen klonk populaire Nepalese muziek met luide beat door de reusachtige speaker die in het bagagerek lag. Dit was het dus. Acht uur lang.

In die eerste etappe leed ik het meest vanwege de pauze die maar niet kwam, omdat mijn vergiftigde maaginhoud een uitweg zocht en het plastic zakje dun en klein was. Ik overwoog het raam maar overzag de scène niet.

Toen ik eenmaal boven een wc had gehangen viel het eigenlijk best mee. We reden dwars door Nepal, konden koekeloeren naar de natuur, kregen inkijkjes in het dorpsleven en deelden de bus met de Nepali zelf. Van dichtbij zag ik ze, hun kleding, kinderen, gezichtsuitdrukkingen, en ik kon zelfs de illusie ophouden dat ik eventjes, zoals zij, meedraaide in het Nepalese dagelijkse leven, zonder er als ongemakkelijke toerist een busride from hell uit te zitten.

Voor een doorgewinterde reiziger als Marcel was de reis slechts een episode. Ik zag de vent zelfs slapen tegen het raam. Angel hield zich groot, maar zou nog een dag of twee kampen met de fysieke gevolgen.

Tegen vieren zag ik in dat de horror zich vooral manifesteerde in de lengte van de rit. De hobbels en de muziek maakte elke vorm van ontspanning, behalve dus voor Marcel, onmogelijk. Toen we eindelijk op bestemming aankwamen, waren Angel en ik doodop, zo moe dat we de vieze straten van Nepal vervloekten, samen met het gefrituurde eten, de harde bedden en de donkere wc’s.

En dat was busrit nummer één. Nummer twee liep van Muktinath naar Pokhara, was langer en wist zelfs Marcel eronder te krijgen, door over dermate diepe kuilen en hoge hobbels te rijden dat we moesten oppassen om niet door de het interieur van de bus knock-out geslagen te worden. Marcel zat daarbij aan het raam aan de valleikant en zag de bus keer op keer overhellen, balanceren op het randje van de dood, zo’n veertig levens betrokken. Busangst lijkt me een stuk reëler dan vliegangst, al heb ik geen idee van de cijfers.

In Beni stopte de bus vanwege een piepend wiel. Een deel van de passagiers viel in slaap, een ander deel stond buiten gebogen over dat wiel, dat eraf was geschroefd en triest op zijn kant lag. ‘Ga maar iets eten’, werd ons aangeraden. We aten Chowmein, wachtten en vielen in slaap.

Diep in de nacht arriveerden we in Pokhara, waar twintig opdringerige taxichauffeurs door elkaar schreeuwden en een straalbezopen receptionist, met waanzinnig slechte timing, een uitgeputte Marcel en een woedende Angel giebelend naar de kamer begeleidde.

De derde busrit bracht ons terug naar Kathmandu. We hadden Angel op het vliegveld afgezet en zelf iets meer betaald voor een ‘touristbus’ met beenruimte en adempauzes. Tegen het middaguur kwamen we in een file terecht die na zo’n uur de eerste geruchten doorliet. Schijnbaar was er een voertuig de vallei in gekukeld. Ik keek door het raam en zag een rivier, ruim tweehonderd meter onder ons. Het voertuig bleek uiteindelijk een passagiersbus, zeiden ze, van de weg gereden door een auto. Hoe dichterbij we kwamen, hoe meer mensen in onze bus opstonden om te zien wat er zich afspeelde. Uiteindelijk zagen we een grote groep mensen aan de oever van de rivier, te ver weg om bewegingen, gezichten of emoties te onderscheiden. Geen wrak, geen drama. Alleen het rood van de kleding van Nepalese vrouwen in de menigte was zichtbaar.

Onze bus bewoog zich voort met de file, die zo’n drie keer uiteen week om een ambulance door te laten. Ik keek naar de slapende Marcel naast me. Hij had niets van het ongeluk meegekregen. Ik voelde de intense behoefte om hem in een grote doos te stoppen, vol met zachte plastic schuimbolletjes, er een flinke afstand tape omheen te winkelen en aan alle kanten grote stickers met Pas op, Fragiel, op te plakken.

In de loop van de avond werden de pakketjes van onze zielen veilig in Kathmandu bezorgt, waar het vliegtuig Angel eveneens in goede staat had afgeleverd.

Sindsdien heb ik mijn eigen busverhalen om te vertellen.

_DSC9237

Patrick

Vanaf vandaag heb ik precies drie maanden om me voor te bereiden op het ski-examen van de gidsenopleiding. Op zoek naar advies voor een skileraar die me hierbij kan helpen, klopte ik twee dagen geleden aan bij de ENSA. Marcel had me aangemoedigd om specifiek bij hen langs te gaan, zodat ik maar vast aan ze kon wennen. De enge mensen van de ENSA.

Ze konden me niet helpen, omdat examenkandidaten geen advies van de examinatoren zelf behoren te krijgen. Maar, zeiden ze, er zijn genoeg skileraren die het examen kennen en je prima kunnen voorbereiden.

Niemand zei overigens tegen me: ‘Hé, klein meisje, wat doe jij hier? Het is veel te gevaarlijk voor jou hier!’ Dat was toch geruststellend.

De dag erna bracht ik een bezoek aan École du Ski Français, de ESF in Les Houches, het nest van de rode skipakken. De secretaresse achter de balie wist niet wat een berggids was, maar na een telefoontje met een leidinggevende kwam ze met een naam op de proppen: Meneer Patrick, zowel berggids als Moniteur de Ski, dit is zijn telefoonnummer.

Ik belde hem. Een raspende stem klonk. Ik had moeite hem te verstaan en schaamde me voor het aantal keren dat ik pardon zei of verkeerd reageerde. Uiteindelijk wist ik te ontcijferen dat we de volgende dag zouden skiën, mits het weer ons toeliet.

Tegenover de piste lag een café waar ik hem zou ontmoeten. Tegen een uur of negen in de ochtend zag ik een witte Jeep parkeren in de moddersneeuw langs de weg. Een oude, oude man in een rood skipak stapte uit. Dit was Patrick. Mijn skileraar.

Hij begroette me met zijn raspende, moeilijke stemgeluid. Daarna begroette hij de dames achter de toonbank van het café, de andere skileraren met hun klanten en wat pisteurs die snel voor een koffie kwamen. Hij begroette ook een Engelse vrouw en haar dochter, een Olympisch kampioen Telemarken en een tweetal joviale, eveneens bejaarde mannen. Als er een kat was binnengelopen, dan had hij die ook begroet. Deze man kende iedereen binnen het café en, zo bleek later, ook iedereen buiten het café.

Dus, jij wilt gids worden? – vroeg hij me van boven zijn espresso, toen hij de rust had gevonden om aan tafel aan te schuiven. Ik legde uit dat ik nog niet heel lang skiede, binnenkort aan de CRET zou beginnen (wat hij niet kende – ver na zijn tijd) en waarschijnlijk nog een hoop basistechniek miste, terwijl de examens in Maart zouden plaatsvinden. Hij reageerde niet sceptisch. Dat was een zegen waar hij zich niet bewust van was.

Het regende, wat volgens hem skiweer was voor de Engelsen, maar niet voor hem. Ik zei dat ik uit Nederland kwam en gewend was aan de regen, wat overigens totaal niet correspondeert met mijn herinnering. Maar voor ik kon voorstellen om het skiën uit te stellen, liep hij al met ferme passen richting de skilift.

Hij kroop vlug in het ei bij een oude vriend van hem, ik kon me er net op tijd bij wurmen. Ze praatten bij en ik staarde naar de ramen van ons ei, die beplakt waren met een laag hobbelige sneeuw, bang dat ik mijn eerste piste faliekant zou falen en Patrick alsnog reden tot scepsis zou geven. De Youtube tutorials die ik afgelopen week gekeken had speelde ik af in gedachten.

Iedereen die daarboven aan het liftje met zijn ski’s stond te klungelen, begroette mijn skileraar. Hij was een beroemdheid. Ik had een klassieker te pakken.

We daalden af door de sneeuwvlokken van het slechte weer, met onze jassen hoog dichtgeritst en de capuch ver over onze hoofden getrokken. Patrick analyseerde me op de pistes, in de poedersneeuw, op snelheid, per bocht, van een afstand of dichtbij, en bracht me uiteindelijk de basis van het skiën bij. En dat was waanzinnig interessant.

Begrijp je wat je doet? – vroeg hij. Snap je waarom je een bocht maakt? Weet je waar je gewicht zich bevindt? Waar denk je aan? Wat probeer je? Wat gebeurt er in je hoofd en in je lichaam voor, tijdens en na een bocht?

Geen idee, Patrick! Werkelijk geen idee.

Hij liet me kleine stukjes skiën en herhaalde telkens dezelfde vragen, in de hoop dat ik op een gegeven moment een antwoord zou vinden. Het was alsof hij me uitnodigde op een reis door het museum van mijn skigewoontes, door mijn denkgewoontes, door mijn intuïtie. Er ging een wereld voor me open in vreemd letterlijke zin, of laat ik zeggen, hij knipte een lampje aan en plotseling was die onvoorspelbare, gevoelsmatige aangelegenheid van het skiën zichtbaar en analyseerbaar.

Want, zei hij, je moet eerst begrijpen wat je doet. Dan kunnen we beginnen met aanpassen.

De les was, naast leerzaam zo niet cruciaal, ontzettend amusant. Als we bij een lift kwamen, koos hij de kant van het liftgebouw zodat hij snel een praatje met de liftjongens kon maken. Hij vertelde me over ‘toen’ in zijn moeilijke, raspende Frans, de jaren waarin hij als gids actief was, over de opleiding, het materiaal, Chamonix. Hij werd al snel een sprookjesfiguur aan wiens lippen ik hing. De felblauwe ogen die ik pas weer zag na de skiles waren mijn nieuwe vrienden.

Il faut que tu bosses! – zei hij als afscheid. Ik moet aan de slag.

Alhoewel Patrick weinig losliet over mijn huidige skiniveau, had ik na zijn les meer zelfvertrouwen dan ik ooit op ski’s heb gehad. Nu weet ik hoe ik beweeg, zal moeten bewegen, hoe ik leer en hoeveel tijd het gaat kosten. Slagen voor het examen ligt sinds vandaag in mijn eigen handen, niet meer in die van de geheimzinnige koers des levens. Gewoon hard werken en goed opletten. En echt hoor, fuck-it als ik niet passeer, want mijn dagen zijn momenteel zo mooi dat het eindresultaat erbij in het niet valt. Ik neem de uitdaging aan en ski ondertussen dwars door mijn dromen.

 

Een paar laarzen

Achter de ruiten van het vliegveld van Geneve zag ik sneeuwvlokken vallen. Ik vroeg aan mijn transferchauffeur of hij me in Le Coupeau kon afzetten, mijn dorp, dat hoog op de helling ligt. ‘Maybe, but maybe not’, antwoordde hij.

Hij wist me nog vrij ver omhoog te rijden. Toen ik uitstapte begreep ik waarom hij was gestopt: Mijn roze gymp zakte diep weg in de poedersneeuw.

Gillend vloog ik Adria om de hals. Sneeuw, Adria, sneeuw!

De volgende morgen gleed ik over een bospaadje naar beneden, op weg naar een winkel waar ze gepaste schoenen verkochten. Op twee ordinaire, bonten, futuristische laarzen met ingebouwde uitklap stijgijzers liep ik weer omhoog. Het was zo… wit. Er waren zoveel bergen. En die bergen waren ook zo wit. Alleen de beste dagen van de vorige seizoenen zagen er zo uit, en die waren pijnlijk schaars geweest.

De sneeuw dwarrelde op mijn wimpers en wangen en bleef kleven in mijn haren. Ik liet me vallen op de grond en had een zachte landing.  Graag had ik Marcel gebeld om mijn verwondering te delen, maar mijn telefoon werd bedekt met vlokken voor ik zijn nummer kon draaien.

Een dag later liep ik hetzelfde bospad naar beneden en was de sneeuw nog onaangeraakt. Ik schopte en danste me een weg naar beneden, in een wolk van poeder die niemand zag, alleen de bomen vanonder hun eigen laag kristal. Het sneeuwde zo hard dat de rails van de trein verborgen lag, terwijl de treinen om het halfuur reden. Alle huizen hadden hoedjes van een halve meter hoogte. Ik liep door Les Houches, midden op straat, waar het drukke verkeer bestond uit kinderen op sleetjes. Onze route lag vol met gestrande auto’s. Alleen het logge wezen van de bus reed soms traag voorbij, met verzopen skiërs tegen de beslagen ramen.

Toen ik weer bij het bospad kwam, zag ik dat mijn stappen verdwenen waren.

Thuis zette ik mijn futuristische laarzen tegen de verwarming. Vanuit een dekentje keek ik naar ze, terwijl in mijn ooghoek, achter het raam, de sneeuw nog steeds in dikke vlokken naar beneden dwarrelde.

Le Plaisir

Ik kreeg vanmiddag een email van de CRET met dit zinnetje: ‘…nous avons le plaisir de vous informer que vous bénéficierez d’un financement de la Région PACA et du Fonds Social Européen pour suivre, au sein de notre centre, la formation « préparation au Probatoire d’Aspirant Guide de Haute Montagne »’. Ze gaan mijn CRET financieren. Dat is heel, heel, heel erg goed nieuws, want uit eigen zak had ik ’t nooit kunnen betalen.

Gisternacht heb ik een ticket naar Chamonix geboekt, waardoor ik morgenavond arriveer in Le Coupeau, een dorpje boven Les Houches. Daar woon ik namelijk deze winter, samen met Adria. En dat laatste schrijf ik er even nonchalant achter, maar Adria is voor het derde jaar mijn Chamoniaanse huisgenoot en dat is net zo fantastisch als die hele opleiding. Ik had hem zojuist aan de telefoon en hij zei me dat er al sneeuw lag. In het dorp. De liften gaan dit weekend open en wij gaan skiën alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Als ik nu mijn been maar niet breek.

(Met dank aan Kimberley & handlanger, die mijn Franse motivatiebrief corrigeerden en me daarmee hebben gered)