Latest Posts

Een touwtje voor de aansteker

Ik raak alles kwijt. Sleutels. Pasjes. Mobiel. Documenten. Dat zit in mijn genen.
Mijn moeder heeft dat niet. Mijn broer ook niet.
Mijn zus en vader wel.

Je zou kunnen zeggen dat we gewoon slordig zijn, wat ongetwijfeld waar is, maar wij moeten organisatorisch opboksten tegen een hele hardnekkige natuur.
Daar waar andere mensen immer hun pasje terug stoppen in hun portemonnee, vergeten wij dat we die eruit hebben gehaald zodra die de buitenlucht ziet.
Ons hoofd vindt geen grip op de kleine realiteit. Onze gedachten gaan niet vanzelf uit naar dagelijkse handelingen; die voeren we op een soort mechanische wijze uit en pas als er iets abnormaals gebeurd (de sleutel ligt niet op de sleutelplek) bemoeid ons brein zich ermee.

We moeten onze praktijk bombarderen met organisatie om te voorkomen dat we constant aan het zoeken zijn.
Discipline die moet doordringen tot die momenten dat onze kop absent is.
Dat is best lastig.

Ik heb me vrij snel aangeleerd om altijd achterom te kijken wanneer ik ergens wegloop en vind van alles achter me: vestjes op de treinstoel, mobieltjes op de bar, portommonees tussen de grassprieten. Een hardop mantra van ‘heb ik alles, heb ik alles’.
Dat redt me.
Maar wat me nog het meest heeft geholpen, is het vinden van een vriendje dat zo mogelijk nog erger is.

Toen ik voor het eerst in zijn busje kwam, zag ik dat de aansteker met een touwtje aan het gasstel was verbonden.
Dat vond hij het toonbeeld van organisatie, maar ik realiseerde me meteen ik dat ik met een gelijksoortig karakter te maken had. Aanstekers van georganiseerde mensen lopen nooit weg, alleen die van ons moeten we ketenen.

Het busje laat hoe dan ook met haar grootte geen pepernoot wanorde toe. Alles ligt bij voorbaat in de weg. Zonder een extreem regiem is er geen leven mogelijk en dat realiseren we ons dermate dat we bijna een beetje OCD worden.
‘Dat is niet Feng Shui!’ beschuldigen we elkaar dagelijks twintig keer.

Het regiem in het busje neem ik ook mee naar de gevaarlijke buitenwereld (dat is niet Feng Shui Ruby – hoor ik het oordeel van Marcel), en verdomd, mijn pasjes keren inmiddels terug naar de portemonnee.

Maar ik raak nog steeds dingen kwijt.
Dat is het lullige.
Mijn zus verloor het tasje met al haar pasjes de dag voor ze naar Marokko vloog. Ook zij is gedwongen hypergeorganiseerd, en dan alsnog glipt zo’n tasje erdoorheen.
Elk onbewaakt moment toont zich toch weer funest.

Die tasjes en pasjes en mobieltjes wachten rustig hun kans af en zodra ze een molecuul vrijheid detecteren schieten ze er als een paashaas vandoor.

Ze zijn ons wel echt kwaadgezind.

Voorbereiding op een afstudeerborrel

Ik maak een tocht op de Minaret in Bassin d’Argentière en kom ’s middags laat thuis bij de bus. De volgende dag gaat mijn transfer. Ik heb geen douche tussendoor.
Op Geneva airport voeg ik me tussen Nederlandse toeristen en zakenmensen.
Mama haalt me op bij Schiphol.

‘Hee Suus’, zeg ik als ik mijn zus ’s avonds aan de telefoon heb. ‘Ik moet zeker op netjes, morgen.’
‘Ja’.

Ik duik de kledingkast van mijn moeder in. De koningin van de bloesjes.
In de spiegel zie ik mijn atletenlijf, bruin waar het gletsjerlicht overheen is gekropen.
Brede schouders met twee armen die klaar hangen om een rots klein te krijgen.
Een beetje misplaatst daar zo in Aerdenhout.

Ik paradeer in Maison Scotch en Zara van links naar rechts en houdt mijn haar op om te weten hoe het eruit zou gaan zien.
Blauw bloesje. Wit bloesje. Toch die met die bloemen.

De volgende morgen was ik mijn haar en neem ik het make-up tasje van mijn moeder mee naar de keukentafel, waar het daglicht op de handspiegel valt en ik elke cel van mijn gezicht kan onderscheiden. Ik trek een zwart lijntje boven mijn ogen, leg mascara op mijn wimpers en breng lippenstift zorgvuldig rondom mijn lippiercing aan.
Mijn neus is dit jaar vijf keer verbrand en ziet nog steeds een beetje rood.
Sauvage, denk ik, die lippiercing. Het enige restant wild.

Dan vind ik nog twee oorbellen die later van diamant blijken en wanneer mijn moeder me treft hangt ze nog een kettinkje met een diamantje om mijn nek.

Ik voel me zoveel vrouw als kermisattractie.

Helikopterpiloot

Ik ging laatst op zoek naar schaduw ergens tussen de stomende hitte van Chamonix, en vond het aan de oever van de Torrent de Lognan. Vlak onder Glacier d’Argentière, naast de dennen en de helikopterbasis van de vallei.
Ik zag ze de hele tijd vliegen, de helikopters. Met veel lawaai stegen ze op en baanden hun weg tussen de ketens van Verte en Chardonnet. Al zie je de wieken als een malle in de rondte draaien, het blijft moeilijk om te bevatten hoe zo’n ding vliegt. Als een vogel. Zoals wij mensen niet kunnen. Alsof er toch een toverspreuk gezegd is, vlak voordat de piloot op de kopjes drukte.

Shit, dacht ik, ik wou dat ik dat kon. Dat ik begreep wat zich daarbinnen afspeelt. En dat ik dan mensen van de berg af kon redden of medicijnen naar Jemen kon vliegen of bosbranden in Canada kon doven.
Ik realiseerde me opeens heel sterk dat ik daar absoluut, bij uitstek niet de bekwaamheid toe bezat.

En dat ik eigenlijk niet de bekwaamheid bezat tot iets anders concreets.
Dat ik geen verpleegster was noch huizen kon repareren noch kinderen kon opvangen noch straten kon maken noch ecosystemen kon redden noch gedachten kon genezen noch helikopters kon vliegen.
Dat ik alleen maar een beetje creatief kon ronddartelen en een berg op kon klimmen en misschien langzaamaan goed werd in het begrijpen van mijn eigen geest.

De grote ontwikkeling binnen mijn leven ging zonder omwegen richting mijzelf.

Dat waren zo mijn reflecties in de schaduw van de bossen van Argentière, met het wilde stromen van de Torrent de Lognan op de achtergrond en het wieken van de helikopters boven me.

Ik heb er sindsdien wat meer over nagedacht (uiteraard, de helikopters bleven me dwars zitten) en de logische conclusie is dat je geen dokter of bioloog of bouwvakker hoeft te zijn om anderen of de natuur te helpen.
Maar in het soort ‘Chamoniaanse leven’ stort de weldaad zich niet op je pad. Je kunt je er of fanatiek naar toe bewegen (leren hoe je een helikopter vliegt), duwen en trekken aan je talenten en kwaliteiten opdat ze nuttig worden voor iets groters, of… niet.
Of gewoon niet.
Dan lach je vriendelijk naar de buschauffeur en, als je echt wil, help je de oude buurvrouw met boodschappen en dan ren je weer heel hard een berg op.

Ik denk dat het tijd wordt om me eens over de mogelijkheden te buigen.
Ik ben Ruby, dit is mijn aanleg, en hiertoe zou ik me eventueel kunnen ontwikkelen.
Een helikopterpiloot, bijvoorbeeld.
Dan leer ik de toverspreuk, vlieg ik de ruimte in en ben ik de wereld van dienst.

Instagram

Ik leg tegenwoordig mijn omgeving vast met een superdupercamera die op de ‘auto’ stand al een dor takje mooi op de foto kan zetten.
Het is tijd voor Instagram, dacht ik daarom. Want dan kan ik dat dorre takje met iedereen delen.

Ik begreep eerst niet dat je daarvoor een smartphone nodig hebt.
Die ene die ik van de berg heb gegooid is inmiddels vervangen door een goedkoop model dat net aan wat contouren in de wereld weet te onderscheiden.
Voor Instagram moet ik nu alleen nog ontdekken hoe ik de foto’s van de superdupercamera overbreng op mijn nieuwe smartphone. Alles voor dat dorre takje.

Dan kom je natuurlijk onvermijdelijk terecht in een nieuwe wereld, de wereld van Instagram, en ik ben al passievol op avontuur geweest in de creatieve representatie van de levens van Miley Cyrus, Kim Kardashian en dat bloedmooie model met die ondeugende bek waar ik even de naam van kwijt ben.
Vandaag ontdekte ik dat mijn Nederlandse vriendjes (en vriendjes van) ook allemaal Instagram hebben. Ze zijn massaal op vakantie geweest, in uberidyllische settingen, weergeven op de achtergrond van de bruine haren van een kokosnood of het hoekje van de zonnebril. Ze hebben cultuur op unieke wijze benadert, wijn gedronken (veel wijn) en hele fotogenieke gerechten gegeten en écht, iedereen lijkt wel fotograaf. Of ze hebben allemaal een superdupercamera die zelfs een dor takje mooi op de foto zet.

Instagram maakt het leven nog drie keer meer smooth dan facebook, heb ik even ontdekt. Ik heb allemaal avontuurlijke celebs in mijn kenniskring en moet dus ook drie keer harder mijn best gaan doen om een relatief cool leven te leiden.
Nu ben ik een beetje bang dat ik de plank mis ga slaan, vooral met de hashtags. En die eerste foto zit me dwars.
Misschien moet ik het dorre takje doorzetten.

Ik heb tegenstrijdige emoties bij mijn eerste (erg late) stapjes op Instagram, net als bij Facebook, social media in het algemeen, zoals iedereen ongetwijfeld. Creatief! Een kans! Denkt mijn innovatieve, meegaande hersenhelft.
Weg jij, denkt mijn Boeddhistische hersenhelft. Weg, weg, weg, gif, gif, gif.

Ik moet nu eerst op zoek naar een dor takje en dan zien we wel in hoeverre mijn eigenwaarde zal gaan afhangen van diens populariteit op Instagram.
Op pad met de supersupercamera.

De Wasserij

Ik moet nog altijd aan Mr. Bean denken als ik mijn kleren in de wasmachines van de wasserij stop. Mr. Bean stond voor de wasmachine en dacht; tsjah, de kleren die ik nu draag zijn toch eigenlijk ook wel vuil. Hij kleedde zich daarom uit in de wasserette en besloot op het laatste moment zelfs zijn onderbroek mee te wassen.
Ik wil dat eigenlijk ook.
Maar ik heb het lef van Mr. Bean niet.
Dan zou ik hier nu naakt dit verhaal typen.

Vervolgens waste hij ook zijn haas mee en die kromp natuurlijk gigantisch. Ik geloof dat het erin resulteerde dat hij schoon de wasserij uitliep met de haas in het borstzakje op zijn jasje.

Mijn oma woonde bij ons in huis. Ze maakte ons ’s ochtends klaar voor school en ving ons op als we ’s middags vrij hadden. Dan maakte ze thee voor ons en hadden we eigenlijk het geduld niet om rustig aan tafel te blijven, wat achteraf gezien zonde was, want ik heb later nooit iemand meer ontmoet die zo goed luisterde als zij.
Hoe dan ook, oma hielp ook met huishoudelijke klusjes en was en streek onze kleren. Die kwamen vaak rechtstreeks vanaf de wasmand onder haar hoede en eindigden dan schoon en gevouwen op haar strijkplank.
Het probleem was dat ze steeds ouder werd (ze werd heel oud, 92) en op een zeker moment liet ze onze kleren krimpen en kleuren. Dan was ons nieuwe witwollen vestje paars en drie maten kleiner.
Daar moet ik nu aan denken, nu ik hier in de wasserette zit en me zorgen maak om al die fragile alpine onderkleren.

Mijn moeder deed overigens het merendeel van de was en heeft ons altijd buiten de vuil-schoon cyclus gehouden. Toen ik uit huis ging deelde ik opeens het onbekende wezen van de wasmachine met mijn 8 huisgenootjes. Allemaal meisjes. Ik herinner me nog de verzameling aan vrolijk gekleurd kanten ondergoed dat rondom de wasmachine hing.

In Amsterdam ontbrak het thuis aan een wasmachine en ging ik voor het eerst naar de wasserette. Bij een grappende Turkse man aan de Molukkenstraat. Ik herinnerde me het toch wel gek te vinden dat al mijn ondergoed publiek in de rondte draaide. De man bood aan om mijn kleding van de wasmachine naar de droger over te brengen, zodat ik langer met mijn boek op een terras kon zitten, en toen dacht ik: nee, die arme man, moet ‘ie in de weer met mijn strings.
Toen dacht ik: Nah, hij heeft waarschijnlijk zoveel strings in zijn leven gezien dat de mijne hem niet van zijn stuk zullen brengen.

Hier in Chamonix heb ik een paar keer mijn kleding aan de rivier gewassen.
Dat is zo ongeveer een dagtaak.
Vlekken zijn best hardnekkig. Ik heb respect voor de wasmachine.

Misschien ga ik de volgende keer in een handdoek naar de wasserette, zodat ik al mijn kleren kan wassen en me tegelijkertijd een beetje één voel met Mr. Bean. Niet helemaal, maar een beetje.

Migot

De allergrootste berg rondom Glacier du Tour staat aan de overkant van Refuge Albert Premier. In zijn eentje.
Zo indrukwekkend en grote-berg-achtig dat je hem niet echt vergeet na een eerste bezoek, met een lange witte graat aan de linkerzijde en een grote rotskop aan de andere kant.
Hij heet Chardonnet (lijkt op Chardonnay).

Vanaf de andere kant, de Argentière kant, is het misschien niet de állergrootste berg. Om hem heen staan beesten als de Verte, Droites en Argentière en je moet wel heel erg berg zijn om daarmee te wedijveren.

Juul, Flo, Roel, Line en ik beklommen de Chardonnet vanaf Glacier du Tour en hadden dus toch te maken met de allergrootste berg.

‘Eperon Migot’ volgt de graat aan de noordkant, recht omhoog, over rots, ijs en sneeuw naar de top. Het is een AD+ (of D-) die in de topo wordt omschreven als ‘a good introduction to mixed climbing’.

Alles zit los

Woensdag 3 Augustus om halfvier ‘s ochtens begonnen we aan de oversteek van Glacier du Tour. We verdwaalden in het donker. Geen van ons had de dag ervoor even gekeken waar dit jaar de snelweg liep.
In daglicht troffen we de voet van de graat, waar je op moest klimmen via rotsen aan de rechterkant. Drie Fransen waren ons al voor en trapten als een malle stenen naar beneden.

Gedraag je eens, dacht ik.

We wachtten tot we uit hun vallijn kwamen en begonnen officieel aan onze route.

Ik heb nog nooit geklommen op zulk shittig terrein. Echt niet. Alles lag los, zowel het kleine als het grote. Het bleek volstrekt onzinnig om protectie te plaatsen want je zou de gehele eperon meenemen in je val. Wat de Fransen nog niet naar beneden hadden getrapt, lag nu voor ons klaar.

Gaat dit de hele route uitmaken? Vroegen we ons af. Moeten we nu al terugkeren?
Wat een drama.

Pas op de sneeuwgraat konden we ontspannen. De sneeuw was wit en overtuigend, de rest van de route oogde solide, de zon scheen en redenen om te alpineren kwamen terug. We lagen achterop schema en toch leek het avontuur ons niet meer vijandig gezind.

Klimmen op stijgijzers

Het gedeelte ‘mixed’ was een stuk minder ‘mixed’ dan ik me had ingebeeld. Ik klom het grootste gedeelte met blote handen en schopte alleen bij grote uitzondering mijn stijgijzer in een klein laagje gecamoufleerd ijs. Roel manoeuvreerde zich over besneeuwde rotsplaten die lastig af te zekeren waren. Juul moest wennen aan het soort terrein.
Ik geloof wij allen.

In feite was het gewoon een droge bedoeling op stijgijzers, met dan toch weer passages waarbij een pickel en stijgijzers onmisbaar waren.

De Fransen sloegen linksaf, wij bleven rechts.
Het devies was ‘omhoog’, en eerder rechts dan links, maar de zwakke lijn was niet zo uitgesproken. We joegen Line en Flo een couloir in dat ze alleen met vrij serieus drytoolen doorkwamen en ik klom mezelf ongenadig vast in een droge goot. Een enkele voettree van een groot los blok, een jam, een cam, stress, een alpine standplaats onder me, dat waren zo mijn opties. ‘Yo, kan ik vallen?’ vroeg ik de mannen.

Wederom gaf een sneeuwgraat ons de mogelijkheid om even te ontspannen.
De top was zichtbaar.
We werden ervan gescheiden door een wand van diepe sneeuw op hard ijs, niet de meest frivole condities, maar met een beetje zen in het hoofd was het goed te overbruggen.

Om 12 uur stonden we op de top.

De afdaling

De afdaling had ons naar verhouding drie keer meer voorbereiding gekost dan de beklimming. Op basis van de topo’s en waarschuwingen verwachtte ik een labyrint aan te treffen. De weg was echter netjes gespoord en het leek allemaal vrij logisch (de illusie die het gebaande pad je geeft). We troffen overal abseils aan, waar we gretig gebruik van maakten omdat de sneeuw nog steeds een bende was.
We troffen eveneens een drietal Ierse klimmers aan dat sinds maandag al op de berg rondzwierf en een vrij labiele indruk maakte.
Als touwgroep van vijf waren we ongelofelijk traag, maar zij remden ons dusdanig af dat ik me afvroeg of we wel voor het donker beneden zouden komen. Roel controleerde hun zekeringen, abseils, gaf ze water. Moesten we een helikopter bellen?
Mwah.
Ons touw raakte vast op de één na laatste abseil en de col tussen Adams Reily en Chardonnet hulde ons in dikke mist. We hadden geen zicht op de afgrond die onze afdaling uitmaakte noch op de ‘heroic jumps’ over gigantische spleten die ons volgens de topo met open kaken zouden opwachtten.

Ik was het zat, tegen die tijd, dat kan ik je wel zeggen.

Gelukkig waren Roel en Juul relaxed en leken de meisjes oké.
We zagen de Ieren een abseil nemen, volgden en kropen al snel onder de wolken door.
Het was dermate een zegen om tegen het avonduur bij de gletsjer aan te lopen, dat we hier en daar wat regels aan onze laars lapten en midden over het spletenterrein naar de hut liepen.

Conclusie

We hadden zo’n 13,5 uur over die hele grote berg aan Glacier du Tour gedaan. Niet helemaal gidsjestijd, maar in het gidsje hadden ze geen uitgeputte Ieren voorzien. Later, tot ik nog even goed de route onderzocht, realiseerde ik me pas hoe droog de Migot was geweest.

Niet ideaal, maar wat zal ik zeggen, we hebben ervan geleerd. We hebben überhaupt een hoop geleerd.
En nog een cliché; klimmen met zulke goede maatjes is bij voorbaat een succes. Ook al beklim je een uitgedroogde Chardonnet , een pepernoot voor mijn part, als je ’s avond uitgeblust een pizza eet met Roel, Juul, Flo en Line, dan is het allemaal wel goed.

_DSC7568 (2)

_DSC7573 (3)

Het alpinistenvriendje

Hee lief, even voor de duidelijkheid: ik heb je niet uitgekozen om me vervolgens zorgen om je te maken.

Het was een rustige avond, een mooie avond met de volle maan, ik zat lang op een terras met Affligem en een vriendin. Omdat ik pas de laatste nachtbus nam verwachtte ik je thuis aan te treffen.

Je bent er niet.

Als je nou bij de bank werkte en op je vrije dagen door het museum slenterde, dan had ik hoogstens kunnen denken dat ze je in het kantoor of dan toch naast van Gogh hadden opgesloten.
Maar jij, vriendje, jij bent een alpinist.
De minimale kans dat je in een gletsjerspleet ligt laat me elke twintig seconden uit het raam kijken of je gestalte al op de parkeerplaats verschijnt.
Ik ben niet zo’n gevoelig type… maar de gletsjerspleet evenmin. En ik zeg je: Zorgen verslinden de ratio zonder een gedachte genade. Het interesseert me geen flikker wat mogelijkheid en logica me zegt, want jij zit hier niet naast me.

Die arme moeder van mij, nu snap ik haar pas.

Als je nou op zijn minst iemand was die zijn mobiele zaken op orde hield, dan had je me nu vanuit de gletsjerspleet kunnen smsen dat je in elk geval nog leeft. Maar ik weet dat die mobiel van jou waarschijnlijk nog net de wekker overleefde en het liftje van de Aiguille du Midi nooit gehaald heeft.
Nu is de vraag: Moet ik gaan rondbellen?
Ik heb de nummers van je vrienden niet, maar mijn vrienden hebben wel de nummers van de vrienden van jouw vrienden.
We zitten echter al over 00:00 en ik wil hier nou ook weer geen gemeentelijk drama van maken.

Mijn God, stuur je me zomaar een berichtje middendoor het beslissingsproces.
‘I’m coming’.
Het leeft.
En de mobiel schijnbaar ook nog.

Dit zal niet de laatste keer zijn, niet? Staat waarschijnlijk in de kleine lettertjes van het alpinistenvriendjescontract.

Volgende keer ga ik toch voor een medewerker van de ABN Amro.

Kabeltje aan kabeltje

Ik heb het eindelijk voor elkaar gekregen om mijn Iphone van een berg te gooien.
Van Aiguille du Genepi, om precies te zijn.

Het was me een raadsel waarom het me al tweeëneenhalf jaar lukte hem bij me te houden. Als ik optel hoeveel gelegenheden ik heb gehad om hem te verliezen, dan is het miraculeus dat ik nu pas, op zo’n 200 meter boven de gletsjer, hem definitief kwijt ben geraakt.

Het was wel een beetje tragisch.
Daar vloog hij.

Stiekem was mijn Nederlandse abonnement al maanden geleden opgezegd en kon ik er nauwelijks meer iets mee. Ik had hem meegenomen om onze lengtes mee te timen.

Het gekke is dat ik zojuist een plastic Frans telefoontje had aangeschaft en die nog geen drie dagen later verloor.
Die is gewoon op pootjes de bus uitgelopen.

Echt waar.

We zagen hem als laatst rond tien uur ’s avonds op het bed en de volgende morgen was hij weg. Niet in de materiaalkisten, niet in het keukenkastje en ook niet in een broekzak in de waszak.

Ik denk dat hij, maar dat weet ik niet zeker, Glacier d’Argentière omhoog is gegaan om de Iphone te zoeken.
Voor mijn eigen gemoedsrust beeld ik me in dat ze elkaar hebben gevonden en vanaf Aiguille du Genepi kabeltje aan kabeltje de mobiele hemel in zijn gevlogen.

Nu is de vraag: Als je tweeëneenhalf jaar over een Iphone kunt waken, maar binnen drie dagen twee telefoons weet te verliezen, is het dan wel of niet verstandig om een mooie nieuwe telefoon aan te schaffen?

(zeg ja)
 

Fase #12


Het is lastig om een trip naar huis door te zetten, omdat ik eigenlijk nooit wil. Ik haal liever mijn familie en vrienden naar Chamonix.
De laatste (en eerste) keer dat ik in Nederland was na mijn verhuizing naar Frankrijk had ik het ingewikkeld. Het was alsof ik opnieuw het keuzeproces door moest maken en me een tweede keer moest losscheuren van mijn vertrouwde samenleving. Er lag hier thuis een hoop warmte, maar ook een hoop nadenken.

Dit keer is het anders.

Thuis is comfortabel en ongecompliceert. De weilanden zijn plat en de lucht is bewolkt; zoals het altijd geweest is. De koelkast ligt vol producten en uit de douche komt eindeloos water, de lakens zijn gewassen en het koffieapparaat loopt. Er liggen vraagstukken hier en daar maar het denken daarover lijkt meer op filosoferen en dagdromen. Ik voel me als in een luxeresort waar ik verzorgd wordt door mensen waar ik heel erg van houd.
Heel veel beter krijg je het niet.

Ik ben zelden meer bezig met ‘het grote emigreren’ maar besef deze dagen dat ik vooralsnog in een (typisch) proces zit.  Fase #12: Terugkomst naar een jaar.

Het actuele bijproduct is liefde. Een hele hoop onvoorwaardelijke liefde.

Gekozen

Mijn vader heeft me ooit gezegd: Als je niet tussen twee dingen kunt kiezen, dan zijn ze even goed.
Dus als je voor de schappen staat en twijfelt tussen de ananasyoghurtjes en de aardbeiyoghurtjes, dan zal je van beide net zoveel genieten.
Dat gaat heel vaak op. Voor zowel de zinnige keuzes als de yoghurtjes.

Het lastige is dat keuzes vaak lijken op een menukaart en je een glazen bol nodig hebt om in te schatten hoe de opties zullen uitpakken. Dus of de crème bruleé lekkerder gaat zijn dan de chocoladebrownie, dat weet je pas als ze geserveerd worden. Dan kunnen de keuzes op voorhand wel even goed zijn, maar nadat de realiteit ermee aan de haal is gegaan blijkt er toch echt een betere te zijn (de chocoladebrownie die je zus besteld had).

Gelukkig blijken veel keuzes na afloop best wel wat ruimte over te laten voor ‘het andere’. Je zus geeft je een hapje chocoladebrownie of de volgende keer bestel je de chocoladebrownie.
En je kunt jezelf ook aanleren om gelukkig te zijn met datgene wat je hebt – de crème bruleé.

Maar zelfs met dat in gedachte blijft het soms haast onmogelijk om te kiezen.

Mijn intuïtie is een schreeuwlelijk waar ik bij dit soort graag op terugval.
Ik merk alleen dat mijn intuïtie de nare gewoonte heeft om zich pal tegenover mijn ratio op te stellen en ik ben ook wel fan van de ratio.
Ik wou dat ik kon zeggen dat de ene een betere toekomstvoorspeller (de glazen bol) is dan de andere, maar ik ervaar inmiddels dat je twee verschillende levens kweekt op basis van de een of de andere (mijn ratio kiest vaker ‘veilig’, mijn intuïtie vaker ‘vrij’).

Soms helpt het leven een welkom handje.
Doordat je niet toegelaten wordt in de ene opleiding, en wel bij de andere, of de site van de ene plotseling platligt en de andere supergladjes functioneert. Doordat je voor het ingaan van de ene route vlakbij een gigantisch rotsblok ziet vallen (dan ga je wel de andere in).

En als het leven zwijgt dan kun je haar laten spreken door een muntje op te gooien.
Marcel gooit immer een muntje op. Hij laat het leven altijd kiezen.

Ik val altijd toch weer terug op de wijze raad van mijn vader, al is het om mezelf gerust te stellen: Als je niet tussen twee dingen kunt kiezen, dan zijn ze even goed.
Je kunt toch niet in de toekomst kijken.

Ik denk dat ik daarnaast immer drie dingen in mijn achterhoofd moet houden:
1. Ik heb geen haast. Als ik nu niet voor de studie geneeskunde kies, dan kan ik dat nog altijd op mijn dertigste doen. Of op mijn vijftigste.
2. Keuzes zijn vaak constructies die ik héél belangrijk maak, maar die achteraf opgaan in een vrij willekeurige levensloop.
3. Als ik kies… Dan zet ik vervolgens alles in.

Dat laatste is op het moment mijn grote baken.
Mijn grootste wijsheid.
Als je eenmaal hebt gekozen vergeet je de andere keuzes en twijfels, alle andere yoghurtjes en brownies en opleidingen, als je eenmaal hebt gekozen dan concentreer je je en ervaar je maximaal het pad dat je bent ingeslagen.
Zodat je werkelijk kunt zeggen, voordat je aan al de andere opties begint, ‘ik heb het werkelijk geprobeerd’.

En nu kies ik Chamonix.