Latest Posts

Dooie Mus

Het leek een mooi bericht vanuit de Oberwalderhütte, die email waarin ze me vroegen of ik zelf skispullen had. Nee,die had ik niet, maar ik had toevallig wel een skidroom en op die toon reageerde ik. Ik zag mezelf leren skiën op de flanken van de Gross Glöckner en dacht steeds: ‘Pfff… dat is wel héél vet’.

Achteraf niet verbazingwekkend, maar al snel reageerden ze met de hoop dat ik ergens anders aan de bak kon komen, want met de recente sneeuwval had ik daar als onervaren skiër weinig te zoeken.

Shit.

Dooie mus.

Ik heb mijn banen opgezegd, mijn kamer onderverhuurd, juni vakkenvrij gehouden, Duits gestudeerd, cursussen afgezegd en met name die vier weken ‘arbeiten’ rotsvast in mijn hoofd gefantaseerd.

Goed kut allemaal.

Maar na een sigaretje en een diepe zucht bleek ik in staat om juni razendsnel met alternatieve plannen in te vullen. Misschien dan toch naar Lake District. Wous de bergen in jagen. Iets eerder optrekken met mijn Wellnessmaatjes. Op fietsbezoek bij een vriend in Slovenië. Duizend lengtes multipitchen, wezenloos projecten, routes volrammen met eigen protectie. Boulderen, deepwatersolo, Spanje, Marokko, weg, vrij en met name arm. Straatarm.

Deels baal ik, maar ik heb zo blijkt een uitgestrekte reserve aan wensen waar mijn fantasie met gemak haar tanden in zet. Het besef van dat laatste maakt mijn blijdschap groter dan mijn teleurstelling ooit zou kunnen zijn.

In andere woorden, mijn dooie mus en ik gaan het avontuur aan.
Alle dooie mussen onderweg zijn welkom zich aan te sluiten. We hebben niet veel geld, maar des te meer plannen. Immer.

Ik wil niet dat er donsjes uit mijn donsjas ontsnappen

Een kleine aanvulling op De mode van outdoor

Laatst klom ik een emotioneel zware route op een wand gelegen achter een boel groene begroeiing. Het suikerniveau in mijn bloed was na afloop zodanig geslonken dat ik een vreemd energetische ‘up’ kreeg. Ik was roekeloos en irrationeel. Mijn dure, dure dons hing om mijn schouders terwijl ik door de bosjes rende. Een tak met scherpe doornen, boosaardige tentakels, greep zich in haar vast en mijn hart brak.

2014-05-11 12.06.24Het is niet het bestaan van zulke takken, wat mijn materiaal bedreigt. Het is mijn eigen beschermend vermogen, in klimcontext immer fluctuerend. Als ik maar moe genoeg raak kan het hele ‘zorgvuldig met materiaal omgaan’ me ofwel geen moer schelen, ofwel buiten mijn rationele vermogens liggen.

Terwijl ik nu verdrietig naar al mijn beschadigde pareltjes kijk vraag ik me af hoe wijs het voor mij is nogmaals aan dergelijke investeringen te gaan. Ik wil niet dat er donsjes uit mijn donsjas ontsnappen. Ik wil geen water rond mijn slaapzak en geen butsen op mijn helm en geen krassen op mijn bril en geen modder op mijn schoenen.
Het is al lastig genoeg om voor mezelf te zorgen. Om niet gebutst en gekrast van de wand te komen. De zorg voor materiaal heeft geen prioriteit. Of ‘t moet ijzersterk zijn, of ‘t moet kapot mogen: Anders mag ik er geen cent meer aan besteden.

Begaan

De rots ziet er onbegaanbaar uit. Ik lees veel over rotsen die er onbegaanbaar uitzien, rotsen waar ik over lees zijn altijd deel van de onbegaanbare selectie. Zou er anders over geschreven zijn?

Rotsen die ik eerder beklom ontleenden hun begaanbaarheid aan hakenreeksen of zichtbare eenvoud.

Maar deze rots is anders. Glad, treeloos,  een kleine crack in het midden waar misschien net een hand in past. Geen haak.  Als de rots geen route rijk was, uitgetekend en gewaardeerd in de topo, zou ik nooit de gedachte hebben gehad hem te beklimmen.

Nu sta ik eronder, zwaar van materiaal en donkere, onbegrijpelijke keuzes.
En vervolgens bega ik de rots. Eerst boulder ik naar een bandje, daarna plaats ik een cam zo hoog als mijn uitgestrekte tenen me brengen, en dan klim ik omhoog. Hop, hop, hop.

‘Als je zoiets kan beklimmen’, denk ik beneden…

Als zoiets onbegaanbaars beklimbaar blijkt, hoe begaanbaar zijn dan al die bergen?

(Kleine kanttekening: De rots was relatief onbegaanbaar, in de context van mijn klimvaardigheid, maar in vergelijking met ’t kaliber rotsen van de boeken waarschijnlijk een plateau met reuzecrack om een heel rack in kwijt te kunnen.)

Rennen

De tijd vliegt en ik ben nog nauwelijks door de naamvallen heen. Ik nodig vreemde mensen uit om mijn kamer te bekijken, mijn spullen en veiligheid potentieel het hunne,  terwijl ik de taal van mijn nieuwe onderkomen nog amper beheers. Ik maak paklijstjes en ik gooi ze weer weg, want weet-ik-veel wat ik nodig zal hebben, drie maanden lang, overal. Ik fantaseer en ook mijn fantasieën loos ik, de toekomst ontzien van gewoon geworden verwachtingen. Het enige dat aanhoudt is mijn rennen.

Rennen door de Molukkenstraat, parallel aan de sloot, door het Flevopark en over de kade langs het Nieuwe Diep, onder het geroffel van bouwvakkers en tollende kisten, rennen over de smalle brug en een vreemde verlaten kaarsrechte weg langs voetbalvelden en clubhuizen, rennen door het bakstenen en smetteloze Ijburg, rennen over de brede brug langs het rumoer van een café, en weer de smalle brug, rennen langs het USC, voor en achter tientallen anderen, rennen tot aan huis.

Mochten Oostenrijkers hele nare mensen zijn die gekrenkt worden door Duits gemurmel, en mochten Fransen me toegang tot de Ecrins ontzeggen door mijn gebrek aan een tent, en mocht ik op een bergtop belanden zonder enkel idee of wens of plan, dan kan ik in elk geval rennen.

Rennen langs groene en gele velden en gegons van dikke beien, over het terrein van woeste koeien met vliegen rond hun billen, rennen omhoog totdat ik hap naar adem en omlaag zo steil dat ik zeker mijn eigen benen niet bijhoudt, rennen langs dieptes en riviertjes die zich splitsen en splitsen en splitsen, rennen door de schaduw van bossen en het kwetsende licht van de zon, rennen over smalle paadjes, gladde hellingen, zompige weilanden, alleen, rennen en verdwalen in dorpjes die ik niet op de kaart vindt, rennen tot aan huis.

Oberwalderhütte

Gedurende juli en augustus plunder ik vakkundig mijn rekening. Het hele jaar spaar ik grote bedragen (een soort van) en vervolgens verkwist ik ‘t in absurd korte tijd aan milkataarten, treintickets en campingplaatsen. Spontane BBQ’s, mountainbikehuur en warme chocolademelk.

Nu heb ik het voor elkaar gekregen juni vakkenvrij te houden en moet ik mijn spaarrekening over drie maanden verdelen. Ik kan bivakkeren wat ik wil, maar als ik enigszins ruimte voor spontaniteit wil inbouwen ga ik het van de zomer simpelweg  niet redden.
Dus ben ik opzoek gegaan naar werkgelegenheid in de Alpen: De berghut. Het Vielen Danke en Gutte Morgen Liebe Leute van de Wiesbadenerhütte klinkt nog vers in mijn geheugen en toont me dat je schijnbaar heel vrolijk op hoogte geld kunt verdienen. Maar dan wel, liever, mooier, in het Frans.
Ik vertoefde me op het internet en kwam er weinig optimistisch vandaan: de combinatie van mijn Frans en Google Translate was slechts toereikend om  de populariteit van de hutten en de eis van volledige taalbeheersing aan me duidelijk te maken; de rest van de informatie ontging me.

Dus gaf ik het op. Ik voorzag een milkataartvrije zomer, een huilend belletje naar mijn ouders dat ik geen trein meer kon betalen (het ik-ga-liften dreigement is uiterst effectief) en gevilde marmotten op een stokje. Tot ik van de winter mijn oorspronkelijke berghutplannen uitte en men met de Oberwalderhütte kwam aandragen. Duits?

Ik won wat extra informatie in (Willem, tnx) en begon aan het schrijven van een uiterst lachwekkende Duitse mail. Bellen was sowieso geen optie. Omdat ik mijn tekst te gênant vond om door een Duitser te laten controleren vroeg ik Fieke om er het een en ander in te schrappen.
Ze schreef de gehele mail over. Alhoewel zij net zulk groot lak aan naamvallen heeft als ik durfde ik deze mail zowaar te verzenden. Een paar dagen later kreeg ik terug dat ik welkom was in juni. (Ik zag zo voor me dat de mail alle collega’s was rondgegaan en ik het vermaak van de dag had gevormd.)

Nu besef ik me terdege dat ik heb gebluft over mijn Duits – Fieke’s Duits is absoluut het mijne niet – en sta ik voor de opgave om binnen een paar maanden Duits te begrijpen en te spreken. Ik heb een oefenboek grammatica aangeschaft en leer, alsof ik nooit op de middelbare school heb gezeten, dat naamvallen temaken hebben met dingen als ‘lijdend voorwerp’ en ‘bezittelijk voornaamwoord’, en dat mijn vaardigheid van Nederlandse zinsontleding zwaar ondermaats is. Maar ik zet door.

Dus als jullie in juni in de buurt zijn van de GrossGlockner, trek hebben in een biertje en een staaltje ijzersterk Duits (-achtig ) willen horen: Kom naar de Oberwalderhütte!

Mooi Plaatje

Laten we even stilstaan bij de wereld.
Niet bij de lelijke wereld, want we beseffen ons allen dat onze confrontatie daarmee geen stilstand benodigd. We kunnen bewegen en dan botsen we er vanzelf tegenaan.

Laten we stilstaan bij de mooie wereld. Die van de zon die over grijze daken piept en kleine Chiwawa’s die over straat hobbelen alsof ze nooit misplaatst zijn. Die van denkende mensen die plotseling moeten lachen en lelijke stelletjes die de allermooiste plaatjes maken.

En nu kunnen we weer verder.

De mode van outdoor

Voor  mijn eerste C1 kreeg ik spullen toegeworpen. Van belang was alleen de zonnebril, rood en snel. En een oranje notitieboekje, dat ik vlak voor de cursus met aandacht uitzocht. Een week lang reisde het mee in de flap van mijn kleine rugzak en richtte ik eindeloos woorden aan mijn moeder. ‘Vandaag was heel leuk en morgen gaan we naar de volgende hut. Papa en Suus vinden het ook heel leuk. Vandaag hebben we soep met een bal gegeten.’

DSC00847

                  Eerste Alpine Outfit

Op mijn eerste Asacweekend werd ‘materiaal’ voor het eerst relevant, maar wist het zich nog niet als concept te onderscheiden van alle andere dingen in de wereld. Ik had mijn oude Uggs, een grijze joggingsbroek en een groot vest van mijn broer aangetrokken. In mijn tas zaten Haribo, Redbull, muziekboxen en een slaapzak van de Decathlon.
Het was koud in Ith. Anna had een expeditievader en zweette zich dood in haar geleende slaapzak, terwijl ik met wijd open ogen de nacht ervoer. Overdag kroop water door de gaten van mijn schoenen. Kou nestelde zich in elke centimeter van mijn ruggengraat. Mijn broek zakte af en moest na elke pas in de toprope opgetrokken worden. Rondom de instructeurs wemelde het van jassen en broeken van dure en mooie stoffen, maar ik had er geen oog voor. Materiaal rinkelde aan hun gordels.

Tegen de tijd dat ik de materiaallijst van de C1 kreeg toegestuurd had ik aardig kennis gemaakt met de mogelijkheden. De mode van outdoor. Felle kleuren en fijne stoffen met lange verhalen over kwaliteit, producten met een praktisch doeleinde, een hang naar al dat licht en onverwoestbaar is, en zo mogelijk een extra drukknop verscholen onder het dekseltje van de Perco om bij nood je leven te redden.

Het verlangen naar kwaliteitskleding diende zich steeds vaker aan. Ik dronk koffie bij Bever en Zwerfkei en liet een knaagdier los in mijn bankaccount, onder het motto ‘in één keer goed’. Goretex en Softshell en G1000 en Windstopper. Ik had geen idee, dus ik liet het goede bepalen door de wijzen van de Asac en de ‘slimme’ van de winkel. Ademend, isolerend, zwetend, wandelend, vliegend, magisch, mythisch.

Duur.

Alpine Outfit nummer 2

Alpine Outfit nummer 2 – (de helft geleend) Met als topstuk vader’s zonnebril

Na het eerste jaar wist ik dondersgoed dat ik nog niet rond was. Spaar ze alle…(?), ik mankeerde tenten, thermosflessen, gasflessen, ijsboren, pikels, tarps, bivakzakken, thermobroeken, handschoenen, camelbags, donsjassen, bijlen, katrollen, grigri’s, lawinepieps en lakenzakken. Laat staan eigen protectie. Mijn rack bestond uit drie nutjes: Een rode, groene en donkerblauwe.

Nu ik halverwege mijn derde klimjaar zit luister ik nog steeds met verbazing naar conversaties over materiaal en voel ik me wederom de idioot met de Uggs en joggingsbroek die nog nooit van Primaloft heeft gehoord. Ongelovig tuurde ik van de winter naar een paar drytoolschoentjes en poogde ik verwoed om treffend te formuleren wat een absurde eenheden die dingen vormden. De gedachte om het aan een klimleek uit te leggen wekte alleen maar hilariteit.
Maar ik heb ook aan wijsheid gewonnen: Alleen een tocht, een beklimming, een eigen avontuur kan me vertellen of ik het juiste aan materiaal heb aangeschaft. Daarbij, waar ik eerst geneigd was iemand met leipe Goretexcapriolen en gordels vol ijzerwaar als topalpinist te classificeren herken ik nu het soort klimmer met teveel geld.
En er bestaat ook zoiets als ‘luxe’, waar een simpel extra laagje volstaat, en iets als ‘lenen’,  waar het geld beter aan warme choco op hoogte besteed kan worden.

Sinds outdoormateriaal twee jaar geleden stilletjes mijn bewustzijn binnen is getreden, heeft een deel zich ook weer naar het onbewuste begeven. Ik betrap mezelf regelmatig op verbazingwekkende keuzes van een kleur boven kwaliteit, een voorliefde voor een bepaald merk en een ongegrond idee van hipheid van het een of ander. Voor ik weer het knaagdier loslaat moet ik bij mezelf te rade gaan waarom ik werkelijk iets wil; voor ik 300 euro in een imago steek.
Soms waan ik me weer terug in Heemstede en lijkt Maison Scotch vervangen door Arcteryx, de Ipad door GPS-achtigen en Maison de Bonnetrie door de Bever. Waarom een pikkel van Grivel: omdat dat hij goed is, of omdat hij geel is? Waarom een dons: omdat ik er één nodig heb, of omdat ik er nog geen heb?

Expeditie ‘hip de berg over’. Mijn boodschappenlijst bestaat voor nu uit een brander, een alpienbroek, een pickel (tsjah, ga ik nou voor geel?) en eventueel een tent.
Misschien een oranje notitieboekje, zodat ik mijn moeder kan vragen om geld voor een broek bij de H&M. Dan kan ik ook het dagelijks leven fatsoenlijk door.

Voorklimcursus

USC. De twaalf deelnemers van de voorklimcursus vallen bij bosjes uit de wand en ik ben hun instructeur (in opleiding). Ik zet alles op alles om me als zodanig op te stellen, maar ik moet mijn houding bewust blijven corrigeren. Wanneer een cursist naar me toekomt en vraagt waar setjes liggen, denk ik in eerste instantie: ‘Weet ik veel, vraag een instructeur.’

Zelf in opleiding @USC

          Zelf in opleiding @USC

USC gaf gelegenheid aan mijn eerste sportklim in ASAC-context, wat zich manifesteerde als esthetisch onverantwoord omhoog trekken en de vraag wat de lol hier dan weer van was. Gedurende mijn opleiding tot zelfstandige klimmer kon ik grenzeloos ontspannen als de recalcitrante consumerende weet-niets en ziet-wel. Veiligheid werd bepaald en in de gaten gehouden. Touwen en setjes kwamen op pootjes aangelopen. Grepen groeiden uit de wand in hun van nature logische sequentie.

Nu de groep cursisten zich leergierig voor me opstelt voel ik het conflict als een duiveltje op mijn schouder. USC als gebouw neemt gevoelsmatig elke grote verantwoordelijkheid weg, omdat ik er op significante momenten altijd onder anderen functioneerde. Een Jesper of Bas in de ruimte doet het duiveltje gieren, want dan helemaal schippert mijn positie tussen leidinggevende en consument.

Wanneer ik iemand corrigeer twijfel ik een kort moment aan mijn recht van spreken. Maar wanneer deze zich weer naar wand trekt  en het esthetisch onverantwoorde zeulen voortzet, weliswaar veilig, word ik me bewust van mijn eigen ontwikkeling en voel ik mijn positie een greintje stabieler worden.

Ik heb een nieuwe droom

Ik sluit mijn ogen en ik waan me ergens, op een plek, op het juiste moment en het liefst voor eeuwig.

Mijn dromen zijn meestal niet vluchtig van karakter. Zolang ik veilig studeer kan ik mijn dromen tot de essentie van mijn wezen uitroepen (studeren ontneemt me namelijk elke mogelijkheid tot het realiseren van dromen en dat is gunstig, want dan kan ik ze aanhouden), en dus moeten mijn dromen, in het kader van mijn eigen gemoedsrust, vrij solide zijn.

Alhoewel mijn nieuwe droom niet indiceert dat ik al mijn oude laat varen, ben ik toch verontrust. Stel, je wordt op een ochtend wakker in kamp 2 van K2, gevangen in een felgekleurde slaapzak, en het eerste dat je constateert (ondanks storm en verdwenen expeditiegenoten) is de aanwezigheid van de droom om barista te worden: vindt dan maar eens een koffiemolen.

Misschien moet ik dromen onderscheiden van fantasieën, op basis van hun duur, intensiteit en zelfs realisatiepotentieel. Maar dat ontdoet een droom van zijn charme, immers een droom is een droom omdat het een droom is! Omdat hij zich nog voor je vijfde levensjaar met idiote willekeur aan je opdrong en per dag het kroontje van Miss World dieper in je gedachten is gegroefd. Omdat, telkens wanneer iemand zegt ‘Dude, waar denk je aan’ of ‘ze zit weer eens te staren’, hetzelfde riedeltje over schapenweides en palmbomen door je hoofd schiet. Omdat er altijd iets in de weg staat tussen jouw en George Clooney, maar als je een miljoen kreeg…

Een droom valt niet rationeel te onderscheiden van wat dan ook.

Ik heb een idee: Wanneer ook maar de kleinste toegang mogelijk is tot je droom, zou je hem koste wat kost moeten willen realiseren – anders verdient het de droomstatus niet. Hoeveel dromen houd ik dan over? Ben ik wel tot grote offers bereid? Heb ik niet, stiekem, al duizend toegangswegen?

Ik ben geneigd te concluderen dat ieder zelf bepaald of een droom werkelijk een droom is (in zover er ‘droom’ bestaat), of hij of zij zichzelf voor gek houdt en hoe erg dat laatste in wezen zou zijn. Toch verandert dit niets aan mijn zorgen: Ik kan nog steeds op ochtend wakker worden met een totaal nieuwe droom waarvan ik met zekerheid moet vaststellen dat het een droom is. Gij groot dromenwezen, gij zult een huis bouwen!

Ik wacht het nog even af.

DSC02285

(Zo’n huis moet haalbaar zijn, toch, Fiek?)

Oninteressant

Ik kan niets meer posten, omdat ik alleen nog over de bergen schrijf. Voor niemand is dat interessant, zelfs ik verlies interesse. Acht keer op poëtische wijze de vreemde magie van bergen formuleren maakt het ene woord nog krachtelozer dan het andere. Het hele ‘waarom’ of ‘hoezo dan’ is zo uitgemolken dat ik bereid ben de bergen en hun consequente impact als een feit aan te nemen. Vriendschap, liefde, vrijheid… bergen.

Toch blijft schrijven een aantrekkelijke aangelegenheid: het herhaaldelijk uitspreken en opschrijven van verlangens geeft een beetje bestaansrecht aan dat willekeurige feit dat de bergen nu eenmaal vormen.
Kon ik maar mijn studie uitwissen. De schuld, de verplichtingen: het hele traject als van de aardbodem verdwenen, met alleen een grote stapel boeken die achterblijft. Hoe sneller het einde nadert, hoe ongeduldiger ik word. De verleiding van de Alpen, andere landen en avontuur stijgt exponentieel, en zelfs al kan ik vaak de hort gaan: geen enkele trip die een einde in zich draagt is bevredigend.
Nu lijkt het alsof ik mijn leven radicaal zou willen veranderen om maar de honger naar de bergen te stillen en lijkt ook hun air van feitelijkheid gerechtvaardigd, al is het maar door mijn opgeschreven verlangen en bereidheid er veel voor op te geven.
Maar dan: ik ken geen leven zonder studie. Misschien ervaar ik het alsof ik mijn reden van bestaan in Nederland achterlaat en kom ik met hangende pootjes terug. Misschien dringt de vrijheid geleidelijk nieuwe verplichtingen aan me op, misschien zijn de bergen me geen flikker waard wanneer ze binnen de mogelijkheden vallen, misschien kick ik wel eindeloos op eindeloos verlangen en is het vooral zaak dat in stand te houden. Misschien ben ik een incapabele avonturier.

De oneindige herhaling van twijfel en bevestiging, nee, het is niet meer interessant. De studie valt niet uit te wissen en ik zal mijn bakkes over haar buigen zodat ik in elk geval over een jaar, alles in één klap, kan uitproberen. De posts die in 2015 verschijnen zullen wezenlijk interessanter zijn, omdat er in elk geval een ‘ware’ realiteit aan te pas komt, één die verder gaat dan ‘kon ik maar’ en ‘als ik nou’. Maar vergeef me als ik toch nog acht keer de vreemde magie van de bergen probeer te omschrijven, ik kan niet anders. Ik vrees dat ze precies daarom magisch zijn.

IMG_1357wm