Latest Posts

Eindexamen

De weken aan het eind van het schooljaar stonden onvermijdelijk in het teken van de zesde klas die examen deed. Ik vond het magisch, zo’n gigantische groep die een zenuwslopend ritueel onderging waarnaar ze zes jaar hadden toegewerkt. Mijn broer eerst, mijn zus daarna, het jaar boven me en toen kwam het dichtbij. Wat gebeurde daar toch? Wat ging er door hen heen?
Ik kan me nu alleen nog maar bedenken dat het heel leuk was, want we waren allemaal speciaal en iedereen keek naar ons, massaal in de examenboot en massaal emotioneel bij de uitslag.

Marcel kwam zondag aan in Chamonix voor het toegangsexamen voor de Franse gidsenopleiding. Maandagmorgen stond hij met een hele verzameling ambitieuze alpinisten op de oprit van het ENSA gebouw, hem kennende vrij zenuwachtig, in zijn hoofd waarschijnlijk de verslagen van zijn tochtenlijst op repeat. Die middag had hij een gesprek en die avond moest hij zijn naam terugvinden op een lijst. Zo niet, dan was hij niet geslaagd voor het modelinge gedeelte van het examen en zou hij volgend jaar opnieuw moeten proberen.
Superblij liep hij ’s avonds Chambre Neuf binnen, want hij stond op de lijst.
De volgende dag vroeg verzamelde zich wederom een groep ambitieuze alpinisten, ditmaal voor de pistes van Le Tour, met hun ski’s in de hand en een gezonde dosis adrenaline in het lichaam. Ik was die dag zelf in de bergen en had geen idee hoe Marcels afdaling was verlopen. Pas rond tienen kreeg ik hem te pakken. Ik hoorde het meteen aan zijn stem: hij was niet door.
Shitzooi.
Waarom niet? – vroeg ik hem. Er was iets mis met zijn balans in een specifieke bocht – één enkele bocht – en op een ander moment had hij zijn been te ver gestrekt.
Hij was moe geweest en had ook een probleem met zijn schoen, die halverwege de afdaling op wandelstand schoot. Maar het was geen probleem, volgend jaar zou hij het gewoon weer proberen. Weinig mensen worden toegelaten bij de eerste poging, stelden ze hem gerust.

Afgelopen dagen voelde ik me weer zoals op de middelbare school, met een generatie boven me die het lot ondergaat dat mij nog te wachten staat. Ik ken veel klimmertjes in Chamonix die in het gidsentraject willen komen. We werken allemaal naar hetzelfde toe: een groot mythisch examen waarvan de werkelijke inhoud zich alleen op de dag zelf zal tonen.
En dan zijn er de verhalen van de degenen die het al hebben doorgemaakt.
En de twijfel: Ga ik dit kunnen?

Als Marcel het skiexamen niet doorkomt, dan wens ik mijzelf veel succes. Hij wist niet dat ze zo ernstig op de technische details zouden letten, of dat hij een honderdtal ijzige moguls moest doorskiën, of dat hij al zo moe zou zijn bij de start van zijn afdaling. In mijn ogen skiet Marcel alles, als een hertje door de weide, maar van techniek heb ik geen idee. Zijn advies: Ga in godsnaam na wat ze precies willen en train op niets anders dan dat. Geen gekloot op de piste, geen gejengel off-piste, maar een structuur aan lessen die ons omvormt tot ENSAskiërs. In andere woorden: Doe je examenopgaves. Werk netjes de boekjes door.

Ik heb nog een jaar om me voor te bereiden.
Dat is lang, maar de grillen van de sneeuw nemen daar een aanzienlijke hap uit.
Ik heb een plan van aanpak nodig. Ruby, terug naar school.
Gelukkig is dit de allercoolste school ooit en deert het me niet écht als ik nog een paar jaar blijf zitten.

Late start

Ik heb het vaak vervloekt dat ik in mijn jeugd niet heb leren skiën, maar inmiddels houd ik van mijn late start. Na anderhalf seizoen voel ik me nog steeds alsof ik bij hoge uitzondering uitgenodigd ben in de skiwereld. Wat doet Ruby hier? Alles komt nog wat gek op me over, de poppetjes in de liften, het zinloze van het omhoog-naar beneden-omhoog-naar beneden, de leraren met hun aantrekkelijke pakken en ego’s, de pisteurs met hun zonnebrillen en sigaretten en nonchalante posities tegen de liftstations, het gemijmer over de soorten sneeuw en soorten ski’s. Zelfs de lading sneeuw wekt mijn verbazing nog. Is dit echt in het hier en het nu?
Dankzij mijn late start heb ik een klein minderwaardigheidscomplex dat me dwingt om mijn gedachten te verzetten als ik langzamer ben dan de rest. Maar omdat ik elke les in mijn skiën zo recent geleerd heb, is de voldoening van een geslaagde afdaling gigantisch. De controle wordt elke skisessie een beetje groter en dat gevoel is immens verslavend. Ik ben een pizzapuntskiër in de achtbaan, nog steeds als de dood voor trage jongens op de piste maar eindelijk capabel om naar beneden te vliegen. Om te racen, de sneeuw op te vreten, bochten die zichzelf inzetten en een flow die ik van geen andere sport ken.
Het is goud, deze sport. Ik kan er maar niet aan wennen en wordt als gevolg steeds opnieuw overdonderd door een euforie die een kind misschien minder zou hebben opgepikt. En ik weet zeker dat ik er als kind minder dankbaar voor zou zijn geweest.

Even mijn leven plannen

Maart is al flink op weg, wat betekend dat ik aanzienlijk minder dan twee maanden heb om mijn toekomst uit te dokteren. Wat staat er vast? Mijn werkcontract loopt tot eind april en mijn huurcontract tot eind mei. En dan?
Dan ben ik toch wel heel erg vrij.
Hoe vrij?
Ik kan nog steeds besluiten om een dokter te worden. Of de rest van mijn leven in Chamonix blijven, gewoon, door niet op te letten. Ik kan al mijn spullen verkopen en reizen, zeven kinderen krijgen of verwoed op zoek gaan naar de zin van het leven.

Ik heb een beetje het gevoel alsof het regent buiten en mama suggereert om aan de keukentafel te gaan knutselen. Met een groot wit vel en een schaar en verschillende kleuren stiften. Hier, Ruby, tijd om je leven bij elkaar te knutselen.
Ik denk dat ik dan eerst een grote auto zou tekenen en die zou uitknippen, met mijn eigen hoofd geschetst achter de ruit van de bestuurder. En dan zou ik misschien een berg van allemaal propjes en lijm maken en de auto aan de voet parkeren. En dan zou ik van satéprikkertjes een kruis maken, die in de top prikken en daaraan een kaartje hangen: Toelatingsexamen berggids 2018.
Dat is het wel.
Klaar met knutselen.

Ik ben al twee jaar weg uit Amsterdam en voel al twee jaar lang de vrijheid door mijn lichaam gieren. Het feit dat ik mijn nabije toekomst een beetje bij elkaar kan gaan zitten knutselen maakt me zielsgelukkig. Ik heb geen aversie tegen vastigheid, maar ben vooral verliefd op het aanmodderen. Proberen.
En nu ga ik proberen om mijn rijbewijs te halen en berggids te worden.
Ik moet me alleen nog even over de details buigen. Zoals: Waar ga ik wonen na mei, hoe ga ik mezelf financieren na april, welke tochten moet ik maken, hoe krijg ik mezelf op niveau, wie wil ik om me heen hebben en wanneer kan ik nou eindelijk een hond nemen?

Kijk, dit is winter

Vrijdag: Het dal ziet weer groen, duidelijk de voorkeurkleur van deze winter. Boem en er ligt weer een bak sneeuw. Boem en het is weer verdwenen.
Een föhnwind blaast zo hard door het dal dat ik me aan een lantaarnpaal staande moet zien te houden. Hekjes en poorten klapperen, van alles vliegt over de grond. Ik vraag me af of de bussen rijden, de liften zijn in elk geval gesloten. Ondanks de wind steken hardlopers hun kop weer om de hoek. Want ja, de paden zijn sneeuwvrij en niets dreigt eraf te vriezen.

Dinsdag: En nu? Nu ploeteren we ons door een halve meter sneeuw, gewoon in de vallei. De liften zijn wederom gesloten, sommige omdat de weg naar het skigebied lawinegevaarlijk is, anderen omdat het skigebied zelf weggevaagd kan worden. Alleen Les Houches is open, waar heel lokaal Chamonix zich vandaag concentreert.
Ik wou dat ik mijn familie even terug kon halen, weg uit hun vlakke landschap en hier weer in de straten. ‘Kijk, dit is Chamonix in winterjas.’
Zij kennen het alleen in zomerhemd.

Wat kijk ik uit naar de lente, de lange dagen met alleen wat oudjes op de pistes, de zon hoog in de hemel en lentesneeuw in de bergen. Lange skitouren en het dorp vol met laveloze seizoensarbeiders die het beste maken van hun laatste tijd samen.
Ga je nu blijven, sneeuw?

Een kleine zomer

Het is voorbij. Twee weken lang verkeerde Chamonix in een veel te vroeg gekomen lente, met fluitende vogels, volle terrassen en vrolijkheid die rechtstreeks door het zonnetje werd aangewakkerd. Hoe lang kun je dan boos zijn om de groene vergezichten en uitgedroogde ijslijnen? Een panaché met de zon in het gezicht en je denkt er niet meer aan. En een ander voordeel: Je kunt lekker hardlopen over de bergflanken en liedjes zingen op de fiets. Rotsklimmen en picknicken in het gras; een heus voorproefje op de zomer.
Maar goed, het is wel volslagen belachelijk. In Februari zouden we ons zorgen moeten maken om lawinegevaar, niet om ons badpakfiguur. De weergoden waren even van het padje en krabbelen eindelijk terug. Het regent momenteel in de vallei, maar daarboven sneeuwt het. Als het even kouder wordt liggen hier de daken weer onder. Winter deel twee, een laatste kans voor de seizoensarbeiders om aan hun skitax te komen. Nu de vallei is gehuld in schaduw, mist en regendruppels en we niet meer worden gesust door het zonlicht, schreeuwen we om een fatsoenlijk hervatten van onze winter. Een kleine zomer is prima, zolang de echte zomer nog maar even wegblijft.

Mama, de mannen, de lappenmand en pap en Suus die er niet zijn

19 Februari, 20:48. Ik eet mijn bord leeg in de personeelsruimte van het hotel zonder een woord tegen mijn collega’s te zeggen. Mijn blik is strak gericht op mijn mobiel. Op het treinstation van Les Bossons staat Adria. Het is donker. Hij wacht. Ik wacht.
You’ve got them? – bericht ik hem.
No, not yet.

Dan belt mijn broer. Yo smurf, we zijn er.

Ik had Adria gevraagd om mijn moeder, Jaap en Arnold op te halen van het perron in Les Bossons, vlak bij ons chalet. Ze zijn echter keihard door Les Bossons gereden en staan nu met rugzak en al voor de stoep van mijn werk. Ik ren uit de personeelsruimte naar buiten, het bord halfleeg, grote ogen van mijn collega’s, en omhels mijn familie in het barlicht van Chambre Neuf.
Adria, I’ve got them here, they went to Chamonix – bericht ik hem nu.
Mijn familie is gearriveerd.

De volgende morgen zit ik Nederlands te kakelen aan de ontbijttafel, met een groot Vikingbrood dat vanuit Zweden via de nachtreceptionist op de broodplank is beland. Mama aan de koffie, mìjn mama gewoon daar, en mìjn broer en superheld Arnold, ook gewoon daar. En een aantekeningenboekje. We maken een planning voor de week. Maandag, Aiguille de Midi. Dinsdag, skiën. Woensdag, Zwitserland. Donderdag, Loriaz.
Die middag staan we zodoende vlak bij het dak van Europa, op 3800 meter hoogte, gewoon door het liftje omhoog gebracht. Ik ben trots op mijn bergen en trots op mijn familie. Zien jullie hoe bijzonder jullie allemaal zijn?
Ondertussen begint mijn gezondheid te kwakkelen en moet ik nog naar werk. ’s Avonds nies ik elke tien seconden en kan ik met geen mogelijkheid de gasten verstaan, volgelopen ogen en neus, niet nu denk ik steeds. Ik wil net zo bubbelig en uitzinnig zijn als mijn bezoek. Maar aan de andere kant: Als je dan toch weer ziek wordt, is het wel fijn om je moeder over de vloer te hebben.

Het is inderdaad raak. In plaats van een legendarisch avontuur op de pistes van Le Tour – ik heb nog nooit skiles gegeven, mama heeft in geen 40 jaar geskied en Jaap en Arnold moeten een ski nog van dichtbij zien – slaap ik dwars door de dinsdag heen. Zij zitten in Zwitserland en zwerven door het uitgestorven Finhaut. Jaap komt thuis met vijf repen Zwitserse Chocolade, mama en Arnold met wilde verhalen over de klandizie van Elevation (het restaurant tegenover Chambre Neuf waar zich de moeilijkste alpinisten en skileraren van Chamonix verzamelen) en Lorn, de logé van Adria, met kilo’s aan kip die hij onder citroenmarinade in de oven gooit.
Zo gaar als een kip zelf zit ik met ze allemaal aan tafel. Alleen papa en Suus missen heel erg, de rest is perfecte chaos.

Nu hopen dat ik morgen uit de lappenmand weet te klimmen en met het gezelschap de piste afrol.

Skitouren en Ijsklimmen

16810733_10211952264024067_1637943535_oHet lijkt erop dat ik eindelijk tijd overheb voor de bergen. Voor skitouren en ijsklimmen, in plaats van voor kopzorgen over een stel negentienjarigen dat te brak is om hun diensten te draaien.
Het skitouren voelt als een cadeautje dat uit de hemel is gevallen. Chamonix is weer eens in de war en straalt alsof het zomer is, grasvelden die overal tevoorschijn komen in Februari, kreten van wanhoop van freeriders die hun ei niet meer kwijt kunnen. Maar wij gaan gewoon de bergen op en vinden daar ons geluk. Lange afdalingen over sneeuw die er prima aan toe is. En verbrandde gezichten, want ook in het hooggebergte is het zomer.
Omdat ik nog steeds een groot deel van mijn lijst moet afstrepen, is het belangrijk dat er nu en dan weer iets valt. Maar afdwingen kun je het niet en de tochten die we nu maken zijn zo mooi dat ik moeiteloos kan afwachten.

_dsc0170Ben en ik hadden beiden een reeks vrije dagen, wat ons de ruimte gaf om naar Cogne te gaan. Een paradijs voor ijsklimmen in Italië waar de condities in orde leken te zijn. Even niet skiën om de benen de kans te geven om te herstellen.
Cogne bleek heel erg mooi, veel te mooi om zo op de bonnefooi heen te gaan. Rustig, weids en besneeuwd, lange watervallen aan beide zijden die vroren in de koude nachten en druppelde in de zomerzon. We bladerden door de topo’s, liepen tussen de berggeiten en vonden twee leuke routes, een gemakkelijke op de eerste dag en een uitdaging op de tweede. Dus, ijsklimmen. Welk ijs kunnen we vertrouwen? Stort dat hele ding dadelijk in elkaar? Hoe beweeg je je hierlangs omhoog?
Sogno di Patagonia hadden we vooraf in het gidsje zien staan, maar was in realiteit aanzienlijk dunner en indrukwekkender. Ben bibberde zijn weg langs de eerste pilaar en ik volgde onzeker in zijn treedjes. Voor ons beide is er nog veel winst te behalen, maar ook het ijsklimmen is een geschenk uit de hemel. Een mentale uitdaging die tussen al dat ijs zo surreëel in de herinnering beland dat ik er nog steeds met ongeloof en geluk aan terug denk.

Als er tijd over is voor de bergen, dan verandert mijn dagelijks leven keer op keer in een droom. Dit is zo bijzonder. Ik kan niet dankbaar genoeg zijn.

16805308_10211952263664058_2131904987_o

Dezelfde materie

Precies een jaar geleden ontmoette ik een Spanjaard in het Franse bergdorp Le Tour, aan het einde van de vallei van Chamonix. Naast bergen als de Aiguille Verte en Chardonnet werden we vriendje en vriendinnetje.

Vanaf het begin van onze relatie verbaasde ik me over mijn liefde voor hem. Dat lag niet aan hem noch aan onze relatie. Dat lag aan de liefde zelf. Wat is dat nu tussen ons? – dacht ik vaak.
Liefde is altijd moeilijk te definiëren, een gevoel dat alle kanten op gaat, juist daarom is het zo leuk om toch op zoek te gaan naar een verklaring. Iets dat de lading dekt. Het bleek voor mij echter geen uitdaging, want opeens rees de verklaring kraakhelder op in mijn geest. Boem.

Het begint hiermee: Ik heb eigenlijk veel grotere liefdes dan mijn vriendje.
De bergen.
Op de wandelvakanties in mijn jeugd zijn ze linearecta mijn hart ingelopen en inmiddels zijn zo ongeveer hetgeen waar mijn wereld om draait. Hoe? Ze zitten altijd in mijn hoofd. Ze zijn mijn dagelijkse decor en vermaak, ze suizen door mijn lichaam, tillen me op naar hun niveau, laten me vallen (met alle gevolgen van dien), ze relativeren mijn leven dusdanig dat ik naast hen een boeddhist kan zijn zonder hardnekkig te hoeven mediteren. Daarom ben ik zo gemakkelijk gelukkig. Ik durf bijna te beweren dat ik mijn zorgeloze karakter voor een groot deel aan de bergen te danken heb.
Soms denk ik nog het meest dat ik hen eigenlijk bén, of een onderdeel van hen, als een rivier of een oude boom. Zo’n dwarrelende sneeuwvlok die neerstrijkt op een massief grote gletsjer. Een plantje tussen de morenen. Een berggeit desnoods. Ze voorzien mijn lichaam van logica, als ik over ze loop of op ze klim, langs ze ski of naast ze adem. Het is niet te omschrijven hoezeer ik thuis ben tussen hen. Het is het ultieme nulpunt.

Goed, nu dat vriendje.
Ik werd verliefd op hem terwijl hij de gletsjer af skiede.
Als een blij dier stuiterde hij door de diepe sneeuw, moeiteloos. Hop en hij was beneden. Talent is altijd aantrekkelijk, maar bij hem was er nog iets anders. Iets waar ik toen nog niet mijn vinger op kon leggen.
We spendeerden de zomer samen in een busje en alhoewel we elkaar af en toe het raam uit gooiden, konden we prima overleven op vier vierkante meter. Inmiddels werkt hij in Zwitserland en moeten we ons samenzijn plannen: Of de een lift met ski’s en al de grens over, of de ander. Maar ook dat gaat goed. (Op die dag na dat het -15 was, begon te schemeren en ik strandde bij een bouwmarkt: Je haalt me nu op, zei ik tegen hem. En hij kwam.)

Kortom, onze relatie lijkt prima uit te werken. De realiteit is gemakkelijk. Je wilt elkaar zien en je bent blij als je bij elkaar bent. Maar dan toch is er dat onderdeel dat zo moeilijk te omschrijven valt, die liefde die overal dwars doorheen loopt, die momenten dat je denkt: Wat is hier toch in godsnaam aan de hand, waarom voel ik zoveel voor deze jongen? Wat is dat?

En daar was plotseling de verklaring: Als hij een dwarrelende sneeuwvlok is, dan ben ik de gletsjer. Als ik het plantje ben, dan is hij de morenen, of de rivier, of de berggeiten die langs de steile hellingen omhoogklauteren. Hij is de natuur, ik ben de natuur en onze liefde is de natuur. In zijn armen word ik net zo rustig als in de bergen. Hij relativeert mijn wezen door slechts aanwezig te zijn. We voorzien elkaars lichaam van logica. Het is niet te omschrijven hoezeer ik thuis bij hem ben, behalve door de parallel met de bergen te trekken. En het is meer dan een vergelijking, het is eenzelfde soort essentie, we zijn van eenzelfde materie. Hij is de bergen en ik ook. Zo simpel is het.

Zelfs als nu blijkt dat hij inmiddels zes keer is vreemdgegaan en ik een affaire begin met de eerstvolgende rijke arts die zich aandient, dan is dit nog steeds de enige mogelijke omschrijving van hetgeen wat ik nu voor hem voel. En als je denkt, wat een vergezochte onzin, dan kan ik me nog altijd verdedigen met het feit dat ik onder invloed ben van de liefde óf van de bergen

Op pad met de snelle jongens

De nachtreceptionist klimt M9 met een glimlach en passeert nu en dan een noordwand, zo’n beetje tussen de bedrijven door, wat je niet zou zeggen als je hem achter het bureau zag zitten. Ben, een Britse jongen die stil zijn werk doet. Alhoewel, wanneer je achter het bureau langs glipt zie je dat er altijd een route op zijn beeldscherm openstaat. En zijn schouders zijn toch wel iets breder dan het dagelijkse leven vraagt.

Hij woont in een chalet met klimmende Ieren en Britten, een verzameling klimnerds pur sang, rusteloos zolang er niets gepland staat om op te klimmen of af te skiën. Hun woonkamer is bezaaid met topo’s en materiaal (en rommel gezien het de leefruimte van vijf vrijgezelle jongens betreft), de entree volgestouwd met ski’s. En een hoop Engels gebabbel en thee.

Ik heb het geluk af en toe met deze jongens mee op pad te mogen, wat nu al resulteert in een hoop vallen en opstaan.

Cliffjumps, powpow en treelines. Ik moet er nog steeds aan wennen dat ik kan skiën, maar veel tijd heb ik daar niet voor, want de lat wordt in rap tempo omhooggeschoven. Voordat ik nadenk heb ik al te veel vaart, vlieg ik ergens door de lucht of lig ik met mijn kop in de sneeuw. Een boom die nadert, een skiër die inkomt van links. Gelukkig ligt al die sneeuw er. Dat maakt de val zacht.

Ben en zijn snelle jongens gaan er met zo’n vanzelfsprekendheid vanuit dat ik klim wat we moeten klimmen of ski wat we moeten skiën, dat er weinig ruimte overblijft voor twijfel. Als het fout gaat, dan merken we het vanzelf (er zijn touwen, geen zorgen). Ik ben constant op avontuur in de grenzen van mijn kunnen en dat is spannend, een beetje heftig en vooral heel leerzaam. Dit is de manier om vooruit te gaan. Zo kom ik er wel.

Tot ze erbij neervallen

Een vrouw van over de zeventig staat te rock-en-rollen aan de bar. Haar grijsblonde, natte haren zwaaien van links naar rechts. Wij staan haar te kopiëren en zij ons, terwijl achter haar tweehonderd mensen volledig uit hun dak gaan. Bij elkaar geplakt voor de band en op de tafels, zingend en springend en dansend, het bier in hun bekers en uit hun bekers, de band bezweet op het podium.

Als ik na afloop het mengsel van bier en gesmolten sneeuw van de vloer dweil zie ik haar alleen aan een tafel, met het hoofd in de handen en schijnbaar uitgeput. Are you ok? – vraag ik. Yes, zegt ze terwijl ze opkijkt. That was a good one…. But I’m too old for this. Ik ben verplicht het te ontkennen, zeg dat ze zich prima handhaaft. Dan zegt ze: Yeah, but I might die doing this.

Well, if so, vervolgt ze direct, then that’s a damn good way to die.
Ik ben het toch wel met haar eens.