Latest Posts

Het prullenbakduiken

Ik durf het niet. Daarom sta ik op de uitkijk, als medeplichtige bij een roofoverval. Ziet iemand ons? Zijn we veilig? Mijn partner in crime zet de koplamp op, opent de deksel en springt het donkere, drie meter diepe niemandsland in.
De prullenbak.
Soms komt er iemand vuilnis weggooien. Gelukkig zijn er altijd minstens twee prullenbakken, en kiezen ze – vanwege mijn paraderen langs onze prullenbak – voor de andere.
Wat zeg ik als ze toch voor de mijne kiezen?
‘Excuus, gooi niet daar uw vuilniszak. Er zit iemand in.’

Twintig zakken voorverpakte wafels, eenzelfde aantal pain au chocolat. Bakjes boter en melk, genoeg om een pannenkoekeneetwedstrijd voor heel Chamonix te organiseren. Vlees, vis, pasta, alles frefab, veel luxeproducten, kazen, vreemde yoghurts met karamel, hazelnoot en slagroom.
Uit mijn ervaring blijft het gros nog minstens een week goed. Het zit zo vol conserveringsmiddelen dat het nu en dan een maand na houdbaarheid nog prima eetbaar is.
Soms ligt er een deken van een halve meter dikte aan verpakte, houdbare etenswaren in de prullenbak van minstens twee vierkante meter.
Pijn in mijn hart.

En toch, ik haat het. Ze noemen het dumpsterdiven en ik sta er altijd ongemakkelijk bij. Is dit nu van me geworden? Universitaire studie en ik spring in een prullenbak voor mijn eten?
Ruby, controleer je denken.
Precies daar, voor die prullenbak, word ik keer op keer maximaal geconfronteerd met die kloof die ik nog steeds in me heb. Ik denk als een hippie, maar kom nog steeds uit Heemstede. Ik denk: Deze maatschappij is gek geworden, wie gooit er nou goed eten weg? –  En tegelijkertijd vertik ik het nog steeds om zelf in de prullenbak te duiken.

Eenmaal per week een bezoekje aan het vuilnis van de Supermarché in Argentière, meer is niet nodig een viertal volwassenen in leven te houden. In het donker, in het geheim, als een stel zwervers halen we datgene terug wat nooit afval had mogen worden.
Hopelijk vind ik ooit het fatsoen om zelf in het niemandsland af te dalen.

Relaties

Wat is een relatie? Geen idee, had ik een half jaar geleden gezegd.
Nu ben ik een expert. Een van de twee meest erkende experts op het gebied van de relatie tussen mij en mijn vriendje.

Ik had eens, ver voor het ontmoeten van Marcel, Alain de Botton’s ‘proeven van de liefde’ gelezen. Ik herkende alles. Ik herkende het van de films die ik had gezien, de romans die ik had gelezen en het leven in een wereld waarin dagelijks relaties opbloeiden en verpieterden.
Zonder ooit een relatie te hebben gehad kon ik meepraten over de magie en de problemen.
In principe heb je te maken met twee mensen en als je een beetje liefde en inlevingsvermogen predikt kom je al een eind.
Maar echt weten kon ik het niet.
Voor Marcel was ik ervan overtuigd dat elke relatie de schepping was van de twee geliefden die zich eraan waagden. Zij maakten de wetgeving en vogelden zelf uit hoeveel ze zich aantrokken van de heersende culturele notie van een relatie.
Waar ik me echter op verkeek was de potentiele complexiteit elke partner afzonderlijk, van een mens in feite, en hoe de complexiteit van twee mensen samen een vrij autonome koers kan aannemen.
Dan kun je relatiescheppen wat je wil, maar de dynamiek van dag tot dag doet met je schepping wat het zelf wil.

Wat zou ik dus nu zeggen dat een relatie is?
Oef. Het eigenzinnige en gemeenschappelijke lot van twee mensen. Twee karakters die op een dag aan de haal gaan met elkaars leven. Het meest onbegrijpelijke deel van de ene samen met het meest onbegrijpelijke deel van de ander dat samen een autonome derde vormt waarnaar je je moet verhouden.

En natuurlijk de deal om het avontuur samen aan te gaan, wat het gros van de tijd supercool is, met name ook omdat mijn vriendje supercool is.

En dan, dat kleine beetje wat niet zo supercool is?
Marcel en ik leven op vier vierkante meter sinds de dag van het ontluiken van onze liefde. Dat is een test zelfs voor de grootste romantici, voor zij die voor elkaar gemaakt zijn en naadloos in elkaar overvloeien.

Daarbij betrap ik mezelf nog best vaak op wat vastgeroeste ideeën die mijn geduld tegenover mijn medebusbewoner aantasten. Ik heb de boeken van Jane Austen in mijn tienerjaren stukgelezen en het voor elkaar gekregen om het tegenbeeld van een Darcy (een hele rijke, trotse maar begeerlijke man) aan de haak te slaan. Nu lees ik in Le Deuxième Sexe van de Beauvoir dat wij verliefde vrouwen ons via onze man willen verwezenlijken (hij is het absolute, diegene die alle waarden bezit enzovoort) door ons met complete devotie aan zijn voeten te leggen, maar hij moet op zijn beurt nagenoeg goddelijke capaciteiten bezitten om ons niet teleur te stellen.
Nu wil ik niet van waarde zijn via een vent.
Ook niet als die vent een Darcy is.
Darcy was ook maar een mens.
En toch laat ik me nog steeds afleiden door het feit dat mijn vriendje eveneens een mens is. Hij heeft zoveel onzekerheden en zwakheden als ikzelf. Hij is en kan niet alles.

Ik ben daarbij ook een mens. Geen klein elegant Spaans feilloos meisje. Marcel kan net zo goed door mij teleurgesteld worden.
Alain de Botton schrijft in Religie voor Atheïsten hoe we ons met onze partner terugtrekken in ons tweemans paradijsje en vervolgens van onze partner verwachten dat hij of zij alle kwaliteiten bezit die voorheen werden ingevuld door onze vrienden en kennissen. Terwijl je met de ene vriend diepe gesprekken voerde, met de andere ging hardlopen, met de derde musea bezocht en met de vierde vooral het leven niet zo serieus nam, achten we onze partner om alle aspecten met ons te delen. En ik denk: Verdomme Marcel, interesseer je nou eens in dat boek dat ik aan het lezen ben. Hoezo kook je niet een keertje iets cools voor me? Waarom ben je moe vandaag, wat een onzin.

Ik heb het idee dat het moeilijkste van een relatie misschien wel de relatie zelf is. Als ik mezelf kan bevrijdden van mijn verwachtingen en ideeën, dan blijft er van mijn vriendje slechts een hele leuke jongen over, eentje met wie ik mijn tijd kan spenderen en die me kusjes geeft.
Geeft dat antwoord op wat een relatie is?
Nee. In feite weet ik er nog steeds niets van, al voel ik een hoop wat betreft mijn eigen relatie, die geheel en alleen lijkt te bestaan uit wie ik ben en wie mijn vriendje is (en dus die onbegrijpelijke dagelijkse dynamiek). Misschien heb ik wat meer relaties nodig om iets concreets en algemeens op te rakelen, maar ik vind die jongen die ik nu naast me heb zitten te leuk om op te offeren voor het onderzoek.

Druiven Knippen

‘Sinds het begin van mijn site heb ik nooit zo lang geen blog geschreven’, zeg ik tegen mijn nieuwe Franse vrienden Gwen en Thibaut. Ze hebben net als ons de bus vlak boven de wijngaarden van Martigny geparkeerd, op een klein grasveldje dat in de winter gebruikt wordt als landplaats voor de helikopter. De cave van Gerald Besse ligt in Martigny Combe, het deel van de stad dat opkruipt tegen de helling richting Col de la Forclaz.
Boven de flanken van de vallei hangen de druiven zwaar aan hun takken. Martigny is wijn en het knippen is begonnen.

Elke ochtend om stipt halfacht loop ik met Gwen naar beneden. Thibaut en Marcel volgen ons tien minuten later met de mountainbikes. We verzamelen ons met 36 andere knippers en dragers voor de gloednieuwe wijnfabriek van Besse, in de kou van een nieuwe herfstdag, handschoenen, sjaals, thermosflessen en heel veel sigaretten. Van de 36 zijn er zo’n 30 vrouw, kwebbelend tot het einde van de werkdag.
Met kleren klevend van het druivensap worden we acht tot negen uur lang van wijngaard naar wijngaard gereden. Binnen drie weken tikken we het hele imperium van Meneer Besse af. De mannen dragen de kisten met druiven en rijden de machines. Ze krijgen 16 franc per uur of meer, wij beginnen bij 13,50. Het is ons nooit gevraagd of we willen dragen. Sterker nog; zodra we een kist optillen horen we van meerdere kanten ‘niet laten vallen, hè’. De kostbare druiven zijn in gevaar onder de hoede van vrouwen.

’s Middags is het zonnig, warm, met name de eerste dagen. Martigny klinkt onder ons en lijkt op een speelgoedstad. We zien de zon opkomen en werken nog wanneer ze haar gang uit de vallei maakt. Het bonte kleurenpallet dat ze tussendoor over de bergen werpt zien we alleen in de pauzes; de werkdruk is hoog. We worden geacht razendsnel te knippen en de druiven te controleren. Geen rotte, zure, droge druiven. De gelijkmatige struikenrijen verraden genadeloos onze relatieve snelheid, baas Suliman ziet van boven precies wie er achterblijft. De oudste en logste vrouwen zijn onbegrijpelijk snel, niet bij te houden zonder met de pet naar de selectie te gooien. Hun handelingen zijn kalm, ze bewegen zich rustig en vloeiend voort langs de struiken, hun determinatie en ervaring geeft hen een tros per struik voorsprong. Ik haast me er gejaagd achteraan en weet me bij uitzondering te handhaven.

_dsc9023

De eerste drie dagen ga ik gemoeid onder rugpijn en knip ik drie keer in mijn vingers. Het werk is zo fysiek dat erna maar een paar uur dag overblijft. We eten, lezen en vechten rond achten al tegen de slaap. Ik doe verslag van elke dag met het plan om later een klein boek te schrijven, want het leven als immigrant in Zwitserland is, ondanks de simpele dagelijkse herhaling, verbijsterend interessant. Vraagstukken en mythes worden me ingegeven met de wijn of het druivensap; de kniproutine opent nieuwe gangen in mijn denken. Mijn literatuur bestaat uit Code de la Route (het geld van Besse moet een rijbewijs gaan financieren) en Le Deuxième Sexe van Simone de Beauvoir. ‘C’est juste que je déteste inégalité’ zegt Gwen tijdens een pauze. We proberen ons nog steeds tevergeefs tussen het mannenwerk te voegen.

Thibaut, Marcel, Gwen en ik vormen een relatief Franstalig viertal tussen de werknemers. Onze leidinggevende Suliman komt uit Kosovo en de drager Muzier uit Irritrea, de rest is Portugees. Het gepassioneerde, soms brute Portugeze gekwetter klinkt altijd boven de wijnvelden. Soms zingen ze.
Suliman is een leider zonder overzicht die na twintig jaar tussen de wijngaarden zijn rug dermate heeft verziekt dat hij zelf geen lege kist meer kan en mag tillen. Hij loopt gewichtig tussen de druiven door, controleert met ernst onze kisten en doet het gros van de tijd geen flikker. Zijn autoriteit is op het randje, maar omdat hij sympathiek is luisteren de meeste.
Muzier praat, ondanks dat hij Frans spreekt, liever niet. Hij is diepdonker, nog geen twintig, heeft zijn grote bruine ogen wijd uit elkaar staan, onwerkelijk mooi, een lach die het leven van haar zwaarte ontdoet. Marcel denkt dat hij een boodschapper is, een reïncarnatie op zijn minst.
De familie Portugezen steelt ondertussen consequent één tablet chocolade uit de vier-uur-pauze kist. Ik betrap ze op een dag en creëer onbedoeld een vete tussen de Fransen en de Portugezen die voortduurt totdat we allen met onze enveloppe vol Francen naar huis keren. ‘Pas de chocola, pas de caisse’, zegt Thibaut tegen een van de Portugeze leidersfiguren. Geen chocola, geen nieuwe kist. Hij laat haar achter met de trossen druiven in haar handen.

De middag voor de laatste knipdag trakteert Besse ons op een kastanjelunch. In onze druivensapkleren zitten we aan het witte tafellaken. Met handen vol knipwonden en vuil tussen de huidgroeven en nagelranden drinken we uit hoge wijnglazen. Gamay Bovenier, Fendant Champortay. Marcel zegt dat de goedkoopste Spaanse wijn lekkerder is. Thibaut zegt dat de goedkoopste Franse wijn lekkerder is. Ik heb tijdens het plukken geen wijnkennis opgedaan en drink wat het ook is dat in mijn glas geschonken word. Na de lunch neemt dochter Sarah Besse dertig stuk aangeschoten vrouwen mee op een rondleiding door de wijnfabriek. Ik wil graag opletten, maar ze spreekt Frans met wijntermen en het zweeft in mijn hoofd.
Donderdagochtend 19 oktober knippen we de laatste wijngaard en lig ik voor het laatst achter op de vrouwen. Een tablet chocolade wordt gestolen, de zon warmt onze bevroren vingers pas rond elf uur, sneeuw ligt in de bergen en ik gooi mijn laatste tros druiven ritueel in de bosjes achter de wijngaard. Die middag ontvang ik 1608,95 Franc, dat zich bij het station van Martigny laat vertalen in 1435 euro.

Het gewicht aan druiven dat niet meer aan trossen boven de stad hangt is immens. We nemen een aantal uit het jaar 2015 mee in een fles rosé en een fles rood en rijden weg uit de vallei.

_dsc9016

_dsc9048

De caravan en de burgermeester

Het is koud. Al wekenlang wacht ik erop en pas deze morgen verschijnen mijn ademwolkjes in de bus. Ik grijp naar een paar handschoenen en steek over naar de Caravan. Vijf minuten later kom ik terug voor mijn donsjas en een sjaal. Marcel ligt onder zijn eigen deken en de mijne en vraagt alsnog of ik terug wil komen. Zijn kacheltje laat hem meedogenloost achter.

Ik sluit de deuren van de caravan en kijk om me heen. Het idee was om de zitplek eruit te slopen. En eigenlijk ook de hele wascabine; een hok met een viesgroene plastic gootsteen, kapotte waterpomp, spiegels en een rek met champoo’s die ver over datum zijn.
Winterproof maken.

Het schiet voor geen meter op met het vinden van een kamer in Chamonix. 500 euro is zo het gemiddelde voor een luidruchtig kippenhok in het winterseizoen. Ik zoek in het Britse en Zweedse circuit omdat daar nu eenmaal mijn contacten liggen, maar die delen liever geen kamer. Waar de Spanjaarden het liefst een ziel per m² invoegen, betalen ‘the people from the north’ zonder mokken het hele bedrag. Ze willen het bovenal leuk hebben.
Waar de Fransen uithangen weet ik eigenlijk niet.

Mijn back-up plan is zodoende de caravan geworden. Vlak boven Parking du Grepon huurt de mairie van chamonix een camping af om alle vagabonds van de straat te houden. Je hoort of leest er niets over, tot je in het juiste circuit verzeilt raakt waar de kennis mondeling wordt doorgegeven.
Het is een saisonnairsdeal: Op basis van je werkcontract kun je een plekje krijgen. Plaats voor 30, wie het eerst komt, wie het eerst maalt. 140 euro per maand voor water, elektriciteit en (met name) een legale standplaats.

De caravan heeft nog steeds charme maar verkruimeld onder haar leeftijd. Al haar gadgets zijn kapot. Geen koelkast, verwarming, licht. Het gasfornuis heeft een zijuitgang waar je goed van op de hoogte moet zijn. Chulé had plotseling een pluk haar minder toen ze de brandende lucifer op de verkeerde plek hield.

Het potentieel is desalniettemin gigantisch. Ik kan mijn gedachten niet controleren zodra ze naar de renovatie gaan. Hout op de vloer, het dak geverfd, alles eruit. Een elektrisch kacheltje en nieuwe gordijnen en een dikke stapel dekens.
Het is mijn caravan. Ik kan er mee doen wat ik wil.
Ik begin schroefjes uit de wanden te halen. Binnen een halfuur heb ik het hele washok eruit. Vervolgens begin ik aan de schuifdeuren van de slaapruimte. De zon piept langzaam achter de bergen vandaan, de parkeerplaats van Buet warmt op en Marcel komt zijn bed uit. We zetten de deur open en laten frisse lucht binnen.

Buiten klinken stemmen. Dicht bij de caravan discussiëren twee mannen. We zijn alert. Als bus- en caravan eigenaar moet je altijd oppassen. Niet voor het schorem, nee, je bent het schorem en de buren kijken vanachter hun gordijntjes. Het oordeel ligt overal klaar. Al is je interieur van goud, op wielen behoort men niet te leven.
Caravans zien er daarbij op een of andere manier integraal louche uit.
Er verschijnt een gestalte in de deuropening. ‘Parlez-vous françias?’
‘Oui, on parle françias’. Een man van rond de veertig, ongeschoren, Frans petje boven blauwe ogen, is van een filmset afgeplukt en voor ons neergezet.
‘Jullie kunnen hier niet blijven.’ Hij wil geen kamp met caravans, honden, publieke WC’s in de bosjes. Sinds wij er de caravan hebben neergezet is er inderdaad al een tweede bijgekomen, en twee buren grepen hun kans om hier hun weggeteerde bus en afgedankte laadbak te stallen.
De man stelt zich voor als de burgermeester van Vallorcine.
We hebben dus de burgermeester zelf voor ons.
Ik zeg dat ik geen idee heb waar ik de caravan moet laten voor het winterseizoen aanbreekt en hij weet het ook niet. Hij is nog wel degene die zich meerdere malen verontschuldigd.
Hij vertrekt.

Ik staak mijn werkzaamheden en zet de caravan te koop op Facebook. We hebben niet de middelen om haar te verplaatsen en niet de plek om haar neer te zetten.

Nu moet ik opzoek naar een andere oplossing voor van de winter.

ZoalsWesterman

Ik wil schrijven zoals Westerman, denk ik al twee dagen. Mijn vader geeft me altijd boeken mee, zelfs als ik al moeite heb om een plekje voor mijn tandenborstel te vinden. ‘Wat moet je met al die boeken?’ vraagt Marcel regelmatig. Ik kan ze niet ‘doorgeven’ of ‘ruilen’, met name omdat de helft van mijn vader is.
Op de hoogte van mijn Engelse blog, gaf hij me laatst Hemmingway. The Old Man and the Sea. Op het vliegveld van Geneve las ik hoe de oude man door een gigantische vis over de zee gesleurd werd. Daar ging het hele boek over en ik wist omdat het Hemmingway was en mijn vader het had aangeraden, dat ik het goed moest vinden.
Briljant, eigenlijk.
Westerman was verplichte literatuur omdat hij reist en schrijft en daarin zo ongeveer de beste in is. Ik zou daarvan kunnen leren.
Het is jammer eigenlijk dat je als kind niet meer open en onbevooroordeeld naar je ouders kunt luisteren. Zodra Marcel iets hoort over yoga sluit hij zijn oren. Hij heeft er genoeg over gehoord. Zodra mijn vader met een boek aan komt zetten denk ik ‘mwah, dat zetten we in de kast en dan zien we wel’.
Zonde, want ik sleep Westerman al twee jaar lang mee. El Negro en Stikvallei. Het kostte me vijf jaar om Honderd Jaar Eenzaamheid te lezen (dat boek heeft veel studentenkamers gezien), nu ongeveer mijn lievelingsboek, en die vis van Hemmingway zwemt nog vaak door mijn gedachten. Het had me goed kunnen doen om Westerman eerder te lezen.

Hij schrijft vanuit zichzelf, hijzelf in relatie tot zijn onderwerpen, informanten, omgeving. Hij met zijn achtergrond, aanleg en emoties. Ik leer het drama van de Nyosvallei in Kameroen 1986 (Stikvallei) en El Negro kennen vanuit Westerman en ik heb dat nodig om te begrijpen en in te voelen wat daar gaande is geweest. Omdat ik toch al denk dat verslagen van het onbekende volledig gekleurd worden door wie verslaat, heb ik liever dat ik de verslaggever leer kennen.

En het gaat natuurlijk vooral om de manier waarop hij dat alles opschrijft.
Zo aantrekkelijk.
Zo zou ik dus ook over Chamonix willen schrijven.

Een Nachtje Rust

Woensdag 28 september
23:28
Grote paniek: De laptop laad niet op. Echt niet? Nee, echt niet.
Ik steek de stekker zo twintig keer in en uit. In en uit het stopcontact, in en uit de computer.
Geen lampje, geen klein batterijtje dat zich voedt in de hoek van het scherm rechtsonder.
Batterie Fiable 7% meldt de computer.
Ja dat weet ik (eikel).
Wat nu?
7% om mijn boek op de mail te gooien, en misschien zelfs wat foto’s. Maar de internetconnectie is momenteel net zo fiable, dus eigenlijk kan ik dat risico niet nemen.
Wat nu?
Oh grote rampspoed, mijn leven hangt van dat ding af. Ik verander in een Monster voor Marcel, it was facking new what the fack I hate this don’t do this to me now why no aaargh no no no.
Hij zegt: Geef haar een nachtje rust, daar knappen ze vaak van op.
Ik denk dat hij het ook over mij heeft.

23:40
Alle gevolgen op een rijtje:
-verloren verhalen en foto’s
-geen blogs posten
-hoe solliciteren?
-uitzoeken: is de lader kapot of de laptop? Hoeveel kost een nieuwe laptop? Wat is mijn financiële situatie? Wat zeiden de Boeddhisten ook al weer over materiële zaken? En met name over emoties?

Hoe keer je het tij van een emotie als alleen die emotie zelf als gereedschap aanwezig is?

23:45
Een beetje relativeren doet wonderen.
De laptop en ik nemen een nachtje rust.

Donderdag 29 September
10:00
Ik steek de stekker in het stopcontact en het lampje schiet aan.

Op de Wijngaarden

We hebben werk gezocht in Zwitserland.
Waarom daar? Daar betalen ze een stuk beter. Even druivenplukken in Zwitserland en je bent rijk.

Het was eigenlijk heel leuk om op de bonnefooi de bus neer te zetten en door de wijngaarden te lopen, op en neer, door kleine houten dorpjes die verzwolgen werden door de druivenstruiken. Een zon hoog in de hemel, de hitte van de vallei, getoeter van Martigny.
We waren laat. Het plukken is nog niet begonnen, maar de druiven hangen zwaar aan hun takken en de teams zijn al rond.
Of toch niet?
Elke Zwitser die we tegen kwamen was aardig. We ontmoette ze in hun prachtige gazons, sommige tussen de velden, andere op de werkplaats. We werden uitgenodigd op de thee en de hele vallei doorgereden in een snelle Zwitserse auto, toegelachen en aangemoedigd en telkens groeide onze stapel adviezen en aanknopingspunten.
Ze kenden elkaar allemaal.

Bij meneer Besse vonden we uiteindelijk drie weken lang druivenplukken voor 1700 euro (wat eigenlijk niet zozeer de Zwitserse jackpot is, maar waar ik wel mijn rijbewijs van kan gaan halen (!)).
Over een week gaat team Besse aan de slag.
We parkeren het busje weer boven de wijngaarden en zullen pas wegrijden als elke druif in de vallei netjes in een gele bak is gelegd.

Kom dan, Alpinistje

_dsc8988

De Chardonnet steekt daar altijd zo stiekem uit boven Glacier d’Argentière. Ik hou van de berg. Echt waar. Ik zou er zo een relatie mee kunnen beginnen.
Nu heeft ze plotseling weer sneeuw op haar rotsen. Daar hoef je geen twee keer voor te kijken, dat zie je al vanuit je ooghoek wanneer je in een gesprek met de buurman bent beland. Grijze berg is plotseling witte berg.

Samen met het feit dat de bomen op de parkeerplaats van Grands Montets roze blaadjes hebben gekregen en een koude wind tegenwoordig tussen de bergen ruist, kondigt ze het nieuwe seizoen aan. En adverteert vast stiekem voor het winterseizoen: Kunt u ook niet wachten tot de eerste goede afdaling van winter 2016/2017? Reserveer vast uw plek op mijn top, dan skiet u zonder zorgen van de Migot zodra mijn flanken in conditie zijn!
Jaja.

Ik heb zin in de winter. Vorig jaar kon ik me met geen mogelijkheid inbeelden hoe Chamonix er bij winter uit zou zien, laat staan hoe ik zelf van een sneeuwhelling af zou komen. Dit jaar stap ik zonder minderwaardigheidscomplex de skiscene in. Ik kan zo ongeveer beginnen waar ik in Maart geëindigd ben: Tussen de hoge bergen, in onwijs lastige sneeuw die ik net aan soort van wist te beheersen voordat het verdween.
Dat houdt niet in dat mijn traject bij deze afgerond is. Verre van. Nu moet ik die verfoeide dreiging van besneeuwde bergen leren inschatten zonder als een blind paard achter mijn vriendje aan te hobbelen. Nu moet ik leren skiën op daadwerkelijk steile hellingen. Nu moet ik eens serieus gaan inzoomen op mijn techniek en op zijn minst 12 skitochten er doorheen jagen voor de lijst van het toelatingsexamen.

Maar: Ook gewoon genieten. Ze hoeven in elk geval niet meer op me te wachten als we met zijn allen de groene piste afgaan en ik bang ben om een bochtje te maken (op ijzige zwarte pistes zal ik nog wel zo mijn tijd nemen).
En weet je wat ook zo leuk is: Het gootjesseizoen komt eraan! Ijsklimmen! Mijn Nomics hebben nog geen drie krasjes van die paar keer dat ik ze gebruikt heb, en dat wekt natuurlijk de verdenking dat ik ze alleen maar heb gekocht om mee te paraderen.
Ze zullen het zwaar krijgen, die Nomics. (Hoop ik)

Oh die Chardonnet. Kijk haar nou trots boven de andere uitsteken. Vraagt zij niet om avontuur, met dat laagje sneeuw dat zo nonchalant op haar schouders rust? Daagt zij ons niet uit, kom dan alpinistje, kom dan als je durft?

_dsc8983

Aan het werk

Het werkseizoen komt er weer aan.
Onvermijdelijk, want geld heeft niet de neiging om zichzelf te vermenigvuldigen.
Ik had gekozen om in Chamonix te blijven, maar daarmee nog geen beslissingen gemaakt over de invulling van het komende jaar.
Het is eigenlijk vrij eenvoudig: Omdat het werk pas in de wintermaanden weer beschikbaar komt ben ik vrij tot november/december en mag ik me vervolgens burn-out werken in een café dat de drukte niet aankan (en te beroerd is om een mannetje extra aan te nemen, want zo gaat dat in Chamonix).
Het goede aan seizoenswerk is wel dat je ook een heel seizoen hebt om bij te komen.

Dit is waarschijnlijk het laatste seizoen dat ik ga draaien. Ik heb niet de illusie dat ik volgend jaar plotseling aan de bak kom bij National Geographic, aangenomen wordt tot de gidsenopleiding of kan leven van dat boek dat ik nu aan het schrijven ben (waarin ik een beetje aan het vastlopen ben), maar ik wil op een gegeven moment mijn energie toch wel op een andere, duurzamere manier investeren.
Lange avonden biertjes tappen doet inmiddels niet zoveel meer voor mijn ontwikkeling.

Alhoewel, ik kan weer terecht bij mijn oude werkgever en heb hem gevraagd of hij me wat bij wilt brengen van het managers vak. Zoiets als stocklijsten maken, bestellingen doen, roosters in elkaar knutselen, naar omzetcijfertjes kijken, stress van hoger af voelen. Meer stress in het algemeen, misschien.
Ik eindig nog eens als horecatijger.

Het mooie aan mijn oude werk is wel dat je het niet veel extremer krijgt en dat heeft dan ook wel weer charme.

Het maakt mee eigenlijk wel rustig dat ik straks weer een beetje geleefd wordt. Vijf maanden lang rondrennen zonder tijd te hebben om over meer existentiële dingen na te denken, alle dromen op een tweede spoor, overgelaten aan de stille momenten in de bus of rij van de kassa, geld dat zich op de bankrekening aandient en een gemakkelijke sociale omgeving waarin ik zoveel zinloze dingen kan schreeuwen als ik wil.

Dan heb ik nu nog een beetje September en Oktober om door te dromen. Teksten insturen, tochten aftikken, foto’s maken, boeken lezen, toch maar eens aan die muzikale carrière beginnen (als je droomt – doe het dan goed)…
Nog eventjes vrij zijn.

Tussen thuis en thuis

Ik begin te wennen aan luchthavens.
Niet omdat ik zo’n avonturier ben, maar omdat Easyjet tickets van 26 euro verkoopt. Samen met de transfers heb ik voor minder dan 100 euro een retourtje naar huis.

Ik ben nog steeds bang dat het vliegtuig neerstort, zowel vlak voor het opstijgen als vlak voor de landing. En als de stewardessen met elkaar praten in die kleine ruimte achterin het vliegtuig denk ik dat ze een noodplan aan het uitwerken zijn omdat de piloot ze zojuist zachtjes via de intercom heeft medegedeeld dat een landing in het water onvermijdelijk is.
Maar luchthavens boezemen me geen angst meer in.

De eerste keer dat ik vloog was toevallig ook naar Geneve. Ik bezocht een geëmigreerd vriendinnetje en stond voor eerst op een snowboard – erg jammer dat het skiën me toen niet verleidde (dan had ik nu backflips gekund).
Ik was geloof ik 10. De heenreis vloog de vader van dat vriendinnetje mee, de terugreis had hij een plattegrond met stippellijntje getekend dat me netjes naar de open armen van mijn moeder leidde.
Ik herinner me nog het sterkst de paspoortcontrole, ik weet niet waarom, alsof ik toch twijfelde aan mijn eigen legaliteit.

Zo bijzonder als toen is het vliegen nu niet meer. Ik loop al heel nonchalant rond (drie uur van tevoren, dat wel) zonder te weten wat nu eigenlijk mijn vluchtnummer is, hoe laat het ding precies de lucht in gaat en waar mijn paspoort exact uithangt.
Vandaag was ik zo dromerig dat ik even twijfelde of ik wel in het goede vliegtuig zat. Ik denk dat áls er een keer zo’n geval doorheen glipt, ik daar best voor op zou gaan.
(Ik werd op de heenweg opeens omringt door Portugezen; was dus in de wachtruimte gaan zitten van TAP Portugal).

En toch hè, vliegen voelt nog steeds Harry Potter. Iets onbegrijpelijks gebeurt er, alsof je in je nek wordt gegrepen en ergens anders wordt neergezet. Het stuk land dat door de lucht wordt overbrugd ontbreekt voor mij ook echt. Ik verlies de fysieke link tussen Chamonix en Amsterdam.
Misschien lijkt Chamonix daarom zo surreëel als ik mijn Hollandse vriendinnetjes erover verteld. Alsof het vliegtuig me louter mijn eigen fantasie invliegt zodra het honderd meter boven Holland hangt.
Dat is niet zo, hoor.
Chamonix bestaat gewoon.

Mijn nieuwvonden comfort op luchthavens doet bij mij wel het vraagstuk reizen of het wel zo ethisch is, al dat gevlieg. Ik moet dat toch eens uitzoeken.
Maar die 26 euro zal altijd heel verleidelijk blijven.