Skihuiswerk

Skitheorie

Ik had in mijn vorige blog gezegd dat ik mijn verbeterpunten zou publiceren en beken meteen maar dat ik geen idee heb hoe ik deze in een logische volgorde kan weergeven, omdat elk punt totaal afhankelijk is (of deel uitmaakt) van de andere punten en ik ze dus eigenlijk niet afzonderlijk kan omschrijven. Daarbij zijn ze in het Frans naar me gecommuniceerd en spreek ik de Nederlandse skitaal niet, dus vergeef me mijn vreemde woordkeuzes. Ik vrees dat deze blog meer verhelderende waarde zal hebben voor mijzelf dan amusementswaarde voor haar lezers.

1. De bocht

Ik begin bij de bocht omdat je voor rechtdoor skiën niet zozeer opgeleid hoeft te worden. De termen die mijn Franse leraren graag gebruiken in relatie tot de bocht zijn dérapage (slippen), pivoter (draaien), engagement (inzet, betrokkenheid, waar-is-mijn-woordenboek), appui progressif (progressieve ondersteuning, steun, gewichtsplaatsing) en carf ( ‘beeldhouwwerk’  luidt de vertaling vanuit het Engels).

Nu, een ‘goede’ bocht heeft drie fases (voor de amateuristische paint-tekening, zie hierboven):

Fase I: Van haaks op de piste naar recht naar beneden
Fase II: Heel super eventjes rechtdoor
Fase III: Terug naar haaks op de piste (andere kant op)

De bedoeling van de goede ENSA-bocht is in principe dat ‘ie mooi rond is. Je laat je als het ware vallen in het verlengde van de piste (pivoter, fase I), doormaakt een moment van engagement (rechtdoor, fase II) en beland dan in de carf: je maakt de bocht af naar gelang de vorm van de ski’s en de mate waarin je de randen van je ski’s in de piste duwt (appui progressief).

Wat we moeten vermijden, met name in de derde fase, is die slippende, remmende beweging die de bocht scherp maakt. Dat vinden ze namelijk niet mooi.

2. De houding

Om een ronde bocht te realiseren, moet je allerlei fratsen uithalen die te maken hebben met – wat anders – je houding.

Allereerst heb je de basishouding: zie eveneens de amateuristische paint-tekening hierboven. De schenen zitten netjes tegen de voorkant van de skischoen, de knieën zijn redelijk gebogen, de billen steken niet overdreven naar achteren, de rug is enigszins bol, kop omhoog en de armen vooral niet wijdt in de lucht (ik heb de neiging om als een gespannen bolletje mens naar beneden te duikelen).

Fase I van de bocht vergt een actieve voorbereiding die begint met het ‘planten’ van de skistok (die begraaf je in zijn geheel in de sneeuw, dan groeit er twee dagen later een skistokboom uit). Vervolgens doe je twee dingen min of meer tegelijkertijd: Je maakt jezelf lichter (door je voeten in de sneeuw te duwen / een hopje te maken) en draait je schouders haaks op de piste. Direct daarna volgt het engagement: je duikt als het ware de diepte in, met je gewicht naar voren, totdat je rechtdoor naar beneden skiet (op steile stukken is dat vrij heftig, fase II). Door de voorbereiding – superbelangrijk – maakt die eerste helft van de bocht zich redelijk vanzelf. Als je de bocht forceert creëer je te veel dérapage (geslipper) en verlies je de ronde vorm. Pas in Fase III van de bocht heb je het recht om af te remmen en het liefst, indien mogelijk, netjes in een carf. Dit betekent dat je progressief op (vooral) je buitenste ski duwt en de binnenste randen van de ski’s in de sneeuw duwt door je enkels én je knieën naar binnen te bewegen. Je bovenlichaam houdt je daarentegen redelijk recht omhoog, waardoor je – van voren gezien – een soort triangulation (triangulatie) creëert. Je zwaartepunt hangt op dit punt naast je ski’s. Wat omschrijf ik dit toch helder.

Triangulation is een gedeeld favoriet woordje van de vier leraren. Ze houden ook veel van dissociation (dissociatie) van het bovenlichaam en het onderlichaam, die andere bewegingspatronen behoren te volgen. Tijdens de voorbereiding van fase I (stiekem nog fase III van de voorgaande bocht) draait de borst naar het dal terwijl de ski’s nog haaks op de piste staan. In fase II staren ski’s en borst dezelfde kant op, maar aan het eind van fase III draait de borst weer het dal in.

In kleine bochten betekend dit in feite dat de borst altijd op het dal gericht blijft, en de benen eronder van links naar rechts bewegen. Gedurende een grotere bocht is er een moment waarop je meedraait met je carf en de borst in de richting van je ski’s hebt staan. Zodra je echter de volgende bocht voorbereid, bewegen de twee weer afzonderlijk.

Snap je het? Ik wel hoor.

Één van mijn zwakke punten is mijn jeu vertical (verticale spel): het moment waarop je je uitstrekt, met name op de off-piste. Ik blijf hangen in dat gespannen bolletje mens en put mezelf volledig uit na een bocht of drie. Op die manier ben ik namelijk totaal onderworpen aan het reliëf van de piste en vang ik klap op klap op klap. De grap is dat je jezelf daadwerkelijk ontspant in de voorbereiding van je bocht, op dat hop-moment, wanneer je je lichter maakt om de draaiing in te zetten.

Het zit helaas nog niet in mijn systeem. Daarom hoor je tegenwoordig hop, hop, hop als ik langskom.

Een ander zwak punt is mijn neiging om, met name in geval van stress, mijn voeten ver uit elkaar te zetten, op zoek naar een beetje stabiliteit. In de carf is dat prima, maar daar buitenom is het een beginnersfout van pizzapunt-categorie. Mijn ene ski volgt dikwijls een iets ander pad dan mijn andere, waardoor ik juist uit balans raak.

3. De blik

Mijn grootste zwakte volgens mijn leraren is mijn regard, mijn blik. Zodra ik op moeilijk terrein kom, word ik opgegeten door de piste. Ik kijk niet ver genoeg, in principe niet verder dan de bocht die ik op dat moment maak, waardoor ik systematisch te laat ben om mijn volgende bocht netjes voor te bereiden. Dat is deels een simpel gebrek aan controle (de bocht zelf vraagt nog even te veel aandacht), deels een gebrek aan zelfvertrouwen (ik word volledig in beslag genomen door de horror van de bocht die ik nog aan het maken ben – kom ik nog op terug) en deels een slechte gewoonte (ik moet een groter blikveld creëer en actief het terrein leren inschatten).

4. De stokken

Waar je precies de stokken plant is hyperbelangrijk, omdat ze je bochten initiëren en… waarom ook alweer nog meer? Omdat het er niet uitziet wanneer je ze naast je oren hebt vliegen. Ze verraadden meedogenloos elk moment van disbalans en verstoren zelfs je balans wanneer je ze op een vreemde plek houdt.

Het stokkenverhaal is nog een beetje moeilijk voor mij. Phillipe, mijn lievelingsleraar (want hij heeft een oorbel en lijkt op een zachtaardige piraat en heeft schijnbaar zijn huis zelf uit hout gebouwd), zei me het volgende (in iets andere woorden): Ruby, zodra jij je stokken leert gebruiken, zal je begrijpen hoe waanzinnig ze je kunnen bedienen.

In die fase zit ik nog niet.

5. Zelfvertrouwen

Dit laatste puntje komt niet helemaal van hen, maar voeg ik er zelf aan toe. Een groot probleem is mijn gebrek zelfvertrouwen. Ik heb me redelijk neergelegd bij het feit dat ik de zwakste schakel ben en mijn vrienden, vriendje of de CRET-groep regelmatig onderaan de piste op me moeten wachten. Mijn Ego huilt al sinds mijn eerste dag op ski’s en zal daar voorlopig niet mee ophouden. Ik realiseer me echter hoe ontzettend zinloos het is om mezelf in te schalen naast al die snelle gasten, om daar vervolgens hopeloos van te worden. Mijn waarde als mens hangt godzijdank niet af van mijn skikwaliteiten.

Wat wél een probleem is, een heel wezenlijk, terugkomend probleem, is mijn zelfvertrouwen ten opzichte van mijn skicapaciteiten wanneer ik geconfronteerd wordt met een eng stuk afdaling. Ik denk direct ‘dit kan ik niet’ en ‘waar kan ik remmen’.  Ik creëer ongetwijfeld liters stresshormoon, schiet in verdedigende houding, vergeet elk technisch aspect van skiën, leun naar achter, rem wanneer dat absoluut niet de bedoeling is en ski als een idioot naar beneden totdat ik val (en dan denk ik: zie je wel, dit kan ik niet).

De ontwikkeling van mijn lef loopt achter op de gang van mijn skicarrière. Van nature ben ik nu eenmaal geen monster. Mijn debuterende hart kan de afdalingen waarmee ik momenteel geconfronteerd word nog helemaal niet aan, terwijl mijn fysiek het er redelijk van af zou brengen. Du moment dat ik vergeet na te denken gaan de ijzige bosafdalingen best prima. Het verbaast me keer op keer dat ik niet gewoon ter plekke tegen mezelf kan zeggen: Je kan dit wel. In plaats daarvan moet ik de afdalingen en hun engheid met onvrijwillige heldhaftigheid normaal zien te maken. Confrontatie naar confrontatie totdat een sprong van drie meter niets meer is dan een neutrale handeling.

Er zijn ongetwijfeld belangrijke aspecten van het skiën die ik hier niet noem omdat ze simpelweg langs me heen gaan. De leraren zeggen zoveel. Ik weet ongeveer waar ik momenteel op moet letten, maar heb nog lang geen grip op de stof.

Misschien leer ik volgende week wel zoveel bij, dat ik een vervolg op deze blog kan schrijven, inclusief nieuwe tekening én een extra bijlage over het planten van skistokken.

Skistokboom

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s