Latest Posts

Valentijn

Ik heb zojuist ‘Valentijn’ gegoogeld om te verifiëren dat de ‘dag der geliefden’ vandaag is, veertien februari, want mijn opgesloten bestaan in Coupeau maakt me wereldvreemd en vergeetachtig. Het meest prominente zoekresultaat in beeld was een advertentie van de HEMA, en ik ben groot fan van HEMA, waardoor ik nu met spijt in het buitenland zit, want ik had Marcel graag een USB-stick roos van 8GB en een hartvormig thee-ei cadeau gedaan.

De ‘dag der geliefden’ is volgens mijn vriendje 23 april, Sant Jordi, wanneer Catalaanse mannen een roos aan Catalaanse vrouwen geven en Catalaanse vrouwen een boek aan Catalaanse mannen. Valentijn heeft geen betekenis voor hem, nog minder dan voor iemand die de traditie afschrijft als commerciële onzin. Hoe overtuig ik deze Catalaan van de noodzaak om een puntzak met zachte hartjessnoepjes voor mij te kopen?

Dit is mijn zesentwintigste Valentijn zonder puntzak met zachte hartjessnoepjes.

Gelukkig heb ik Marcel niet nodig om me te verkneukelen over onze liefde. Sterker nog, Marcel is vanmorgen vroeg vertrokken om te skiën, samen met de hele vallei omdat de lucht helderblauw zag en de poeder nog fris op de flanken lag. Alleen al een blik op de bergen maakt me momenteel diepongelukkig, waardoor ik totaal afhankelijk ben van triviale dingen zoals Valentijn om mijn goede humeur in stand te houden.

Er is een verhaal dat altijd in me opkomt wanneer ik denk aan Marcel en mij als echtpaar (grapje), dat ik eigenlijk nooit zo aan mensen vertel omdat er niet echt een climax in zit en ik überhaupt slecht ben in het vertellen van dit soort anekdotes.

Het was de zomer van 2016 en ik woonde nog niet zo lang bij Marcel in de ambulance. We stonden geparkeerd naast een veldje bovenin Argentière, waar veel klimmers in busjes kampeerden omdat de bomen schaduw gaven en de gemeente ’s zomers een klein toilethok neerzette. Ik kwam zojuist van het centrum en zag dat de deur van de ambulance open stond. Het was avond. In plaats van Marcel achter zijn accordeon, trof ik een pan linzen op het vuur. Voordat ik het gas dichtdraaide, liep ik een rondje over het parkeerterrein en riep Marcel, die zich zo goed verschool dat ik me zorgen begon te maken. Een derde van de linzen plakte verbrand aan de bodem van de pan. Ik kende Marcel misschien nog niet zoals nu, maar wist wel dat hij niet het type was om een pan op het vuur te vergeten.

Toen ben ik naar de prullenbakken gelopen en heb ik mijn vriendje gezocht tussen de vuilniszakken van Argentière. Niet omdat ik dacht dat ik zijn lijk daar zou vinden, maar omdat ik wist dat Marcel een fervent dumpsterdiver was en dat die prullenbakken drie meter diep konden zijn.

Uiteindelijk trof ik Marcel achter het houten huisje op het veld, in het gezelschap van twee uitbundige Basken die dermate amusant bleken dat hij de linzen was vergeten. Voor het eerst in onze relatie had ik me zorgen om hem gemaakt, écht zorgen, richting paniek zelfs. Maar dat is niet de reden waarom ik het incident zo helder in mijn herinnering heb staan. Van alle plekken waar je je vriendje zou kunnen gaan zoeken, ben ik als eerste naar de prullenbakken gelopen. Wie zoekt haar vriendje nou in de prullenbak?

Als ik één ding zou moeten noemen waarom ik zo veel van Marcel houdt, dan is het dit: Hij verbaasd me. Hij heeft me altijd verbaasd. Na onze hereniging realiseerde ik me hoe absurd het was dat ik naar hem had gezocht in de prullenbak, terwijl het op dat moment zo logisch had geleken. En dit was nog maar de prullenbak. Met Marcel weet je het nooit. Hij zou overal kunnen zijn. Zijn creativiteit en daadkracht maken de mogelijkheden grenzeloos. Met zijn manier van denken en handelen heeft hij mijn blik op de wereld geopend, en schijnbaar resulteert dat erin dat ik hem op de gekste plekken moet zoeken wanneer hij kwijt is. Dit is precies wat ik wil, een onvoorspelbare Marcel, zelfs al brengt dat het risico met zich mee dat ik ook onze kinderen op een dag in de prullenbak moet gaan zoeken.

Mijn Valentijn. Hij komt straks thuis. Ondanks zijn onvoorspelbaarheid weet ik vrij zeker dat hij me niet zal verassen met een puntzak vol zachte hartjessnoepjes en dat is dan wel jammer.

(Je kunt bij de HEMA ook gouden heliumballonnen kopen in de letters L,O,V en E. Als je wilt kun je dus ook VOL spellen, of LEO, of VOLLE LEO).

_DSC0780

Het Restaurant: Een Fancy Berghut in de vallei

Waar moet je heen om mensen te ontmoeten als je nieuw bent in de stad? Naar het restaurant van Ruby. Want daar eet iedereen hetzelfde om dezelfde tijd aan dezelfde tafel. Zoals in een berghut, maar dan in de vallei.

Een van mijn favoriete onderdelen van het alpinisme is het diner in de berghut, al kan ik me het zelden veroorloven en zit ik er vaak met een zakje noedels naast. Ingevlogen knoflook kost immers een fortuin, net als de liftpas van de wijn.

Hoe dan ook, in een berghut raak je bijna altijd in gesprek met je tafelgenoten, zij het omdat het zout aan de andere kant van de tafel staat. Natuurlijk geeft het alpinisme een gemeenschappelijke hobby waar gemakkelijk over gesproken wordt, maar het gemeenschapsgevoel komt volgens mij grotendeels voort uit het feit dat je aan dezelfde tafel zit en het eten deelt.

Dat is nu precies wat ik wil: De perikelen van een eetzaal in een berghut, in de vallei. En goedkoop.

Hoeveel ik echter ook houd van het oude, houten, geleefde karakter van berghutten, het is niet het idee dat mijn restaurant lijkt op een berghut. Sterker nog, ik wil juist dat het modern en hip genoeg oogt om mensen te trekken die in eerste instantie af geschrokken worden door het concept. Het mag geen ontmoetingsplaats worden voor de vagebonden. Maar ook weer geen hipsterinitiatief, want dan komen de vagebonden niet meer binnen. Om mijn doel te bereiken (wat is: verschillende mensen bij elkaar brengen) moet ik ergens in het midden gaan zitten.

Het enige wat ik me kan bedenken is dat het er waanzinnig aantrekkelijk uit zal moeten zien. Sfeervol, kleurrijk, mooi, dat je binnenkomt en denkt: Wouw. Woouuuw.

Maar mét de grote houten tafels die je in berghutten vindt.

Ik wil een mogelijkheid creëren die ik zelf graag had willen hebben toen ik nieuw was in Chamonix. Een ontmoetingsplek zonder het karakter van een eng, sociaal initiatief, zonder de intentie om elkaar eens even heel heftig te gaan zitten ontmoeten. Een plek waar je heengaat met een groep vrienden of zonder angst alleen. Het moet aanvoelen alsof dit nu eenmaal de manier is waarop de samenleving in elkaar zit: Als je uiteten gaat, dan eet je goed en dan eet je samen.

Ligamenten houden van groenten en fruit

Ik was ervan overtuigd dat ik goed was in het omgaan met tegenslag, maar na twee weken wil ik nog steeds skiërs pootjehaken en sneeuwvlokken terug de hemel in sturen. Marcels verhalen over de afgelopen CRET-week maken me jaloers. Hoe meer zij trainen, hoe kanslozer ik me voel.

Ik was wel de laatste die zich een maandlange siësta voor het examen kon veroorloven. Mijn zelfvertrouwen is in zijn geheel blijven hangen achter de mogul die mijn ondergang inzette. Het voelt als een grap om in dit stadium nog hoop op succes te cultiveren.

Wat is er gebeurt met de weg ernaartoe? Het is moeilijk om die te waarderen vanuit horizontale positie. Hoe langer ik op de bank lig, hoe meer ik geneigd ben om mezelf te distantiëren van het traject. Ik zou het graag opgeven om te voorkomen dat ik nog een maand lang dobber in frustratie en daarna in lijn der verwachting het examen faal. Het vereist nogal wat optimistisch vermogen om deze tegenslag te zien als een leermoment of gelegenheid om door te zetten. Diep (of eigenlijk niet zo diep) in mijn hart neem ik liever mijn verlies, zodat ik me vast kan oriënteren op wat erna komt. De wereld heeft zoveel meer te bieden dan poedersneeuw.

Maar ja, hè, op die manier leven we het leven niet. We staan ver boven opgeven. We moeten na afloop kunnen zeggen  dat we ‘alles hebben gegeven’, anders is het niet leuk. Anders verkopen we onze ziel aan het voortkabbelende bestaan.

Mijn vriendje is doodvermoeiend, maar ik ben het wel met hem eens.

Hoezeer ik deze tegenslag ook vervloek en hoe graag ik andere skiërs ook wil pootjehaken, in naam van de weg ernaartoe wil ik er toch iets van maken. Training in de meest optimale zin van het woord is niet mogelijk, maar er zijn dingen om te doen. Ligamenten houden schijnbaar van groente en fruit, dus ik kan op zijn minst gezond eten. Aandacht voor de blessure in het algemeen helpt herstel, zeggen ze, dus ik doe de massages en het ijs en de oefeningen. Ik kan mijn lichaamsspanning trainen en schijn zelfs de juiste neuronen te kunnen koppelen door in gedachte over de piste af te dalen.

Echter, waar het uiteindelijk op neerkomt is niet het tempo van herstel van mijn knie of de juiste connecties in mijn brein, maar de vraag of ik, wanneer ik weer op ski’s sta, mijn zelfvertrouwen achter die mogul kan terugvinden.

Nu, hoe doe ik dat?

Frida

Terugvallen op Netflix is perfect voor een dag of twee, maar daarna beginnen alle series en films op elkaar te lijken. Ik was verdrietig toen Marcel in de bus stapte en zonder mij naar Briançon reed, en zocht afleiding. Maar de dag dat hij aan de CRET begon, vond ik mijn schilderspullen terug in de lade.

De winter van Chamonix staart me betekenisloos aan door het balkonraam. Zonder ski’s is de laag sneeuw beduidend minder inspirerend. Ik ben uit de ENSA-trein geschopt terwijl de aspirant gidsen nog op weg zijn naar het examen. Wat in godsnaam doet een gestrande ziel zonder ski’s in deze vallei?

Schilderen.

Misschien valt er inderdaad winst te behalen uit mijn blessure, zoals de fysio zei. Zij had het over spiergroepen die ik tijdens mijn revalidatie kon trainen, ik dacht meer aan een soort geestverruimend avontuur. Sorry voor dat paard dat constant terugkomt, maar dat stond hier werkelijk in de woonkamer. Ik was zo gefocust als het niveau van de ENSA van me vroeg en dat was all-in. Alles buiten skiën was secundair.

Welke gek gaat er nu dag in dag uit van een helling met sneeuw glijden?

De laatste Netflixfilm die ik keek was Frida, over de beroemde Mexicaanse schilderes Frida Kahlo, begin jaren negentig. Alleen al de kleuren. Dat is nog eens iets anders dan het wit-zwart schema van de Alpen in winter. Ik klaag niet over mijn bestaan hier, maar de bergen staan pal bovenop de culturele diepgang van de vallei. Sfeer? Muziek? Hartstocht?

Hartstocht voor ski’s.

Mijn blessure lijkt mee te vallen, maar het duurt nog wel even voordat de fysio me loslaat. Daarom zit Frida hier naast me op de sofa. Ze vraagt me wie ik ben wanneer het paard op stal staat, wat ik doe en waarom, ze vraagt om schilderijen en zo niet om gedichten of liederen, sensuele dansen in kleurrijke jurken en gitaren en apen en nog meer schilderijen. Het werkt bevrijdend, zo’n blessure.

Het Restaurant

Heb je weleens het gevoel dat je gestrand bent op een eiland wanneer je met een vriendengroep uiteten gaat? Ik word rusteloos van restaurants en ik weet eindelijk waarom: In een restaurant eet je met heel veel vreemde mensen die je nooit leert kennen. Elke groep zit op een eiland en alleen de obers hebben een boot.

Ik begrijp het concept van een restaurant: Gezelschappen willen (goed) eten terwijl ze tijd met elkaar spenderen, of vooral tijd met elkaar spenderen, of vooral (goed) eten. Prima. Dit concept werkt niet voor mij. Het werkt gewoon niet. Echt niet.

Hoe goed mijn eigen gezelschap of het eten ook is, ik kan nooit volledig loslaten dat er onbekenden om me heen lopen te dineren. Ik voel me altijd enigszins gevangen door het gezelschap waarin ik toevallig verkeer en een beetje bedreigd door de gezelschappen die niet aan mijn tafel zitten.

Ik geloof dat ik wil weten wie ze zijn, of in elk geval de mogelijkheid wil hebben om ze te leren kennen. Of laat ik het zo zeggen: Ik wil liever met ze zijn, al hoeft er geen woord tussen ons gewisseld te worden.

Mensen gaan niet uit eten om nieuwe mensen te ontmoeten en restaurants zijn er niet op ingericht om vreemden bij elkaar te brengen. Maar toch, ze doen het wel. Je eet nu eenmaal gelijktijdig met dertig, veertig man, maar je loopt hun tafels voorbij zonder hun aanwezigheid te erkennen. Wat is dat voor iets belachelijks.

Ik heb liever twee grote tafels, dan twintig kleine, en ik zit liever naast een onbekend gezelschap, dan dat ik ze achter me hoor lachen. Echt waar. Vreemde mensen zijn eng, stinkend vervelend of heel veel cooler dan je eigen gezelschap, tot ze aan je tafel zitten. Eten verbindt.

Ondanks dat ik zo culinair ben als een reep melkchocolade en koffie, wil ik een restaurant opzetten. Het merendeel van mijn werkervaring (wat zeg ik: al mijn werkervaring) ligt vooralsnog in de horeca. Ik heb gezien wat werkt en wat niet werkt en door de jaren heen, min of meer onvermijdelijk, een specifieke fantasie over mijn eigen restaurant ontwikkeld.

Ik weet niet of dit leven me de gelegenheid zal bieden om mijn restaurant te verwezenlijken, maar het geeft me in elk geval genoeg tijd om me met het concept te amuseren. Misschien kan ik er na mijn pensioen mee aan de slag, met een paar pittige bejaarden in de kelder van het verzorgingstehuis. Als het nog een aantal levens duurt, dan stop ik mijn businessplan bij het eindrapport over mijn verlichtte status en mijn aanvraag voor een zangcarrière (of een kattenlichaam) in mijn reïncarnatiekoffer.

Of, wie weet, ben ik over vijf jaar trotse eigenaresse van mijn eigen lievelingsrestaurant. Waar iedereen gewoon aan dezelfde tafel eet.

Shitpaard

Het vonnis: Ik zal de tijd hebben om alle seizoenen van Gilmore Girls te kijken en mijn restaurant tot in detail uit te werken, maar dat ticket naar Zuid-Amerika hoef ik (nog) niet te boeken. De tijd die ik aan revalidatie kwijt zal zijn, halveert onvermijdelijk mijn reeds geringe kansen en verdubbelt mijn afhankelijkheid van geluk. Maar, zoals Marcel het formuleerde: de druk is ervan af. Nu kan ik totaal ongetraind maar ontspannen het examen instappen.

Ik had mijn fysio-afspraak in een praktijk van kakelende Britse vrouwen die me op melige toon verzekerden dat ze ‘heus wel professioneel’ waren. Tegen de tijd dat een van de therapeutes me naar de behandelkamer begeleidde, was ik op van zenuwen. De behandeling werd onderbroken door een telefoontje van haar zoon die haar mededeelde dat hun hond was ontsnapt, waarop ze verzuchtte dat ze een erg slechte dag achter de rug had, nog voor ze een definitief oordeel over mijn knie had gevergd. Mijn eigen MCL-diagnose was juist gesteld. ‘Probably a serious grade two’, gaf ze me uiteindelijk.

Omdat ik een verwijzing van de dokter nodig had, bracht ik daarna een bezoek aan mijn schimmige, Franse, binnenkort gepensioneerde huisarts die zo’n jaar geleden mijn borsten had onderzocht terwijl zijn sigaret in een asbak op het balkon al rokend op hem wachtte. De muffige kamer met haar multomappen en donkere meubelen kalmeerde me. Ik had hem onbedoeld beledigd door eerst naar de therapeutes te gaan, want ‘het stellen van diagnoses was aan hem, niet aan hen’, zei hij mompelend. Zijn diagnose luidde min of meer hetzelfde, alhoewel zijn versie ruimte overliet voor meer scenario’s. Ik strompelde significant optimistischer zijn kamer uit. Het zou mee kunnen vallen (met de serious grade two).

Beiden waren er redelijk zeker van dat alleen de MCL was aangetast. Ze konden minder zeggen over de mate waarin, omdat de knie te kwetsbaar was om alle functies te testen. Na tien dagen van rust, ijs en existentiële crisis zouden ze meer weten.

De overgang van een uitputtend trainingsregime met accumulerend zelfvertrouwen naar de sofa in Coupeau is groot. Ik moet mezelf afleiden om niet te zwelgen in zelfmedelijden en mijn gedachten actief tot de orde roepen, met name wanneer ik begin te dagdromen over een tijdmachine die vlak voor de drie catastrofale secondes mijn geschiedenis een andere kant op stuurt. Het voelt alles bij elkaar zo stompzinnig, mijn verdriet, mijn lichaam, mijn toekomst, de obsessie waar ik twee dagen geleden nog over schreef, dat ene shitpaard.

Hoe dan ook, de huidige situatie is feitelijk, onvermurwbaar en op zichzelf shit (excuus: SHIT SHIT SHIT POEP POEP POEP) genoeg. Ik hoef geen emotioneel drama toe te voegen om de juiste diepgang te bereiken. De bank is daar, de knie ligt erop en ik lig er noodgedwongen bij, met een zee van tijd, een redelijke internetconnectie, de mogelijkheid om mezelf los te koppelen van de dichtgetikte skibubbel en mijn ogen te openen voor de andere mooie dingen in de wereld. Wie weet raak ik nog eens geïnspireerd.

_DSC0144

Shitpaard op Ski’s 

Gradatie van gruwelijkheid

De reusachtige, ouderwetse houten pickel in de woonkamer doet prima dienst als wandelstok, een potentieel dat ik er nooit eerder in heb hoeven zien. Gisteravond stopte ik een chocoladepizza zonder schuldgevoel in de oven en vanmorgen nam ik een schaamteloos lang bad. Marcel is buitenaards lief, geduldig en optimistisch en Adria’s relativerende humor heeft het juiste effect: Relativerend. Ik heb een excuus om mijn teennagels te lakken en alle seizoenen van Gilmore Girls af te draaien, waar ik oprecht van geniet, en mijn lichaam krijgt eindelijk een voldoende dosis rust. De sneeuw die vannacht is gevallen zal niet vrolijk onder mijn ski’s vandaan stuiven, maar laat zich gemakkelijk in een zakje scheppen, waardoor ik geen ijsblokjes in de vriezer hoef te leggen. Het enige probleem is dat de bus van Marcel vanwege de gladheid de weg naar Coupeau niet op kan en mijn benenwagen in nog onbekende mate naar de klote is, waardoor ik min of meer ben gestrand in mijn eigen chalet.

Dat het een blessure van de MCL (ligamentum collaterale tibiale in Nederlands) van de rechterknie is weet ik, na een flink staaltje zelfgedokter met behulp van het internet, vrij zeker. Schijnbaar zijn er drie gradaties van gruwelijkheid, waarvan de eerste na zo’n week geneest, de tweede langer dan een maand kan duren en de derde een game-over inhoudt. Als ik de derde had gehad, zou ik nu als een verslagen hoopje mens met een gezwollen, kleurrijke knie in de wachtkamer van het ziekenhuis zitten. We zitten dus nog relatief goed.

MAAR LAAT HET ALSJEBLIEFT GRADATIE ÉÉN VAN GRUWELIJKHEID ZIJN

Vanmiddag om half vier heb ik een afspraak met een fysio in het centrum. Het is vreemd dat ik hem of haar nodig heb voor het vonnis, terwijl ik mijn knie hier voor me heb liggen. Het ding zwijgt, zegt niet wat er aan de hand is, heeft veel te veel macht, de rechterknie, de onaangekondigde hoofdrolspeler van het komende tijdsbestek, doe me een gunst en wees niet kapot.

Boeddha door het keukenraam

Zo’n ski-examen eist een hoop aandacht op. Door mijn achterstand kan ik me geen ontspannen houding veroorloven; gedrag dat afwijkt van het obsessieve tast immers mijn slagingskansen aan. Boeddha blijft daarom buiten de deur en binnenshuis resideert maar één paard om op te wedden.

Op momenten dat ik het vertrouwen in mijzelf, de toekomst of de ski’s verlies, ben ik geneigd om uit te zoomen en het idee tamelijk belachelijk te vinden. Waarom doe ik dit? Welke mensheid wordt hiermee gered? Wat legitimeert de zelfobsessie? Is de weg ernaartoe nog waardevol genoeg? Op die momenten: Nee.

Op de momenten dat ik plotseling, eindelijk, weer een sensatie van controle heb, dan stel ik mezelf geen vragen meer. Het is gek hoe ‘vrijheid’ volgt uit een systeem van conventies en herhaling. Een gecontroleerde afdaling opent alle sluizen van het gelukhormoon.

Toch zou ik graag af en toe even op de rem willen trappen. Een adempauze, relativering, zodat alles omtrent ski’s – die twee op wereldschaal bizar nutteloze, overschatte plankjes – wat minder belangrijk zou zijn.

Maar nu op de rem trappen? Dat zou wel het domste zijn wat ik in dit stadium zou kunnen doen.

Ik haal enigszins de druk van de ketel met de gedachten dat ik, als ik het examen niet haal, ga reizen in Zuid-Amerika. Het helpt daarbij enorm om te denken dat ze allemaal knettergek zijn – de alpinisten, de ENSA, de CRET, skiërs in het algemeen. Ondertussen werk ik de plattegrond uit van het restaurant dat ik wil opzetten en open ik, op stille momenten, het document met mijn roman, dat telkens een paar regels groter wordt.

De meest effectieve methode om me af te leiden van dat ene paard binnenshuis blijkt onverwacht de schilderkunst, want dan zet ik mezelf aan de keukentafel met wat kinderverf en leeg papier, en schilder ik de minst prestigieuze vormen mogelijk. Dan zie ik Boeddha door het keukenraam naar binnen kruipen en ontspan ik tot in het diepste van mijn wezen.

(Foto’s: Jaap de Witte  https://www.flickr.com/photos/persijnenburg/sets/72157689846714892)

le-tour---03008_25061611857_o

Jaap de Witte, gastblog II: when it comes toè skiing

le-tour---03048_28153587979_o

Buslijn 12 slingerde door het besneeuwde landschap van de Vallée de la Chamonix. Ski’s vlogen door het gangpad, stokken bleven hangen in lussen en binnen de kortste keren waren de ruiten volledig beslagen. Druk babbelend hielden de meeste passagiers zich bezig met sneeuwkwaliteit, sneeuwdiepte, sneeuwdrukte en sneeuwkaters. ‘Yeah, there was some good snow at the Brwéévàh in Chjèmaunié‘ – blik op de smartphone – ‘oh really, we went to Léés Hautchjès. I’m completely in love with my new teacher, Frènchwoh Démiauwtéé‘. Te midden van deze wintersportscène: Jaap en Arnold. Volledig gekwalificeerd onkundig op het gebied van wintersport en volledig out-of-tune. Door zachte dwang van zus Ruby, volledig gekwalificeerd kundig op het gebied van alles boven de 10 meter op zeeniveau, denderden we in de volle bus naar Le Tour. Daar lag het skigebied waar de ontgroening op latten zou plaatsvinden. De bus uitgerold verbaasden we ons over drie meter sneeuw en ploegden enthousiast door de witte wereld. Het fototoestel kwam erbij en we hadden de grootste lol – bijna vergetend dat er iets veel groters te wachten stond.

Ruby, een bus later, plukte ons uit de sneeuw en wees met een glimlach de location ski aan. Binnen ontving de verhuurder van het spul ons met alle clichés die maar van toepassing zijn op groene Hollanders. ‘Ahh, ze furst time, right?‘ constateerde hij met fonkelende oogjes. De verhuurder keek naar beneden. ‘I’me not zjour mothèr é‘. Vrij vertaald: trek die schoenen uit en doe wat ik zeg. Na een half uur stonden we op skischoenen met ski’s onmogelijk bungelend in onze handen. De ontgroening begon onverwacht hard. De baby-piste was twee heuvels verder – niet noemenswaardig, maar met ski’s en stokken in je handen en die onwrikbare klompen aan je voeten niet om door te komen. Ruby zag de worsteling, poetste een ontsnapt glimlachje weg en begon uit te leggen hoe je als een profi al dat materiaal meezeult. Na deze eerste fase overleefd te hebben, zag ik Het opdoemen. Het ijzige helle-apparaat. Het martelwerktuig van Thor, Godan en welke wintergod er ook op deze wereld vertoefde: de skilift. Ratelend transporteerde het uiterst breekbare lijntje de ijzeren palen met ronde schijf de hoogte in. Gelukkig kon ik mij mentaal nog lang voorbereiden, want ik kwam vakkundig vast te zitten in het opblaasbare toegangspoortje naar de lift. Arnold gooide al zijn angsten weg en was binnen een oogwenk boven. Ik ploeterde mijzelf naar de kleine liftdame. ‘Allez, furst time fur you?‘ Verdwaasd keek ik haar aan en bestempelde de vraag maar als retorisch. Wat deed anders een 29-jarige vent op de baby-piste? Na wat fraai klinkende Franse zinnen pakte ze opeens de ijzeren paal en slingerde het geheel op een plek waar het nooit de bedoeling zou moeten zijn. Opeens schoot ik de lucht in.’Look forwáárd, forwáárd‘, schreeuwde de dame. Als gehypnotiseerd keek ik forwáárd en dreutelde eigenlijk vrij kalm de heuvel op. Een aantal seconden lang verdween alle angst. Eigenlijk ging dit best prima. Toen daalde plots het besef in dat ik ook weer van deze paal af moest. Daar had die vrouw niets over gezegd! Het einde van de lift kwam in zicht en had de opzet die ik alleen kende van de noodstopruimtes voor vrachtwagens in haarspeldbochten: een klein vlak plateautje en daarna een soort sneeuwbak waar je nooit meer uit zou komen. In al mijn tact beredeneerde ik dat ik best wat vaart had en het beste iets voor het plateautje kon loslaten, hetgeen spoedig de meest tactloze gedachte van de dag bleek. Het ijzerwerk schoot onder mij uit, ik stond voor een nanoseconde stil en begon daarna geheel onvrijwillig aan een spectaculair stukje achteruitrij-skiën dat abrupt eindigde in het hekwerk. Ruby ontvouwde mij uit de touwen en loodste mij met een bijzonder staaltje engelengeduld naar het plateautje.

Goed, dat was een soort van overleeft. ‘Pizzapunt is het allerbelangrijkste‘ begint m’n zus op een uiterst rustgevende toon. ‘Als je altijd in de pizzapunt blijft, heb je controle. Probeer je gewicht hierbij naar voren te plaatsen‘. Arnold en ik pizzapuntten een stukje horizontaal, dat an sich vrij goed ging. Blijmoedig constateerde ik dat langlaufen in ieder geval ook nog een haalbare optie kon zijn. ‘Bij het maken van een bocht leg je al je gewicht op de buitenste ski, maar blijf in de pizzapunt!‘ Arnold pizzapuntte een eerste bochtje en puntte er een ander bochtje bij. Met wat overmoed begon ik aan mijn pizzabochtje. Ik zwiepte naar links en maakte flink vaart. ‘Nu alles op de linkerski, de linker!‘ hoorde ik ergens in de verte. De linkerski hield zich echter maar gedeeltelijk aan de opdracht en ik kwam in de ultieme skischansstand terecht. In moordend tempo sneltreinde ik van de piste af. Krantenkoppen flitsten door mijn hoofd waarvan ‘Hollander verpulvert vier peuters’ nog de minst bloedige was. Al mijn kracht perste ik nu op de linkerski en via een indrukwekkende turnoefening met halve draai en driekwartschroef sloopte ik het hekwerk aan de andere kant. Arnold had zich intussen behendig naar beneden gepizzapunt. ‘Als je vertrouwt op jezelf en je denk dat je het kunt, dan gaat het je lukken‘, zegt Ruby rustig. Liggend in de sneeuw kwam deze diepgaande levensles maar half binnen. Weer op poten gezet – een sport op zich – puntte ik mijzelf stuntelend naar beneden. Bij de tweede skilifttour waren de goden wat meer vergevingsgezind en had de skilift-dame begrepen dat er lief tegen mij gedaan moest worden. Pas bij bocht drie puntte ik mij het hekwerk in. Vertederend prezen Ruby en Arnold, zelf absurd snel ontpopt tot pizzapuntprofessional, mijn vooruitgang. Pauze!

Ruby nam Arnold mee naar de gitzwarte piste ernaast terwijl ik in het zonnetje de wereld der skiërs en ski-instructeurs aanschouwde. Al vrij snel was de hiërarchie duidelijk. Hoe roder het pak en hoe witter de reflectiestrepen, des te hoger de betreffende persoon zich bevond op de rang der Franse alfa-skimannetjes. Lang haar en een bruin gezicht vol groeven waren overduidelijk onderdeel van het uniform. De sloot aanbiddende Engelse skiëressen vormden standaard het decor rond deze wezens. ‘Laidiès, when it comes toè skiing, one zing is very importànt‘ het stond waarschijnlijk recht voor hun neus en was rood met reflectiestrepen. Ik drommelde langzaam weg. Nadat Arnold heelhuids beneden was gekomen, er een tikje prijzige lunch was verorberd en Ruby in de tussentijd zelf alle pistes van het complete skigebied had afgewerkt, kwam de onvermijdelijke vraag: ‘Jaap, ga je nog één keer?

Met de moed der wanhoop ploegde ik mijzelf de piste op. Marcel, Catalaans topskiër en eveneens een alleskunner boven NAP, gaf nog wat handige tips. Al het gewicht moest in de tenen en tegen de schenen. En toen.. De lift gedroeg opeens zich als de vuurspuwende kachel in Home Alone; het metalen gevaarte schudde alle dreiging van zich af. Bovenaan de piste keken de kabbelende wolkjes mij zoet aan. De ski-instructeurs in het dal leken opeens allemaal te glimlachen. De liftmevrouw gaf mij een hartverwarmend knikje. Daar ging ik. Hoofd naar voren, kin omhoog, pizzapunt beneden. Bochtje één zoef, bochtje twee zoef. ‘Jaa, Jaap, kracht op links, kracht op rechts!‘ Bochtje drie zoef, bochtje vier zoef. ‘Yes!‘ Bochtje vijf zoef, bochtje zes boem. Daar lag ik. In alle euforie was ik de tenen vergeten. Skiën is keihard. Toch lag ik daar niet verslagen; ik lag er als een vijfbochtige winnaar waarbij stilletjes, heel stilletjes, de passie voor sneeuwvlokken zich een weg baanden naar het hart – met oeverloos veel dank aan m’n zusje, Marcel, Arnold en de Flamingiraffe*.

* Een zeer heilig dier in de Vallée de la Chamonix (Flamingo Giraffo Pinko).

chamonix---02928_25061618607_o

Beter gezelschap dan deze cadeaubroer is er niet.

le-tour---03022_25061986927_o

le-tour---03007_26060632328_o

Auteur & fotograaf & broer Mr. Jaap de witte (alle fotocredits zijn dus voor hem)

Herstelwerkzaamheden

De laatste dag van de CRET kregen we het proba blanc voorgeschoteld. Ze lieten ons 900 meter stijgen, 500 meter afdalen en opnieuw 500 meter stijgen en dalen, op weg naar een serieuze eindbeoordeling. De tweede afdaling heb ik grotendeels rechtdoor geskied, want mijn bovenbenen konden de bochten niet meer opvangen.

Mijn score was niet fantastisch en zeker niet afdoende, maar ik was blij dat ik genoeg had gefunctioneerd om aan het einde van de piste te komen.

Na een helse rit in de bus van Marcel, van meer dan acht uur, die twee keer werd onderbroken doordat het loodzware gevaarte gruwelijk vast kwam te zit in de berm vanwege een glijsessie op de verijsde weg, kwamen we de volgende avond terug in Chamonix. In de zeikende regen. Mijn bergdorp zag er niet uit.

Ik liet mijn benen los in het warme water van een bad in het chalet en zag ze voor het eerst in twee weken ontspannen. Zelfs mijn brein ontspande. Ik waste mijn haar met onzinnige dingen als avocadoshampoo, honingconditioner en een havermelk- en rijstcrème masker, mijn lichaam met lavendel badschuim en citroengel en mijn gezicht met pompelmoeszeep. Daarna rolde ik me in een dekentje op de bank en was het wachten op herstel.

De CRET heeft in korte tijd een hoop systemen in mijn lichaam en geest aangepast. Komende dagen geef ik mezelf de tijd om weer een vaste vorm aan te nemen. Hopelijk die van een goede skiër.

02894---les-houches_25061620257_o

Foto: Jaap de Witte