Latest Posts

Micha en de ezel

20 November. We zijn nog steeds bij de ouders van Marcel. Het lijkt erop dat de kat (Micha) mijn aanwezigheid eindelijk heeft geaccepteerd, laatst kwam ze namelijk dichtbij me op de yogamat liggen. De kat van de buren (twee keer groter (dikker) dan Micha) laat zich met vier omhooggestoken poten in de armen van Marcel heen en weer wiegen, maar als ik goedemorgen-kat zeg sprint ze weg. Daar moet ik dus nog wat aandacht (kattenkoekjes) aan besteden.

Welkom in Spanje. Of specifiek: Het kleine witte buurtje in Olot dat tegen de oude vulkaan opkruipt en meer katten en honden huisvest dan buurtgenoten. Als de ene hond begint de blaffen, blaffen ze allemaal.
En de bejaarden zeggen ‘Ola’ tegen me.

Ik ben nog niet vergeten dat ik in een vreemde cultuur rondloop. Of laat ik zeggen: Dit is Spanje, kader Spanje, vreemd maar ik ken het al. De shock is overigens nooit groot geweest, het is geen India hier. En toch, als ik erop reflecteer realiseer ik me dat alles een beetje anders is. Het soort natuur dat zich door de ramen toont, het kleurenpallet van de dorpsstraten, de oude stenen nederzettingen buiten Olot, het klimaat, de etenstijden en in feite non-stop eetcultuur en niet te vergeten: de warmte van mensen (vriendschappen, eerste ontmoetingen, gastvrijheid: ik weet niet hoe het is om in een Noordelijke cultuur te belanden, misschien net zo warm. Maar het gaat ver hier; ik ben nooit een buitenstaander, net zo veel vriend in de vriendengroep als zij die samen zijn opgegroeid. Eerlijk waar, alsof ik hier een gewaardeerd bestaan had nog voordat ik voor het eerst voet in Olot zette).
Ik twijfel overigens wel of ik over Olot in Spanje kan spreken. Olot is diep Catalaans. Mensen uit Barcelona zijn al vreemdelingen. Vrienden van Marcel hebben hun stamboom klaarliggen, de Spaanse burgeroorlog, Franco, het leeft, het is recent, het is belangrijk. Het idee van ‘onafhankelijk willen zijn’ is me in feite drie keer vreemder dan de etenstijden en ik zie of voel het overal.

Maar toch nog even over het eten: Laatst gingen we weer op bezoek bij Joseph, die woont in het landhuis waar ik tijdens mijn vorige verblijf al zo lyrisch over geschreven had. Het huis met de ezel en het paard, beide nog geen twee jaar oud, de gigantische groentetuin, de kippen en het kleine hondje, de piano en gitaren, de eettafel van vier meter; dat huis. We kwamen toevallig tegelijkertijd aan met de moeder des huizes, die ons twee grote manden gaf en opdroeg om groenten uit tuin te halen en eieren uit het kippenhok. In de keuken had ze ondertussen de tafel afgeladen met gerechten, uit het niets, uit de koelkast, uit de tuin. Er was huisgemaakte druivensap en appelsap, brood, salade, quiche, spinazietaart, kaashapjes, olijven en een amandeltaart toe. Zoiets krijg ik nog niet voor elkaar op een feestdag. ‘I like cooking’, zei ze verontschuldigend. Iedereen hier in Spanje houdt van koken.

Ik ging natuurlijk weg met een hoop aangewakkerde dromen (en een mandje met groenten), precies zoals afgelopen Juni. Met name de ezel maakt diepe indruk op me. Geef mij een ezel voor mijn verjaardag – en het bijpassende huis. Desnoods in Catalunya; ik mis de bergen, brood met Nutella in de middag en zal me nooit bij de seperatisten scharen, maar de rest zie ik wel zitten.
En dat hart van Micha en de buurkat verover ik nog wel.

Ze schrijven zichzelf niet

Ik schrijf deze blog om iets van mijn enthousiasme terug te winnen. Een half jaar geleden begon ik namelijk aan een boek. Ik was verslaafd, leefde het leven van de hoofdpersonen zo fanatiek als het mijne. Het document waarin het allemaal gebeurde staat nog steeds elke dag open, maar ik heb de aandrang verloren om erin te kijken. Dat is gek, want voorheen was het alsof het verhaal al eeuwen bestond en zich koste wat kost een weg naar de realiteit worstelde. Via mij. En nu, nu is de ziel verloren en blijkt het… gewoon een verzameling zinnen. Alle hoofdpersonen zijn passief, staan bevroren precies daar waar ik ze gelaten heb, geen sprankeltje initiatief, het leven is gestopt.

Het zou toch zo cool zijn als ze zichzelf verder hadden geschreven.

Teleurgesteld in de karakters en de magie, kan ik me alleen maar ergeren aan het feit dat ik een on-af boek de werkelijkheid ingesleurd heb. Mijn vader zei nog, begin met kleine verhalen. Dat was de bedoeling, maar ik viste per ongeluk een gigant op, een zwaargewicht uit de verhalenwereld. En eerlijk is eerlijk, ik heb helemaal geen zin om dat hele document door te lezen, op zoek naar het enthousiasme dat me nu ontbreekt.

Maar ik geef niet op. Ik had geen plot en geen einde en een wankele verhaallijn, en toch zal ik terug kruipen in mijn fantasie en mijn personages aansporen om verder te leven. Kijken waar ze heen willen, of ze nog ergens heen willen. Of ze misschien uit zichzelf een plot kunnen ontwikkelen.
(Ik moet altijd denken aan Stoner van John Williams, een boek dat me compleet in zijn greep had omdat er helemaal niets in gebeurde en ik het razend interessant vond. Williams liet me zielsveel houden van een oersaai, menselijk personage. Na het boek had ik een plotselinge fascinatie voor élk mens, want als Stoner zo interessant was, dan moest iedereen dat zijn. Dus keek ik mijn ogen uit in de tram, collegezaal, Albert Heijn…Helaas werd de realiteit niet via Williams aan mij gepresenteerd en waren de meeste mensen binnen een paar dagen weer passanten. En nee, het is ook Williams niet die mijn boek schrijft. Ik behoef een plot.)

16 november 22:10

Het werkt. Direct na het schrijven van de blog ben ik het document ingedoken. Ze leven weer. Godzijdank.

En we stoppen weer met beesten (Bertha’s) eten

Het komt door de koeien in Le Tour. Ze waren zo gelukkig op die flank, een beetje liggen, poepen en grazen, dat ik het idee van hun vrienden op mijn bord plotseling weerzinwekkend vond. Sindsdien wil ik Bertha weer recht in de ogen aan kunnen kijken, en dat kan ik niet als Bertha’s zus nog op de bodem van mijn maag ligt te verteren.
De vorige keer dat ik vegetariër werd was het toch wel een dingetje. Beïnvloed door het stadsleven en alle kleine denkers om mij heen, misschien ook de transitie die ik zelf doormaakte (corpsbal -> hippie), was ik veel bewuster van mijn eigen ideologie. Enerzijds schaamde ik me voor mijn besluit, het cliché, het paste te zeer bij mijn wending, anderzijds probeerde ik het aan alle kanten van argumenten te voorzien.
Nu is alles zo… überhaupt zo moeilijk om in een hokje te plaatsen, dat ik het grote kader langzaamaan heb losgelaten. Wat de som is van mijn ideeën intrigeert me momenteel niet zoals in mijn studententijd. En als ik even geen beesten meer wil eten, tsjah, dan niet.

Alhoewel, het is toch wel gek dat ik het ene moment de connectie tussen Bertha’s zusters en het vlees tussen mijn pasta’s wel maak, en het andere moment niet. Ik interesseer me de laatste tijd weer wat meer in de wereld en haar geschiedenis – onbeperkt toegang tot internet heeft zijn gevolgen – en doorspit een hoop onheil. Nazi-Duitsland, Pinochet, drugsoorlogen in Colombia, een ontzettend willekeurige reeks aan onbegrijpelijke regiems en misdaden doet me afvragen hoe je als mens in staat bent om een ander mens kwaad te doen.
En het lijkt, of het voelt voor mij begrijpelijker als ik denk aan mijn wisselende vermogen om een vredige, grazende koe tussen de grassprieten in het vlees dat ik eet te zien. Óf ik kan meevoelen met een koe, of ik kan het niet. Alsof een deel van mijn empathisch vermogen (naar koeien toe!) een beetje gedijt op toevallige omstandigheden. Gelukkig zie ik het verschil tussen een mens en een koe… ik kan vrij eenvoudig concluderen dat mijn empathisch vermogen wat betreft mensen iets minder wisselvallig is (alhoewel, ik koop nog steeds kleren waarvan ik vermoed dat het productieproces niet helemaal netjes is – daar moet ik dus mee stoppen).
Hoe dan ook, het fascineert me. De status van het leven, al dat leeft, de koe, de kat, de vlieg, het mens, hoe dat schommelt en rommelt en bepaald wat ik doe, dat is interessant.

De conclusie is dat ik Bertha’s zusters rustig in hun weide laat en wederom overga op konijnenvoer. Als ik het simpel houd. Laat ik het simpel houden.

Festival del Foc i de la Llum

_dsc9538

Fransces is een van de beste vrienden van Marcel en diegene van wie ik de naam het eerste onthield. Hij werd aan me geïntroduceerd als een collegaschrijver, overbodig, want zijn grote, dromerige groene ogen, krullende haar en ouderwetse (en toch heel hippe) kledingstijl verraadde hem bij binnenkomst (en lieten absoluut geen ruimte over voor een ander beroep).
Marcel had me overigens al ingelicht, hij zei: die ga je sowieso mogen, want die schrijft.

Nu was hij categorie schrijver die me angst inboezemt, zo een die ze allemaal gelezen heeft. Een Catalaans dichter met ongekende (filosofische, donkere) diepten en tegelijk journalist. Daarom durfde ik nooit zo goed een inhoudelijk gesprek met hem aan te gaan. Het duurde een tijdje voor ik het onderwerp op onze schrijfcarrières bracht, wat achteraf zonder gevaar bleek omdat we bleven bij gebabbel over de praktijk van het schrijven zelf. Een hutje hoog in de bergen, kwamen we beide op uit, dan kreeg je het wel voor elkaar om een boek te schrijven.
Hij vertelde me dat hij niets van zijn eigen werk instuurde, maar ik kwam er niet achter waarom niet; misschien omdat zijn Engels niet goed was (of mijn Catalaans) en ik hem onvoldoende begreep, misschien omdat hij het zelf ook niet wist. Marcel vertelde me later dat Fransces geen reden zag om zijn eigen werk te publiceren omdat hij het niet schreef voor het grote publiek. Ik dacht meteen: die durft niet.
Hij lijkt overigens wel het type dat over honderd jaar, lang na zijn dood, wereldroem vergaard.

_dsc9534

We ontmoetten de hele vriendengroep op de avond van Festival del Foc i de la Llum, een feest in Olot dat vijf jaar geleden in het leven was geroepen en de hele regio op de been bracht. Witte aliens aan draadjes vlogen hoog boven onze hoofden. Vuurwerk barstte in kleuren uiteen, de Catalaanse zangeres Marine Rossell verscheen op het balkon, witte ballonen rezen naar de hemel, kinderen met lichtgevende schoenen renden achter elkaar aan, de straten liepen vol en toonden ons lichtgevende kunstwerken op elke hoek en elk plein.
We slenterden. Het Spaanse klimaat maakte de novembernacht niet zo zacht als ik had gehoopt. Als we geen kunstwerk van brandend hout in winkelwagens waren tegengekomen, was ik met traditioneel bevroren vingers uit de nacht gekomen.
Ik sprak veel met Jordi, een van Marcels vrienden die werkt als chocolatier, met fabelachtige foto’s op zijn mobiel en verhalen over bonbons, chocolademelk en kunstwerken van ja, cacao. Ook leerde ik veel over Sergio, een afgestudeerd bioloog die niet aan de bak komt en daarom voor 600 euro per maand vrachtwagens inlaadt (een van de vele jonge Spaanse hoogopgeleiden die zijn originele roeping volledig naast zich neer heeft gelegd).
En ondertussen was Fransces aan het werk. Hij had die middag toevallig een fotograve ontmoet, en omdat hij toch al de opdracht had om verlag over het festival te doen gingen ze samen op pad. Wij liepen erachteraan.

Elke vijf meter ontmoette iemand een vriend van vroeger, een kennis van de ouders, de ouders zelf, studiegenootjes, oude liefdes, het hield niet op. Olot is een dorp. Ons kent ons.

We sloten de avond af met een diner in een Kebabzaak net buiten het dorp. Fransces was er lang niet meer bij, die had de plicht om alle kunstwerken af te gaan wanneer de rest allang de warmte had opgezocht. Misschien dat zijn verslag van de avond later in de historieboeken wordt opgenomen, het festival van het licht in de ogen van de jonge Catalaanse schrijver die later zoveel faam zou opdoen.

En ik was erbij.

_dsc9475

Uh…Trabajo?

‘Tranquile’, zeg ik.
‘Trrrrranquile’.
Nee.
‘Trrrrranquile’.

Onze -r? Met je tong tegen je gehemelte, zeggen de Spanjaarden, en dan blazen. Dat kan je niet!? Oh. En als je nu het grommen van een kat nadoet? Hé, daar heb je hem! Dan moet je alleen die -g loslaten.
Grrrrrr…

Ik heb in feite weinig -r, en als ik hem wel uitspreek klinkt het in de oren van Spanjaarden als een -g. Marcel verbied me om in het Spaans te zingen voordat ik de Spaanse -r beheers. Ze hebben überhaupt geloof ik geen -g zoals wij Noord-Hollanders die zeggen, zodat je dus ongegeneerd hun taal volgooit met een misplaatste, scheurende klank. Ik kan me voorstellen dat ’t stoort in de Rumba.

Daarom loop ik rond door de heuvels achter het huis van Marcel en oefen ik de verhemelte-r. ‘Tranquile’, zeg ik. ‘Trrrrrrranquile’. Dat kun je beter stil tussen de bosjes doen, alleen al om de spot en het ongeloof over je onkunde te ontlopen (je kan het écht niet, hè? – hm, nee).
En ja, je voelt je wel een beetje rijp voor het gesticht, tranquile, precies wat de passerende wandelaar denkt. Ze denken niet ‘oh, dat is er weer zo één die onze -r oefent’.

‘Trrrrranquile’.
Er loopt een oude man voor me. In een beige jas, onder een hoed, aan een stok. Hij laat zijn sigaar op de grond vallen en raapt hem met moeite weer op wanneer ik passeer. ‘Deo’, zeg ik, een soort ‘hallo’ in het Catalaans.
Hij spreekt terug in lange, lachende, snelle zinnen.
‘Uh…No hablo Catalaan.’ Ik spreek geen Catalaans.
Ik loop met hem op.
Zodoende ontwikkeld zich mijn eerste gesprek in het Spaans – ooit. Ik versta niets van wat hij zegt en kan me zelf geen juiste vervoeging meer voor de geest halen. Ik had vanmorgen nog wel geoefend, grammaticales 6 over het verschil tussen estar en ser, nu mompel ik alleen: ‘uh… Vive Olot? Donde? Trabajo?’
Precies wanneer onze wegen scheiden komt er wat kennis bovendrijven. Ik had dit beter gekund, denk ik als ik helemaal blij en gelukkig terug naar huis loop.
Mijn eerste Spaanse gesprek ooit, moet je horen.

Ik zeg ‘gas’ tegen de kat, een verspreking tussen het Catalaanse ‘gos’ en ‘gat’ in. Vervolgens laat ik Marcel mijn nieuwe -r horen, trrrranquile, hij is niet onder de indruk.

Maar ik wel.

(23:33 : Ik ben er zojuist achtergekomen dat ‘deo’ in feite ‘dio’ is, oorspronkelijk ‘adios’ zoals de Spanjaarden groeten. Zo leuk.)

Allen onze gang

Ik ben weer in Spanje.

De geboorteplaats van Marcel ligt net onder de Pyreneeën. Hij is opgegroeid op de flank van een oude vulkaan, in een van de bovenste witte huisjes van de buurt. Zodoende kan ik het altijd terugvinden.

De ouders van Marcel werken. Zijn vader nog even; de bank waar hij al meer dan twintig jaar elke doordeweekse dag naartoe fietst, gooit er eind van de maand 2500 werknemers uit en het kan hem niet te snel gaan. Eindelijk met pensioen. Yoga, boeken en natuur. Zijn eigen gang.

Zijn moeder is altijd aan het koken en anders hetgeen aan het opruimen dat ze voor het koken van stal had gehaald. Ik eet mijn groentetekort van het afgelopen half jaar hier in twee dagen bij elkaar. Ze zorgt zo intensief voor ons dat ik me soms geen houding weet te geven. Dan sta ik met mijn vuile bord voor de afwas te wachten tot ze die ook afwast. Dat kan niet, denk ik, maar ik weet dat ze me het niet laat overnemen.
Laat haar, zegt Marcel vaak tegen me. Het maakt haar gelukkig.

Marcel spendeert veel tijd in de schuur, waar hij met glasvezel, recine, kalk en klei een skischoen in elkaar aan het knutselen is. En dat is geen klein project, vergis je niet: het zit al twee jaar in zijn hoofd en inmiddels twee maanden als fulltimebaan in zijn dagelijks leven. Zijn grote voorbeeld is Pierre Gignoux, een oude ski-mountaineer kampioen die op eigen houtje een carbonschoen in elkaar zette. Voor 1600 euro verkoopt hij ze inmiddels en alle groten der off-piste skiën erop.
Marcel heeft een eigen concept ontwikkeld. Hij is een kunstenaar en een doldwaze ‘skirando’ fanaat, ter consequentie heeft hij me (bijna) ingeruild voor zijn schoen en moet ik afdalen naar de schuur voor wat aandacht.

Maar het is niet erg. Ik heb overdag een huis voor me alleen, waar de gezonde maaltijden uit de koelkast bulken, alle soorten biologische thee in een rijtje achter de kastdeur zijn opgesteld, elke kamer warm en schoon en feng shui is, het lichtje van het internet altijd brandt en ik zolang kan schrijven als ik wil.
Buiten is het mooi. Een wandeling, een bezoek aan Olot en ik schrijf weer.
En eindelijk, eindelijk heb ik het Spaans opgepikt. Wie legt mij het verschil uit tussen Estar en Eres? Marcel van boven zijn schoen en anders het internet.
Mijn Catalaan reikt vooralsnog niet verder dan gos (hond) en gat (kat).

Omdat Marcel zijn knie heeft geblesseerd kunnen we de komende dagen niet klimmen. Over een week hoop ik alsnog door te reizen naar Siurana, waar tientallen routes op me wachten en de zonsondergangen als magneten aan me trekken.
We zien ondertussen dat Chamonix volledig insneeuwt. Poeder tot in het dorp zelf.
Voor nu echter zal ik me niet laten afleiden door sneeuw of rotsen, want ik heb twee boeken om te schrijven, tien blogs om te beginnen en een leven om uit te werken.
Als dat onder deze belachelijk comfortabele condities niet lukt, dan geef ik de hoop op. (Alhoewel, moest je niet een beetje lijden om iets van waarde op papier te krijgen?)

Een Licht Zieltje

Een baan, een appartement met maar een enkele Spanjaard, een dorp dat ik ken als mijn broekzak, een taal die ik spreek, omgeven door vrienden die me al kennen: Dat wordt mijn degelijke winter. Weg huis op wielen en beginnersstatus op de piste.
Nu kan ik net als al de andere seizoenarbeiders met mijn nonchalante skischoenwaggel door het dorp lopen.

Mijn Spaanse maatje Adria uit het huis in Le Tour is sinds een week terug in Chamonix en wonderbaarlijk genoeg hebben we een betaalbaar appartement gevonden in Les Bossons. Vooruit, het is niet centrum Chamonix, maar ik geloof dat we beiden onze oude, gevoelige buren prefereren boven het nachtelijke geronk van een skioord. Theedrinken, een aperitief Ricard aan de antieke tafel van de Italiaanse onderbuurman, op sloffen om de rest niet te hinderen.

Alhoewel het feest pas over een maand hoort te beginnen, komt de sneeuw gewoon al naar beneden. In grote hoeveelheden. De webcambeelden zien wit. Poeder, poeder, klinkt het al.
Zul je zien dat het zonnetje weer ongestoord op de wanhopig groene pistes schijnt zodra de eerste toeristen zich in Chamonix instaleren.
Daarom moet je gewoon tussen de bergen wonen; zodat je kunt anticiperen op de eigenzinnige perikelen van het weer en je je kans grijpt zodra die zich voordoet. Zij het begin november.

Het nadeel is dan weer dat het werk in een skioord seizoensgebonden is en toch wel de grootste lading sneeuw valt wanneer je opgesloten zit bij de werkgever.
Ik wilde eigenlijk voor de start van het seizoen naar Spanje gaan, maar nu twijfel ik. Ga ik vast skiën, nu dat ik nog vrij ben, of ga ik klimmen in het paradijs van Siurana?
Het leven maakt het je soms heel moeilijk.

Over een maand word ik 25. Dan zwerft mijn ziel precies een kwart eeuw over deze aarde. Fantastisch vind ik dat, zo willekeurig en belangrijk tegelijkertijd. Het idee dat mijn ouders 25 jaar geleden een wurmpje verwelkomde dat… Ik nu nog steeds ben. Ongelofelijk.

En na 25 jaar aan complexe aangelegenheid van leven, is het volgende mijn grootste probleem: Ga ik skiën in Chamonix of klimmen in Siurana? De tijd is duidelijk nog niet gekomen om de wereld te redden. Ze hebben me gezegend met een heel licht zieltje.
Wie weet win ik de komende kwart eeuw wat aan gewicht.

Het enige relatief tragische feit is dat de mensen met wie ik mijn kwart eeuw zou willen vieren, verspreid zijn over Zwitserland, Nederland, Frankrijk en zelfs Australië. Op de avond van mijn verjaardag zal ik even opzoek moeten naar iemand om van te houden. Een laatste oneffenheid voor het degelijke leven in Les Bossons begint.

Terug in Tour

Heel even staan we met de bus in Le Tour. Want het is hier toch het allermooist. Alleen al om de herinneringen, die als paradijsvogels tussen Glacier du Tour, La Balme en het dorp vliegen. De eerste alpinetour, de val, het winterchalet met De Tien Spanjaarden, het leren skiën; allemaal hier.
Maar het mooiste aan Le Tour is misschien nog wel dat het een uiteinde is. Na het dorp rest er niets dan bergen. En al weet ik precies wat er achter die bergen schuilt (Zwitserland), toch lijkt het alsof de beschaving precies hier ophoudt. De kleine, stille uitloper van Chamonix’s gekte sterft waar het steil wordt en is vergeten bij de eerste passen omhoog. En met een beetje verbeeldingskracht zijn er geen pistes of liften.
Dan heb je de reden te pakken waarom je uit Amsterdam emigreert en je familie en vrienden op ansichtkaartafstand achterlaat. Dan geld het argument ‘rust’ en kun je jezelf weer serieus nemen. Alhoewel de emigratie zich nooit meer voordoet als een keuze, niet eens meer als de uitkomst van een proces maar alleen als simpel gegeven, heb ik het toch nodig om even met de bus in Le Tour te staan.
Tussen de herinneringen en de bergen.

Als een Koe

Kun je al skiën of nog niet?
De gletsjers geven geen antwoorden weg. De crevasse is netjes afgedekt met een laag sneeuw, maar of je er doorheen zakt blijkt alleen uit de praktijk. En die praktijk boezemt me angst in zelfs al zijn honderd anderen me voorgegaan. Ik zou graag even inkomen op de groene piste, kijken of er na de zomer iets van mijn intuïtie over is. Liever niet op een gletsjer met haar diep duistere geheimen.
Ook voor de ervaren alpinisten is het denk ik nog even de vraag. Ik heb de skietjes nog niet door Chamonix zien lopen. Hoewel, misschien waden de echte bezetenen al dagen zigzaggend door de besneeuwde bergen.

Voor ons is het nog even aanzien.
Letterlijk aanzien: Wandelen in Aiguilles Rouges om te zien wat zich aan de overkant afspeelt, de bus naar Le Tour pakken om een blik op het bassin te werpen.

En wat zien we?
Herfstkleuren en koeien. Een hele kudde koeien die zich gemoedelijk over de pistes flaneren, wat grote wollige kalven die nog dicht bij moeders blijven, een hoop staarten die heen en weer zwiepen en soms ladingen stront langslaten. Grazen en verteren, is mijn conclusie. Wat een leven.
De condities verlenen me nog geen identiteit als verwoed skiër maar wel als herboren vegetariër met de ambitie om zen als een koe te zijn.
Ook met betrekking tot de eerste afdaling in de sneeuw.

_dsc9180_dsc9152

Lees dit verhaal!

Mooiste blog ooit…over allerlei dramatische dingen. Een huurmoord links en rechts.
Super.
Interessant.

Ik heb een keer op Facebook een ‘blendle’ artikel aangeklikt en ontvang sindsdien trouw elke morgen een mail met een tiental uiteenlopende artikelen uit kranten en tijdschriften dat door de blendlecrew interessant gevonden wordt. Ze zetten er kleine samenvattingen bij en maken het gemakkelijk om je in onderwerpen te interesseren. Ik ben erg gevoelig voor hun mening, dus als zij zeggen ‘mooiste artikel deze week’ dan lees ik het.
Het is een goede manier om op hoogte te blijven. En in feite ook om uit te vogelen waar nu mijn interesse ligt, dat direct blijkt uit mijn ‘zin’ om bepaalde artikelen te openen.

Ik blijk erg geïnteresseerd in lugubere moorden. Cultuur doet het ook goed (gelukkig maar, gegeven mijn bachelor antropologie), politiek laat ik systematisch links liggen, wetenschap eveneens, als het heel typisch Nederlands wordt haak ik meestal snel af, vreemde onverwachte onderwerpen open ik trouw, tragische verhalen eveneens, liefde werkt, afkraak-columns niet. En zo nog meer.

Wat wekt echter mijn interesse: is dat iets oorspronkelijks, of de soepele babbel van blende? Zegt het iets over mij of over blendle? Mijn conclusie is vooral dat de manier waarop blende een artikel aankondigt ernstig, ernstig invloed heeft op mijn keuze het te lezen.

Dat moet ik even onthouden. Als dat voor mij zo werkt, dan werkt dat zo voor anderen waarschijnlijk eveneens. En dus ook voor mijn bloglezers. Je ziet immers in mijn lay-out het begin van elk verhaal, en als dat niet pakkend is, dan is het minder waarschijnlijk dat je de blog opent.

(Duuh, denk je nu. Ik wist dat eigenlijk ook wel, maar blendle maakt het nog even wat meer invoelbaar)