Latest Posts

We worden oud

De vrienden van Marcel zijn over het algemeen vier jaar ouder. Het obsessieve onderwerp van gesprek onder de vriendengroep is het kaal worden. Laatst vroegen ze me wat ik prefereerde bij een man: dat hij bij een zekere mate van kaalheid zich volledig kaal scheerde of dat hij zoveel mogelijk haar op zijn schedel liet staan. Ik zei ze dat het nogal afhankelijk was van de man zelf en het soort haar, maar het enige dat ik écht niet mooi vond waren die dunne plukken die zorgvuldig over de kale plekken waren gekamd.

Geen van hen zag er overigens uit alsof hij werkelijk al kaal aan het worden was.

We worden oud. Ik raak al vaak genoeg de loop van mijn leven kwijt. Toen ik achttien was kon ik elk jaar van mijn leven nog uittekenen. Inmiddels moet ik hard nadenken over het jaargetal waarin ik aan Antropologie begon en heb ik geen idee meer wanneer ‘dat ene etentje in die brasserie in Haarlem’ precies was. Ik word niet dement, maar de hoeveelheid leven dat ik geleefd heb wordt gestaag groter en groter.
De mensen waarmee ik omga hebben zowaar iets te vertellen. We hebben inmiddels gefaalde schrijvers, uitvinders met een eigen bedrijfje, arme fotografen, wereldreizigers die zich settelen als yogaleraressen en was ik in Amsterdam gebleven, dan werd ik waarschijnlijk omringt door mensen met een carrière waarin succes en deceptie zich al fanatiek afwisselden.
Er zijn inmiddels een hoop relaties en gebroken harten en zelfs al wat eenzamen.
Maar mijn generatie koopt nog geen huizen en krijgt nog geen kinderen.

Soms ben ik jaloers op de achttienjarige spring-in-het-veldjes die op mijn oude werk rond hobbelen. Want ze kunnen nog jarenlang allerlei onzinnige trajecten uitvoeren zonder dat de samenleving ze met een vragend oog aankijkt. En ze weten dat dondersgoed.
Maar ik zou alleen met ze van leeftijd ruilen als ik de wijsheid kon meenemen die ik de afgelopen zes jaar heb opgedaan. Anders maakt het niet zoveel uit; dan zou ik alles een tweede keer moeten uitvinden en leef ik opnieuw precies wat ik nu geleefd heb.

Misschien geld dat voor alle mogelijke leeftijdsruilen. Alleen de dertigjarige westerse vrouw kan dermate slecht accepteren dat ze haar jeugdige schoonheid verliest, dat ze er graag wat wijsheid voor zou inleveren (geen idee of dat waar is, het enige dat ik weet is dat veel van hen me erg verdrietig maakt).

Ik heb al jaren in mijn hoofd dat ik niet ouder word dan 25. Inmiddels is de 25 zo dichtbij dat ik denk dat ik vijf december gewoon aan tafel zit met wat pepernoten, een stuk taart en hopelijk mijn familie. Ik dacht eveneens dat ik kinderen zou krijgen met 24, maar alleen als ik een schaap (of lichter) was geweest zou ik het nog kunnen redden.
Het bergbeklimmen dwong me voorheen om kwaliteit boven kwantiteit te kiezen, maar dat geeft me (gelukkig) geen garantie dat ik het traject van veroudering misloop. In plaats van een tragisch einde voor mijn 25ste, begin ik waarschijnlijk aan een verouderingstraject dat misschien wel aanhoudt tot een vriendelijk geprogrammeerde robot mijn honderd jaar oude billen afveegt.
Het maakt mij allemaal niet uit, ik begroet de dood en de robot met gelijke sympathie. (Connotatie bij de dood: het doodgaan zal me in realiteit waarschijnlijk heel hard de stuipen op het lijf jagen, het doodzijn interesseert me echter niet zoveel. Ik zie wel of ik neerplof op een wolk of reïncarneer in een miereneter).

We worden oud. Mijn generatie is geen kind meer. Onze ouders worden al bijna de nieuwe kromme of trillende mensen en onze grootouders zijn lang overleden of herkennen ons niet meer. We zijn nog lang geen bankdirecteuren of zenmeesters of van ons optimisme beroofd, maar in ons kwarteeuw leven hebben we dingen gezien en gedacht en gedaan.
We zijn kleine histories op pootjes.
Ik denk dat het niet lang meer zal duren voor mijn gezicht rimpeltjes krijgt van al die bergzon en al dat lachen, maar daarin zie ik alleen de juiste beslissingen weerspiegeld die ik voor relatieve ouderdom heb genomen.
En kaal word ik toch niet.

Een dagje klimmen met Ego

Ik lees weer boeken tegenwoordig, want die luxe kan ik me met al mijn vrije tijd permitteren. La Voie des guerriers du rocher (The Rock Warriors way) lees ik zelfs in Frans, dat vanwege mijn gebrekkige vocabulaire betekent dat ik per pagina zo’n tien woorden onderstreep die ik door de Google Translate moet gooien.

La Voie des guerriers du rocher
Préparation mentale pour grimpeurs
Arno Ilgner

Normaal gesproken laat ik me afschrikken door zelfhulpboeken, want ik kan het allemaal zelf al (want ik ben superRuby) en ik associeer ze stuk voor stuk met midlifecrisissen en Westerse verveling. Dit keer toonde ik me echter zo incapabel dat ook ik mijn toevlucht in het zelfhulpboek heb moeten nemen.
Dit is echter het tofste zelfhulpboek ooit.
Écht.
Ik zou je bijna willen vragen een klim-gerelateerd probleem te kweken zodat je maar aan dit zelfhulpboek kunt beginnen.

Mijn probleem is dit: Ik maak geen progressie in mijn routes terwijl ik sterker en technischer ben dan voorheen en ik poep hem nog steeds heel hard in sommige run-outs, laat me ernstig van mijn stuk brengen door sommige bandjes en heb absoluut nog geen onvoorwaardelijke vriendschap gesloten met het gedeelte rots dat zich boven de haak bevindt.

Ik heb zojuist Hoofdstuk 1 van het boek uitgelezen en al meer geleerd dan in mijn hele klimleven bij elkaar.
Het dwingt je tot een zelfonderzoek dat oneindig veel verder reikt dan wat je brein uitspookt omtrent klimmen. Het maakt je een rotsstrijder, le guerrier du rocher, maar zo eentje wordt je niet in die paar uren per week dat je aan de rosten hangt en met name niet in die paar minuten dat je bibbert in de crux.
Je moet je hele denken aanpassen.
Daarom vind ik het zo leuk.

Ik riskeer nu met mijn omschrijving je aandacht te verliezen, want het zal allemaal ontzettend vaag klinken, en toch hoop ik dat ik iets in je motiveer om dan maar zelf in het boek te duiken, want je zult er waardevols in ontdekken. Echt.

Een rotsstrijder strijdt zoals een strijder in een gevecht van man tot man, waarin elke beweging telt en angst voor de dood bij voorbaat al tot verlies leidt. Een strijder kan zich niet laten afleiden op het moment-supreme, in het heetst van de strijd, de crux van een route. Als je op zulke momenten controle wilt hebben over je bewegingen en geest, dan moet ’t op voorhand al kunnen controleren.

Wat het zo interessant maakt is dat je afgeleid wordt door iets wat je al dondersgoed kent, maar dit boek maakt het (voor mij althans) zo expliciet dat ik er beter dan ooit mee aan de slag kan. Het heet: Ego.
Jaja, het Ego.

Oké, ik zal het proberen uit te leggen aan de hand van het gevalletje Ruby:

Ik heb geleerd om goed te zijn in dingen. Goed, goed, goed. Goed op school, goed op het hockeyveld, goed op de piano, goed in schrijven, goed in tekenen, goed in zingen verdorie goed in alles. Ilgner schrijft dat je van jongs af aan wordt geconditioneerd met ‘goed’ en ‘niet goed’, en dat net zo goedbedoelde systeem van groei en trots en discipline raak je de rest van je leven niet kwijt.
Toen ik begon met klimmen werd het direct een motivatie om daar dan maar goed in te worden, want goed is waar je voor gaat. Beter dan.
Ik kwam een paar dagen terug op het idee om een nieuw instrument op te pikken (Saxofoon, zo cool, zo onmogelijk) en fantaseerde gelijk over hoe ik daar snel goed in zou worden.
Ik herinner me dat ik vroeger pianospeelde en zong met alle deuren gesloten omdat ik oefende en niet aan de anderen wilde laten horen dat het nog niet goed was wat ik speelde. Goed, goed, goed.
Ik zei tegen Marcel dat ik ook houtsculpturen wilde maken (want we maakten een uitstapje naar de heetwaterbronnen waar allemaal naakte hippies gitaar speelden en houtsculpturen maakten) en hij zei dat ik daar waarschijnlijk wel goed in zou zijn. Goed is overal. Goed is alles. Ik ben Ruby en ik ben goed in dingen en zo niet dan weet ik nauwelijks waarom ik iets in de eerste plaats zou ondernemen.

Is dat niet geinig?
Wat levert dat je eigenlijk op, goed in iets zijn?
Ego.
Een Ego dat je afleidt.

Goeroe Ilgner  zegt dat je in wezen gelijk bent aan andere mensen en je persoonlijke waarde niet stijgt met het ‘beter’ zijn in dingen. Dat zou immers betekenen dat als ik slecht ben in pianospelen of Frans spreken, ik een slechter mens zou zijn.

Ego zegt echter andere dingen. Ego laat mijn eigenwaarde afhangen van mijn presteren; mijn idee van ‘beter zijn dan’, mijn succes op schaal van andere mensen, van externe factoren.
Als nu mijn eigenwaarde afhangt van mijn klimmen, dan wordt het opeens een hele intense, beladen zaak, dat klimmen (of dat gitaarspelen of dat Yogaen of dat koken), met de mogelijkheid tot ernstig falen en in waarde te zakken.

Nu, het Ego speelt zich allemaal af in het denken. In het klimmen manifesteert dat zich als een gedachtestroom die me vergezeld tot bovenin het relais en me dusdanig afleidt dat het klimmen soms bijna secundair wordt. Ik ben bezig met vallen en met falen.
Gedachtenstromen.
Denkgewoontes.
Het Ego praat, het Ego is altijd met me, met ons waarschijnlijk want we zijn allemaal mensen die grootgebracht zijn in een soortgelijke cultuur.

Ik kende Ego al. Ik denk zelfs dat ik door de jaren heen een innige band met Ego heb opgebouwd. Het enige wat ik nooit gedaan heb is Ego actief en consequent uit mijn hoofd gejaagd. Ik heb geleerd om met Ego te leven, als gedachten die ik soms bewust verwelkom en half accepteer, soms pas later als motivatie achter mijn handelingen bestempel, soms aanvecht. Het vergt moeite om je gedachten te controleren, om een beetje boven ze uit te stijgen en ze te laten passeren.
Omdat ik me nu dankzij dat boek realiseer dat het Ego zo intiem is verweven met mijn klimmen en het klimmen momenteel een grote rol in mijn leven speelt, wil ik dat samenlevingscontract met Ego beëindigen.
Dat betekend dat ik een grote Boeddha moet worden, zo’n mediterend type met innerlijke rust. Het zat er al jaren aan te komen, maar nu kom ik er niet meer onderuit.

Een paar dagen geleden klom ik een ochtend in Sadernes samen met Marcel, een vriendin van Marcel en Ego. We hadden het zo goed samen. Ego zong hele liederen tegen me, veel meer nog dan ik dacht, ‘Ruby, je bent boven je haak nu, dat is een slechte greep Ruby, de crux moet nog komen, je wordt al moe maar dat zou eigenlijk niet moeten hè, oef, Ruby, hier had Marcel het moeilijk en dat voetje gaat wegglijden… fuck je gaat vallen waarom de fack die haakafstand zo groot, ooh Ruby snotaap die je bent (dat laatste zei ze eigenlijk niet maar dat klinkt zo leuk).
Het lukte me om de gedachten gade te slaan en ze te laten passeren zonder me te beïnvloeden, tot de laatste twee haakafstanden waar ze (concludeerde ik uiteraard achteraf) mijn klimmen overnamen en me bibberend over de 6c plaat lieten bewegen.

Dit is een project. Een traject. Iets met angstaanjagend groot potentieel.
Lees het, klimmertjes. En niet klimmertjes: Ga klimmen en faal en lees het.

Al die tijd in Spanje

Het spijt me dat bijna al mijn verhalen tegenwoordig vergezeld worden door een Marcel maar ik zit nog steeds in Spanje, waar elk aspect van het leven aan hem gerelateerd is, van ontbijt tot het sportklimmen tot de kat die mijn voet kopjes geeft in de keuken van zijn ouders. Al een week houd ik het stopcontact boven de keukentafel bezet vanwege een niet aflatende schrijfrazernij, wat op zich goed is maar ik geloof dat men in Spanje niet zo keukentafelig is (ik van huis uit wel, daar gebeurde alles aan de keukentafel; het studeren, de ruzies, het figuurzagen in de tafel zelf). Hoe dan ook, die ouders van hem vinden het geloof ik wel prima, want ik voer gesprekken met zijn moeder over macrobiotisch eten in het Catelaans – tot grote hilariteit van Marcel want ik spreek geen Catelaans – en gesprekken met zijphoto 4 (18)n vader over yoga en fungeer zodoende als de onverwachte mogelijkheid om weer eens tot die zoon van hen door te dringen, die de wijsheid van zijn ouders sinds zijn puberteit al niet meer aan wil horen.

We hebben een klein probleem. We kwamen klimmen in Spanje, niet vanwege haar rotsen maar om Marcels Spaanse bus de jaarlijkse verplichte controle te laten passeren. De bus had echter het lef om een uur voor de controle definitief niet meer op te starten. De situatie op het moment is dat het hele interieur in de voortuin van zijn ouders staat (want de bus fungeerde als zijn huis en moest leeg naar de controle) en een uitzonderlijk natte periode te voorduren krijgt (want de Spaanse moesson is gearriveerd) en we wachten op een oom die verstand heeft van bedradingen (want de bus is waarschijnlijk minder waard dan de kosten van een monteur).

Ondertussen vermaken we onszelf met de natuur hier die wederom zo mooi is dat ik het alleen maar met sprookjes kan vergelijken. Ik raak nog eens blind voor schoonheid als mijn leven zo door gaat.

We klimmen links en rechts een beetje maar worden vooral gedwongen tot boulderen onder de gigantische overhang naast de rivier, die door alle regenval haast niet meer te bereiken is want de stenen om op over te steken liggen plotseling een halve meter onder water.

Die ene keer dat we wél een fatsoenlijk dagdeel hadden om ons aan de rots uit te leven begon ik aan een 7a die eindigde in tranen omdat de laatste haakafstand zo ver was dat ik panikeerde en vervolgens niets met mezelf meer kon aanvangen omdat het panikeren me zo dwars zat. Marcel was dermate afgeschrokken door mijn verslag van de laatste haakafstand dat de moed ook hem in de schoenen zonk en we uiteindelijk een karabiner achterlieten in de op één na laatste haak, een clipstick (cheatstick) bestelden op internet en ons de daaropvolgende dagen bogen over de Rock Warrior’s Way van Arno Ilgner (een heroïsch boek over het mentale aspect van klimmen dat iedereen moet lezen – als je niet klimt moet je vanwege het bestaan van dat boek maar beginnen met klimmen – sorry Kim, je hebt het me al duizendmaal aangeraden en het spijt me zeer dat ik niet eerder naar je geluisterd heb).

Een andere dag bezochten we Joseph, een vriend van Marcel die de weekenden in het landhuis van zijn ouders doorbrengt, samen met zijn zus en ex-vriendin en alles wat los en vastloopt. Ik heb eigenlijk nog nooit een huis gezien dat overeenkomt met dat van mijn dromen, maar dit was er een. Een echte.
Het paard in de achtertuin was door Joseph als wild veulen in de Pyreneeën aangetroffen en in een historische wandeling van 41 dagen naar huis gebracht omdat zijn vader iets zocht om het gras kort te houden. Zo koppig als een ezel was het – zo gaat het verhaal.
Nu leeft het samen met een jonge ezelin en lopen ze elkaar achterna als twee volledig onopgevoede projectielen, soms vergezeld door het huishondje dat zich lang niet meer realiseert dat het een hond is en elke mogelijkheid aangrijpt om zich languit op de schoot van een bewoner te werpen.
Rechts van het huis kakelt het van de kippen en kuikens en verse eieren, de hanen naast de geïmproviseerde kassen met aardbeien en asperges, en links van het huis beginnen de rijen groenten, die in een bocht achter de bomen verdwijnen met oneindig veel aardappelplanten en tomaten en andere planten die ik niet herkende aan hun uitsteeksels, en kersenbomen en perzikbomen en appelbomen en bomen met Spaans fruit dat ik niet bij naam ken.

Na een toer over het land bracht Joseph ons naar de keuken, waar we een salade aten die ze rechtstreekst uit de tuin hadden geplukt, en brood dat ze zelf in de kelder bakten, en een fruittaart die zijn moeder die morgen had gemaakt, en dat allemaal aan een vier meter lange houten tafel in het midden van het huis. En dan waren er de boekenkasten. De piano. De gitaren. Marcel met de accordeon en Joseph op de fluit en het vriendinnetje van het zusje met het Spaanse ritme in haar vingers en het was allemaal zo normaal.
Later vertelde Marcel me dat ze het huis bij elkaar gewerkt hadden. Het was een bouwval toen de ouders van Joseph het aanschaften. Met twee ‘normale’ banen, de opbrengt van het brood, twee kinderen die de ezel, het paard, de hond, de kippen en de groenten bij afwezigheid in de gaten houden, een oneindige werklust en heel erg veel tijd (en een dosis Spaanse cultuur) hebben ze er dit sprookje van gefabriceerd.
Maar hard werk hè.
Hard werk.

Ik begin Chamonix te missen. Het ruige berglandschap waardoorheen ik kan rennen zo hard en zo lang als ik wil, dat beetje autonomie verlang ik terug, alhoewel ik op een hoop comfort zal moeten inboeten. De ouders van Marcel zien ons rustig komen en gaan, wassen onze kleren, maken eten nog voor we ons beseffen dat we trek hebben, lenen ons de auto uit om her en der de natuur in te trekken en vinden het geloof ik niet erg dat de bus het nog even laat afweten. Thuis wacht een koude caravan zonder water, elektriciteit of internet.
En bergen.
Spanje heeft het ongebreidelde vermogen mijn hart te stelen zodra ik er voet in zet, van Barcelona tot Siurana tot het woonwijkje van Marcels ouders, maar ik ben genoeg in Chamonix geworteld om mijn dromen daar in stand te willen houden – voorlopig.
De romantiek is anders. Hier stijg ik bijna van planeet aarde zo sprookjesachtig zijn de beekjes en heuvels en avonden met instrumenten en ritmes en Spaanse gebabbel. In Chamonix zetten de bergen me rustig op mijn plek en vragen me vervolgens om hen te laten zien waaruit ik opgebouwd ben. Ik houd oneindig veel van beide.
Wanneer Marcels bus gemaakt is (of officieel gestorven) gaan we terug naar huis. Op een dag manoeuvreert Spanje zich ongetwijfeld weer in de planning, in welke hoedanigheid dan ook, en dan voeg ik me graag weer bij haar.

De schrijfcarrière

Ik klaag tegen mijn vriendje dat het altijd hetzelfde liedje is met mijn schrijven. Mensen zijn enthousiast en zeggen van alles, wat leuk en grappige visie en mooi verhaal (Ruby die grammatica kom op) en vervolgens vloeit er niets uit voort.
Het type roeping.
De creatievelingen moeten eerst ronddartelen in afwijzing zodat ze na succes kunnen zeggen dat ze eerst flink zijn afgewezen om zij die nog ronddartelen een hart onder de riem te steken. Of ze blijven afgewezen worden tot ze inzien dat het niet voor hen bestemd is – grootschalig gebrek aan talent – en het geld op is of het leven op is.
Je moet in elk geval groot ongefundeerd zelfvertrouwen hebben om je een weg door al die afwijzing heen te slaan. Zijn jullie gek ofzo, al jullie honderd procent die mij niet publiceren (of aannemen of uitbrengen of verkiezen of tekenen).

Ik ben in het bezit van groot ongefundeerd zelfvertrouwen maar alleen omdat ik een optimist ben. Misschien heb ik geen zelfvertrouwen maar vertrouwen in mijn lot, in de goedgezindheid van het leven, in het principe van het naar je hart luisteren en daardoor vinden wat je zoekt ook al zoek je zoiets zeldzaams als een schrijfcarrière. Ik ben nog meer romanticus dan optimist want bijna vier ik de tegenslag opdat er overwinningen komen die hun grootste charme ontlenen aan die tegenslag.
Toch zit dat vriendje naast me in de bus en klaag ik over de zoveelste afwijzende mail en vervolgens zegt hij: Schrijf een brief aan God.

Hij weet dat ik niet in God geloof en hij ook niet.
Of hij toch wel, in zijn eigen variant die naar zijn zeggen niets te maken heeft met mijn verzameling aan concepties van God.
Het maar een naam, Ruby, zegt hij (we kunnen een andere naam vinden als ik daar zo’n grote moeite mee heb – liefde, moeder aarde, alles, het leven, dat principe van het één zorgt voor het ander) en dus zeg ik oké.
Liefde.
Maar tot de liefde kan ik me niet richten tenzij ik cupido of Valentijn voor me zie, en we hebben het niet (alleen) over die liefde en dus vervangen we God en Liefde door Moeder Aarde.
Maar ook Moeder Aarde gaat niet want alle bomen en bloemen en bergen bij elkaar hebben nog geen gestalte in mijn hoofd, en dus zegt hij dat ik toch maar een brief moet schrijven aan God.

Ik doe het. Thuis zet ik me aan tafel met een pen en papier, want mijn optimisme is nergens op gebaseerd maar als ik het desondanks aanhang als een doldwaze, kan ik er best een brief naar schrijven. Als er iets is om rotsvast vertrouwen in te hebben, dan is er iets om gunstig te stemmen en dus luidt mijn eerste zin:

Geachte God of lot of liefde of goedgezindheid van het leven of Moeder Aarde of Cupido of gestalte van alle bomen en bloemen en bergen bij elkaar,

Daarna schijf ik:

Ik zou zo graag een schrijfster willen worden en ik heb al een heleboel geschreven en links en rechts opgestuurd, in de hoop dat iemand waarde in mijn woorden zou zien en me aan de hand zou nemen en me zou vormen naar zo een schrijfster die er haar geld mee verdiend, maar nooit heb ik er netjes om gevraagd.
Daarom wil ik u bij deze vragen, beste God of lot of liefde of goedgezindheid van het leven of Moeder Aarde of Cupido of gestalte van alle bomen en bloemen en bergen bij elkaar, kunt u mij een schrijfster maken alstublieft?

Direct na het typen van het laatste woord realiseer ik me dat mijn geadresseerde weinig reden heeft om op mijn verzoek in te gaan want in feite zeg ik een boel maar bedel ik slechts om geld, en plotseling zie ik in dat er een waarde tegenover dat geld moet staan, geen amusementswaarde voor het gepeupel maar waarde waar de geadresseerde zelf iets mee kan, want hij of zij is tenslotte diegene die ik om hulp vraag vanwege mijn vermoeden (of eerder mijn ongefundeerde vertrouwen) dat hij of zij de touwtjes in handen heeft.
Ik schrijf de brief niet af maar bedank het vriendje voor de suggestie.

Nu weet ik wat me te doen staat als ik wil dat er iets uit mijn schrijven voortvloeit.
Mijn woorden moeten een dienst bewijzen aan de wereld. Ze moeten haar goed doen. Iets aan haar bijdragen, iets aan haar veranderen.
Ik realiseer me nu pas hoeveel logica daarachter steekt, al is het totaal niet evident hoe mijn woorden tot zoiets in staat zouden kunnen zijn. Ik zal op avontuur moeten gaan in de mogelijke kracht van het schrijven.
Dat klinkt zo slecht nog niet, niet?

En als dat niet werkt kan ik nog altijd mijn toevlucht zoeken bij de andere zijde van het spectrum en experimenteren met succesgevoelige onderwerpen als seks en geweld.
Een laatste redmiddel dat ongetwijfeld net zoveel avontuur brengt.
En mocht zelfs dat niet werken, dan wacht ik geduldig tot het geld op is of het leven op is en ik samen met een oneindig aantal afwijzingen en een totaal gebrek aan talent, karma en juist gebruik van succesgevoelige onderwerpen het graf in duik, want ik ben een vastbesloten doldwaze. Een optimist die niet van haar stuk te brengen is.
Een ongenadig romanticus in het bezit van groot, ongefundeerd zelfvertrouwen.

Voeten in het water

Ik dacht dat er langdurige zenpraktijken voor nodig waren om mezelf te bevrijden van mijn decennia oude gedachten die me verplichtten tot zoveel dingen en emoties en zelfs meer gedachten. Ik dacht dat ik, totdat ik al mijn jonge jaren en onrust achter me zou laten, slechts momenten zou hebben van alleen maar zijn, alleen maar bestaan.

Het blijkt echter genoeg te zijn om vrije tijd te hebben en door de natuur te scharrelen.

Ik weet dat de realiteit me weer zal verplichten tot het inleveren van een deel van deze vrijheid en dat wil ik ook, want dat is in ruil voor vrienden en familie, betekenis en verhaal, een beetje toekomst voor de zekerheid. Maar ik weet ook dat de herinnering aan deze dagen me voor altijd rustig zal maken, want vanaf nu is het gegeven dat alleen maar zijn, alleen maar bestaan de hele bedoeling van logica voorziet. Dat het nulpunt het beginpunt en het eindpunt is en daartussen niets van belang is dan de ervaring van het in leven zelf zijn.
Een lichaam hebben, ademhalen, de wind voelen, de bomen ruiken, een hart dat klopt en benen die lopen en armen die zwemmen en ogen die zich sluiten voor de zon.

Een tocht naar het Zuiden

Ik wist dat Chamonix niet het enige dorp op de wereld was, maar als je er een winterseizoen draait zegt je gevoel dat na Fayet een grote, vlakke woestijn elke vorm van beschaving onmogelijk maakt. Ik schrijf vaak dat het ademen in de bergen makkelijker gaat, maar als afwisseling brengt het platteland een hoop verse lucht. Een context als Chamonix is goed om bij tijd en wijle in te ruilen, want anders neem je de vreemde trekjes van de Chamoniard over en zie je überhaupt geen reden meer om je uit het dal te bewegen.

De contextverandering was echter drastisch toen Marcel en ik de wereld inreden om vier goedkope banden voor zijn bus te vinden, want vanuit onze glamourvallei raakten we ongenadig verstrikt in de louche bedrijventerreinen rondom Annecy en Chambery. Zijn linker voorband was recent op de snelweg geëxplodeerd en de resterende banden rolden als drie tijdbommen onder ons. Om niet in een soortgelijke explosie vijfhonderd euro lichter te zijn vervielen we onvermijdelijk in het twijfelachtige circuit van mannen met dikke buiken, sigaretten en net zozeer twijfelachtige banden op de lelijkste plekken van Frankrijk, en als het dan ook nog eens regent alsof elke millimeter beton aan een grondige reiniging toe is, dan is het woord lelijk niet eens meer toereikend.
Ook daarom is het goed Chamonix te verlaten; om haar schoonheid weer te waarderen.
(De lelijkheid werd niet normaler naarmate we ons er langer in bevonden. Er trad geen gewenning toe, in tegendeel; hoe langer we er rondreden hoe meer we ons afvroegen hoe het mogelijk was dat mensen zelf al die mistroostige ellende hadden ontworpen en met name hoe ze het vervolgens voor elkaar kregen om het te laten voortbestaan.)

De laatste keer dat ik een krant had opengeslagen was ergens midden in het skiseizoen, in een vlaag van groter bewustzijn, maar de wereld kwam toen zo buitenaards op me over dat ik nauwelijks kon ontcijferen wat er zich in afspeelde. Sindsdien hadden er oorlogen kunnen uitbreken of engelen in mijn oude woonplaats kunnen arriveren zonder dat ik er iets van meekreeg. Ik wist dus ook niet dat Frankrijk in rep en roer was en staakte, en nietsvermoedend bleven Marcel en ik tankstations passeren zonder oog te hebben voor de lange rijen auto’s die zich voor hen vormden, terwijl onze eigen tank leger en leger raakte en we ons uiteindelijk geduldig achterin de rij aansloten.
We might have to pass the night here’, zei Marcel na zich uit nieuwsgierigheid te hebben gemengd in een gesprek van geënerveerde automobilisten bij de ingang van het tankstation. ‘Can you look up what grève means in English?’
Staking.
Voor ik me de implicatie van het brandstofgebrek kon realiseren reed er een grote wagen vol brandstof het terrein op en hoefde ik me niet af te vragen hoelang zo’n staking zou kunnen duren. Er werd ons vriendelijk gevraagd om de brandstof met iedereen te delen en de tank slechts voldoende te vullen om met zekerheid thuis te komen, en wij moesten naar Spanje dus gooiden de hele tank vol, in goede hoop dat de staking zich niet tot over de grens uitstrekte.

Op de tocht naar het Zuiden kroop de regen terug haar wolken in en schoof de Ardèche helder en stralend langs. Marcel reed maar en reed maar terwijl ik af en toe op keek van mijn slaap of mijn boek. De Ardèche blijft een sprookje en zodoende bleef ik in een sprookje, want ik las al drie dagen Honderd Jaren Eenzaamheid en de magie van mijn boek liep ongemerkt over in het Zuid-Franse landschap, de oude stenen huizen, de rotsen en heuvels en de ondergaande zon.

We parkeerden ergens langs de snelweg, sliepen en werden ‘s morgens gewekt door een touringcar vol kwebbelende toeristen die hun benen strekten onder het zuidelijke zonnetje. Marcel rook thuis en ik legde mijn boek naast me neer om me mee te laten voeren langs het laatste restje Frankrijk, langs de wegen en dorpen die Marcel al tig keren was gepasseerd, langs de eerste palmboom en het laatste Franse verkeersboord, door het bleke Mediterrane landschap richting de eerste tweeduizender van de Pyreneeën gezien vanaf de zee. Ik was in het Zuiden.
Rond het middaguur parkeerde Marcel de bus in een klein straatje tussen de witte Spaanse huisjes van zijn woonplaats Olot. Ik maakte kennis met de buurvrouw die te dement was om haar buurjongen te herkennen, zijn schilderijen aan elke muur van het huis, de kat die schrok van mijn Nederlands, de gastvrijheid van zijn ouders en met name hun vreugde om hun eigenzinnige dwalende zoon bij verassing weer even bij zich te hebben.
Onder de avondzon bracht hij me naar de nabijgelegen bossen van Savernes, langs helderblauwe riviertjes en meren en de eindeloze oranje en gele rotswanden waartussen hij al zijn jonge jaren had gedoerakt, geklommen, vuurtjes gemaakt. Chamonix was verdwenen en de wereld ook, geen stakingen of oorlogen of engelen, de lelijkheid van de bedrijventerreinen als een absurde herinnering, alleen nog het zuiden en de lichtgroene bomen en de zachte aarde waarop we naar het vallen van de nacht staarden.

Mijn Hippie

Chamonix heeft veel meer jongens dan meisjes. De klimhallen bulken van mooie mannen, atleten van onbegrijpelijke kracht, gebruinde huid en felle ogen overal. Je hoeft niet bijzonder mooi te zijn om als meisje hier een Goliath aan de haak te slaan. Goliath huist in de normale mens, de skiër, de boarder, klimmer, trailrunner, alpinist, je ontkomt er niet aan.
Het is min of meer een kwestie van tijd voor je naast alle andere avonturen aan de hand genomen wordt voor een avontuur in de liefde.
En nu is het aan mij.

Voorheen schreef ik nooit over mijn romantische rondzwervingen omdat ze al doodliepen voor ik er woorden aan kon wijden. Ik werd niet verliefd en bewaakte mijn tijd en vrijheid als een terriër, want jongens leiden af en dat is gevaarlijk als je zelf al iets voor je leven gepland hebt. Tot – en dat zei ik ook tegen mezelf – iemand wél met je hart aan de haal gaat.
Dus, schrijft Ruby, ik heb een vriendje en ik vind hem heel leuk.

Al mijn voorspellingen over wie dat dan uiteindelijk zou worden zijn min of meer uitgekomen. ‘Ongetwijfeld een warrige hippie (die bergen beklimt)’, zei ik vaak, en wat er nu voor me zit kan ik met geen andere woorden omschrijven. Van tussen al die Goliaths weet ik precies diegene te kiezen die niet stereotype Chamonix is. Een gemiste kans.
Hoe dan ook, mijn hippie is fantastisch en ik zal je vertellen waarom.

Deze jongen rent de berg op sneller dan ik iemand ooit een berg op heb zien rennen. Hij walst ongehinderd over de conventies van mijn brein. Hij is kunstenaar en reiziger en straatmuzikant en vaak genoeg zo gek als een deur. Ik ben een nuchtere Hollandse terwijl hij de wereld wilt redden. Hij spreekt vier talen. Hij is intelligent en goed voor me.
En het maakt allemaal geen donder uit want mijn bril is roze en al was het een seriemoordenaar, dan had ik het hem nog vergeven.

Het avontuur van de liefde is net zo interessant als dat het leuk is. Nu ben ik het een keer zelf die alle typische processen doormaakt en zich vertoefd in cliché na cliché. Misschien vechten we elkaar morgen de tent uit en mag ik op avontuur in het gebroken hart; ik beloof jullie dan ook te schrijven.
Zijn en mijn leven zijn in elk geval equivalent in onbepaaldheid – bepaald in zoverre er sprake is van bergen –  en evenzeer gevoelig voor wendingen en ik verwacht dat onze relatie niet heel veel anders zal zijn. Vandaag zijn we zo spontaan op weg naar Spanje gegaan dat we Chulé beduusd achterlieten.
En dit is nog maar het begin.
Dit is nog maar het begin.

Lognan

De standaard in Chamonix is vrij bizarre.
Hier kun je niet skiën als je supergoed bent. Hier kun je pas skiën als je een middagje steile pas tomber couloirs aftikt en het moet wel heel steil of gevaarlijk zijn wil het de aandacht wekken van een iets groter publiek.
Iedereen kan alles hier en de rest is al gedaan. Het niveau is belachelijk hoog en ook die stervelingen die ver onder de top meelopen zijn naargeestig goed in wat ze doen.

Die standaard.
Marcel waagt het om mij niet sportief te noemen. Ik vraag hem wie hij dan sportief acht en zijn voorbeeld omschrijft een jongen die als training drie keer Flegère oprent (3x1000hm) en gesponsord wordt door Arcteryx vanwege zijn bliksembezoeken aan de moeilijkste toppen hier in de vallei. Hardloopsessies van een uur tellen niet mee. Het begint bij 1000 hoogtemeter (dat noemen ze een lichte training) en eindigt nooit, want zolang er types als Killian Jornet rondlopen falen we allemaal ongeacht onze snelle spillebeentjes of belachelijke afstanden.

Het niveau in mijn klimhal ligt zo hoog dat ik me afvraag of ik ergens per ongeluk een selectiemechanisme ben gepasseerd. Ik weet niet wat die mensen precies klimmen, maar ze houden dingen vast die zich volgens mij ernstig thuis zouden voelen in 8a’s. Training is het devies, prima, doen we, maar hun acrobatische toeren aan het hangboord kan ik niet relateren aan mijn zes moeizame pull ups.
Ik train, écht.
Vandaag rende ik van Argentière naar Croix de Lognan, in totaal iets van 800 hoogtemeter, nauwelijks een training in de opinie van die gekken hier maar genoeg training volgens mijn kuiten.
Ik realiseer me echter dat ik het met deze standaard zal moeten doen en het is geinig hoe dat gaat, want je internaliseert het voor je het weet. Momenteel kan ik mezelf niet om een ongemoeide sprint naar de top van Grand Montets vragen (+2000hm), als ik echter mee wil doen met de grote jongens dan is dat wel het minste. En het kan hè, het is namelijk training.
Het is allemaal training.

Die spurt naar Croix de Lognan liep overigens vast op 200 meter onder de top omdat er nog teveel sneeuw lag. Ik was er niet heel verdrietig om. Het is zo stil in Chamonix dat ik nooit meer een dansje doe en tegelijkertijd stil genoeg om dansjes te doen op de verlaten bergpaden. Dus dat is wat ik deed. Ik luisterde naar een Zweeds nummer uit mijn tijd bij Chambre Neuf (Placebo – Movits) en danste op de sneeuw, pal tegenover de Aiguilles Rouges en ik zweer je, ik zag ze met me meebewegen.

IMG_3338

De Dromenvolger

Dit ben ik, tegenwoordig. Ik ben een dromenvolger van beroep. Mijn dromen zijn losgekomen van die van de anderen en er heel hard vandoor gegaan, en vervolgens zijn ze ergens in de bergen blijven hangen. Daar heb ik ze gevonden. Ik ben een dromenvinder en een dromenvolger tegelijkertijd, want ik weet nooit wanneer en waarheen die dingen ontsnappen.

Het is nog steeds een beetje een controversieel beroep. Het dromenvolgen levert zo nu en dan een kleine strijd die zo cliché is dat zelfs zij die überhaupt niet dromen haar kunnen uittekenen. Je komt uit een goed gezin, gaat naar de universiteit, vind een baan en een vent, worstelt wat met modern ouderschap en leeft nog vijftig jaar in harmonie met geld, zekerheid en status; het pad dat je met veel kabaal niet volgt. Ik zou er bijna voor tekenen en toch niet.

Ik zit opgescheept met aan de ene kant een cultureel betonblok dat nog steeds in stilte word aangemoedigd door mijn ouders en de occasionele ‘normale’ mens en aan de andere kant een hart dat schreeuwt om vrijheid en nooit rust zal vinden binnen het evidente toekomstperspectief. Het zou makkelijker (of in elk geval duidelijker) zijn geweest als mijn fantasieën parallel zouden lopen met die van zoveel anderen, maar mijn dromen zijn ervandoor gegaan en ik ben het mezelf verschuldigd ze te volgen, zolang ik de kwaliteit van mijn leven serieus neem.

Natuurlijk is het eng in die zin dat de garantie van geluk zich baseert op louter mijn gevoel en niet op datgene wat het Westerse gros al millennia als geluksmachine ziet. Op momenten van confrontatie word ik herinnert aan mijn kinderideeën van succes en zie ik opeens de kloof tussen mijn huidige leven en het weggedrongen einddoel.
Maar ondanks de verleiding van de oude zekerheid is er geen vezel in mijn lijf dat daar werkelijk weer voor zou tekenen. Ik onderschat mijn gevoel niet. Het liegt nooit over de voorwaarden van mijn geluk, terwijl de samenleving dat wel heeft gedaan.

Ik ben een dromenvolger van beroep. Waar zij gaan, ga ik. Dat betekend niet dat ik altijd aan het hollen ben naar iets in de toekomst, want ik ben ook een dromenvinder. En zelfs een dromenmaker, al winnen ze vanaf dag één van hun bestaan al hun autonomie.

photo (31)

Waterskiën op de Vallée Blanche

De Aiguilles Rouges schitteren onder een blauwe hemel, absurd weinig sneeuw op hun flanken, de treurigheid van de skiliften voor het eerst weer zichtbaar. Mont Blanc hult zich in wolken en ook Aiguille de Midi onttrekt zich aan het zicht. Als ik bij de rotonde achter het toeristenbureau de Franse vlag horizontaal in de greep zie van de wind vraag ik aan Marcel wat precies het plan is vandaag. Een poging wagen, zegt hij. Naar boven naar de Midi en zien wat de condities op hoogte zijn.
Dat is de luxe van het hebben van een seizoenpas; zelfs een willekeurige lunch kan op 3842m hoogte zonder op eigen energie een enkele hoogtemeter overbrugd te hebben.

We delen het liftje met twee Roemenen en een oud Argentijns koppel dat foto’s neemt van de white-out waar wij we ons op voorbereiden. Het is de tweede keer dat ik de Vallée Blanche intrek, dit keer ben ik overtuigd van haar schoonheid en eenvoud (als je een winterseizoen in Chamonix werkt en dag in dag uit toeristen over de Vallée Blanche hoort orakelen raak je haar zat, met name als je skiniveau nog niet afdoende is om zelf ‘dat wonder’ gade te slaan).
Maar we zien niets. Geen bergen, geen spoor, geen gletsjerspleten. Geeneens wind.
Marcel baant zich gestaag een weg door de mistige eindeloosheid, op zijn hoede voor obstakels die zich alleen bij verassing tonen. Ik volg en zelfs de digitaal goed uitgeruste GPS Roemenen volgen. Soms zakt de wereld onder mijn voeten vandaan omdat ik de helling niet zie. Soms rem ik zo plotseling dat ik over mijn ski’s struikel.

We skiën op de tast door de poedervallei.

Onder me suist een laag poedersneeuw uiteen die elke wintersporter high zou hebben gemaakt en ik heb het hier zomaar in miljoenen kilo’s.

Plotseling skiën we uit de wolken, precies daar waar Glacier de Lesschaux en Glacier des Geants uit de Mer de Glace ontspringen (wat samen de Vallée Blanche maakt?). Midden op de versnijding eten we onze broodjes, omringt door fel zonlicht en bergen die met veel kabaal afbrokkelen, lawines links en rechts, rotsblokken ter grootte van vrachtwagens die vrolijk de hellingen af stuiteren. Wij zijn veilig op het midden.

En dan moet het gebeuren: De Cardiotraining op hoogte, meters for Ruby, want Marcel benodigd niet zozeer meer training. Zijn hart is gemaakt van een technologie die slechts eenmaal werd geïmplementeerd en zijn conditie is daar het wonderbaarlijke resultaat van.
We leggen de tassen achter een rots en skiën de Lesschaux op, drie keer heen en weer, op zijn minst, op zijn minst. De zon bijt zich vast op mijn huid en mijn goggles vullen zich met zweet. De gletsjer toont zich net zo eindeloos als al die gletsjers in deze vallei en een uur later bevind ik me nog steeds in dezelfde spurt omhoog. Cardiotraining op de voorgrond van de Grandes Jorasses is echter niet zo erg.

We keren terug wanneer de sneeuw te nat is om fatsoenlijk op naar boven te gaan en arriveren weer in het poeder. Meer poeder.

Het is fijn dat sommige soorten sneeuw me een skiër laten voelen, zoals al die anderen die al jaren op ski’s staan.

We houden het bij één keer dankzij de onverwachte lengte van ons cardioproject en beginnen aan de staart van de Vallée Blanche. De Vallée Jaune vanwege de integraal smerige sneeuw die de hoge temperaturen genadeloos tevoorschijn smelten. Haar gloriedagen zijn voorbij, in minder dan een week is ze uitgemagert tot een skelet van ijs met stroompjes water die onrustig naar het dal stromen. De resten sneeuw remmen dusdanig dat we onszelf met onze stokken vooruit moeten duwen. Af en toe skiën we kniediep in het water, als gebonden aan een jetski, geluiden die thuishoren in de grote oceaan in plaats van op de gletsjer.
Ver voor de lift resteert er geen sneeuw meer om over naar beneden te glijden. We klikken de ski’s af en lopen over het maanlandschap naar de ladders die leiden naar het treinstation van Montenvers. Het treintje arriveert tussen de Japanners juist wanneer wij verhit en bezweet aankomen. We blijken de enige alpinisten; de wind heeft de rest af geschrokken waardoor de volle lading aandacht voor het exotische op ons gericht is.

Beneden in Chamonix is het zo warm dat ik al mijn alpine lagen in mijn rugtas stop en in een hemdje naar de bushalte loop. Mijn broekspijpen zijn nog nat van het waterskiën.
Marcel beklaagt zich over het tempo van degradatie van al die besneeuwde flanken die hem zo lief zijn, maar de zomer houdt je niet tegen.
Ik geloof dat we moeten genieten van de sneeuw die hoog, hoog boven nog valt alsof de wereld niet warmer wordt en het sprookje van ijskristallen oneindig aanhoudt.