Latest Posts

Vraag maar aan Ruby

Twee negentienjarigen staren me aan. We hebben een doodstille lunch in de hotelzaal met een totaalaantal van twee tafels van twee. De manager heeft me gevraagd om mijn nieuwe collega’s in te werken en daar staan we dan. Alle kastjes zijn inmiddels schoongemaakt, alle koelkasten en het zout- en peper bijgevuld, de procedures hebben we zes keer doorgenomen en ik heb niets meer om ze bezig te houden.

Het management heet me welkom in hun wereld. Wat dat in mijn geval inhoudt weet geloof ik niemand precies. Ze hebben het vaak over verantwoordelijkheid. Ik zeg tegen de nieuwelingen dat ze alle vorken op dezelfde manier in de bak moeten leggen en dat de kandelaar eigenlijk aan de andere kant van het buffet moet. En ja, het is mijn verantwoordelijkheid als zij de kandelaar toch links zetten, en dan denk ik, tsjah die kandelaar, voor mijn part zetten ze hem op de keukenvloer.

Het is een lastige periode voor de bazen van het hotel. Ik geloof dat ze ergens in oktober aan de renovatie van het café zijn begonnen, en de eerste après-ski datum wordt keer op keer naar voren geschoven. Er gaat per dag een hoop geld verloren. De Italiaanse en Poolse bouwvakkers willen kerstmis thuis vieren en doen hun best, ondertussen moet mijn barmanager een team voorbereiden op een bar die letterlijk nog niet staat. De eerste gastenstroom komt binnen, vanuit Zweden worden jonge werknemers ingevlogen die nog nooit een kassa hebben aangeraakt en ik loop daar ergens tussendoor.

Mijn positie krijgt maar met moeite vorm. Ik sta in een restaurant waarvan ik het wel en wee nauwelijks ken, omdat ik de afgelopen winter slechts de bar heb gedraaid en weet dat ik geen stap meer in de hotelzaal zal zetten zodra de bar opent.
‘Vraag maar aan Ruby’, zeggen ze nu.
Ruby weet het niet.
Gepriegel in een restaurant is niet mijn ding. Doe mij dan toch maar een bar met een bak onbeschofte mannen en een biertank vol Stella.

De eerste après-ski lijkt er nu toch wel aan te komen. Volgende week woensdag en donderdagmiddag zetten we met de managers de bar op en donderdagavond zou het dan zo ver moeten zijn. Ik heb de ruimte al gezien, het lijkt sjiek, de bar is een stuk kleiner dan eerst maar zal (dat zeggen ze) logisch zijn uitgerust. Twee ‘stations’, een bartender aan elke kant, niemand die verder achter de bar komt. Vorig jaar werkten we met drie bartenders en twee barbacks die zich constant langs elkaar heen moesten manoeuvreren.

De winter zal zodoende haar vorm nog aannemen.Volgende week is er misschien sneeuw, een bar waarin ik tachtig procent van mijn avonden zal spenderen en duidelijk plekje voor mij in Chambre.
Maar dat alles kan ook nog een paar weken duren.

Vliegende kids, Adria en de Ijskoningin

Adria en ik hebben beide opstartproblemen op het werk en lopen blatend van vermoeidheid ’s avonds door het appartement.
Niets kan ons redden behalve de reden die ons wederom naar Chamonix gelokt heeft: Skiën.

Vandaag hadden we beiden de ochtend vrij en konden we een aanval maken op Les Grands Montets. De gasten spraken er al huiverend over, Grands Montets, de onvergefelijke ijskoningin. Als je bovenin valt glijdt je zo terug de lift in. Mijn chef-kok heeft zijn ijshockeyschaatsen mee naar de pistes genomen en laat elke dag het filmpje zien waarop hij schaatsend de helling afgaat.

En dus was mijn eerste afdaling als vanouds onbeholpen, terwijl de kinderklasjes van Chamonix langs vlogen (letterlijk, door de lucht) en zich niet lieten beperken door het feit dat je niet kon remmen.
Maar ik had een onverwoestbaar goed humeur en gleed rustig de pistes af (dwars).
Na de tweede piste kon ik weer skiën (dat heb ik vaker geschreven, dat weet ik, maar zo gaat het nou eenmaal in mijn carrière op de piste).

Adria maakte een val en gleed een mooi aantal meters verder.

Halverwege stuitten we op Millan. Mijn oude huisgenootje van Le Tour scheurde vorig jaar op zijn eerste afdeling de kniebanden en nu, een jaar en twee operaties verder, had hij zijn eerste skisessie.
En dat skiedde gewoon, supercool, een beetje zenuwachtig maar gecontroleerd.
Hij leidde mij dusdanig af dat ik bijna uit de bocht vloog.

Na afloop was ik heel erg gelukkig, maar realiseerde me eveneens dat mijn weg naar een afdoend skiniveau nog steeds ellenlang is. Nu dat ik even heel gemotiveerd ben, denk ik dat ik misschien toch maar de grote investering van structurele skilessen moet gaan maken. Als ik over een jaar wil vliegen als die kids, dan zal mijn autodidactische vermogen het moeten afleggen tegen een goede skileraar. En daar ben ik nu ook wel klaar voor.

Adria en ik namen beiden om twaalf het liftje terug, omdat we gewoon weer naar werk moesten. Maar zelfs na het werk waren we nog springlevend. De remedie ligt bij de pistes, en die liggen op hun beurt gewoon hier naast ons. Een beetje ijzig, nog, maar dat zal zich binnenkort wel oplossen.

De maan is ongelofelijk mooi

(en ik ongelofelijk moe)

Driemaal raden wie er woensdagochtend op het rooster stond van mijn favoriete après-ski bar.
Ik.
En ik heb er vrijwillig voor getekend ook, letterlijk, nog geen dagdeel geleden. Ik heb netjes mijn graf gegraven en neem nu de grote aanloop.
Vooruit, ik overdrijf.

Het valt me zwaar, deze eerste dagen, en daarom is ook mijn gemoed wat zwaarder en zijn mijn opmerkingen wat overdreven. De aanslag fysiek is al aanzienlijk, het klimmen dat er nu opeens tussendoor moet, maar vooral mentaal sta ik voor een zware dobber.
(Er zijn zwaardere dobbers, dat weet ik, dat realiseer ik me).

Ik ben terecht gekomen in een hele gevaarlijke dynamiek met ontzettend gehaaide en ronduit venijnige collegaatjes (en werkgevers en gasten) waar ik mijn ontspannen pad in moet vinden. Het is ieders leven, dat bedrijf, ieders raison d’être, en ik… zal mijn best doen.

Hoe deed je dat ook al weer, dat boeddhisme?

Deze winter wil ik me voorbereiden op het toelatingsexamen van de Franse gidsenopleiding. Superleuk, veel skiën en klimmen, maar alleen op voorwaarde dat ik buiten de hysterie van die horecatent blijf.
Het komt wel goed. Ik heb mezelf teveel omringt met hippies het afgelopen jaar; terug zijn bij Chambre is een keihard welkom-in-de-wereld. Ik wen er wel aan. De après-ski is leuk, ze geven me de zaalverantwoordelijkheid, de bar is gloednieuw en de baas heeft net een puppy gekocht, dat met haar overdonderende schattigheid al die menselijke narigheid compenseert.

Nu ga ik slapen, want de wekker gaat doodleuk om 6:00 en ook daar moet ik aan wennen.
En wat dan met die maan? Die is gigantisch groot en toont zich vlak boven de Aiguilles de Chamonix.
Ze hangt daar doodstil, gigantisch en onbeweeglijk.
Ongelofelijk mooi.

Schrijven over vriendjelief

Het is soms gevaarlijk om op mijn blog over Marcel te schrijven. Met een beetje google translate kan hij vrijwel alles volgen, maar ik weet dat hij daar geen zin in heeft. Hij heeft nooit expliciet gezegd dat hij het vervelend vindt als ik over hem blog, noch dat hij de inhoud van mijn teksten vertrouwt.
Maar ik weet dat mijn eigen bereidheid om mezelf online bloot te geven niet voor hem hoeft te gelden. Daarbij ben ik de schrijver. Het is mijn representatie van hem, niet de zijne.

Toch is het lastig om me ervan te weerhouden. Hij was mijn constante metgezel sinds de dag dat ik met hem was, we overleefden op vier vierkante meter, volledig veroordeelt tot elkaars aanwezigheid. Veel van mijn avonturen en levenslessen waren direct aan hem verbonden.
De laatste maand leefde ik zijn leven in Olot, zijn vrienden, natuur, huishouden, ritme. Wanneer ik schreef over Catalonië, schreef ik over hem. En nu, omdat we van radicalen houden, heb ik geen idee wanneer ik hem weer zie. Twee veeleisende seizoenbanen, twee afwijkende fulltime roosters en een aantal grote bergen tussen ons: Dat zal een hoop geen-Marcel opleveren, een nieuw soort relatie, en dus wederom de behoefte om (over hem) te schrijven.

Ik kan hem in elk geval geen kwaad doen door me uit te laten over de hoeveelheid waarin ik van hem houd of hem mis, want als hij zich laat afleiden door de Zwitserse dames, dan ben ik slechts diegene die een flater slaat.
Missen doe ik overigens nog niet, maar de wetenschap dat zijn afwezigheid wat fundamenteler dan gewoon is, doet hem exponentieel stijgen in waarde.
En hij was al veel waard.
Veel meer dan dat ik veilig op mijn blog kan rond blèren.

Alleen thuis

Voor het eerst sinds April 2016 ben ik weer eens alleen thuis. Mijn schoonfamilie is op pad, Marcel inclusief.

Donderdagavond was ik met al het Catalaanse gekakel in mijn nieuwe appartement in Les Bossons (Chamonix) getrokken. Mijn huisgenootje Adria werd uit de slaapkamer gekickt zodat papa en mama Marcel in het grote bed konden. Het appartement dat ik slechts kende van de bezichtiging en in mijn fantasie had vastgelegd als mijn stekje voor het winterseizoen, werd het decor van een familie op doorreis naar Zwitserland.

Daar zat ik dan, ’s ochtends aan de thee, al mijn spullen nog in tassen verspreid door de woonkamer en vier Catalanen die iets met de dag moesten aanvangen. De sneeuw in Chamonix had het ernstig laten afweten, waardoor de evidente activiteit van het skiën zich plotseling terugtrok als hoofdzaak en we de ouders maar in de wandelschoenen zetten.
Ik had Marcel graag even voor mijzelf gehad voordat hij aan zijn winterseizoen in Zwitserland begon, maar kwam erachter dat mijn eigen wensen ten onder zouden gaan aan de groepsdynamiek.

Alhoewel, de moeder van Marcel was zowaar jarig en er waren twee dingen die ik zeker wist: Dat de mannen van het gezin daar redelijk snel aan voorbij gingen en zij, de koningin van het zichzelf wegcijferen, stiekem stond te springen om aandacht. En dus kon ik mijn ei redelijk kwijt in het organiseren van een verassingsfeestje. Ik kocht ballonen, cadeautjes, eten en nodigde onze oude vrienden uit, die langzaamaan Chamonix binnen waren gesijpeld en in principe niets van doen hadden met de moeder van Marcel, maar elkaar graag weer zagen.

Het was een opvallend vreemde situatie. Het nieuwe appartement, de drukte, de moeder, ikzelf. Ik dacht dat ik daaraan zou wennen, maar zodra je het leven zelf de controle geeft blijf je je verbazen.

En nu ben ik alleen thuis. Het appartement is gigantisch. Marcel is weg.
Ik pak mijn tassen uit, zet een pot thee die ik met niemand hoef te delen en drink in stilte.
Alhoewel; ik hoor het lawaai van het skiseizoen in mijn toekomst, de gillende Zweedse rijkaards, het gezoem van de pistes, de spanning van de alpinetochten en het gemis van mijn vriendje.
Maar het huis heeft een balkon en vanaf daar zie ik de bergen, die het geraas verstommen en me terugzetten waar ik ben. Tussen hen. Alleen thuis.

Een kwart eeuw

5 december

Toen de verjaardag het belangrijkst was, sliep ik ruim voor twaalven.
De volgende morgen werd ik wakker met kriebels in mijn buik die de hele nacht ongeduldig op de wekker hadden gewacht.  ‘Ik ben jarig’. Mijn nieuwe kleren lagen klaar en ik kon me omkleden; maar naar beneden gaan mocht ik nog niet. Daar klonk gerommel, de stemmen van mijn zus en moeder en de geur van gebakken croissantjes kwamen gewoon de trap op (echt waar).

Ruby, je mag komen!
Ze zongen terwijl ik, officieel en in volle glorie, de trap afliep. Iedereen kuste me, mijn ouders, broer, zus en oma.

Slingers hingen door het huis, ballonnen aan mijn stoel, confetti tussen al het eten en de cadeautjes door op het tafelkleed. We aten het traditionele (en beste ooit) verjaardagontbijt met Coolbest aardbeiensap (jaja), zalm, ei, versgebakken brood, prefabvruchtjes (lievelings) met yoghurt en ik kreeg ondertussen van iedereen een cadeau.
Je hebt geen idee hoe speciaal ik was.
Ik was zó speciaal.

Op school was ik de jarige op Sinterklaas, waardoor ik meer pepernoten kreeg dan mijn klasgenootjes, steevast even op de schoot van Sint mocht zitten en telkens de vraag kreeg ‘of ik minder cadeautjes kreeg omdat ik op Sinterklaas jarig was’.
Natuurlijk niet. Ik kreeg in de ochtend cadeautjes voor mijn verjaardag en ’s avonds net als alle Nederlandse kinderen, cadeautjes van onze Sinterklaasouders. (Later concludeerde ik wel dat ik op jaarbasis een feestelijke dag minder had, maar mijn verjaardag was dubbel zo cool).

5-12-2016 00:00
Het is midden in de nacht, het regent, ik lig alleen in bed, schrijf een blog en ben zojuist 25 geworden, een kwart eeuw om even dramatisch te zijn. Ik denk niet dat morgenochtend anders zal zijn dan gisterochtend of die ochtend daarvoor (en ik ben in Spanje: Sinterklaas zit in Nederland) en hoop als hoogtepunt van de verjaardag drie keer een piste in Valter af te skiën. En vooruit, misschien ergens een taart naar binnen te slaan.

Wat is er gebeurt met mijn verjaardag?

Tsjah, ik ben ouder geworden. Dat is het enige stomme cadeautje dat je elke verjaardag krijgt: Het jaar ouder dat je wordt, waarin je telkens iets meer van je goedgelovigheid en magie verliest. Geen kriebels in de morgen, ‘het is maar een datum, mensen feliciteren me uit verplichting, wat een gedoe’, terwijl je eens als jarige vleugels had.

Het is lastiger om zonder mijn (briljante, supercoole, eindeloos waardevolle wat-houd-ik-veel-van-hen) gekke gezin me zo speciaal te voelen als vroeger, maar toch ga ik proberen om morgen met een beetje magie wakker te worden. Ontvankelijk alsof ik tien jaar oud ben geworden.

Dan zou ik me zomaar eens heel jarig kunnen gaan voelen.

_dsc8340

Ik ben de floep bij mama op schoot, 24 jaar geleden.

Alleen in mijn Nederlandse Slakkenhuis

In Chamonix werd ik regelmatig gek van al die dozijnen Spanjaarden om me heen. We zijn in Frankrijk, dacht ik, laten we Frans spreken. Daar heb ik namelijk mijn best op gedaan.
Maar de dominante taal (in mijn huis, op feestjes, onder vrienden) was Spaans. In het begin van elke sociale affaire werd er wel Engels of Frans tegen me gesproken, maar zodra de groep op gang kwam stond ik systematisch buiten spel. Dan hadden al die mensen waarmee ik afzonderlijk goed kon opschieten een fantastische vibe met zijn allen en had ik het voorrecht daarnaar te mogen kijken. Soms was er een sociaal dier dat me erbij probeerde te betrekken. Soms.
Het maakte me ontzettend boos. Jullie zijn verdomde asociaal, dacht ik vaak. Ik weet dat elk van jullie prima Frans of Engels spreekt, dus waarom in godsnaam doen jullie de moeite niet?
En het maakte me net zo onzeker. Schijnbaar was ik niet van toegevoegde waarde, was ik de moeite niet waard om voor van taal te schakelen.

‘Sorry, ik sta uit’ zei ik vaak tegen vrienden afzonderlijk. Dan was ik te ver in gedachten gezakt om nog in een taal te converseren die me wél eigen was.
Na veel tijd en een hoop gedwongen(!) observatie leerde ik als geen ander hoe ontzettend sterk het groepsverband mensen beïnvloed. Hoe elk individu onder de betovering van een groep komt en alleen nog oor en oog heeft voor wat er zich in de groep afspeelt. Als doofstomme val je letterlijk van de kaart.
Die realisatie maakte me iets minder boos. Ik zag eveneens in dat de situatie uit zichzelf niets zou veranderen en concludeerde dat de oplossing bij mijzelf lag.
Ik moest Spaans leren.

Nu ben ik toevallig voor lange tijd in Catalonië en ik kan je zeggen, het is een interessante onderneming om Spaans te leren in een gebied dat diep in het hart niets van het Spaans wilt weten. Moet ik niet Catalaans leren? – heb ik afgelopen maand vaak gedacht, maar dan sta ik deze winter in Chamonix voor exact hetzelfde probleem. En dus word ik in het dagelijks leven harder buitengesloten dan ooit tevoren (hier spreekt iedereen immers een andere taal dan ik) en leer ik tussen de bedrijven door Spaanse woordjes, die doodstil in een achterkamertje van mijn brein wachten op een Spaanstalig incident.

Ik wou dat ik kon zeggen dat ik er inmiddels aan gewend ben, maar in feite kan ik niet wachten om me weer onder mensen te voegen waarmee ik (in groepsverband) kan communiceren. Het maakt me niet meer onzeker, noch boos, maar vooral eenzaam. Iedereen is zo lief, zo uitnodigend, zo warm, maar op het moment (du moment) dat het gezellig wordt ben ik simpelweg niet bij ze. Dan duurt het niet lang of ik trek me terug in mijn Nederlandse slakkenhuis en hoor het lachen en delen van de anderen weergalmen tussen de wanden van mijn schelp.
Het enige wat ik dan denk is: Waar zijn mijn vrienden. Ik mis zo. Ontzettend. Mijn vrienden.

Tot ‘ie grijs wordt

Ik heb nog twee dagen voordat ik begin met aftakelen. Ik geloof dat iemand me dat eens vertelde, dat je cellen op je vijfentwintigste een beetje achterover gaan leunen. En ik zie het al in de spiegel: kleine rimpeltjes rond mijn ogen.

Iemand anders vertelde me dat de meeste dodelijke alpine ongelukken plaatsvinden bij jonge alpinisten, de onervaren garde van onder de 25. Eerst vertaalde ik dat in: Ok, als ik de 25 haal, word ik oud. Na mijn ongeval werd het meer: Mwah, waarschijnlijk word ik niet ouder dan 25.

Nu de 25 twee nachtjes verder ligt, denk ik dat gewoon op deze planeet aan mijn verjaardagstaart zal zitten. De risico’s waaraan ik me morgen en overmorgen blootstel zijn onschuldig: De bomen langs de piste, de scherpe nagels van de buurkat en een overdosis aan gezond eten.

Ik denk eigenlijk dat mijn 25jarige leven iets gevaarlijker wordt, want ik heb vriendjelief deze winter niet om me langs de gletsjerspeleten en lawinecouloirs te leiden, want die heeft een contract in een superluxe hotel in Zwitserland.
Misschien moet ik mezelf voor mijn verjaardag maar een lawinepiep en een off-piste handleiding cadeau geven.

Hoe dan ook, ik zei eens tegen mijzelf dat ik een groot feest zou vieren de dag dat ik 25 werd, omdat ik dan van de Goden het toppunt van mijn fysiek had mogen bereiken. Het probleem is nu dat al die 25 jaren ertoe hebben geleid dat mijn vrienden en familie zich overal en nergens bevinden en ikzelf luxeleef in een geïsoleerd stadje in Spanje (met de buurkat).
Mijn grootste vrienden hier zijn de ouders en vrienden van Marcel en de duizenden varkens die dagelijks naar het slachthuis aan de rand van de stad worden gebracht (want het dorp is groot geworden met de productie van varkensvlees).

Zijn vrienden beginnen overigens al kaal te worden; het bewijs dat de aftakeling inderdaad toeslaat in de tweede helft van de twintigerjaren.

Het beste aan 25 worden zal dus niet dat grote feest zijn, maar ik heb wel een groot eenmansfeest te vieren. Namelijk: de realisatie van het feit dat ik ontzettend veel zin heb in de volgende 25 jaar. Ik zal een coole oude vrouw worden, zo één waarvan elke afzonderlijke rimpel bevestigd dat het bestaan een zegen is geweest (want eerlijk is eerlijk, mijn bestaat tot nu toe was niets anders) en elke nog blonde tevreden afwacht tot ‘ie grijs wordt.

Schraal materiaal en de grote verleiding

Mijn nieuwe blauwe broek is niet nieuw meer. Soms vergeet ik dat, dan denk ik: Nee Ruby, niets kopen, je hebt net die blauwe broek gekocht. Die kocht ik namelijk vier jaar geleden bij de Bever in Amsterdam. Het blauw is inmiddels vaal groenblauw, als een mossig onderwaterleven door een duikbril. Het eerste seizoen zette ik er drie keer mijn stijgijzers in. Het laatste seizoen heb ik de omtrek van de pijpen gehalveerd, omdat ik er nog steeds regelmatig mijn stijgijzers inzette.
Nu past de broek niet over mijn skischoenen meer. En erin irriteert.
Kortom: Ik mag van mezelf de vale broek vervangen.

Wat een opluchting, want ik voelde me al tijden niet meer cool. Het afgelopen seizoen was het prima om niet-cool over de piste te gaan, want ik wilde zo pretentieloos mogelijk mijn debuut in de skiwereld maken. En dus niet met lichtgewicht bindingen en carbonschoenen en tweedelige GoreTex op de groene piste mijn evenwicht verliezen.
Inmiddels heb ik juist het idee dat een outfit iets kan doen voor mijn zelfvertrouwen. In andere woorden: ik zwicht voor het consumeren, de Ferrari.
Ik moet daarbij zeggen dat ik helemaal gek wordt van tape, touwtjes en elastiekjes om dingen bij elkaar te houden. Als het even kan houd ik liever mijn aandacht bij de afdaling dan bij de afbraak van mijn materiaal.

Maar waar ligt dan de balans? Ik wil zo graag sparen voor dat huis, echt waar, en alle relatief kleine beetjes die ik in mooie dingen stop duwen het huis verder naar de toekomst. Ik kan voor mijzelf nauwelijks meer uitmaken of ik ‘erin trap’ of gewoon iets koop dat ik nodig heb.
Nodig heb in de zin van ‘het bewaken van mijn eigen humeur’, want in feite heb je het allemaal niet nodig. Als je maar zen genoeg bent neem je genoegen met twee houten latten en de wollen trui van je oma. Als je zen genoeg bent hoef je niet eens te skiën.

Goed, ik ben naar de winkel gegaan en heb een Milletbroek en een Monturashirt gekocht, voor het absurde bedrag van 260 tezamen. Het ziet er superfancy uit, ik zou niet opvallen tussen de lichtgewichten van Pierre Menta.
En nu?
Nu droom ik van een geldboom in de achtertuin om al die andere dingen ook aan te schaffen en een imaginair touw om dat huis in de toekomst dichterbij te halen. Nieuwe skischoenen, gordel (ik draag nog steeds mijn allereerste gordel), skistokken, het hele lawinepakket, een gletsjerbril, een horloge met gps, handschoenen, een 30l tas, er is geen einde, er is echt geen einde.

Het is begonnen: Skiseizoen 2016/2017

_dsc9687

Twee avonden geleden stormde het in Olot. Vanachter het woonkamerraam zagen we de lijnen van de bliksem keer op keer de grond in gaan. Micha was nog buiten. Hozen, wind, een ongelofelijk schouwspel gedurende de avond. Na het kalmeren van de storm vond Marcel’s moeder het arme kattebeest op het dakterras. Half haar gewoonlijke taille omdat ze zo doorweekt was.
We hebben haar maar in een dekentje op de verwarming gelegd.

Het eerste wat Marcel deed toen hij gistermorgen opstond was met de verrekijker een blik op de Pyreneeën werpen.
Wit.

Het gekke is dat het heel hard heeft gesneeuwd in Chamonix en we het sneeuwparadijs per ongeluk ontvlucht zijn. Maar nu lag er plotseling sneeuw in de achtertuin en moest er acuut geskied worden. Ik had niet eens de spullen; mijn skischoenen (nieuw: 15 euro op een tweedehandsbeurs) lagen nog in Chamonix en mijn ski’s (40 euro op diezelfde beurs) ter reparatie in een winkel in Olot.
Ik kon de skischoenen van Marcel’s vader (maat 43) lenen. In combinatie met mijn oude ski’s (Scotts, mijn derde paar ski’s in feite: afgedankt door een skiverhuur en opgeknapt door Marcel) had ik in ieder geval een excuus voor als ik het skiën verleerd was.

We waren laat. Om vier uur pikten we buddy Adria op en vertrokken we richting Valtar, een skioord aan de Spaanse zijde van de Pyreneeën.
Adria werd langzaamaan zenuwachtig.
Marcel was hyperactief.

De zon was ruim uit de vallei toen we de parkeerplaats onder het skigebied opreden. Shit, hoe moest dat ook al weer, die peau de foc? Hoe liep je omhoog zonder naar beneden te glijden? Hoe deed je die kickturn? Of, hoe deed je die kickturn met een miniem beetje elegantie?
Kou in mijn luchtwegen. Bevroren vingers, een loopneus, gloeiende wangen, een van de mooiste zonsondergangen die ik heb gezien in de bergen. De lucht achter ons kleurde integraal zonder ons medeweten. We draaiden ons om en zagen het uitzicht in tweeën gedeeld; een knalroze bovenkant en spierwitte onderkant.

En toch, het was eventjes heel dramatisch. Wat had ik nu eigenlijk gedacht, dat ik na een jaar skiën klaar zou zijn voor het gidsenexamen? Was er op zijn minst iets over gebleven van het afgelopen seizoen? Kon ik opnieuw beginnen? De jongens liepen ver voor me, ik kreeg de bochten nauwelijks voor elkaar, hoe zou ik naar beneden gaan? De piste was keihard en spekglad. Frustreer je niet, Ruby, het komt wel.
De schoenen waren zo groot dat ik af en toe naar boven stapte en (bijna) mijn ski’s achterliet.

We stegen tot het einde van de pistes, met een stel verbijsterend mooie vergezichten zolang het donker onderweg was. Boven zette ik alles op daalstand en gleed naar beneden met de ski’s dwars voor me. Voorzichtig. De jongens hadden een technisch probleem met de bindingen, waardoor ik alleen kon zijn met mijn uitdaging. Een bocht. Nog een bocht. Uit balans, nog een bocht. Lange rechte stukken tussen elke bocht. Ik was terug in Januari 2016, concludeerde ik, het niveau van een skiër die zich afvraagt of er communicatie plaatsvind tussen intentie en beweging.
Het kostte me de halve piste om een beetje ritme te vinden. De jongens vlogen me voorbij, totdat Adria zijn ski verloor en we met zijn allen de piste moesten doorkammen naar een eigenwijze ski in het donker.
Ik vond hem in de helling langs een riviertje.
Há, dacht ik, het eerste succes van vandaag.

Die avond laat, thuis op de bank met een kalme Micha op schoot, kregen we een telefoontje van een andere vriend van Marcel. Hij zou de volgende dag om 7 uur richting Valtar rijden en vroeg of we mee wilden. Oef, dacht ik, het skiseizoen is begonnen. Konden we een oplossing vinden voor de te grote skischoenen?
Ja, twee paar dikke sokken en de zooltjes van een ander paar schoenen. Ik zei nog tegen Marcel: ‘Ik weet ik niet of ik dit seizoen weer met afdankmateriaal wil doorkomen. Misschien is het tijd voor een investering. Het is moeilijk genoeg.’ Hij zei: ‘Ruby, volgens mij ben je vergeten dat het skiën leuk is. Laat los dat je goed moet zijn, geniet ervan, dat kun je op n’importe quoi. En binnen een half seizoen zit je op niveau.’

Dus, de volgende dag ploegde ik dezelfde ijzige piste omhoog, met voeten doordrenkt in sokken en een geest die herhaalde: wees hier, wees hier, geen zorgen. We bewogen ons van de piste en klommen richting de top van Bastiments, via een steil ijzig stuk waar Marcel zijn ski’s afdeed en direct onder me meeliep voor het geval ik weg zou glijden. Hoe de fack doen die mensen dit? – dacht ik.
En ik dacht aan Freja, mijn klimzusje die zich heldhaftig tussen de klimmers in Chamonix had gevoegd terwijl ze net haar eerste paar wrijvingsschoentjes had gekocht. Waarom aan haar? Ze was er altijd extreem op gebrand te presteren, want ja, iedereen in haar omgeving klom in de zeven en zij in de vijf. Haar obsessie was presteren. Geniet er nou toch van! – dacht ik dikwijls.
Een sport beginnen te midden van de sterren van die sport (Chamonix), dat kan een uitwerking hebben. Dat is wat ik dacht: Freja en ik lijden onder hetzelfde minderwaardigheidscomplex.

Halverwege de afdaling kon ik me loskoppelen van mijn bewegingen en zelfs van mijn geest.
Wat een vrijheid bleek dat skiën ineens. Wat was de omgeving mooi. Wat was het verschrikkelijk onzinnig om energie aan gedachten te verkwisten in een omgeving die geen gedachten nodig had.
Wat een sport was dat skiën.
Wat mooi dat het seizoen nu eindelijk begonnen was.

_dsc9688